Part 10
2. op hout groeiend:
a. Plaatzwammen: zie No. 117, 158. b. Gaatjes- en andere zwammen: zie No. 150, 153, 158, 173, 180, 191, 178, 190.
C. Geel:
1. op den grond groeiend: zie No. 254, 32, 33, 248, 72-75, 7, 20. (zie verder ook vorige rubriek). 2. op hout groeiend: zie No. 8, 187. (zie verder ook vorige rubriek).
D. Geel met purperrood: zie No. 114. E. Wit of witachtig:
1. Plaatzwammen: zie No. 112, 27, 242, 44, 215, 48, 49, 66, 67, 69, 84, 216, 266, 267, 268, 130, 131, 263, 264, 223, 126, 26, 25, 195, 122. 2. Andere zwammen: zie No. 226, 174, 175, 171, 168, 236, 271, 181, 158. F. Groen, (grijs-geel of blauw-groen): zie No. 37, 55, 59, 76, 77, 222, 231, 139, 15, 29, 34. G. Paars (wit-paars-lila) of violet: zie No. 29, 30, 198, 216, 94, 228, 229, 159, 86. H. Rose: zie No. 204, 197. I. Zwart (of zeer donker bruin-groen)
1. op den grond groeiend: zie No. 64, 68, 11, 14. 2. op hout groeiend: zie No. 182, 9, 16, 17, 153.
XVIII. Paddenstoelen opvallend door geur naar:
A. Anijs:
1. Plaatzwammen: zie No. 37, 38, 127. 2. Gaatjeszwammen: zie No. 174.
B. zeep: zie No. 34. C. meel: zie No. 26, 35, 43, 215. D. knoflook: zie No. 213. E. radijs: zie No 216, 95, 90. F. abrikozen: zie No. 206. G. rauwe aardappelen: zie No. 24, 25. H. zwavel-dioxyd (brandende zwavel): zie No. 32. I. foenegriek: zie No. 249, 251. K. bitterkoekjes (blauwzuur): zie No. 70, 41, 209, 211. L. walchelijke aasstank: zie No. 231.
XIX. Paddenstoelen opvallend door smaak (niet inslikken).
A. bitter: zie No. 138, 139, 98, 216, 247, 91. B. scherp: zie No. 70, 72, 73, 75, 83-87, 57, 59, 63, 65, 67, 207, 210, 128.
XX. Paddenstoelen opvallend door sterke blauwkleuring van 't vleesch: zie No. 100, 105-109.
XXI. Door roodkleuring van 't vleesch: zie No. 21, 68, 34, 109, 97, 98, 110.
XXII. Melksapgevende paddenstoelen: zie No. 56-68, 203.
XXIII. Geleiachtige paddenstoelen: zie No. 9, 15, 172, 177-180, 181, 182.
XXIV. "Heksenkringen" vormende paddenstoelen: zie No. 209-212, 40, 43, 44, 26, 29, 261, 255.
XXV. Gesteelde, in dichte bossen bijééngroeiende paddenstoelen (zie fig. 61).
1. op den grond groeiend: zie No. 209-212, 142, 266, 267, 34, 141, 126, 145, 249, 44. 2. op hout groeiend: zie No. 116, 117, 112-115, 132-135, 119, 122, 138-143.
XXVI. Ongesteelde (of kortgest.) dakpansgewijze of in dichte bossen bijééngroeiende paddenstoelen (zie fig. 70-74).
1. Plaatzwammen: zie No. 128, 143, 123. 2. Gaatjes- en andere zwammen: zie No. 4, 5, 150-153, 155, 156, 158-162, 171, 183-188.
XXVII. Paddenstoelen opvallend door bijzonderen vorm:
1. op den grond groeiend: zie No. 10-13, 225-235, 254-259, 277, 278. 2. op hout groeiend: zie No. 16, 17, 170, 176, 177, 188, 189, 192. 3. op dennenkegels groeiend: zie No. 243, 252. 4. op doode rups of cocon groeiend: zie No. 18.
TABEL TOT HET BEPALEN VAN DE GESLACHTEN EN SOORTEN DER ASCOMYCETEN OF ZAKJESZWAMMEN.
(Plaat 1 fig. III, IV en V).
