Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)
Chapter 5
Zijn aanschijn was als van een man die leed: 't Leek of hij tegen eigen wenschen vocht, Wijl, 't hoofd omlaag, of hij te mijden zocht Der menschen blik, hij zuchtend verder schreed.
Hij zag me, en bij den naam riep hij mij toe, Zeggend: "Ik ben uit dit ver oord gekomen, Waar door mijn wil de Liefde uw harte bindt;
En 'k peins waar 'k nieuwe vreugden voor u vind." Toen vulden zòò mij Liefde's zoete droomen, Dat hij verdween en 'k niet bemerkte hoe.
Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste gedeelte zeg ik hoe ik de Liefde ontmoette en hoe hij mij verscheen; in het tweede zeg ik wat hij mij zeide, ofschoon niet geheel en al, uit vreeze mijn geheim te zullen verraden; in het derde zeg ik hoe hij verdween. Het begint hier: "Hij zag me...."; het derde hier: "Toen vulden zòò...."
§ X.
Na mijne terugkomst zette ik mij er toe de dame te zoeken, die mijn Heer mij genoemd had op den weg der zuchten. En opdat mijne woorden korter zijn mogen, zeg ik dat ik in weinig tijds haar zoodanig tot mijne bescherming maakte, dat maar al te vele lieden er over spraken op eene wijze, welke de hoofschheid te buiten ging, waardoor ik mij dikwijls zeer hard bedrukt gevoelde. En om deze reden, dat wil zeggen om dit overdreven gerucht, hetwelk mij schandelijk scheen te belasteren, gebeurde het dat de Allerlieflijkste, die de vernietigster is van alle kwaad en Koningin der deugd, langs eenen weg mij voorbij schrijdende, mij haren zoeten groet, in welken gansch mijne gelukzaligheid was gelegen, ontzegde. En, eenigszins van mijn voorgenomen plan afwijkend, wil ik trachten te doen verstaan wat haar groet door zijne deugd in mij verrichtte.
§ XI.
Zoo zegge ik dan, dat wanneer zij van ergens verscheen, door de hoop op haren wonderen groet, niemand meer mijn vijand bleef, maar een brand van liefde mij vervulde, welke mij iedereen die mij gedeerd had deed vergeven: en wanneer iemand mij dan iets gevraagd hadde, zou mijn antwoord alleen geweest zijn: "Liefde", met een gelaat, omkleed van deemoed. En wanneer zij een weinig nader was aan het groeten, drong een geest van Liefde, alle andere zinnelijke geesten overwinnend, de zwakke geesten des gezichts naar buiten en zeide tot hen: "Gaat henen uwe Vrouwe te begroeten", en hij bleef in hunne plaats. En wie de Liefde had willen kennen, hadde zulks gekund door de siddering mijner oogen te bestaren. En wanneer dit Allerlieflijkste Heil mij groette, was de Liefde niet zulk een hindernis dat zij mijne niet te bevatten gelukzaligheid verduisterde, maar als door eene overmaat van zoetheid werd zij zoodanig, dat mijn lichaam, hetwelk dan geheel en al onder hare heerschappij was, zich dikwijls slechts bewoog als een zwaar en onbezield ding. Zoodat het duidelijk blijkt dat in haren groet mijne gelukzaligheid woonde, welke dikwijls mijn bevattingsvermogen te buiten ging en overgolfde.
§ XII.
Thans tot mijn onderwerp terugkeerend, zegge ik, dat toen mijne gelukzaligheid mij werd ontzegd, eene zoo groote smart mij overkwam, dat ik mij van de menschen afzonderde en mij naar eene eenzame plek begaf om daar den grond met bittere tranen te baden: en nadat ik mij door dit weenen eenigszins had verlicht, zette ik mij in mijne kamer, alwaar ik kon klagen zonder gehoord te worden. En hier riep ik om erbarmen tot de Vrouwe der Hoofschheid, en zeggende: "O Liefde, help uwen Getrouwe", sliep ik weenende in als een geslagen knaapje. Het geviel omstreeks het midden van mijnen slaap dat het mij toescheen als zage ik in mijne kamer naast mij zitten eenen jongeling, gehuld in een sneeuwblank gewaad; en zeer nadenkend, naar zijn aanschijn te oordeelen, keek hij naar mij waar ik lag; en toen hij mij eene pooze had aangekeken, scheen het mij dat hij mij zuchtende riep, en hij zeide mij deze woorden: "Fili mi, tempus est ut praetermittantur simulacra nostra". [38] Toen scheen het mij dat ik hem herkende, omdat hij mij aldus riep als hij reeds herhaalde malen mij in mijne zuchten geroepen had. En hem aanziende scheen het mij dat hij erbarmelijk weende en het leek