Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)
Chapter 9
Ik kwam tot zoover door den aanblik dezer Vrouwe dat mijne oogen begonnen zich al te zeer te verheugen wanneer zij haar zagen; zoodat ik dikwijls mij er over kwelde in mijn hart en mijzelf wel voor zeer laag hield; en nog herhaaldelijker vloekte ik de ijdelheid mijner oogen en zeide tot hen in mijne gedachten: "Vroeger placht ge te doen weenen al wie uwen droevigen toestand zagen en nu schijnt ge dit te willen logenstraffen door deze Vrouwe, die u aanziet, die u echter alleenlijk aanziet voorzooverre zij denkt aan de glorierijke Vrouwe over wie gij placht te weenen; doch wat ge doen kunt doet dat maar, want ik zal u dikwijls genoeg aan haar herinneren, vermaledeide oogen; want nooit, dan slechts na den dood, behoordet ge uwe tranen te doen verdrogen". En toen ik in mijzelf aldus tot mijne oogen had gesproken, besprongen mij wederom zware en bange zuchten. En opdat deze strijd welke in mij gevoerd werd niet slechts alleen bekend bleve aan den ongelukkige die hem gevoelde, nam ik mij voor een sonnet te maken en in hetzelve dezen verschrikkelijken toestand te vervatten, en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: "Gij oogen mijn....",
en het heeft twee gedeelten: in het eerste spreek ik tot mijne oogen zooals mijn hart in mijzelf sprak; in het tweede neem ik een zekeren twijfel weg door te openbaren wie het is die aldus spreekt; en dit gedeelte begint hier: "Zoo spreekt mijn hart...." Men zoude ook zeer wel meerdere verdeelingen kunnen aannemen, maar zij zouden overbodig zijn, omdat het duidelijk is door de voorgaande verklaring.
Gij oogen mijn, die om mijn droefnis schreiden Zoo bitterlijk en staag nu reeds zoo lang, Ge zaagt hoe dikwijls ge ook langs andrer wang Deedt tranen vloeien van diepst medelijden.
Vergeten hebt ge, schijnt wel, heel uw lijden; Want ach, ik heb, voor zooveel pijnen bang, U niet genoeg herinnerd aan dien drang Tot hààr, aan wie ge alleenlijk u moest wijden.
Zoozeer ontrust nu mijn beschaamd geweten Uwe ijdelheid dat ik in vreeze groot Den aanblik ducht dier deernisvolle vrouw.
Want nooit behoordet, dan slechts in den dood, Gij onze doode Vrouwe te vergeten.-- Zoo spreekt mijn hart en zucht in zwaar berouw.
§ XXXVIII.
De aanblik dezer Vrouwe bracht mij in zulk eenen vreemden toestand, dat ik dikwijls aan haar dacht als aan iemand die mij al te zeer bekoorde; en ik dacht over haar aldus: "Deze is eene lieflijke Vrouwe, schoon, jong en wijs, en wellicht verschenen door den wil der Liefde, opdat mijn leven rust zoude vinden." En dikwijls genoeg dacht ik over haar nog teerder, zoozeer dat mijn hart er mede instemde, dat wil zeggen met deze gedachten. Maar wanneer het aldus had toegestemd, begon ik, als door de Rede daartoe aangespoord, opnieuw te overpeinzen en zeide in mijzelf: "Eilaas, welk eene gedachte is deze, welke mij op eene zoo lage wijze wil troosten en mij haast niets anders laat denken!" Dan verhief zich eene andere gedachte en zeide: "Nu ge in zoo groote beproeving geweest zijt, waarom wilt gij u niet terugtrekken uit zulke bitterheid? Gij ziet dat dit eene inblazing der Liefde is welke de begeerten der Liefde met zich brengt en welke komt van eene zoo lieflijke zijde als de oogen dezer Vrouwe die zich zoo deernisvol heeft betoond." Zoodat ik, na aldus herhaaldelijk in mijzelf te hebben gestreden, er eenige woorden over zeggen wilde; en omdat diegenen in dien strijd van gedachten overwonnen welke voor hààr spraken, scheen het mij dat ik