Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)

Chapter 7

Chapter 73,792 wordsPublic domain

Weinige dagen hierna geviel het dat eene smartelijke ziekte een gedeelte mijns lichaams aantastte, waardoor ik negen dagen lang voortdurend de bitterste pijnen leed en welke mij zoo zwak maakte dat ik werd als diegenen die zich niet kunnen bewegen. Ik zeg nu dat op den negenden dag, terwijl ik eene ondragelijke pijn gevoelde, eene gedachte in mij opkwam, welke van mijne Vrouwe was. En toen ik een wijle aan haar gedacht had, keerden mijne gedachten tot mijn zwakke leven terug; en ziende hoe vluchtig zijn duur was, zelfs wanneer het gezond is, begon ik in mijzelf over zoovele ellende te weenen. Waarop ik, zwaar zuchtende, in mijzelf zeide: "Noodwendiglijk moet het eens gebeuren dat de allerlieflijkste Beatrice sterft". En hierop greep eene zoo hevige verbijstering mij aan, dat ik de oogen sloot en begon te dwalen als een krankzinnige en op deze wijze te ijlen: in het begin des dwalens mijner verbeelding leek het mij dat ik gezichten zag van vrouwen met loshangende haren, die tot mij zeiden: "Ook gij moet sterven." En vervolgens, na deze vrouwen, verschenen andere, vreemde gezichten, schrikkelijk om te aanschouwen, welke tot mij zeiden: "Ge zijt gestorven". En mijne verbeelding, aldus beginnende te dolen, kwam op eene plaats, in welke ik niet wist waar ik mij bevond; en het leek mij dat ik wederom vrouwen met loshangende haren weenende langs den weg zag waren in verwonderlijke droefenis; en het scheen mij dat ik de zon zag verduisteren, zóó dat de sterren zich vertoonden in eene kleur, welke mij deed denken dat zij treurden; en het leek mij dat de vogels in hunne vlucht dood neder vielen en dat er geweldige aardbevingen waren. En mij verbazende in dusdanige verbeelding en zeer ontzet, zag ik een vriend op mij afkomen die zeide: "Weet ge het niet? Uwe wonderbare Vrouwe is uit het leven verscheiden." Toen begon ik opnieuw en erbarmelijk te weenen; en ik weende niet alleen in mijne verbeelding, maar ik weende, mijne oogen in werkelijke tranen badend. Ik verbeeldde mij naar den hemel op te zien en het scheen mij dat ik eene menigte engelen zag die naar den hooge terugkeerden en die vòòr zich hadden een zuiver wit wolkje; en het scheen mij dat deze engelen triomfantelijk zongen en als de woorden van hunnen zang scheen ik deze te hooren: "Osanna in excelsis!" [58], en iets anders hoorde ik niet. Toen scheen het mij dat mijn hart, waarin zooveel liefde woonde, mij zeide: "Waarlijk, het is wel zeker dat onze Vrouwe gestorven is". En hierop scheen het mij dat ik ergens heen ging om het lichaam te zien in hetwelk deze edelste en gelukzalige ziel had gehuisd. En zòò sterk was deze dwalende verbeelding dat zij mij werkelijk de doode Vrouwe liet zien; en het scheen mij dat vrouwen haar bedekten, dat wil zeggen haar hoofd, met een witten sluier; en het scheen mij dat haar gelaat eene uitdrukking had van zòò diepen deemoed, dat het scheen te zeggen: "Ik zie het begin van allen Vrede". In deze verbeelding overkwam mij eene zoo groote ootmoedigheid door haren aanblik, dat ik den Dood aanriep en zeide: "O zoetste Dood! kom tot mij en wees niet hard jegens mij; want wèl moet ge lieflijk zijn nu ge bij haar geweest zijt. Kom nu tot mij, die zoozeer naar u verlang: ge ziet het, dat ik reeds uwe kleur draag". En nadat ik had zien vervullen al de droevige diensten welke men den lichamen der gestorvenen pleegt te bewijzen, scheen het mij dat ik naar mijne kamer terugkeerde en aldaar naar den hemel opzag; en zòò sterk was mijne verbeelding dat ik weenende begon te spreken met eene werkelijke stem: "O schoonste ziel, hoe gelukzalig is hij die u aanschouwt". En terwijl ik deze woorden sprak onder een smartelijk gesnik van jammer en den Dood aanroepend tot mij te komen, begon een jong en lieflijk meisje, dat naast mijn bed zat, geloovende dat mijn weenen en mijne woorden eene klacht waren om de pijn mijner ziekte, in groote vreeze eveneens te weenen. Waarop de andere vrouwen die in het vertrek waren, bemerkten dat ik weende, doordat zij dit meisje zagen weenen: waarop zij haar, die door zeer nauwe verwantschap aan mij verbonden was [59], deden heengaan en, meenende dat ik droomde, zich tot mij wendden om mij te wekken, zeggende: "Slaap niet langer en wees niet zoo ontroostbaar". En terwijl zij aldus spraken, brak mijne sterke verbeelding af op het oogenblik dat ik zeggen wilde: "O Beatrice, gezegend zijt ge". En reeds had ik gezegd: "O Beatrice" toen ik, opschrikkende, de oogen opende en zag dat ik geijld had. En ofschoon ik haren naam geroepen had, was mijne stem zoo gebroken geweest door snikken, dat die vrouwen mij niet hadden kunnen verstaan. En ofschoon ik mij zeer schaamde, wendde ik mij toch, door de Liefde aangespoord, tot hen. En toen zij mij zagen begonnen zij te spreken: "Hij gelijkt eenen doode" en onder elkaar te zeggen: "Laten wij toch trachten hem te troosten". Waarop zij vele woorden tot mij spraken om mij te troosten, en telkens vroegen zij mij waarvoor ik zulk eene vrees gehad had. Waarop ik, na eenigszins te zijn bijgekomen en de bedriegelijkheid van mijne waanvoorstelling te hebben ingezien, hen antwoordde: "Ik zal u zeggen wat mij gebeurd is". Hierop begon ik met het begin, en tot aan het einde toe verhaalde ik hen al wat ik gezien had, slechts den naam dier Allerlieflijkste verzwijgend. Waarop ik vervolgens, genezen van deze ziekte, mij voornam iets te zeggen over wat mij gebeurd was, omdat het mij lieflijk scheen om te zeggen en om te hooren; en ik schreef deze canzone: "Een lieflijk meisje, jong en teer van hart", in de volgorde als blijkt uit de er onder staande verdeeling:

Een lieflijk meisje, jong en teer van hart, Aan deernis rijk, was aan het bed gezeten Waarop 'k den Dood dikwijls om redding vroeg. Zij zag mijn oogen overvol van smart. En luistrend naar mijn waanverwarde kreten, Verschrok zij dus, dat zij luidsnikkend kloeg, Meenend dat ik mijn pijn niet meer verdroeg. En de andre vrouwen, die haar hoorden weenen, Leidden haar zachtkens henen En susten me, om tot rust mij te doen komen. Een zeide er: "Niet meer droomen!" En: "Waarom zoo ontroostbaar?" de andre vroeg. Toen riep ik met een stem, verstikt door 't weenen, Mijn Vrouwe.... en 't vreemde droombeeld was verdwenen.

Zòò had de smart mijn zwakke stem geschaad, En zòò mijn jammrend snikken haar gebroken, Dat ik dien naam hoorde in mijn hart alleen. Maar schoon ik 't liefst mijn gansch beschaamd gelaat Voor hun nieuwsgierge blikken had verstoken, Dwong Liefde mij 't te wenden tot hen heen. Het zag zoo vaal dat zij als over een Die sterven ging van mij schenen te spreken; Ik hoorde elkaar hen smeeken: "Ach, konden wij verzachten toch zijn lijden!" En telkenkeer zij zeiden: "Wat zaagt ge toch, dat dus uw kracht verdween? En 'k sprak, toen weer mijn wanhoop was geweken: "Hoort, vrouwen, 'k zal u van mijn droombeeld spreken."

Terwijl ik peinsde over ons broos bestaan, En hoe zoo schielijk 't leven weer moet vluchten, Weende in mijn hart Amor in droefnis groot; Waardoor ik, van verbijstering ontdaan, In mijn gedachten klagelijk verzuchtte: "Ook voor mijn Vrouwe komt toch ééns de Dood." Toen werd mijn smart zoo hevig dat ik sloot Van pijnen moe mijn oogleên, zwaar van tranen; En als verwarde wanen, Gingen mijn geesten dwalen door mijn droomen; Tot ze, eindelijk gekomen Waar alle werklijkheid gansch van hen vlood, Zagen een stoet van vrouwen jammrend gaan en Roepend: "Ook gij zult sterven!" door hun tranen.