als verwachtte hij van mij eenig antwoord; waarop ik, mij beheerschend, aldus tot hem begon te spreken: "Heer der Edelmoedigheid, waarom weent ge?" En hij zeide mij deze woorden: "Ego tamquam centrum circuli, cui simili modo se habent circumferentiae partes; tu autem non sic" [39] [40]. Hierop peinzende over zijne woorden, scheen het mij dat hij zeer duister gesproken had, zoodat ik mij dwong tot spreken, en ik zeide hem deze woorden: "Wat is dit, o Heer, hetwelk ge tot mij spreekt met zoo groote duisterheid?" En hij zeide tot mij in de volkstaal [41]: "Vraag niet meer dan u nuttig is". En hierop begon ik met hem te spreken over den groet, welke mij geweigerd was; en ik vroeg hem de reden hiervan, waarop mij door hem op deze wijze werd geantwoord: "Onze Beatrice vernam van zekere lieden die over u spraken, dat de dame, die ik noemde op den weg der zuchten, door u eenigen overlast ondervond. En daarom heeft de Allerlieflijkste, die eene vijandin is van allen aanstoot, zich niet verwaardigd u te groeten, vreezende dat ook zij gelegenheid tot aanstoot zoude geven. Vandaar dat ik, wijl zij werkelijk uw geheim door lange gewoonte eenigszins kent, wensch dat ge enkele woorden op rijm zult zeggen in welke gij samenvat de macht, welke ik door haar over u bezit, en hoe gij de hare waart, dadelijk van uwe kindsheid af. En roep hieromtrent tot getuige dengene die het weet en zeg hoe ge hem bidt dat hij haar dit moge mededeelen: en ik, die zelf diegene ben, zal het gaarne verklaren; en daardoor zal zij uwen wensch gevoelen, en dezen gevoelende, zal zij de woorden der bedrogenen begrijpen. Maar zorg dat uwe woorden als het ware bemiddelaars zijn, zòò dat ge niet onmiddellijk tot hààr spreekt, hetgeen niet betaamt. En zend hen nergens, waar zij door haar vernomen kunnen worden, zonder mij; maar tooi hen met zoete harmonie [42], in welke ik aanwezig zijn zal telkenkeer zulks noodig is." En deze woorden gezegd hebbende verdween hij, en mijn slaap werd afgebroken. Waarop ik, mij bezinnend, bevond dat dit gezicht mij verschenen was in het negende uur van dien dag; en nog eer ik deze kamer verliet nam ik mij voor eene ballade te maken, in welke ik datgene wat mijn Heer mij had opgelegd, zou uitvoeren, en ik schreef daarop deze ballade, welke aldus begint:
Mijn Lied, nu ga, en bid met zoetste zangen Amor, mijn Heer, dat hij u begeleid' Naar mijn Meestres en zòò mijn zaak bepleit' Dat ge vergeving voor mij moogt erlangen.
Mijn Lied, wel zijt ge hoofsch en zoo bescheiden Dat gij u onbevreesd Ook onverzeld zoudt ov'ral kunnen wagen; Doch om gansch zeker elk gevaar te mijden, Zult ge dien goeden geest, Amor, om zijn geleide en bijstand vragen; Wijl zij die luistren moet naar al uw klagen-- Wen, als 'k geloof, haar hart zich van mij keert En Amor zelf u niet te spreken leert-- Onvriendelijk wellicht u zoude ontvangen.
Hebt ge aldus mijn Gebiedster dan gevonden En medelij gevraagd, Spreek dan tot haar met zoete stem deez' woorden; "Meestres, hij die mij tot u heeft gezonden, Wenscht, zoo het u behaagt, Dat ge uit mijn mond zijn verontschuldging hoorde. Liefde is 't die zijn gezicht zoozeer verstoorde, Dat hij ùw schoon in andren waant te zien, En zoo zijn blik hèn hulde schijnt te biên, Toch in zijn hart naar ù slechts blijft verlangen."
Zeg haar: "Meestres, zòò wankloos en volkomen Heeft hij u lief gehad, Dat ù getrouw te dienen al zijn dagen, Van aanvang af 't hoogst doel was zijner droomen." En zoo zij twijfelt, dat Zij 't Amor, die de Waarheid zelf is, vrage. En smeek tenslotte dat het haar behage-- Wanneer vergeving schenken haar verdriet-- Dat zij voor haar te sterven mij gebied', En dankbaar zal ik dit bevel ontvangen.
Maar zeg tot Hem, wien 'k al mijn heil moet danken, Vòòrdat hij henen gaat, Opdat hij haar mijn onschuld moog' verzeekren: "'k Bid u terwille van mijn zoete klanken, Dat gij haar niet verlaat, Maar van uw trouwen slaaf tot haar blijft spreken. En mocht zij hem vergeven door ùw smeeken, Dat hem haar blik dien schoonen vree dan meld'". Mijn lieflijk Lied, van Liefde zelf verzeld, Ga nu tot haar om eere en troost te erlangen.
