Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)
Chapter 8
Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste zeg ik onder welke lieden mijne Vrouwe het bewonderenswaardigst verscheen; in het tweede zeg ik hoe dankbaar haar gezelschap was; in het derde spreek ik van de dingen welke zij door hare deugd in anderen te weeg bracht. Het tweede gedeelte begint hier: "Wel voegt het dat...."; Het derde hier: "Zoo zedig is...." Dit laatste gedeelte kan verdeeld worden in drieën: in het eerste zeg ik wat zij werkte in deze vrouwen, dat wil zeggen voor henzelf; in het tweede zeg ik hoe zij niet alleen verwonderlijk werkte in deze vrouwen, maar in alle menschen, en niet alleen tijdens hare aanwezigheid, maar ook wanneer men slechts aan haar dacht. Het tweede begint hier: "Haar blik maakt alles...."; het derde hier: "En heel haar wezen...."
§ XXVII.
Hierna begon ik op eenen dag te denken over datgene wat ik van mijne Vrouwe gezegd had, dat wil zeggen in de beide voorgaande sonnetten; en ziende in mijne overweging dat ik niets gezegd had van datgene wat zij op het oogenblik in mijzelf uitwerkte, scheen het mij dat ik gebrekkiglijk gesproken had; en dus nam ik mij voor woorden te zeggen in welke ik zeide op welke wijze ik ontvankelijk scheen te zijn voor haren invloed en hoe hare deugd in mij werkte. En meenende zulks niet in de beknoptheid van een sonnet te kunnen verhalen, begon ik toen eene canzone [76], welke begint:
Zoolang nu heeft mij Amor in zijn macht En mij gewend aan zijne heerschappij, Dat even hard als eerst mijn slavernij Mij scheen, zij thans mij lieflijk lijkt en zacht. En zoo, wanneer hij ganschelijk mijn kracht Mij rooft en mijn gedachten jaagt uit mij, Gevoelt mijn zwijmelende ziel zòò blij, Dat mijn gelaat, ofschoon verbleekend, lacht. Dan voel ik hem zoo hevig in mijn leven, Dat hij mijn zuchten dolend roepen doet Om mijne Vrouwe zoet, Of zij nog hooger heil mij konde geven. Dus ondervinde ik, wààr mijn oog haar ziet, Zòò zacht is zij: maar woorden zeggen 't niet.
DERDE GEDEELTE
(Juli 1290-1292?)
§ XXVIII.
Quomodo sedet sola civitas plena populo! facta est quasi vidua domina gentium [77]. Ik was nog bezig aan deze canzone en had eerst de bovenstaande stanza ervan voltooid, toen de Heer der Gerechtigheid deze Allerlieflijkste opriep om te stralen onder het teeken dier gebenedeide Koningin, de Maagd Maria, wier naam steeds in hoogste eere geweest was in de woorden der zalige Beatrice. En ofschoon het misschien gepast zoude schijnen hier iets van haar verscheiden van ons te verhalen, is het toch niet mijne bedoeling daarover hier te spreken om drie redenen: de eerste is dat het niet in het plan ligt, indien wij slechts letten op de voorrede, welke dit boekske voorafgaat; de tweede is, dat, aangenomen dat het wèl in mijnen opzet lag, mijne taal toch niet bij machte zoude zijn dit te behandelen naar behooren; de derde is dat het, aangenomen het een zoowel als het ander, het mij toch niet zoude betamen hierover te handelen, omdat ik, er over handelende, mijzelf zoude moeten prijzen, hetgeen bovenal laakbaar is in wie zulks doet [78]; en ik laat dus deze behandeling over aan eenen anderen uitlegger [79]. Evenwel, aangezien herhaaldelijk het getal negen voorkwam in de voorgaande regelen, zoodat het duidelijk is dat dit niet zonder reden het geval is, en bij haar verscheiden ditzelfde getal eveneens eene belangrijke beteekenis schijnt te hebben gehad, past het dààrover hier iets te zeggen, omdat dit wèl bij het plan behoort. Zoodat ik allereerst zal zeggen welke rol het speelde bij haar verscheiden en vervolgens eene reden zal aanwijzen waarom dit getal nauw met haar verbonden was.
§ XXIX.
