Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)

Chapter 6

Chapter 63,322 wordsPublic domain

Aangezien door mijn uiterlijk velen het geheim van mijn hart hadden begrepen, kenden ook zekere dames, die bijeen waren om zich met elkaars gezelschap te vermaken, mijn hart zeer goed, want elke van hen was getuige geweest van vele mijner nederlagen. En terwijl ik, als geleid door het geluk, dicht aan hen voorbij ging, werd ik door eene dier beminnelijke dames aangeroepen; en zij die mij had aangeroepen was eene dame die zeer bekorend wist te spreken. Zoodat ik, toen ik bij hen was gekomen en mij er van overtuigd had dat mijne allerlieflijkste Vrouwe zich niet onder hen bevond, hen gerustgesteld begroette en vroeg wat er van haren dienst was. De dames waren talrijk en er waren onder hen die onder elkander lachten. Maar er waren andere die mij aanzagen, als in verwachting van wat ik zou zeggen. Weer andere spraken onder elkaar, van welke eene [50], hare oogen op mij richtende en mij bij den naam aansprekende, zeide: "Waarom bemint gij deze uwe Vrouwe, als ge toch haren aanblik niet kunt verdragen? Vertel ons dit, want het doel van zulk een liefde moet voorzeker wel buitengewoon zijn." En toen zij mij dit had gevraagd, trachtte niet alleen zij, maar alle anderen het antwoord uit mijn aangezicht te lezen. Daarop zeide ik tot hen deze woorden: "Edele dames, het doel mijner liefde was reeds vroeger de groet dier Vrouwe, van wie gij misschien bedoelt te spreken; en hierin bestond de gelukzaligheid welke het doel is van al mijne verlangens. Maar sedert het haar behaagde mij dien te weigeren, heeft Amor, mijn Heer, in zijne genade heel mijne gelukzaligheid gesteld in datgene, wat mij niet kan ontnomen worden." Daarop begonnen deze dames onder elkaar te spreken; en zooals men wel eens regen, vermengd met schoone sneeuw ziet vallen, zoo scheen het mij dat ik hunne woorden zag uitgaan vermengd met zuchten [51]. En nadat zij eene wijle met elkaar gesproken hadden, zeide de dame die het eerst tot mij gesproken had: "Wanneer gij waarheid spreekt, dan hebt ge toch de woorden waarin gij uwen toestand bekend maakt, met eene andere bedoeling gesproken?" Waarop ik, peinzende over deze woorden, als beschaamd van hen heenging; en nog wandelend zeide ik in mijzelf: "Wanneer er zoo groote gelukzaligheid ligt in de woorden welke mijne Vrouwe prijzen, waarom heb ik dan anders over haar gesproken?" En ik nam mij hierop voor tot stof voor mijn rijmen nooit iets anders dan den lof dier Allerlieflijkste te kiezen; en veel hierover nadenkend, scheen het mij dat ik eene al te hooge stof gekozen had voor mijne krachten, zoodat ik niet waagde te beginnen; en zoo weifelde ik verscheidene dagen tusschen verlangen om te rijmen en vrees om te beginnen.

§ XIX.

Het geviel toen, dat, terwijl ik wandelde langs eenen weg, waarnaast eene zeer heldere rivier stroomde, mij een zoo groot verlangen om te rijmen overviel, dat ik begon er over te denken hoe ik het aan zou leggen; en ik overwoog dat het niet passend ware over haar te spreken tenzij tot andere vrouwen in de tweede persoon; en dat wel niet tot alle vrouwen, maar alleenlijk tot diegene die lieflijk en edel waren en niet slechts vrouw [52]. Daarop, zegge ik, sprak mijne tong, als vanzelf bewogen: "Gij vrouwen edel, die de Liefde kent". Deze woorden bewaarde ik met groote blijdschap in mijnen geest, mij voornemend ze tot begin te nemen; waarop ik, teruggekeerd in bovenbedoelde stad en na eenige dagen te hebben nagedacht, deze canzone begon met den bedoelden aanhef en in de volgorde welke men hieronder in hare verdeeling zal zien. De canzone [53] begint aldus:

Gij vrouwen edel, die de Liefde kent, Tot ù wil ik van mijn Meestresse spreken; Niet wijl 'k haar lof ooit te voleinden reken, Maar te verlichten 't overvol gemoed. Wen ik bepeins haar deugden zonder end. Brandt dus mijn hart dat 'k door mijn enkel spreken, Elk die me aanhoorde in liefde zou ontsteken, Hadde ik niet alle driestheid ingeboet. Niet zòò verheven dat ik vreezen moet Machtloos tot lager stijl te zullen dalen, Maar zòò zal 'k van haar lieflijkheên verhalen Als het bij hààr past: gracelijk en zoet. En slechts tot u, minlijke maagde en vrouwen; Want gij alleen zijt waardig zulk vertrouwen.