'k Zag teekens, vreemd en vreeslijk, onheilzwaar, Ontstellen mijn verdwalende gedachten In 't naamloos oord waar 'k mij in droom bevond, 'k Zag vrouwen zwermen met ontbonden haar, Stil weenend of in jammerluide klachten, Die als een brand droegen hun droefnis rond. Toen leek het of de zonne langzaam zwond In duisternis en bleeke sterren schenen: 't Was of ik hen zag weenen; En vogels vielen neder onder 't zweven; En de aard begon te beven; Tot plotseling een bleek man voor mij stond, Die sprak: "Deed u de tijding nog niet weenen? Dood voerde uw Vrouwe, die zoo schoon was, henen!"

Ik sloeg mijn blikken, tranenblank, omhoog En zag--een regen leek 't van hemelsch manna-- Een rij van englen keeren tot hun Heer. Een teeder wolkje zwevend vòòr hen toog, En allen zongen juichende: "Hosanna!" Niets hoorde ik dan dien jubel keer op keer. En Amor sprak: "Nu zwijge ook ik niet meer; Kom, waar uw Vrouwe neerligt, met mij mede," En leidde mij ter stede Waar ik haar doode lichaam mocht aanschouwen, Ik zag: toen spreidden vrouwen Een witte wade over haar aanzicht neer, Dat, diepdeemoedig, als in stille bede, Niets scheen te zeggen als "Ik ben in Vrede!"

En zulk een deemoed lenigde mijn pijn Toen 'k hààr zag wie de Deemoed zelf verklaarde, Dat 'k sprak: "O Dood, hoe lijkt ge mij zóó zoet! Hoe zacht en lieflijk moet uw wezen zijn Sinds ge mijn Vrouwe medenaamt van de aarde. Meelij, geen haat is 't wat u komen doet. 'k Geloof dat ik u reeds gelijken moet, Zoozeer verlangt mijn harte, moe van rouwen, Aan ù zich te vertrouwen!" Ik ging, en niets was van mijn smart gebleven; En hemelwaarts geheven Mijn blikken, zeide ik als ten laatsten groet: "O schoone Ziel, zaalg wie u mag aanschouwen!" Toen wektet gij me, dank uw zorg, o vrouwen.

Deze canzone heeft twee gedeelten: in het eerste zeg ik, sprekende tot een onbepaald persoon, hoe ik door zekere vrouwen uit eene ijdele droomverbeelding werd gewekt en beloofde hen deze te verhalen; in het tweede zeg ik hoe ik hen dit verhaalde. Het tweede begint: "Terwijl ik peinsde...." Het eerste gedeelte kan worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik wat zekere vrouwen en wat eene enkele zeiden en deden naar aanleiding van mijnen droom, d. w. z. éér ik weder tot de werkelijkheid was teruggekeerd; in het tweede zeg ik wat deze vrouwen zeiden, nadat ik had opgehouden te ijlen; en dit gedeelte begint hier: "Zoo had de smart...." Vervolgens, wanneer ik zeg: "Terwijl ik peinsde...." zeg ik hoe ik hen dit mijn droombeeld verhaalde. En hieromtrent maakte ik twee gedeelten: in het eerste verhaal ik geregeld mijn droombeeld; in het tweede, zeggende op welk oogenblik zij mij riepen, dank ik hen kortelijks; en dit gedeelte begint hier: "Toen wektet gij me...."

§ XXIV.