I. Op doode rupsen of poppen groeiend, knotsvormig, geel of rood: Córdiceps militáris (fig. 45) No. 18.
II. Op de aarde, hout, stronken enz. levend:
1. Paddenstoel uit hoed en steel bestaande, op de aarde groeiend.
a. H. als een gesteelde spons, St. glad of flauw geribd: Morchélla esculénta, (plaat 1, fig. IIIa en fig. 20). No. 12 b. H. gevormd uit onregelmatige gelobde lappen, St. met groeven en ribben: Helvélla's (pl. 1 fig. IV en fig. 40, 41). No. 10 en 11. c. H. vingerhoedvormig: Vérpa digitalifórmis (pl. 1 fig. Vd). No. 13 d. H. glibberig, slijmerig, groenachtig geel, darmvormig gekronkeld: Leótia lúbrica (fig. 43). No. 15
2. Paddenstoel in den vorm van een beker, schoteltje of knoop:
a. P. ju-jubesachtig, knoopv., zwart, op hout: Bulgária ínquinans. No. 9 b. P. beker- of schotelv., meestal helder gekleurd, op de aarde: Pezíza's (plaat 1 fig. Va). No. 1-9
3. Paddenstoel spatel-, knots- of geweiv., zwart, taai:
a. op de aarde groeiend: Geoglóssum glábrum (fig. 42). No. 14 b. op hout groeiend: Xylária's (fig. 44). No. 16 en 19
Meest voorkomende soorten der Ascomyceten of Zakjeszwammen.
Pezizazeën, Bekerzwammen (Plaat 1 fig. Va).
[Pezíza.]
No. 1. P. aurántia. Groote oranje bekerzwam.
Vruchtlichaam beker- of napvormig tot 8 cM. breed, van binnen levendig oranje gekleurd, van buiten lichter en berijpt, kortgesteeld, eenigszins vleezig. In groepjes bijééngroeiend, op zand- en leembodem. Najaar in 't O. en Z. vr. a.
No. 2. P. fusispóra. Kleine oranje bekerzwam.
Kleine, tot 2 cM. breede schotelvormige, eenigszins vleezige, zeer kort- of ongesteelde schijfjes of napjes van een oranje- of menieroode kleur, met gladden rand, middenin iets geplooid. In dichte groepjes bijéén, meest in mos. Herfst vr. a.
No. 3. P. scutelláta. Harige bekerzwam.
Kleur als vorige, doch niet grooter wordend dan 1, 2 cM. en aan den rand van het bekertje (later schijfje) met een rij stijve, opstaande, zwarte haartjes. In troepjes bijéén van voorjaar tot Herfst in 't O. en Z. vr. a.
No. 4. P. vesiculósa. Vroege bekerzwam.
Tot kleine zoden vergroeide, kort of niet gesteelde bekers of napjes, die 2-12 cM. breed worden, met meestal gekerfden en ingescheurden rand. Kleur van binnen donkerbruin-geelachtig, van buiten lichter en fijnvlokkig bestoven. Op zandgrond, ook in kassen. Mei-Sept. vr. a.
No. 5. P. bádia. Groote bruine bekerzwam.
Eerst napvormig, later meer uitgespreid schotel- of oorvormig in troepjes bijéénzittend, van buiten en binnen meest donkerbruin, bros en wasachtig tot 12 cM. Zomer-Najaar vr. a.
No. 6. P. hemispháerica. Kleine bruine bekerzwam.
Napjes- of bekertjesvormig met eerst ingerolden rand, later uitgespreid, van buiten bruin en stijfharig, van binnen licht-grijs, tot 1.5 cM. breed. Eenzaam of in kleine troepjes op de aarde, hout en plantenafval. Herfst vr. a.
No. 7. P. onótica. Varkensoortjes.
Oorvormig, kraakbeenachtig, gesteeld, in groepjes bijéén (soms eenzaam), okergeel, soms licht-roodachtig, bij ouderdom bruin wordend, tot 13 cM. hoog. St. ongelijk, eenigszins geribd, meest onderaan donzig. Zomer-Najaar vr. a. e.
No. 8. P. fructigéna. Eikeldopzwam (fig. 39).