Een engel roept, gekeerd naar 't goddlijk licht: "O Heer, een wonder waarlijk zien wij dwalen Op aarde, een ziel zóó lieflijk dat zij stralen Moge in der zaalgen midden nu weldra! De hemel mist niets dan haar aangezicht En smeekt u zijnen hoogsten glans te halen." En alle heilgen juichen op die tale. Slechts medelijden vraagt voor mij genâ; En God spreekt: "Dat men dit van haar versta: Geliefden, duldt dat nog uw Hope in vrede, Zoolang het mij behaagt, blijve beneden, Waar één in vreeze is dat zij van hem ga, En die ééns spreken zal tot de verdoemden: 'k Zag haar, die de Engelen hun hope noemden." [54]

In 't hemelsch rijk wordt mijn Meestres begeerd: Dus wil 'k u van haar englendeugd doen weten. En 'k zegge: Wie een eedle vrouw wil heeten, Die ga met hààr, wijl ovral waar zij gaat, Amor elk hart dat zijnen gloed ontbeert, Bevriezen doet en alle heil vergeten. Sterven moet elk, of zich gelouterd weten, Die haren blik te dragen onderstaat. Wie zich voor waardig houdt haar in 't gelaat Te schouwen, moog' zijn hooge deugd betoonen, En zorg' wie hoopt dat hem heur groet beloone, Door deemoed dat al zonde hem verlaat. Want zulk een macht werd haar door God beschoren. Dat slecht niet einden kan wie hààr mocht hooren.

Spreekt Amor van mijn Vrouwe: "Hoe ware ooit Zoo zuiver en zoo schoon een sterflijk wezen?" "God heeft", dus denkt hij, "met een nooit volprezen En gansch nieuw wonderwerk de aarde verrijkt." Geen parel werd met blanker tint getooid, Heel haar van schoonheên evenwichtig wezen Vormde Natuur van stoffen uitgelezen; Dus heete schoon alleen wat hààr gelijkt. Wen open harer blikken poorte wijkt, Tijgt er een stoet van minnelijke geesten Om de oogen die haar schouwen te vermeestren En dra heeft elk van hen het hart bereikt; En geen kan haren mond, teeder omtogen Van Liefde's lach, bewondren onbewogen.

Mijn Lied, ik weet, wanneer ge mij verlaat, Zult ge op uw dool tot vele vrouwen spreken. Maak, dat ze in u, die 'k zoo schoon op mocht kweeken, Der Liefde jonge en teedre dochter zien. Wilt, waar ge ook zijt en waar ge ook henen gaat, "Wijst mij den weg tot hààr" bescheiden smeeken, "Van welker deugd mijn tooi is taal en teeken". En dat ge mij niet slecht en ijdlijk dien', Zult nimmer toeven ge onder lage liên; En nimmer schenken zult ge uw zoet vertrouwen, Dan slechts aan eedle manne' en eedle vrouwen: Die zeker zullen snelle hulpe u biên. Nu ga, en zoo gij Amor bij hen vindt, Breng hem mijn groet, zoo 't voegt voor Amor's kind.