tot haarzelf moest spreken; en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: "Een lieflijke, teer-fluistrende gedachte....". En ik zeg "lieflijke" omdat zij sprak over eene lieflijke Vrouwe, ofschoon zij overigens allerlaagst was. In dit sonnet onderscheid ik in mijzelf twee deelen, naarmate mijne gedachten verdeeld waren. Het eene noem ik hart, dat wil zeggen begeerte; het andere noem ik ziel, dat wil zeggen Rede; en ik zeg wat het eene aan het andere zegt. En dat het juist is de Begeerte "hart" te noemen en de Rede "ziel", is duidelijk genoeg voor hen van wie het mij lief is dat zij het begrijpen. Het is waar dat ik in het voorgaande sonnet de partij van het hart kies tegen de oogen, en dit schijnt in strijd met wat ik nu zeg; en daarom zeg ik dat ik ook dààr het hart als Begeerte heb verstaan, aangezien mijn verlangen om te denken aan mijne allerlieflijkste Vrouwe toch grooter was dan dat om die andere te zien, ofschoon ik daartoe wel eenige begeerte gevoelde, welke echter nog licht scheen; zoodat de eene uitspraak niet in strijd is met de andere.
Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste begin ik met tot die Vrouwe te zeggen hoe mijn verlangen zich geheel en al tot haar keert; in het tweede zeg ik hoe de ziel, dat wil zeggen de Rede, spreekt tot het hart, dat wil zeggen de Begeerte; in het derde zeg ik hoe dit antwoordt. Het tweede gedeelte begint hier: "Dies vraagt mijn ziel..."; het derde hier: "En 't antwoordt haar...."
Een lieflijke, teer-fluistrende gedachte, Van u vervuld, toeft bij mij menigmaal, En spreekt van liefde zulk een zoete taal Dat zij mijn hart met haar doet medesmachten.
Dies vraagt mijn ziel aan 't hart: "Wie is die zachte, Die wil dat troost en vree weer in ons daal'? Dat niets in ons nog naar iets anders taal', Tot zulke werking is haar deugd bij machte?"
En 't antwoordt haar: "Eilaas, bezorgde ziel, Een nieuwe boô der Liefde kwam getogen, Die van een nieuw verlangen mij vertelt;
En heel zijn leven, heel zijn sterk vermogen, Straalt uit den blik dier deernisvolle ziel Wie 't leed om ònze martelingen kwelt.
§ XXXIX.
Tegen dezen tegenstander der Rede verhief zich op eenen dag, omstreeks het negende uur, eene sterke verbeelding in mij; het scheen mij namelijk dat ik de glorierijke Beatrice aanschouwde, met dit lichtroode kleed, in hetwelk zij voor het eerst mijnen oogen verschenen was; en zij leek mij zeer jeugdig, van denzelfden leeftijd als toen ik haar voor het eerst zag. Daarop begon ik over haar te peinzen, en mij alles herinnerende volgens de orde des tijds, begon mijn hart smartelijk zijne begeerte te berouwen, door welke het zich zoo lagelijk eenigen tijd had laten in bezit nemen, in strijd met de bestendigheid der Rede. En, dusdanige slechte begeerte geheel verdreven hebbende, wendden zich al mijne gedachten wederom tot hunne allerlieflijkste Beatrice. En ik zegge dat ik van toen af zoozeer aan haar begon te denken met heel mijn hart vol schaamte, dat mijne zuchten het dikwijls openlijk getuigden, aangezien bijna allen bij hun uitgaan zeiden wat in mijn hart gesproken werd, dat wil zeggen den naam der Allerlieflijkste en hoe zij van ons verscheidde. En dikwijls gebeurde het dat eene gedachte zooveel smart medebracht, dat ik haarzelf vergat en eveneens waar ik mij bevond. Door deze wederopleving mijner zuchten ontwaakte ook het weenen, hetwelk had opgehouden, op zulk eene wijze dat mijne oogen twee dingen geleken welke niets anders begeerden dan te weenen: en dikwijls gebeurde het dat, door