Na dit ijdele droomgezicht gebeurde het op eenen dag, dat ik, terwijl ik ergens zat te peinzen, eene siddering in mijn hart voelde beginnen alsof ik in tegenwoordigheid mijner Vrouwe ware geweest. En toen, zegge ik, kwam tot mij eene verbeelding der Liefde; het scheen mij namelijk dat ik Amor zag komen van dien kant waar mijne Vrouwe woonde; en het scheen mij dat hij vroolijk tot mij zeide in mijn hart: "Denk steeds den dag te zegenen waarop ik bezit van u nam, want wèl behoort ge zulks te doen." En inderdaad scheen mijn hart zòò verblijd te zijn dat het mij leek alsof het mijn eigen hart niet ware door zijnen zoo nieuwen toestand. En kort na deze woorden, welke mijn hart mij zeide met de stem der Liefde, zag ik op mij afkomen eene edele dame, die van eene vermaarde schoonheid was en die reeds lang de Vrouwe was van mijnen reeds vroeger bedoelden grootsten vriend. En de naam dezer dame was Giovanna, behalve dat men haar--wegens hare schoonheid, naar sommigen meenden--den bijnaam had gegeven van Primavera (dat is de Lente) en aldus werd zij dan ook genoemd. En toeziende, zag ik achter haar de wondere Beatrice komen. Deze beide vrouwen schreden aldus tot dicht bij mij, de eene achter de andere en het scheen mij dat de Liefde tot mij sprak in mijn hart en zeide: "Deze eerste werd Primavera geheeten alleen terwille van hare komst op heden; want ik bewoog hem die haar dien naam gaf haar Primavera te noemen, dat wil zeggen: prima verrà, omdat "zij het éérst zou komen" op dien dag dat Beatrice zich aan haren getrouwe zal vertoonen na het droomgezicht. En indien ge het nog nader wilt beschouwen, beteekent ook haar werkelijke naam hetzelfde als Primavera, omdat haar naam Giovanna [60] is afgeleid van dien Johannes, die het waarachtige Licht voorspelde, zeggende: "Ego vox clamantis in deserto: parate viam Domini" [61]. En het scheen mij dat hij mij, na dit, nog andere woorden zeide, namelijk: "Wie het zeer nauwkeurig overweegt, zoude Beatrice eigenlijk "Liefde" moeten noemen, wegens de groote gelijkenis welke zij met mij heeft." Waarop ik, wederom aan het peinzen rakende, mij voornam er op rijm over te schrijven tot dien grootsten vriend, zekere woorden verzwijgend welke het mij gepast scheen te verzwijgen [62], daar ik in de meening was dat zijn hart nog steeds de schoonheid dier lieflijke Primavera bewonderde. En ik schreef dit sonnet, hetwelk aldus begint:

Ik voelde siddrend in mijn hart ontwaken, Verlangen, dat lang sluimerde ongestoord, En opziend zag van verre ik Amor naken, Zoo blijde als ik hem nimmer had gehoord.

"Nu zorg" riep hij "mij niet te schand te maken". En lachen, lachen luidde in ieder woord. En nog terwijl zijn lippen aldus spraken, Turend dien kant vanwaar hij kwam, zag 'k voort

Madonna Vanna en Monna Bice [63] komen En schrijden, als twee wondren, de een na de aâr, De plek waar ik in beven stond voorbij.

En Amor sprak--wél beeft mijn geest 't vernomen-- Déze is de Lente, en Liefde noem ik hààr, Die op haar volgt, zoozeer gelijk ze mij.

Dit sonnet heeft vele gedeelten; het eerste van hen zegt hoe ik de gewende siddering in mijn hart voel ontwaken, en hoe het schijnt dat de Liefde mij vroolijk verscheen, van verre komend; het tweede zegt hoe het mij scheen dat de Liefde in mijn hart tot mij sprak en hoedanig hij mij verscheen; het derde zegt hoe, nadat hij eene wijle naast mij gestaan had, ik zekere dingen zag en hoorde. Het tweede gedeelte begint hier: "Nu zorg riep hij...." het derde hier: "En nog terwijl...." Het derde gedeelte kan worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik datgene wat ik zag; in het tweede zeg ik datgene wat ik hoorde. Het tweede begint hier: "En Amor sprak...."

§ XXV.