Kleine, gesteelde, gele schijfjes vr. a. voorkomende gedurende Zomer-Najaar op leege eikeldoppen, hulsels van beukenootjes enz.
[Bulgária]
No. 9. B. ínquinans. Zwarte knoopzwam.
Knoopvormig, ju-jubesachtig, zwart of donkerbruin, in groepjes bijéén, zittend of kortgest. tot 3 cM. breed. Op dood hout van eiken en beuken het geheele jaar door a.
Helvéllaceën Helvellaächtigen (Pl. 1 fig. III, IV en Vd).
[Helvélla.]
No. 10. H. críspa. Witte kluifjeszwam. (fig. 41).
H. wit tot geelachtig, dunvliezig, uit onregelmatig gelobde lappen bestaande, die tegen den steel aan gelegen zijn, 2-5 cM. breed. St. aan den voet soms iets buikig, gegroefd met diepe en ondiepe voren, wit of geelwit tot 8 cM. hoog. Meestal in meerdere exemplaren bijéén. Voorzomer-najaar vr. a. e. (Zie Helvella-zuur, morieljes).
No. 11. H. lacunósa. Zwarte kluifjeszwam. (fig. 40).
Als vorige, doch de H. zwartachtig donkergrijs en de St. grauwgrijs, meestal kleiner exemplaren. Deze soort is meer algemeen dan de vorige, e.
[Morchélla.]
No. 12. M. esculénta. Morielje. (Pl. 1. fig. IIIa en fig. 20)
H. eivormig of langwerpig met gaten als een spons, okerkleurig of bruin, soms roestkleurig of zwartachtig gevlekt, tot 12 cM. breed. St. geelachtig wit, soms iets gegroefd, onderaan meestal gezwollen. Onder iepen, populieren, eiken enz., ook wel in de kale duinen. April-Juni plaatselijk vr. a. e. (Deze padd. mag nooit rauw gegeten worden, daar hij, evenals de Helvella's, een giftig zuur, het helvellazuur bevat, dat vluchtig is en bij koking onmiddellijk verdwijnt.)
[Verpa.]
No. 13. V. digitalifórmis Vingerhoedje (Pl. 1, fig. Vd).
H. vingerhoedvormig, van buiten geelbruin, van binnen lichter, eenigszins gerimpeld, geplooid, 3-5 cM. breed, slechts aan den top met den steel verbonden. St. geelachtig-wit, rolrond, poreus met fijne korreltjes bedekt, 3-6 cM. hoog. Voorjaar, plaatselijk vr. a. e.
[Geoglóssum]
No. 14. G. glábrum. Aardtong (fig. 42). Spatel- of tongvormig, bovenaan zwartbruin en dof, onderaan witachtig, in groepjes bijeen, buigzaam, tot 7 cM. hoog. Zomer-najaar vr. z.
G. hirsútum, als vorige, is echter met ruige haren bedekt.
[Leótia.]
No. 15. L. lúbrica. Groene Glibberzwam (fig. 43).
H. glibberig, iets doorschijnend groen-geel of geelbruin, bol of gewelfd met darmvorm. gekronkelden, ingerolden rand; iets van den steel afstaande, tot 1.5 cM. breed. St. geel of groenachtig, kleverig, hol, tot 8 cM. hoog. In groepjes bijéén. Najaar-winter vr. a.
Pyrenomyceten. Kernzwammen.
[Xylária.]
No. 16. X. hypóxylon. Gewei-zwam (fig. 44).
Geweiachtig vertakt, taai, houtig, meestal plat, van boven wit bestoven (door conidiën) van onderen zwart, stijfharig. Dáár bevinden zich de peritheciën of ascusvruchten; tot 10 cM. hoog. Op hout of aan palen, stronken enz. het geheele jaar door. aa.
No. 17. X. polymórpha. Knotszwam.
Kurkachtige of houtige in dichte groepjes bijéén-groeiende knotsjes, zeer onregelmatig van vorm; vinger-, spoel-, eivorm. of kogelrond, dikwijls handv. vertakt, tot 12 cM. hoog en 2.5 cM. dik, leikl. of bruin-zwart (op doorsnee wit), geheel met fijne wratjes (de peritheciën) bedekt. Groeiplaats als vorige. Herfst-Voorjaar vr. a.