Ik zegge dan dat, volgens den kalender van Arabië, hare edele ziel verscheidde in het eerste uur van den negenden dag der maand; en volgens den kalender van Syrië verscheidde zij in de negende maand des jaars, omdat de eerste maand aldaar is Tisirin de Eerste, welke bij ons is October. En volgens onze eigen tijdrekening verscheidde zij in dàt jaar van onze aanwijzing--dat wil zeggen van de jaren des Heeren--waarin het volmaakte getal negen malen vervuld was in die eeuw waarin zij in deze wereld werd geplaatst; en zij behoorde tot de christinnen der dertiende eeuw [80]. Waarom dit getal zoo nauw met haar verbonden was; deze zou de reden hiervan kunnen zijn: aangezien er volgens Ptolomaeus en volgens de christelijke waarheid negen bewegelijke hemelen zijn, en aangezien volgens de gewone astrologische opvatting genoemde hemelen hier beneden invloed uitoefenen naar gelang van hunnen stand ten opzichte van elkaar, was dit getal aan haar verbonden om te verstaan te geven dat bij hare geboorte alle negen bewegelijke hemelen in het meest volmaakte evenwicht met elkaar stonden. Dit is ééne reden ervan; maar wanneer men er scherper over nadenkt en volgens de onbedriegelijke waarheid, was zijzelf dit getal, ik meen vergelijkenderwijs gesproken, en ik bedoel dit aldus: Het getal drie is de wortel van negen, zoodat het zonder hulp van eenig ander getal, met zichzelf vermenigvuldigd, negen uitmaakt, gelijk wij klaarblijkelijk zien dat driemaal drie is negen. Dus, gezien dat drie de schepper-uit-zichzelf van negen is en de schepper der wonderen uit zichzelf drie is, dat wil zeggen Vader, Zoon en Heilige Geest, welke drie één zijn--werd deze Vrouwe begeleid door het getal negen om te verstaan te geven dat zijzelve eene negen was, dat wil zeggen een wonder, welks wortel alleenlijk de wonderbaarlijke Drie-eenheid is [81].
Misschien dat een scherpzinniger persoon hiervoor nóg dieper redenen zou vinden: maar deze is het welke ik er in zie en welke mij het meeste behaagt.
§ XXX.
Nadat deze allerlieflijkste Vrouwe uit dit leven was verscheiden, bleef de bovenbedoelde stad achter als eene weduwe en als beroofd van alle waardigheid; zoodat ik, nog weenende in deze verlaten stad, iets schreef aan de voornaamste burgers der stad [82] over haren toestand, nemende tot begin deze woorden van den profeet Jeremia: "Quo modo sedet sola civitas, etc". En ik zeg dit opdat niemand zich er over verwondere dat ik dit hierboven heb aangehaald als het ware als eene intrede tot de nieuwe stof welke volgt. En indien iemand mij wilde verwijten dat ik niet nederschrijf wat op de aangehaalde woorden volgde, verontschuldig ik mij hiermede dat het van begin af niet mijne bedoeling was eene andere dan de volkstaal te schrijven: zoodat, aangezien de woorden welke volgden op de aangehaalde, allen in het Latijn waren, het buiten mijne bedoeling zoude vallen wanneer ik ze nederschreef: en ik weet dat deze mijn grootste vriend, tot wien ik dit schrijf, dezelfde bedoeling heeft, dat wil zeggen dat ik hem schrijve alleenlijk in de volkstaal.
§ XXXI.
Nadat mijne oogen een tijdlang geweerd hadden en zòò vermoeid waren dat ik door hen niet langer mijn droefenis kon uitstorten, bedacht ik te trachten haar uit te storten door eenige klagelijke woorden; en daarom nam ik mij voor eene canzone te maken, in welke ik klagende zou verhalen van haar, door wie eene zoo groote smart tot verwoesteres van mijne ziel gemaakt was, en ik begon toen eene canzone welke begint: "Mijn oogen, droevend om 't gepijnigd hart...." En opdat deze canzone aan het slot meer verweduwd moge lijken, zal ik haar verdeelen vòòr ik haar neerschrijf: en deze manier zal ik in het vervolg volhouden.