Deze canzone zal ik, opdat zij beter begrepen worde, kunstiger verdeelen dan het andere hierboven staande. En daarom maak ik allereerst drie gedeelten: het eerste gedeelte is de voorrede van de volgende woorden; het tweede is het behandelde onderwerp; het derde is als eene dienstmaagd van de voorgaande woorden. Het tweede begint hier: "Een engel roept...."; het derde hier: "Mijn Lied, ik weet...." Het eerste is te verdeelen in vieren; in het eerste zeg ik tot wie ik van mijne Vrouwe wil spreken en waarom ik spreken wil; in het tweede zeg ik hoedanig ik mijzelf voorkom wanneer ik aan hare deugd denk en hoe ik zou kunnen spreken wanneer ik den moed niet verloor; in het derde zeg ik hoe ik geloof over haar te kunnen spreken zonder door mijne blooheid belemmerd te worden; in het vierde zeg ik, herhalend tot wie ik bedoel te spreken, de reden waarom ik tot hen spreek. Het tweede begint hier: "Wen ik bepeins...."; het derde hier: "Niet zoo verheven...."; het vierde: "En slechts tot u....". Vervolgens wanneer ik zeg: "Een engel roept....", begin ik over mijne Vrouwe te spreken. En dit gedeelte is in tweeën te verdeelen: in het eerste zeg ik wat men over haar in den hemel zegt; in het tweede zeg ik wat men over haar op aarde zegt, en wel hier: "In 't hemelsch rijk...." Dit tweede gedeelte is in tweeën te verdeelen, want in het eerste spreek ik over haar met betrekking tot de edelaardigheid harer ziel, een en ander verhalend van de uitwerking harer deugden, welke uit hare ziel voortkomen; in het tweede gedeelte spreek ik over haar met betrekking tot de edelaardigheid van haar lichaam, een en ander van hare schoonheden verhalend, en wel hier: "Spreekt Amor van mijn Vrouwe".... Dit gedeelte is in tweeën te verdeelen, want in het eerste spreek ik van zekere schoonheden welke tot haar geheele persoon behooren, en wel hier: "Wen open...." Dit gedeelte is te tweeën te verdeelen, want in het eerste spreek ik van oogen, welke het begin der liefde zijn; in het tweede spreek ik van den mond, welke het einde der liefde is. En opdat hier iedere lage gedachte worde opgeheven, herinnere zich wie dit leest, dat hierboven geschreven werd hoe de groet mijner Vrouwe, welke eene werking van haren mond was, het doel mijner wenschen was, waar ik dit bereiken kon. Vervolgens, wanneer ik zeg: "Mijn Lied, ik weet...." voeg ik nog eene stanza toe bijwijze van dienstmaagd der andere, in welke ik zeg wat ik van deze mijne canzone verlang: en aangezien dit laatste gedeelte gemakkelijk te begrijpen is, vermoei ik mij niet met nog meer verdeelingen. Wel zeg ik dat, om de bedoeling van deze canzone nog beter te openbaren, nog nauwkeuriger verdeelingen zouden moeten aangewend worden; maar in elk geval, wie niet voldoenden geest bezit om haar te kunnen begrijpen door de wel toegepaste, mishaagt mij niet wanneer hij het er bij laat; want waarlijk, ik vrees dat ik hare bedoeling door de gemaakte verdeelingen reeds te duidelijk gemaakt heb voor maar al te velen, indien het mocht gebeuren dat velen haar konden hooren.

§ XX.

Nadat deze canzone eenigszins bekend was geworden onder de menschen en dientengevolge ook een mijner vrienden haar had gehoord, voelde deze behoefte mij te verzoeken hem te zeggen wat Liefde is; wellicht omdat hij door de gehoorde rijmen meer verwachting omtrent mij koesterde dan ik verdiende. Waarop ik, overwegende dat het, na eene zoodanige behandeling (der stof als in de voorgaande canzone) wel voegzaam ware iets over de Liefde zelf te zeggen, en overwegende dat ik mijnen vriend gaarne eenen dienst bewees, mij voornam in enkele woorden over de Liefde te spreken; en ik schreef toen dit sonnet hetwelk begint:

Liefde en een edel hart zijn ganschlijk één, Zooals de wijze dichter [55] heeft geschreven; Geen kan bestaan slechts op zichzelf alleen, Zoomin als 't hoofd kan zonder rede leven.

Natuur bestemde ons hart tot Amor's leen En heeft het hem tot vaste woon gegeven; En sluimrend beidt hij daar, kort bij den een, Bij d'ander lang, den dag van 't nieuwe leven,

Wen Schoonheid als een vrouw vol deugd verschijnt, En zoozeer 't oog bekoort dat 't in 't gemoed Een hoog verlangen tot haar wordt geboren,

Dat zoolang roept, door hunkering gepijnd, Tot het dien geest der Liefde ontwaken doet. Zoo zal ook d'eedle man een vrouw bekoren.

Dit sonnet kan worden verdeeld in twee gedeelten: in het eerste spreek ik van de Liefde voor zoover zij is in vermogen; in het tweede spreek ik van haar voorzoover zij van vermogen tot daad wordt. Het tweede begint hier: "Wen Schoonheid...." Het eerste kan worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik in welk voorwerp dit vermogen zich bevindt; in het tweede zeg ik hoe dit voorwerp en dit vermogen tot bestaan zijn gebracht en hoe het eene zich tot het andere verhoudt als vorm tot materie. Het tweede begint hier: "Natuur bestemde...." Vervolgens, wanneer ik zeg: "Wen Schoonheid....", zeg ik hoe dit vermogen zich tot daad omzet: en wel eerst hoe het zich omzet in den man, vervolgens hoe het zich omzet in de vrouw, namelijk hier: "Zoo zal...."

§ XXI.