[Córdiceps.]
No. 18. C. militáris. Rupsendooder (fig. 45).
Oranje-roode zwammetjes in den vorm van een knotsje, 3-6 cM. lang. Het bovenste deel is het dikst, eenigszins huzaren-mutsachtig en fijn-wrattig. Hierin bevinden zich de asci. Naar onderen zet het zich voort in den dunnen en gladden steel. Graaft men het zwammetje voorzichtig uit, dan blijkt het te zitten op de leege pop of op de doode rups van een bepaalde vlindersoort v.n.l. op die van Agrotis pronuba (hooivlinder.) De levende rups wordt door de zwam geïnfecteerd, die daarin ten koste van haar gastheer haar vruchtlichaam opbouwt. Najaar vr. a.
TABEL TOT HET BEPALEN VAN DE FAMILIES DER BASIDIOMYCETEN OF STEELTJESZWAMMEN.
(Plaat 2, fig. I-XVII).
Buikzwammen--Gasteromyceten. (zie ook tabel blz. 215).
A. Onderaardsch groeiende, bij rijpheid boven de aarde komende, op kleine aardappels gelijkende paddenstoelen:
Schijntruffels--Hymenogastreën (fig. 103) zie No. 241.
B. Paddenstoel ter grootte van een kippen- of duivenei uit den grond komende; daaruit groeit een vingerhoedvormige hoed, gezeten op een langen, witten, poreusen steel. Het ei blijft als een zak het ondereinde van den steel omgeven:
De rijpe p. verspreidt meestal een walgelijken stank.
Stinkzwammen--Phalloideën. (Plaat 2, fig. XIV). Zie No. 231 en 232.
C. Kleine op de aarde of op hout groeiende paddenstoelen, in den vorm van een bekertje of vogelnestje, waarin op eitjes gelijkende witte, ronde schijfjes:
Nestzwammen--Nidularieën. Zie No. 233 en 234. (Plaat 2, fig. XVb en fig. 84).
D. Paddenstoelen, die als men er tegen aan stoot een wolk van bruin poeder doen omhoog stuiven. Papier- of leerachtige soorten, van peer-, bol- of stervormige gedaante, veelal meelachtig bestoven of met wratten en stekels bezet:
Stuifzwammen--Lycoperdaceën. Zie blz. 216. (Plaat 2, fig. XVa en XVI en fig. 99).
E. Paddenstoelen die op geen der vorige soorten gelijken:
Vlieszwammen--Hymenomyceten. (Plaat 2, fig. I-XIII).
Deze groep, waartoe de meeste der in Nederland groeiende soorten behooren, wordt verdeeld in de volgende families:
1. Hoed aan de onderzijde met plaatjes (lamellen fig. 11 en 53). Op den grond en ook op hout (boomen, stronken, palen enz.) groeiende, meest vleezige paddenstoelen:
Plaatzwammen--Agaricaceën. Zie tabel blz. 165 en blz. 219. (Plaat 2, fig. I-IX en plaat 3-6).
2. Hoed aan de onderzijde met groote of kleine gaatjes of poriën (bij doorsnede buisjes Pl. 2, fig. IX en X). Vleezige, gesteelde op de aarde, maar meest taaie, houtige, ongesteelde op boomen en hout groeiende soorten:
Buisjes- of Gaatjeszwammen--Polyporeën. Zie tabel blz. 235 en blz. 207 (Plaat 2, fig. IX en X).
3. Hoed aan de onderzijde met stekels (fig. 104). Meest gesteelde, taai-vleezige op de aarde of op dennenkegels groeiende soorten: Stekelzwammen--Hydnaceën. Zie No. 248-254. (Plaat 2, fig. XI).
4. Hoedonderzijde, die dikwijls naar boven gekeerd is, (fig. 9) glad of ten hoogste gerimpeld. Leerachtige of houtige, meest ongesteelde op de aarde of op hout groeiende soorten in den vorm van een korst, schelp of trechter:
Korstzwammen--Telephoraceën. Zie tabel blz. 259 en No. 225 en 258 (Plaat 2, fig. XIII).