hun lang voortgezet weenen, rondom hen een purperen kleur zich vertoonde, gelijk te verschijnen pleegt bij iemand die den marteldood sterft: waaruit blijkt dat zij waardiglijk voor hunne ijdelheid werden gestraft; zoodat zij sindsdien niemand zouden hebben kunnen aanzien die naar hen mocht kijken op eene wijze welke hen tot eene dergelijke afdwaling hadde kunnen bewegen. Waarop ik, wenschende dat het bleek dat deze begeerte en ijdele bedoeling inderdaad vernietigd waren, en wel zoo, dat de berijmde woorden welke ik daarvòòr geschreven had, tot geen enkelen twijfel meer aanleiding zouden kunnen geven, mij voornam een sonnet te maken, in hetwelk ik den zin van het hier gezegde zou vervatten. En ik schreef toen: "Eilaas, door veler zuchten stage klacht...." En ik zeide "Eilaas" omdat ik mij er over schaamde dat mijne oogen aldus ijdellijk gedwaald hadden. Dit sonnet verdeel ik niet omdat zijne verklaring duidelijk genoeg is.
Eilaas! door veler zuchten stage klacht, Uit 's harten droef herinneren geboren, Hebben mijn oogen zwak de kracht verloren Den blik te zoeken die hun groet verwacht.
't Is of in hen slechts één verlangen smacht: In tranen iedren lach van vreugd te smoren; Een vuurgen kring doet Liefde rond hen gloren, Gelijk de kroon die martelaren wacht.
De zuchten en gepeinzen mijner rouwe Vervullen zòò mijn weedomzware hart Dat Amor zwijmt van droefheid overgroot,
Omdat hij hen, de stille boôn der Smart, Den zoeten naam hoort fluistren mijner Vrouwe En woorden, ach, over haar vroegen dood.
§ XL.
Na deze beproeving [90] geschiedde het--in dien tijd waarop veel volks kwam om de gebenedeide beeltenis te zien, welke Jezus Christus ons heeft achtergelaten van zijn allerschoonst gelaat [91], hetwelk nu mijne Vrouwe in glorie aanschouwt--dat een aantal pelgrims door eene straat trokken, welke nagenoeg midden door de stad liep waar de Allerlieflijkste werd geboren, leefde en stierf; en zij gingen, naar het mij toescheen, ernstig peinzend. Waarop ik, over hen denkende, in mijzelf zeide: "Deze pelgrims schijnen mij van zeer verre te komen en ik geloof niet dat zij zelfs over deze Vrouwe hebben hooren spreken; zij weten van niets; veeleer zijn hunne gepeinzen over andere zaken dan over haar hier; misschien denken zij aan hunne verre vrienden, die wij niet kennen." Daarop zeide ik in mijzelf: "Ik weet dat, wanneer zij uit eene naburige streek kwamen zij in eenig opzicht in hun uiterlijk bedroefd zouden schijnen, aldus midden door de bedroefde stad gaande." Daarop zeide ik in mijzelf: "Indien ik hen eene wijle kon ophouden, zoude ik hen zekerlijk doen weenen alvorens zij deze stad verlieten, omdat ik woorden zou zeggen die wien ook die ze hoorde zoude doen weenen." Waarop ik, nadat zij uit mijn gezicht waren voorbij gegaan, mij voornam een sonnet te schrijven, in hetwelk ik zou openbaren datgene, wat ik in mijzelf gezegd had; en opdat het nog klagelijker zoude schijnen, nam ik mij voor het te schrijven alsof ik tot hen gesproken had; en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: "Ai pelgrims, die zoo ernstig langs mij gaat....". En ik zeide "pelgrims" in de ruime beteekenis van het woord: want "pelgrims" kan in dubbelen zin verstaan worden, eenen ruimen en eenen engen; in ruimen voorzoover ieder die buiten zijn vaderland toeft pelgrim is; in engeren heet slechts diegene pelgrim die naar het huis van den heiligen Jacobus gaat of er vandaan komt. En voorts wete men dat de lieden die naar den dienst des Allerhoogsten tijgen op drie wijzen kunnen worden genoemd: zij heeten "Palmdragers" voor zoover zij overzee gaan, vanwaar zij dikwijls palmbladen meebrengen; zij heeten "pelgrims" voor zoover zij naar het huis van Galizia [92] gaan, omdat het graf van den heiligen Jacobus verder van zijn vaderland verwijderd ligt dan dat van eenig ander apostel; zij heeten "Rome-gangers" voor zoover zij naar Rome gaan, waarheen ook zij, die ik hier pelgrims noemde, togen. Dit sonnet verdeel ik niet, omdat zijne verklaring het genoeg verduidelijkt.