Ik zeg dat deze ongelukkige canzone drie gedeelten heeft: het eerste is eene voorrede; in het tweede spreek ik over hààr; in het derde spreek ik medelijdend tot mijn lied. Het tweede begint hier: "Zoo woont de zaalge...."; het derde hier: "Mijn klaaglijk Lied...." Het eerste gedeelte kan worden verdeeld in drieën; in het eerste zeg ik wat mij beweegt te spreken; in het tweede zeg ik tot wie ik spreken wil; in het derde zeg ik van wie ik spreken wil. Het tweede begint hier: "En wijl ik weet...."; het derde hier: "En u verhalen....". Vervolgens, wanneer ik zeg: "Zoo woont de zaalge....", spreek ik van hààr; en hierover maak ik twee gedeelten: in het eerste zeg ik de reden waarom zij ons ontnomen werd; daarna zeg ik hoe men klaagt over haar verscheiden, en dit gedeelte begint hier: "Haar zuivre ziel...." Dit gedeelte kan worden verdeeld in drieën: in het eerste zeg ik wie haar niet beweent; in het tweede zeg ik wie haar wel beweent; in het derde verhaal ik mijnen eigen toestand. Het tweede begint hier: "Maar om zijn diepe smart...."; het derde hier: "Met zuchten zwaar". Vervolgens, wanneer ik zeg: "Mijn klaaglijk lied...." spreek ik tot mijne canzone, haar aanwijzend tot welke vrouwen zij gaan moet, en dat zij bij hen moet blijven.
Mijn oogen, droevend om 't gepijnigd hart, Hebben zooveel geleden door lang weenen, Dat voor altijd hun werking schijnt verstoord; Dus, wil ik mij bevrijden van die smart Die langzaam, langzaam leidt ten doode henen, Moet ik 't beproeven met mijn klagend woord. En wijl ik weet hoe 't ééns mij heeft bekoord Van mijn Meestres, nog niet van de aard ontweken, Tot u te zingen, vrouwen, schoon en zacht, Wil 'k, naar ik vroeger placht, Ook nu tot eedler vrouwen harten spreken En u verhalen in mijn droeve klacht, Hoe ze onverwacht ten hemel is getogen En met mij Amor liet van smart gebogen.
Zoo woont de zaalge Beatrice [83] omhoog; In 't rijk der englen toeft ze in eeuwgen vrede En liet ook u, gij vrouwen, hier alleen. Geen kou noch hitte was 't die haar bedroog En nam, als zooveel anderen, haar mede; Maar 't was haar groote nedrigheid alleen, Die straalde zulk een glorie rond haar heen En zoo den hemel met haar glans doorlichtte, Dat God, verbaasd om 't wonder dat hij schiep, Voor zijn verlangen diep Naar zooveel heil en heerlijkheden zwichtte En haar van de aard voor altijd tot zich riep. [84] Want wèl ook wist hij dat dit moeizaam leven Niet waardig was een schoonheid zòò verheven.
Haar zuivre ziel, vol van genade [85] leeft, Nu zij het lieflijkst lichaam heeft verlaten, Verklaard in 't harer schoonheid waardig oord. Wie niet om haren dood moet weenen heeft Een hart van steen, zoo slecht en zoo verwaten Dat het naar ootmoed nimmer heeft gehoord. Geen laag gemoed, door hoogste kunst gespoord, Kan zich maar iets verbeelden van haar wezen; Zoodat geen rouw noch weedom het benart. Maar om zijn diepe smart Zuchtend en klagend moet te sterven vreezen, En van àl troost berooft zijn droevend hart, Wie gansch doorgrondt in zijn verlaten droomen, Hoe schoon zij was en hoe ze ons werd ontnomen.
Met zuchten zwaar beklage ik mijnen nood, Wanneer mijn geest, van droefenis bevangen, Herroept het beeld dat dus mijn hart verscheurt. En dikwijls wen ik peins over den dood, Welt in mij op zòò smachtend-zoet verlangen, Dat mijn gelaat reeds als ten doode ontkleurt. En vat ik gansch waarom mijn ziele treurt, Dan kwelt me een heir van smarten van al zijden, Zoodat ik krimp van pijn om wat ik lijd En zinloos klaag en krijt En moet de menschen diepbeschaamd vermijden. En weenend roep ik in mijn eenzaamheid: "O Beatrice, gingt ge waarlijk henen?" Dan troost haar naam me, als waar' zij zelf verschenen.