5. Geen duidelijk onderscheid tusschen steel en hoed, paddenstoel in den vorm van een koraal, knots of spons. Wasachtig-vleezige, meestal op de aarde groeiende soorten:
Koraalzwammen--Clavariaceën. Zie blz. 261 en de No. 226-231 (Plaat 2, fig. XII). (Zie ook Telephoraceën).
6. Geleiachtige, gekroesde, alleen op hout groeiende paddenstoelen:
Trilzwammen.--Tremellaceën. Zie tabel blz. 257 (fig. 82).
AARDZWAMMEN-TABELLEN.
1. Op andere paddenstoelen groeiende soorten: Collýbia tuberósa No. 88. Nýctalis asteróphora (fig. 53). Bolétus parasíticus (fig. 101). Niet zoo: 2
2. P. met een ring en beurs (zak of knol): a. Pl. wit: Amaníta zie tabel blz. 175 en Lepióta No. 193-197 en 276 (Plaat 2, fig. I en II). b. Pl. rose: Volvária No. 259 (Plaat 4 fig. 15). (zie ook Amaníta rubéscens No. 21). P. alleen met een beurs: a. H. bruinrood of grijs: Amaníta vagináta No. 19. b. H. geel: Amaníta junquíllea No. 20 (fig. 46). P. zonder beurs, met een ring: Groep I blz. 166. (Plaat 2, fig. VII). P. met een z.g.n. "gordijn" of "cortina": Groep II blz. 167. (fig. 14). Geen van deze kenmerken: 3
3. Pl. bij kneuzing een wit of gekleurd melksap uitdruppelend: Melkzwammen Lactárius blz. 191. (Plaat 2, fig. V). Niet zoo: 4
4. P. die spoedig tot een inktachtige massa vervloeien: Inktpaddenstoelen: Coprínus Nos. 142 en 266-270. (Plaat 2, fig. VIII). Niet zoo: 5
5. P. met plaatjes die op den steel afloopen: Groep III blz. 167. (Plaat 2, fig. VI en pl. 3 fig. 5 en 10). Niet zoo: 6
6. P. met een dunnen of dikken, taaien, buigzamen, niet licht breekbaren steel: Groep IV blz. 168. (fig. 87). P. met min of meer vleezigen, breekbaren steel: Groep V blz. 171. (fig. 54).
GROEP I: PLAATZWAMMEN ZONDER BEURS MET EEN RING:
1. Pl. zeer dun, samengepakt, later zwart vervloeiend, H. wit-wollig: Coprínus comátus No. 266. (Plaat 2, fig. VIII en fig. 114). Niet zoo: 2
2. H. en St. blauwgroen, kleverig: Strophária aeruginósa No. 222. (Plaat 5, fig. 32). Niet blauwgroen, al of niet kleverig: 3
3. H. klein (1.5-2.5 cM.) geelachtig ± halfbolv. Op mest en bemesten grond, meest in groepjes: Strophária semiglobáta No. 265. H. grooter, wit of geel, ten slotte vlak: 4
4. Pl. eerst wit, of rose, dan ± zwart: Psallióta No. 221 en 263-265. (Plaat 2, fig. VII). Pl. blijvend wit, of geel of bruinachtig: 5
5. Pl. zuiver wit (of zeer licht egaal geel of groenachtig): 6 Pl. wit, later vlekkig geel of bruinachtig: Armillária (zie Houtzwammen).
6. Opperhuid met vlokjes, die gemakkelijk zonder de huid te beschadigen zijn te verwijderen: Amaníta blz. 175. (Plaat 2, fig. I en fig. 13). Opperhuid met schubben of verhevenheden, die daarmede zijn vergroeid. Meestal echte parasolzwammen: Lepióta No. 193-197 en 276. (Plaat 2, fig. II en fig. 85).
GROEP II. PLAATZWAMMEN MET EEN GORDIJN OF CORTINA. (FIG. 14)
1. Pl. dik en grof, afloopend, wit-grijs of rose-achtig, later zwart door de sporen (vaak groen door schimmel), aanv. een slijmerig-vliezig gordijn: Gomphídius. No. 244-247. Pl. noch dik, noch grof en afloopend: 2
2. Pl. spoedig bruin door de bruine sporen of bloedrood: 3 Pl. spoedig grauw-violet-paarszwart door de sporen: Hypholóma (zie Houtzwammen) en No. 223.