Ai pelgrims, die zoo ernstig langs mij gaat, Verdiept wellicht in der herinnring droomen, Zijt ge uit een land zòò vreemd en ver gekomen-- Als mij getuigt uw aanschijn en gewaad--
Dat niet de tranen langs uw bleek gelaat, Nu gij doorschrijdt deez' stad der Rouwe, stroomen; Als lieden die nog niets hebben vernomen Van haar verlaten, deerniswaardgen staat?
Mijn zuchtend hart zegt mij met zekerheid Dat, zoo ge bleeft om naar mijn klacht te hooren, Ge niet dan weenend gaan zoudt van hier henen:
Haar Beatrice heeft zij, ach, verloren! En ieder woord over haar lieflijkheid Heeft het vermogen elkeen te doen weenen.
§ XLI.
Hierop zonden twee edele dames tot mij om mij te verzoeken dat ik hen eenige rijmen zenden mocht; waarop ik, denkende aan hunnen hoogen stand, mij voornam hen iets te zenden en tevens iets nieuws te maken, hetwelk ik hen met de andere zenden zou, opdat ik op meer waardige wijze hun verzoek vervulde. En ik schreef toen een sonnet, hetwelk mijnen staat verhaalde, en ik zond het hen, van het voorgaande vergezeld en van nog een ander, hetwelk begint: "O komt en luistert". Het sonnet, hetwelk ik toen maakte begint: "Boven die sfeer...."
hetwelk uit vijf gedeelten bestaat: in het eerste zeg ik waarheen mijn geest gaat, hem noemend bij den naam van een zijner uitwerkingen. In het tweede zeg ik waarom hij omhoog gaat, dat wil zeggen wie hem aldus doet stijgen. In het derde zeg ik wat hij aanschouwt, te weten eene Vrouwe die daarboven geëerd wordt, en ik noem hem dan "pelgrim-geest" omdat hij geestelijk zoo hoog stijgt en, gelijk een pelgrim, die buiten zijn vaderland is, daar toeft. In het vierde zeg ik hoe hij haar aldus ziet, dat wil zeggen van zulke hoedanigheid, dat ik deze niet kan begrijpen, dat wil zeggen dat mijn geest opstijgt tot hare hoedanigheid in zulk een graad dat mijn verstand het niet bevatten kan, aangezien ons verstand zich verhoudt tot deze gelukzalige zielen gelijk ons zwakke oog tot de zon; en dit zegt ook de Filosoof in het tweede boek der Metaphysica. In het vijfde zeg ik dat, ofschoon ik niet kan begrijpen waarheen mijn geest mij voert, namelijk tot hare wonderbare hoedanigheid, ik toch tenminste dit begrijp dat heel deze gedachte is van mijne Vrouwe, aangezien ik herhaaldelijk haren naam in mijne gedachte hoor. En aan het slot van dit vijfde gedeelte zeg ik: "Dan, vrouwen dier...." om te verstaan te geven dat het vrouwen zijn tot wie ik spreek. Het tweede gedeelte begint hier: "Een nieuw begrip...."; het derde hier: "En daar, waarheen...."; het vierde hier: "Hij schouwt haar zòò...."; het vijfde hier: "Maar 'k weet...." Men zoude het nog nauwkeuriger kunnen verdeelen en nog nauwkeuriger doen begrijpen, maar deze verdeeling kan volstaan en dus zal ik mij niet ophouden met het nog verder te verdeelen. En dit is het sonnet, hetwelk hier begint:
Boven die sfeer die 't allerwijdste kringt, [93] Vermag mijn geest als stille zucht te stijgen; Een nieuw begrip, dat Liefde in leed verkrijgen Mij deed heeft hem tot zulk een vlucht bezwingt.