Nadat ik de bovenstaande rijmen over de Liefde had geschreven, gevoelde ik een verlangen om ook ter verheerlijking der Allerlieflijkste woorden te zeggen in welke ik zou kunnen toonen hoe door hààr deze geest der Liefde in mij ontwaakte en hoe hij niet alleen ontwaakte waar hij sliep, maar hoe zij hem door hare wonderbare macht ook deed komen daar, waar hij nog niet in vermogen was. En ik schreef toen dit sonnet, hetwelk begint:

Mijn Vrouwe straalt zoo zoete liefde uit de oogen, Dat zij verlieflijkt al wat zij aanschouwt; Waar zij voorbij schrijdt wendt zich jong en oud, En wien zij groet voelt dus zijn hart bewogen

Dat hij verbleekt en 't hoofd omneer gebogen, Zuchtend zijn kleinste zonde nog berouwt; Want toorn noch trots zich voor haar staande houdt. Helpt, Vrouwen, dan mij haren lof verhoogen!

In 't hart dat haar hoort spreken wordt geboren Zoetste verteedring en een deemoed zacht; Zaalg zij, wie voor het eerst haar ziet, geprezen!

Onzeglijk is 't, onvatlijk, op wat wezen Zij lijkt wanneer haar mond slechts even lacht: Een wonder is ze, als nooit aanschouwd tevoren.

Dit sonnet heeft drie gedeelten. In het eerste zeg ik hoe mijne Vrouwe dit vermogen in daad omzet door middel van het zeer edele werktuig harer oogen; en in het derde zeg ik hetzelfde omtrent dit zeer edele werktuig van haren mond; en tusschen deze twee gedeelten is er nog een kleiner dat als om hulp vraagt aan het voorgaande en het volgende, en dit begint hier: "Helpt Vrouwen...." Het derde begint hier: "In 't hart...." Het eerste kan worden verdeeld in drieën; want in het eerste zeg ik hoe zij door hare deugden alles lieflijk maakt wat zij aanschouwt, hetgeen zooveel zeggen wil dat zij de Liefde wekt tot vermogen waar zij nog niet is; in het tweede zeg ik hoe zij de Liefde in het hart van allen die zij aanziet tot daad omzet; in het derde zeg ik vervolgens wat zij door hare deugd in hunne harten uitwerkt. Het tweede begint hier: "Waar zij voorbij schrijdt...."; het derde hier "En wien zij groet...." Vervolgens, wanneer ik zeg: "Helpt Vrouwen...." geef ik te verstaan aan diegenen, tot wie het mijne bedoeling is te spreken, de vrouwen aanroepende, dat zij helpen mogen haar te eeren. Vervolgens, wanneer ik zeg: "In 't hart...." zeg ik hetzelfde wat in het eerste gedeelte gezegd is met betrekking tot twee werkingen van haren mond: van welke de eene is haar allerzoetste spreken en de andere haar wonderbare glimlach, behalve dat ik van dezen laatsten niet zeg hoe hij in de harten werkt, omdat de herinnering noch hem noch zijne uitwerkingen kan vast houden.

§ XXII.