Hier zoude misschien iemand, die waard ware al zijne tegenwerpingen te beantwoorden, bezwaar kunnen maken; en hij zoude er bezwaar tegen kunnen maken dat ik spreek over de Liefde alsof deze iets ware op zichzelf en niet slechts eene denkbeeldige zelfstandigheid, maar eene lichamelijke. Hetgeen, strikt naar waarheid, niet juist is, daar de Liefde niet gelijk eene zelfstandigheid op zichzelf bestaat, maar een toestand der zelfstandigheid is. En dat ik van den geest der Liefde spreek als ware hij lichaam, ja zelfs een menschelijk wezen, blijkt uit drie dingen welke ik van hem zeg. Ik zeg dat ik hem van verre zag komen; waaruit, aangezien "komen" eene ruimtelijke beweging aanduidt, en volgens den filosoof [64] uitteraard alleen een lichaam ruimtelijk beweegbaar is; blijkt dat ik de Liefde als een lichaam voorstel. Voorts zeg ik van hem dat hij lachte en ook dat hij sprak; welke zaken menschelijke eigenschappen schijnen te zijn, vooral het lachen, en het blijkt dus dat ik hem voorstel als een mensch. Om dit te verklaren, gelijk het op het oogenblik van pas schijnt, moet men ten eerste weten, dat er eertijds geen minnezangers waren die in de volkstaal schreven; maar zij die van liefde spraken waren dichters in de Latijnsche taal. Bij òns, zeg ik--ofschoon het misschien wel bij andere volken het geval was en nog is, zooals in Griekenland--waren het dus geen volksdichters, maar geletterde dichters die deze stof behandelden. En het is nog niet vele jaren geleden dat voor het eerst volksdichters verschenen, want rijmen in de volkstaal beteekent zooveel als spreken in verzen volgens eene bepaalde maat in het Latijn. En het bewijs dat het eerst sinds korten tijd geschiedt, is, dat wanneer wij zoeken in de taal van "oc" en in de taal van "si" [65], wij in deze talen geene gedichten vinden ouder dan honderd en vijftig jaren voor dezen [66]. En de reden waarom sommige onbeschaafde lieden vermaard werden als dichters is, dat zij ongeveer de eersten waren die in de taal van "si" schreven. En de eerste die begon te dichten als een volksdichter deed zulks omdat hij zijne woorden wilde doen verstaan door eene vrouwe, aan wie het moeilijk viel Latijnsche verzen te begrijpen. En dit is gericht tot diegenen die rijmen over andere zaken dan welke de Liefde betreffen; aangezien deze wijze van dichten aanvankelijk werd uitgevonden om van de Liefde te spreken [67]. Zoodat het, aangezien den dichters eene grootere vrijheid van spreken is veroorloofd dan den prozaschrijvers, en de bedoelde rijmers niets anders zijn dan dichters in de volkstaal, gepast en redelijk is dat ook aan hen eene grootere vrijheid van spreken worde toegestaan dan aan andere schrijvers in de volkstaal; zoodat, wanneer een of andere beeldspraak of rhetorische wending den dichters is toegestaan, zij ook den rijmers moet worden toegestaan. En dus, wanneer wij zien dat de dichters tot onbezielde dingen gesproken hebben alsof zij gevoel en verstand hadden, en hen ook met elkaar lieten spreken; en niet slechts werkelijke dingen, maar ook zelfs onwerkelijke (ik bedoel, dat zij gezegd hebben dat zelfs eigenschappen spraken alsof het lichamen en menschen waren) zoo past het dat de rijmer dit eveneens moge doen; niet zonder reden, maar met een reden, welke het mogelijk is in proza te verduidelijken. Dat de dichters gesproken hebben zooals ik hier zeide, blijkt aan Virgilius [68], die zegt dat Juno, eene godin die den Trojaners vijandig was, sprak tot Aeolus, den god der winden, op deze plaats in het eerste boek der Aenëide: "Aeole, namque tibi" [69] en dat deze god antwoordde: "Tuus, o regina, quid optes" [70]. Bij dezen zelfden dichter spreekt in het derde boek der Aenëide een onbezield ding tot een bezield op deze plaats: "Dardanidae duri" [71]. Bij Lucanus spreekt een bezield ding tot een onbezield op deze plaats: "Multum, Roma, tamen debes civilibus armis" [72]. Bij Horatius spreekt de mensch tot zijne eigene wetenschap als tot een ander persoon en dit zijn niet slechts woorden van Horatius zelf, maar hij ontleent ze aan den goeden Homerus op deze plaats zijner Boetria: "Dic mihi, Musa virum" [73]. Bij Ovidius spreekt de Liefde alsof zij een menschelijk wezen is in het begin van het boek hetwelk den naam draagt "Remedia Amoris" [74] op deze plaats: "Bella mihi, video, bella parantur, ait" [75]. En hiermede zal dit duidelijk gemaakt zijn voor dengene die tegen eenig gedeelte van dit mijn boekske bezwaar mocht hebben. En opdat niet een of ander onbeschaafd man hieraan eenigen overmoed ontleene, zeg ik, dat evenmin als de dichters aldus zonder reden spreken, evenmin de rijmers aldus spreken moeten zonder eenige reden te hebben voor hetgeen zij zeggen: want ten zeerste behoort zich diegene te schamen die iets samenstelt in het kleed van een rhetorisch beeld of wending en die, hierom aangezocht, zijne woorden niet zou weten te ontdoen van zulk een kleed, opdat men hem waarlijk kon verstaan. En deze mijn grootste vriend en ik kennen genoeg van zulke dwazelijk rijmenden.