En daar, waarheen heel zijn verlangen dringt, Ziet hij een Vrouwe voor wie de englen neigen; Zòò stralend dat mijn pelgrim-geest in d'eigen Lichtgloed haar schouwt, die uit haar wezen blinkt.
Hij schouwt haar dus, dat wen hij, weergekomen, 't Verhalen wil, 't droef hart dat hem doet spreken Niet vatten kan een taal zoo wonderbaar.
Maar 'k weet: van Beatrice komt hij spreken; En heb ik haren zoeten naam vernomen, Dan, vrouwen dier, is alles tòch mij klaar.
§ XLII.
Na dit sonnet verscheen mij een wonderbaarlijk gezicht [94], in hetwelk ik dingen zag welke mij deden besluiten niet meer over deze gebenedeide te spreken alvorens ik op eene waardiger wijze over haar zou kunnen handelen. En om dit te bereiken, beijver ik mij zooveel ik kan, gelijk zij wèl weet [95]. Zoodat, indien het Hem, door wien alles leeft, behaagt dat mijn leven nog eenige jaren dure, ik van haar hoop te zeggen wat nooit nog van eenige Vrouwe gezegd werd. En daarna moge het Hem, die de Heer aller Hoofschheid is, behagen dat mijne ziel henen ga om de glorie harer Vrouwe te zien, dat wil zeggen dier gebenedeide Beatrice, die verheerlijkt schouwt in het aangezicht van Hem, "qui est per omnia saecula benedictus" [96]. Amen.
EINDE.
AANHANGSEL
GEDICHTEN VAN DANTE EN ENKELE ZIJNER VOORGANGERS EN TIJDGENOOTEN
Dante
I.
Van vrouwen zag 'k een liefelijke schaar Den dag van Allerheilgen laatstverleden; En onder de allereersten zag ik haar, Naast wie ter rechter Amor kwam geschreden.
Uit hare oogen brak een glans zóó klaar, Dat zij een geest geleek wien vlammen kleedden; Toen ik den moed had op te zien, voorwaar: Het was me als zag 'k een engel nader treden.
Aan ieder die het waard was schonk een groet Die zoete Vrouwe van haar zeegnende oogen En vulde van haar deugden elks gemoed.
'k Geloof dat zij den hemel is ontvlogen Wijl ze ons op aarde ons heil reeds brengen moet: O zalig zij, die haar nabij zijn mogen!
II.
Guido, ik wou dat Lapo en wij twee Door toovermacht ons mochten saam bevinden In 't zelfde scheepken dat op alle winden Naar onzen wil kalm voortdreef over zee;
Zoodat geen toeval ooit stoorde onzen vree En wind noch weder onzen tocht kon hindren; Maar één verlangen steeds ons zou verbinden, Sterker, hoe langer 't scheepken verder glee.