Tranen van rouw en zuchten van verdriet Waar ik ook toef mijn eenzaam hart verweeken, Dat elk zou weenen die mijn lijden zag. Hoe nu mijn leven in droefnis vervliedt Sinds mijn Meestres ten hemel is ontweken: Geen tong die 't ooit te schilderen vermag. Daarom, gij Vrouwen, zou geen zelfbeklag U kunnen zeggen hoe mij 't harde leven Verwondt en met herinnring kwelt en pijnt En hoe mijn ziel dus kwijnt Dat iedereen: "U heb ik opgegeven" Ziet hij mijn lippen veeg, te zeggen schijnt. Maar zoo mijn woorden 't u al niet vertelden: Zìj ziet mijn leed en zal 't mij ééns vergelden.
Mijn klaaglijk Lied, van tranen zwaar, nu ga, En zoek opnieuw die maagdekens en vrouwen, Wier liefelijk vertrouwen Uw zusters menigmaal hebben verblijd. Nu ga! maar gij, die Droefnis' dochter zijt, Blijf gij bij hen, ontroostbaar, voortaan rouwen.
§ XXXII.
Nadat deze canzone geschreven was, kwam er iemand tot mij die volgens de graden der vriendschap mijn vriend was onmiddellijk volgende op dien grootsten: en deze was door bloedverwantschap zoo nauw verbonden aan de glorierijke, dat niemand haar nader stond [86]. En toen hij bij mij was om mij te spreken, verzocht hij mij of ik voor hem iets wilde zeggen over eene dame die gestorven was; en hij veinsde zijne woorden, opdat het zou schijnen alsof hij over eene andere sprak, die korteling gestorven was: waarop ik, bemerkende dat hij alleenlijk sprak over de gebenedeide, hem toezegde te zullen doen wat zijn verzoek mij vroeg. Waarop ik, hierover nadenkende, mij voornam een sonnet te schrijven, waarin ik ietwat klaagde en dit te geven aan dezen mijnen vriend, opdat het schijnen zou als hadde ik het voor hem gemaakt; en ik schreef daarop dit sonnet: "O komt en luistert naar mijn zuchte' en klachten...."
Hetzelve heeft twee gedeelten: in het eerste roep ik de getrouwen der Liefde aan opdat zij naar mij luisteren mogen; in het tweede verhaal ik van mijnen ellendigen toestand. Het tweede begint hier: "Hen dank ik 't...."
O komt en luistert naar mijn zuchte' en klachten, Gij eedle harten: Meelij roept u aan! Hen dank ik 't, die zoo gansch ontroostbaar gaan, Dat ik in stille smart niet moet versmachten.
Want ach, mijn oogen zijn niet meer bij machte Te storten schuldgen tol van traan op traan, En zoo mijn leed--zij hebben 't lang gedaan-- Om mijne Vrouwe rouwend te verzachten.
Zoo luistert hoe mijn wanhoop rustloos krijt Om haar, wier schoone lieflijkheden gloren Daar, waar alleen haar deugd vond waardge woon.
En raadloos zult ge mij beklagen hooren Het leven dat mijn eenzaam harte lijdt Nu al zijn heil en zaligheid ontvloôn.
§ XXXIII.
Toen ik dit sonnet geschreven had, overwegende wie degene was wien ik het wilde geven als ware het voor hem gemaakt, leek het mij toe dat deze dienst armelijk was en schamel jegens iemand die zoo nauw verwant was aan de glorierijke. En daarom schreef ik, alvorens ik hem het bovenstaande sonnet gaf, nog twee stanza's eener canzone; de eene werkelijk voor hem en de andere voor mijzelf, ofschoon beide voor éénzelfden persoon geschreven lijken voor wie niet scherp toeziet. Maar wie ze scherp beschouwt, ziet zeer goed dat er twee verschillende personen in spreken; voorzoover de een niet spreekt als van zìjne Vrouwe, doch de ander wel, gelijk duidelijk blijkt. Deze canzone en dit sonnet gaf ik hem, hem zeggende dat ik ze voor hem gemaakt had.