§ XXVI.

De allerlieflijkste Vrouwe, over wie in de voorgaande woorden werd gesproken, kwam in zoodanige gunst bij iedereen, dat wanneer zij over straat ging de menschen uitliepen om haar te zien; waarover ik eene wonderbare vreugde gevoelde. En wanneer zij in iemands nabijheid gekomen was, kwam zulk eene eerzaamheid in diens hart, dat hij het niet waagde de oogen op te slaan, noch haren groet te beantwoorden; en dit zouden velen, die zulks ondervonden hebben kunnen getuigen voor wie het niet wilden gelooven. Zij schreed voort, gekroond en bekleed met deemoed, niet den minsten trots toonend over wat zij zag of hoorde. Velen zeiden wanneer zij voorbijgegaan was: "Deze is geene vrouw, maar een der schoonste engelen uit den hemel". En anderen zeiden: "Deze is een wonder; gezegend zij de Heer, die iets zoo wonderbaarlijks weet te scheppen!" Ik zegge, dat zij zich zoo lieflijk en zoo vol van alle bekoorlijkheden betoonde dat diegenen die haar bewonderden zulk eene eerzame en zoete verrukking in zich gevoelden, dat zij haar niet konden uitspreken; noch was er iemand die haar kon bewonderen zonder dat hij al dadelijk moest zuchten. Deze en nog meer verwonderlijke zaken bracht zij te weeg door de werking harer deugd. Waardoor ik, hierover nadenkende en wenschende den stijl van haren lof wederom te hervatten, mij voornam woorden te zeggen in welke ik hare wonderbare en uitnemende werkingen te verstaan gaf; opdat niet alleen zij die haar zintuigelijk konden zien, maar ook anderen van haar zouden weten wat woorden ervan konden kenbaar maken. Daarop schreef ik dit sonnet, hetwelk begint:

Zoo zuiver en zoo zedig ingetogen Is mijner Vrouwe minnelijke groet, Dat ze ieders tong siddrend verstommen doet En géén waagt tot haar op te slaan zijn oogen.

Zoo schrijdt zij voort en hoort haar lof verhoogen, Verheerelijkt in deemoeds blanken gloed; De Hemel zond tot de aarde een engel zoet, Dat ze op een vlekloos wonder konde bogen.

Wie haar zoo zacht en nederig ziet gaan, Voelt in zijn hart een innigheid ontbloeien, Die geen bevat zoo hij 't niet ondervond;

En 't is of van haar teerbewogen mond Een adem als van Liefde zelf komt vloeien, Die zucht: Verlangen zij uw deel voortaan.

Dit sonnet is zoo gemakkelijk te begrijpen, door hetgeen hierboven is verhaald, dat het geenerlei verdeeling behoeft; en dit derhalve nalatend.

zeg ik, dat deze mijne Vrouwe in zoo groote gunst kwam dat niet alleen zìj geëerd en geprezen werd; maar tengevolge van haren invloed ook vele anderen geëerd en geprezen werden. Waarop ik, dit ziende en het willende openbaren aan hen die het niet zien konden, mij voornam ook woorden te spreken, waarin dit werd aangeduid; en ik schreef toen dit sonnet, hetwelk begint: "Het hoogste heil moet ieder hart verblijden....", hetwelk verhaalt van haar, hoe hare deugd werkte in anderen; gelijk blijkt in zijne verdeeling.

Het hoogste heil moet ieder hart verblijden Dat schouwt mijn Vrouwe in andrer vrouwen kring; Wel voegt dat wie haar ooit mocht begeleiden, God danke in diepe verootmoediging.

Zòò zedig is haar schoonheid en bescheiden, Dat nimmer nijd der andren hart beving; Maar ze ook om hen een glorie schijnt te spreiden Van hoop, van liefde en van verteedering.

Haar blik maakt alles nederig en goed, En niet haarzelve alleen, maar allen schenken Haar lieflijkheên een glans van heiligheid.

En heel heur wezen is zoo wonderzoet, Dat niemand die haar zag aan haar kan denken Zonder een zucht om Liefde's zaligheid.