3. Goed ontwikkeld gordijn, vooral bij jonge exemplaren zichtbaar, bij oudere meest als bruin bepoederde vezels of kringen op den steel zichtbaar (zie blz. 63): Cortinárius zie tabel blz. 204. (Plaat 5, fig. 25-30). Zie ook Naucoria No. 275. Zeer vergankelijk gordijn, ten slotte hoogstens resten aan den hoedrand: a. H. zijdeachtig, vezelig-schubbig of gespleten: Inócybe. No. 216 en 217. b. H. glad: Hebelóma. No. 218. (Plaat 4, fig. 20).
GROEP III. PLAATZWAMMEN MET PLAATJES, DIE OP DEN STEEL AFLOOPEN. (FIG. 50).
1. Pl. geelachtig, (later bruin), gemakkelijk zonder beschadiging van het hoedvleesch te verwijderen. H. ingerold (fig. 91). Paxillus No. 136 en 220. (Pl. 4, fig. 23). Niet zoo: 2
2. P. geheel dooier- of lichtgeel vleezig. Cantharéllus cibárius. No. 206 (Pl. 2, fig. VI en fig 19). Niet zoo: 3
3. Kleine p. met langen, dunnen steel en komvormige indeuking, pl. uitstaande als de baleinen van een parasol: Omphália fíbula No. 205 (Plaat 3, fig. 8). Niet zoo: 4
4. Pl. dun, wijd uitéén, h. wit, st. zwart; op plantenafval en takjes: Marásmius rótula No. 212 (fig. 90). Pl. dik, wijd uitéén: 5 Pl. dun, dicht bijéén: 6
5. Pl. geel, aderig verbonden, h. met holte in 't midden: Cantharéllus infundíbuliformis No. 208 (fig. 88). Pl. grof, witachtig, rose of loodgrijs, spoedig zwart, (ook groen) wordend, jonge exemplaren met cortina: Gomphídius No. 244-247. Pl. zuiver wit, geel of vuurrood; wasachtige, waterige eenigszins doorschijnende soorten: Hygróphorus. Zie tabel blz. 88 (Pl. 3, fig. 10 en fig. 10).
6. Geheele p. oranje, geel, slap: Cantharéllus aurantíacus. No. 207. Niet zoo: 7
7. Pl. eerst wit, dan vleeschkleurig, vleezig; h. glanzend wit: Clitopílus No. 215 (Pl. 4, fig. 18). Pl. bruin; p. op plantenafval en takjes: Tubária furfurácea No. 135 (Plaat 4, fig. 24). Pl. wit, grijs, lichtbruin of ledergeel; p. op den grond groeiend: Clitócybe, zie tabel blz. 184. (Pl. 3, fig. 5).
GROEP IV. PLAATZWAMMEN MET EEN TAAIEN, BUIGZAMEN STEEL.
1. St. niet dikker dan pl.m. 3 mM. 2 St. dikker dan pl.m. 3 mM. 13
2. Pl. wit of grijsachtig: 3 Pl. rose, rose-rood of paars: 7 Pl. bruin: 8 Pl. zwart of bijna zwart: 10
3. Pl. afloopend, zie Clitócybe (blz. 184) en Omphália No. 205. Pl. niet afloopend: 4
4. St. zeer lang in vergelijking tot h. (soms breekbaar) H. kegel-klokvormig: Mycéna No. 202 en 204. (Plaat 3, fig. 7). Zie ook Bolbítius No. 262. St. niet zoo lang, h. plat: 5
5. H. met zemelige vlokjes, geel of bruinachtig: Lepióta granulósa. No. 196. H. kaal: 6
6. Vochtige, rottende soorten, steel bovenaan, dikwijls afgeplat: Collýbia No. 199 en 200. (Plaat 3, fig. 6). Opdrogende niet rottende soorten: Marásmius No. 209-215, (Pl. 4, fig. 13 en fig. 25).