Toen hierna nog niet vele dagen waren voorbijgegaan--aldus behaagde het den Koning der Glorie, die zichzelf den dood niet spaarde--verliet hij, die de verwekker [56] geweest was van dit groote wonder als hetwelk de alleredelste Beatrice zich vertoonde, dit leven om zekerlijk in te gaan tot de eeuwige zaligheid. Zoodat het--aangezien zulk een verscheiden smartelijk is voor hen die achterblijven en die bevriend waren met dengene die stierf; en geene vriendschap zoo innig is als die van eenen goeden vader tot een goed kind of van een goed kind tot eenen goeden vader; en deze Vrouwe den hoogsten graad van goedheid bezat en haar vader, gelijk velen zulks getuigen en ook waar is, in hooge mate goed was,--zeer begrijpelijk is dat deze Vrouwe op het bitterst vervuld was van smart. En aangezien, volgens gebruik [57] in bovenbedoelde stad, de vrouwen met de vrouwen en de mannen met de mannen zich vereenigen bij eene dergelijke treurnis, waren er vele vrouwen bijeen ter plaatse waar de allerlieflijkste Beatrice erbarmelijk weende; zoodat ik, enkele dier vrouwen van haar ziende terugkeeren, hen hoorde spreken over de Allerlieflijkste, hoe zij jammerde. Onder andere woorden hoorde ik er die zeiden: "Waarlijk, zij weent zòò, dat wie haar ziet van medelijden zou kunnen sterven." Hierop gingen deze dames voorbij; en ik bleef in eene zoo groote droefheid achter, dat nu en dan tranen mijn gelaat baadden, zoodat ik het herhaaldelijk bedekte door mijne handen naar de oogen te heffen. En als het niet geweest ware dat ik nog meer omtrent haar verwachtte te hooren, daar ik mij bevond op eene plek waar het grootste gedeelte der dames die van haar heengingen, langs kwam, zou ik mij verborgen hebben zoodra de tranen mij overmanden. En terwijl ik dus bleef op dezelfde plek, kwamen er opnieuw eenige dames dicht langs mij, die onder het gaan tot elkaar spraken: "Wie van ons zal ooit weer vroolijk kunnen zijn, nu wij deze Vrouwe zoo klagelijk hoorden spreken?" En na deze kwamen weer anderen voorbij die zeiden: "Hij die daar zit klaagt niet meer of minder dan als had hij haar gezien evenals wij". Weer anderen zeiden van mij: "Ziet toch dezen, die zichzelf niet meer gelijkt, zoozeer is hij veranderd." En terwijl aldus deze dames voorbij gingen, hoorde ik op de wijze welke ik verhaald heb, spreken over haar en mijzelf. Waarop ik, hierover peinzende, mij voornam iets te zeggen--omdat ik hierin eene waardige stof vond--waarin ik alles zou opsluiten wat ik van deze dames gehoord had. En omdat ik hen gaarne gevraagd zou hebben wanneer ik dit zonder onbescheiden te zijn had kunnen doen, maakte ik mijne rijmen aldus alsof ik hen werkelijk had gevraagd en alsof zij mij hadden geantwoord. En ik maakte twee sonnetten; in het eerste vroeg ik op de wijze waarop ik vragen wilde; in het tweede vermeld ik hun antwoord, datgene wat ik van hen verstond gebruikende als hadden zij het tot mijzelf gesproken. En ik begon het eerste: "Gij smartvervulde, deerniswaardge vrouwen...." en het tweede: "Zij gij het die zoo dikwijls hebt gesproken."

Gij smartvervulde, deerniswaardge vrouwen, Die de oogen, bloô van droefnis, nederslaat; Vanwaar komt ge met zòò ontverfd gelaat Dat ik in u waan Meelij zelf te aanschouwen?

Zaagt ge wellicht hoe Liefde mijner Vrouwe Liefelijk aangezicht in tranen baadt? Mijn hart zegt mij dat 'k om geen eigen daad Noch eigen droefenis u dus zie rouwen.

En komt ge waarlijk van zoo diep verdriet, Wilt dan een pooze, ik bid u, bij mij toeven; En hoe zij lijdt, verberg 't mijn smeeken niet;

Schoon 'k zie hoe langs de smartgemerkte groeven Van uw gelaat een stroom van tranen vliet En 't hart mij beeft nu 't zoozeer u ziet droeven.

Dit sonnet kan worden verdeeld in twee gedeelten; in het eerste roep ik de vrouwen aan en vraag ik hen of zij van hààr komen, zeggende dat ik zulks geloof omdat zij zachter schijnen terug te keeren; in het tweede bid ik hen mij over haar te spreken. Het tweede begint hier: "En komt ge waarlijk...." Hierop volgt dan het andere sonnet, gelijk wij hierboven reeds verhaald hebben.

Zijt gij het, die zoo dikwijls hebt gesproken Over uw Vrouwe, schoon tot ons alleen? Uw stem gelijkt de zijne, doch in een Gansch ander aanschijn lijkt uw ziel gestoken.

Ach, waarom klaagt ge als ware u 't hart gebroken! Met jammer vult een elk uw droef gesteen; Zaagt ge dan hààr en hoordet hààr geween, Dat ge u dus toont in wanhoop neergedoken?

Laat weenen ons en weenend verder schrijden; Slecht ware wie getroost kon huiswaarts gaan Nadat wij hààr zoo droevig zagen lijden.

Smart zelve staart uit haar gelaat u aan; Zòò dat wie van deez' aanblik niet zou scheiden, Van droefnis aan haar voeten moest vergaan.

Dit sonnet heeft vier gedeelten, aangezien de vrouwen voor wie ik antwoord vier wijzen van spreken hadden. En omdat deze hierboven voldoende duidelijk zijn gemaakt, zal ik mij niet ophouden met den zin dezer gedeelten te verhalen; zoodat ik ze alleen maar aanwijs. Het tweede begint hier: "Ach, waarom klaagt ge...."; het derde: "Laat weenen ons...."; het vierde: "Smart zelve...."

§ XXIII.