De canzone begint: "Altijd, eilaas!" en heeft twee gedeelten: in het eene, dat wil zeggen in de eerste stanza, klaagt deze mijn dierbare vriend, aan haar vermaagschapt; in het tweede klaag ik zelf, dat wil zeggen in de tweede stanza, welke begint: "Zoo mengen zich...." En zoo blijkt het dat in deze canzone twee personen klagen, de een van welke klaagt als haar broeder, de ander als haar dienaar. En dit is de canzone, welke begint:
Altijd, eilaas! wanneer ik val aan 't peinzen Dat ik hier nimmermeer De Vrouwe weer zal zien die mij ontviel, Ziet zulk een heir van pijnen rondom grijnzen Mijn overdroeve ziel, Dat ik mijzelven vraag: "Waarom begeer Ik nog dit leed te dragen dat zoozeer Mij pijnt en tot een last maakt heel dit leven, Dat ik, vervuld van smart en vreeze groot, Aanroep den zoeten Dood, Of hij mij eindlijk rust en vree zal geven; Zeggend: O kom! zòò gaarn ben ik bereid, Dat ik nu elken stervende benijd."
Zoo mengen zich mijn mijmerdroeve zuchten Tot ééne stage klacht, Die in den Dood mijn eenge troost begroet. Tot hèm voortaan al mijn verlangens vluchten, Sedert mijn Vrouwe zoet Mij werd ontnomen door zijn wreede macht En harer schoonheid heerelijke pracht Omhoog, nu zij van ons gezicht moest scheiden, Ontbloeide tot een blanke heiligheid, Die Liefde's licht verspreidt Eeuwig tot aller engelen verblijden: Want zelfs hun hoogen, zuivren geest verheugt Het wonder van zòò liefelijke deugd.
§ XXXIV.
Op dien dag waarop een jaar vervuld was sinds deze Vrouwe onder de burgers van het eeuwig Rijk werd opgenomen, was ik ergens gezeten alwaar ik, in herinnering aan haar verzonken, een engel teekende [87] op een zeker tafeltje; en terwijl ik deze teekende sloeg ik de oogen op en zag naast mij eenige mannen, welken ik eerbied behoorde te betoonen. En zij keken naar hetgeen ik deed en, naar wat mij later gezegd werd, hadden zij daar reeds eenigen tijd gestaan eer ik hen bemerkte. Toen ik hen zag stond ik op, en groetende zeide ik tot hen: "Een ander was juist bij mij en daarom peinsde ik." Waarop ik, nadat deze vertrokken waren, tot mijne bezigheid terugkeerde, dat wil zeggen tot het teekenen van engelengedaanten. Zulks doende kwam mij de gedachte woorden op rijm te zeggen als ter verjaring van hààr en te schrijven tot hen die tot mij gekomen waren: en ik schreef toen dit sonnet, hetwelk begint: "Weer zag mijn ziel...." en hetwelk twee beginkwatrijnen heeft [88], zoodat ik het zal verdeelen volgens het eene en volgens het andere.
Ik zeg dat volgens het eerste dit sonnet drie gedeelten heeft: in het eerste zeg ik dat mijne Vrouwe reeds in mijne herinnering was; in het tweede zeg ik wat de Liefde mij dientengevolge aandeed; in het derde spreek ik van de uitwerkingen der Liefde. Het tweede begint hier: "Ook Amor voelde...."; het derde hier: "Zij togen uit mijn borst...." Dit gedeelte kan worden verdeeld in tweeën: in het eene zeg ik dat alle mijne zuchten sprekende uittogen; in het tweede zeg ik hoe enkele zekere woorden spraken verschillend van de andere. Het tweede begint: "Maar zij die 't diepste...." Op dezelfde wijze kan het worden verdeeld volgens het tweede begin, behalve dat ik dan in het eerste gedeelte zeg op welk oogenblik mijne Vrouwe in mijne herinnering was gekomen, en dit zeg ik niet in het andere begin.
Eerste begin.
Weer zag mijn ziel de lichte heugnis doomen Dier Vrouwe, die om haar ootmoedigheid, God wonen deed waar hoogst-gebenedeid Maria troont onder de nedrigst-vroomen.
Tweede begin.
Weer zag mijn ziel de lichte heugnis doomen Dier Vrouwe om wie de Liefde zelve schreit; Toen gij, als lokte u hare lieflijkheid, Kwaamt tot me en zaagt wat mij zoo stil deed droomen.