En 'k wou dat Monna Vanna en Lagia en zij Die 't dertigst stond, voor altoos mochten varen Met ons door zelfden goeden toovnaars macht;
En dat zij met ons spraken, dag en nacht, Van Liefde, en dat zij even vredig waren Als, dit geloof ik zekerlijk, ook wij.
Dit sonnet is, evenals dat in § XXIV der Vita Nuova, gericht aan Guido Cavalcanti. Monna Lagia was de Vrouwe van den dichter Lapo Gianni. Met "haar die 't dertigst stond"--een uitdrukking die blijkbaar slaat op de serventese op de zestig schoonste vrouwen der stad, waarvan in § VI wordt gesproken--is volgens Bardi bedoeld Dante's "scherm-dame". Immers Beatrice kan zijn uitverkorene voor dien tocht niet geweest zijn, omdat zij op de "negende plaats" stond. Het sonnet is alweer geïnspireerd door oudere troubadoursliederen, waarin de "goede toovenaar" de vermaarde Merlijn is.
III.
Sinds 't negende van mijner jonkheid jaren Heb 'k Amor onafscheidelijk behoord: En 'k weet hoe hij ons ment en zweept en spoort En in zijn dwang ons lust noch droefheid sparen.
Wie waant dat Deugd of Rede hem vervaren, Is als wie meent dat hij wen 't stormt behoort De klok te luiden, wanende dat voort De krijg van wind en wolken zal bedaren.
Want altijd in den kring van Amor's krijt, Is Vrije Wil dùs door zijn macht gebonden Dat gansch vergeefs der Rede raad er strijdt;
Steeds kan een nieuwe spoor de flank hem wonden: Wat lust hem ook op 't oogenblik berijdt, De nieuwe volgt hij zoo hààr krachten zwonden.
Dit sonnet is Dante's antwoord op een sonnet van Cino da Pistoia, waarin deze dichter hem vraagt of hij gelooft dat de dood den ongelukkigen minnaar rust zal geven.
IV.
Dien weg langs dien de Schoonheid volgen moet, Wil ze in het hart de Liefde doen ontwaken, Zie ik Lisette stormende genaken-- Als waar 'k een burcht--in koenen overmoed.
Maar dan, gekomen aan dier veste voet, Wier grendels slechts de willge ziel kan slaken Hoort zij een stem: "Wil die bestorming staken; Keer om gij Vrouwe, liefelijk en zoet.
Een andre heeft mijn geest reeds ingenomen; Zij kreeg en greep de heerelijke roe Van Amor zelf, zoodra zij was gekomen."
En heeft Lisette dit bescheid vernomen, Zoo wendt zij om, droef en beschaamd te moe, En 'k zie het rood haar wangen overstroomen.
Sommige commentatoren meenen dat de in dit sonnet genoemde Lisette dezelfde is als de "Vrouwe aan het Venster". De aanvangregels doen vermoeden dat het geschreven is nà het sonnet over de Liefde in § XX.
V.
Tot korten dag en wijdgekringde schaduw Ben 'k nu gekomen en 't witten der heuvlen, Waar alle kleur verdwijnt in 't vale kruid; Maar nòg verloor Verlangen niet zijn groen, Wijl 't zóó diep wortelt in dien harden steen, Die spreekt en voelt als ware hij een Vrouwe.
Aleveneens blijft deze jonge Vrouwe Bevroren zooals sneeuw die ligt in schaduw; Want evenmin ontdooit haar als een' steen Het zoet getijde dat verwarmt de heuvlen En weer hun wit verkeeren doet in groen, Naar het met bloemen hen bekleedt en kruid.
Wen zij het hoofd omkranst met geurend kruid, Verjaagt ze uit mijn gedachte elke andre Vrouwe; Zóó schoon vervlecht zij 't golvend blond en 't groen, Dat liefde zelf zich neerzet in hun schaduw; En waar zij zit, tusschen twee lage heuvlen, Mij vaster houdt dan kalk den metselsteen.