7. Pl. eerst grijs, dan rose. H. grijs of bruinglanzend: Nolánea páscua No. 260. Zie ook Mycéna. (Plaat 4, fig. 17). Pl. dadelijk rose, rozerood of bruinrood: Laccária laccáta. No. 197 (fig. 87). Pl. paars: Laccária laccáta, var. amethysthina No. 198 (fig. 23).
8. Voorjaarsp. H. stroogeel, soms kleverig. St. soms met overblijfsel van ring: Pholióta práécox No. 261. Niet zoo: 9
9. St. lang, H. droog: Galéra hypnórum. No. 219. (Plaat 4, fig. 21). St. lang. H. kleverig: Bolbítius vitellínus No. 262. (Pl. 5, fig. 29). St. niet lang, pl. afloopend. Zie: Tubária furfurácea No. 135.
10. Pl. met witten rand, H. klokvormig: Panáéolus campanulátus. No. 270. (Pl. 5, fig. 35). Pl. niet met witten rand: 11
11. Teere soorten, pl. niet vervloeiend: Psatyrélla dissemináta. No. 141. (Pl. 5, fig. 36). Teere soorten, pl. vervloeiend: 12
12. In dichte zoden, pl. zwart: Coprínus micáceus. No. 142. Eenzaam of in kleine groepjes, pl. violet-zwart: Psathýra corrúgis. No. 224. (Plaat 5, fig. 33).
13. Pl. afloopend, geel, aderig verbonden, H. met trechtervormige holte: Cantharéllus infundíbuliformis. No. 208. (fig. 88). Pl. afloopend wit of grijsachtig: Clytócybe. Zie tabel blz. 184 (Plaat 3, fig. 5). Pl. niet afloopend: 14
14. St. bovenaan afgeplat, onderaan meest vlokkig: Collýbia butyrácea. No. 199. St. bovenaan niet afgeplat: 15
15. H. kegelklokvormig, geel, rood of bontgroen, wasachtige, eenigzins doorschijnende soorten: Hygróphorus. Zie tabel blz. 188. Niet zoo: 16
16. St. wit, lang, eenigszins gedraaid, pl. eerst wit dan rose: Plúteus cervínus. No. 129. (Pl. 4, fig. 16). Niet zoo: 17
17. H., st. en pl. éénkleurig, rozerood, roodbruin of paars; pl. wijd uitéén, wit bestoven: Laccária laccáta. No. 197 en 198. Niet zoo: 18
18. Pl. grijsachtig-violet, dichtbijeen, h. bruin-paars: Tricholóma sórdidum. No. 30. Pl. kaneelbruin of bloedrood. Cortinárius. Zie tabel blz. 204 (Plaat 5, fig. 27).
GROEP V. PLAATZWAMMEN MET MIN OF MEER VLEEZIGEN, BREEKBAREN STEEL.
1. Pl. bij kneuzing melksap gevend: Lactárius. Zie tabel blz. 191. (Plaat 2, fig. V). Niet melkgevend: 2
2. St. en pl. zeer bros. Pl. wijd uitéén, zeer regelmatig: Rússula, zie tabel blz. 196, (Plaat 2, fig. IV, plaat 3, fig. 12 en fig. 54). St. en pl. niet zeer bros: 3
3. H. en st. wit met roode vlekjes: Collýbia maculáta. No. 242. Niet zoo: 4
4. Pl. bochtig aan den steel gehecht (plaat 3, fig. 4), wit, geel, grijs of paars, doch nooit bruin gekleurd. Tricholóma. Zie tabel blz. 180. Pl. bruin: 5
5. H. zijde-achtig, vezelig-schubbig of gespleten: Inócybe. No. 216 en 217. H. kaal: Hebelóma. No. 218.
GROEP IV EN V DER PLAATZWAMMEN NOG TE BEPALEN VOLGENS DE KLEUR DER SPOREN EN PLAATJES.
Pl. blijvend wit, geelachtig of bleekbruin (sporen wit). Afd. 1. Pl. rose of grijs, rose wordend (sporen rose of wit). Afd. 2. Pl. heldergeel, oranje, groenachtig, vuurrood of paars (sporen wit of bruin). Afd. 3. Pl. bruin of bruinwordend (sporen bruin). Afd. 4. Pl. zwart of violet-zwart, of zoo wordend (sporen zwart). Afd. 5.
AFDEELING 1.