Ook Amor voelde die herinnring komen, En in mijn hart ontwaakt, vol droevigheid, Sprak tot mijn zuchten hij: "Nu gaat en schreit" En nauwlijks konden zij hun smart betoomen.
Zij togen uit mijn borst weenende heen, En telkenmale als ik hen hoorde bracht Hun droeve roep de tranen mij in de oogen;
Maar zij die 't diepste leden zeiden zacht: "O eedle geest! 't is heên een jaar geleên Dat gij verklaard ten hemel zijt getogen."
§ XXXV.
Eenigen tijd hierna, toen ik mij bevond op eene plaats alwaar ik mij den vervlogen tijd in herinnering bracht, was ik zeer peinzend en zoozeer vervuld met smartelijke gedachten dat zij mij uiterlijk deden vertoonen een gelaat vol schrikkelijke verbijstering. Waarop ik, mijne verandering gevoelend, de oogen opsloeg om te zien of iemand mij gezien had. Toen zag ik dat eene edele dame, jong en zeer schoon, voor een venster zeer medelijdend, naar haren aanschijn te oordeelen, naar mij keek; zoodat alle deernis in haar vereenigd scheen [89]. Vandaar dat,--aangezien ongelukkigen, wanneer zij medelijden met hen bij anderen zien, spoediger beginnen te weenen, alsof zij met zichzelf medelijden hebben--ik in mijne oogen het verlangen gevoelde te gaan weenen; en dus, vreezende mijn ellendig leven te toonen, ging ik heen uit de oogen dier teedere; en ik zeide daarop in mijzelf: "Het kan niet anders of bij deze deernisvolle Vrouwe woont de edelste liefde." En hierop nam ik mij voor een sonnet te schrijven, in hetwelk ik zou spreken tot haar en in hetwelk ik vervatten zou al wat ik hier verhaald heb. En omdat het door deze verklaring reeds voldoende duidelijk is, zal ik het niet verdeelen. Het sonnet begint:
Mijn oogen zagen 't zoete mededoogen Lichten over uw stil en bleek gelaat, Toen gij aanschouwdet mijn verslagen staat En mijn gestalte, door de smart gebogen.
Ik dacht: "Dus heeft mijn donker leed bewogen Haar, die zoo deernisvol mij gadeslaat." En vreezend in mijn hart voor het verraad Van gansch mijn zwakheid door mijn weenende oogen,
Wendde ik van u mijn angst-beschaamde blikken, Wijl traan op traan van niet te stillen smart Opwelde als door uw deerenis ontkluist.
En tot mijn droeve ziel zeide ik: "Wel huist De Liefde in dezer Vrouwe teeder hart, Dat hij haar blik zoo overdroef doet snikken."
§ XXXVI.
Het geviel nu dat telkenkeer dat deze Vrouwe mij zag, zij een medelijdend gelaat en eene bleeke kleur, als van liefde, aannam: zoodat zij mij herhaaldelijk deed herinneren aan mijne edele Vrouwe, die steeds diezelfde kleur vertoonde. En het is een feit dat ik dikwijls, niet kunnende weenen, noch mijne droefenis uitstorten, heenging om deze deernisvolle Vrouwe te zien, die naar het scheen door haren blik de tranen uit mijne oogen trok. En daardoor kwam mij ook de begeerte iets er over te zeggen, sprekende tot haarzelf; en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: "Nooit deden Liefde...." en het is begrijpelijk zonder dat ik het verdeel, door zijne voorgaande verklaring. En dit is het:
Nooit deden Liefde en Medelijden bleeken Een schooner aanschijn, meer bewondrenswaard, En nooit heeft zulk een teedre glans verklaard Stil-droevende oogen, 'wijl hun tranen leken,
Dan wen, als woudt ge om hulpe voor mij smeeken, Uw blik op mijn ellendig wezen staart, Zoodat mijn hart soms vreezen moet als waar 't Om u verdeeld en van zijn heil geweken.
Ik kan mijn brandende oogen niet verweren Dat zij verlangend dikwijls wenden heen Tot u, wier blik hun tranenvloed bevrijdt;
Want u aanschouwend is weenen alleen 't Hen ganschelijk verteerende begeeren, Schoon onvervuld zoolang ge aanwezig zijt.
§ XXXVII.