Haar schoon heeft grooter kracht dan eedle steen; Voor wonden die zij toebrengt wast geen kruid; Zoodat ik vluchten over vlakte en heuvlen Moest om te ontkomen aan 't gevaar dier Vrouwe. Maar nergens schenkt mij voor haar aanschijn schaduw Hoogte noch muur, noch dichter wouden groen.
Ik zag haar eens, ganschelijk gekleed in groen; Zòò schoon, dat zij gewekt hadde in een steen, Die liefde die 'k gevoel reeds voor haar schaduw. 'k Noodde in een dal haar, bont van bloemig kruid-- Als kon zij minnen 'lijk een andre Vrouwe-- Rondom besloten door geweldige heuvlen.
Doch éér vloeien de stroomen tot de heuvlen Terug, eer ooit dit hout, sappig en groen, Vlam vatte--als 't voegt toch zulk een schoone Vrouwe-- Aan mij; hoewel 'k wou slapen op een steen Mijn leven lang en weiden 't wilde kruid, Zoo 'k van haar kleed slechts schouwen mocht de schaduw.
Wanneer de heuvlen zwarten door de schaduw Van 't zomergroen, doet deze jonge Vrouwe Gelijk een steen haar schuil gaan onder 't kruid.
Deze sestina behoort tot de z.g. "steen-canzones", door Dante in zijn tijd van overgave aan "ijdelheden van korte bate" na den dood van Beatrice gewijd aan een zekere Pietra degli Scrovigni (pietra = steen), over wier hardheid hij zich beklaagt. Sommigen meenen echter dat deze canzones en ook de bovenstaande sestina zuiver "allegorisch" bedoeld zijn. De wreede Pietra zou de stad Florence zijn, liggend in een dal "rondom besloten door geweldige heuvlen".--De vorm van dit gedicht is vòòr Dante in de Italiaansche poëzie niet gebruikt. Dante zelf zegt dat hij hier den Provençaal Arnaut Daniel navolgt.
VI.
Aan Vrouwe Pietra degli Scrovigni.
Ik vloek den dag dat mij voor 't eerst verblijd Het licht heeft dier verraderlijke oogen; En 't uur dat ge in mijn hart gekomen zijt En hebt mijn ziel er ganschlijk aan onttogen!
Ik vloek de vijl van mijn kunstvaardigheid, Die blank sleep al dier schoone woorden logen, Die 'k voor u vond en heb in rijm gerijd, Opdat men eeuwig u zoude eeren mogen!
En 'k vloek mijn eigen waan-verwarden geest, Die willoos aan de zware razernij Zich vastklemt van uw schoone en schuldge leest,
Waarvoor zelfs Amor geenen meineed vreest; Zoodat een ieder hem bespot, maar mij, Die 't wiel van de fortuin wil wenden, 't meest.
DANTE'S VOORGANGERS.
Pier della Vigna ( 1249)
(Hij was minister van keizer Frederik II en een man van groot gezag, totdat hij, onder verdenking van verraad, in de gevangenis werd geworpen. Hij pleegde zelfmoord in 1249. Het onderstaande sonnet is, evenals het daarop volgende van Lentino, een antwoord op een sonnet van Jacopo Mostacci, den valkenier des keizers, die twijfel geuit had aan het bestaan der Liefde "omdat zij nooit zichtbaar verschijnt".)
Wijl Liefde nimmer zichtbaar is verschenen. Als een lichamelijk en tastbaar ding, Zijn er nog enkelen die dwaaslijk meenen Dat liefde niets is dan begoocheling.
Maar wijl zij met een macht niet te verkleenen, Heerscht in het hart van elken sterveling, Moet men veel hooger waarde haar verleenen, Dan zoo men haar kon zien als zichtbaar ding.