Deze ballade bestaat uit drie gedeelten: in het eerste zeg ik haar waarheen zij gaan moet en spreek ik haar moed in opdat zij met te meer vertrouwen gaan moge; en ik zeg onder wiens geleide zij zich stellen moet indien zij veilig en zonder eenig gevaar gaan wil; in het tweede zeg ik datgene wat zij behoort te doen verstaan; in het derde geef ik haar verlof te gaan wanneer zij wil, haren gang aanbevelend in de hoede der fortuin. Het tweede gedeelte begint hier: "Hebt ge aldus...."; het derde hier: "Mijn lieflijk Lied...." Een of ander zoude hier kunnen tegenwerpen dat hij niet begreep tot wien mijne aanspraak in de tweede persoon zich richtte, aangezien de ballade niets anders is dan de woorden zelf welke ik spreek: en ik zeg daarom dat ik van zins ben dit bezwaar op te lossen en te verklaren in ditzelfde boekske op eene andere, nog twijfelachtiger plaats; en dan zal diegene die hier mocht twijfelen of op deze wijze bezwaar mocht maken, het wel begrijpen.
§ XIII.
Na het bovenbeschreven gezicht, reeds de woorden geschreven hebbende, welke Amor mij bevolen had te spreken, begonnen vele en vreemde gedachten mij te bestoken en te verzoeken, elke haast onwederstaanbaar: onder welke gedachten vier mij het meest de rust des levens verstoorden. De eerste van hen was deze: "Goed is de heerschappij der Liefde omdat zij het streven van haren getrouwe aftrekt van al wat laag is". De tweede was deze: "Niet goed is de heerschappij der Liefde, omdat, hoe meer geloof haar getrouwe in haar stelt, hoe zwaarder en smartelijker weg hij moet gaan". De derde was deze: "Het woord liefde is zòò zoet te hooren, dat het mij onmogelijk schijnt dat hare eigen werking in de meeste dingen anders dan zoet zoude zijn, aangezien de namen zich richten naar de genoemde dingen, gelijk geschreven staat: 'Nomina sunt consequentia rerum'" [43] [44]. De vierde was deze: "De Vrouwe, de liefde tot wie u aldus in het nauw brengt, is niet als andere vrouwen, zoodat zij gemakkelijk het hart zoude kunnen verlaten". En elk dezer gedachten bestookte mij zoozeer, dat zij mij deed staan als een die niet weet langs welken weg zijne reis leidt, zoodat hij wil voortgaan, doch niet weet waarhenen. En als ik er over peinsde eenen gemeenschappelijken weg voor hen te zoeken, dat wil zeggen eenen, waarover zij het allen eens waren, bleek deze weg mij zeer tegen den zin: namelijk Medelijden aan te roepen en mij in hare armen te werpen. En verblijvend in dezen staat, kwam de begeerte in mij op er in rijmen over te schrijven; en ik schreef vervolgens dit sonnet, hetwelk begint:
Van Liefde spreken nu al mijn gedachten, Doch zòò verward is hun verscheidenheid, Dat de eene fel haar heerschappij bestrijdt, Terwijl mij de andre staag naar haar doet smachten;
D'een telkens weer mij drijft tot wilde klachten, En de aâr mij stilt met hoop van zaligheid; En dààrin slechts hoor ik eenstemmigheid, Dat zij alleen van Meelij heul verwachten.
Dus weet ik niet naar welke ik luistren moet; En wil ik spreken: 'k weet niet hoe of wat; Zoozeer ben 'k in der Liefde dool gevangen.
En wèl zie ik, dat wil 'k ooit rust erlangen, 'k Vrouw Meelij, die met mij nooit meelij had, Mijn vijandin, ter hulpe roepen moet.
Dit sonnet kan in vier gedeelten worden verdeeld; in het eerste zeg ik en zet ik uiteen, dat al mijne gedachten over de Liefde zijn; in het tweede zeg ik dat zij uiteenloopend zijn en verhaal ik van hunne verscheidenheid; in het derde zeg ik in welk opzicht allen het eens schijnen te zijn; in het vierde zeg ik dat ik, willende spreken over de Liefde, niet weet vanwaar mijne stof te nemen, en dat wanneer ik haar van hen allen nemen wil, ik mijne vijandin, Vrouwe Medelijden, moet te hulp roepen. Ik zeg "Vrouwe" bedoelende op eene schampere wijze te spreken. Het tweede gedeelte begint hier: "Doch zòò verward...."; het derde hier: "En daarin slechts...." het vierde: "Dus weet ik niet...."
§ XIV.
Na den krijg dier verschillende gedachten geviel het dat de Allerlieflijkste ergens kwam, waar vele edele dames vereenigd waren; naar welke plaats ik werd medegenomen [45] door eenen vriend, die geloofde mij een groot genoegen te bereiden door mij te brengen waar zoo vele vrouwen hunne schoonheid toonden. Waarop ik, ternauwernood wetende waarhenen ik geleid werd, mij toevertrouwende [46] aan dien man--die intusschen zijnen vriend aan de uiterste grens des levens bracht--tot hem zeide: "Waarom zijn wij tot deze vrouwen gegaan?" Daarop antwoordde hij: "Om te zorgen dat zij waardiglijk gediend worden". En de waarheid is dat zij daar bijeen waren om eene edele dame gezelschap te houden, die dien dag gehuwd was; aangezien het, volgens gebruik [47] in de bovenbedoelde stad, betaamde dat men haar gezelschap hield bij den eersten maaltijd dien zij nuttigde in de woning van haren jongen echtgenoot. Zoodat ik, geloovende mijnen vriend een genoegen te doen, mij voornam dezen vrouwen, die haar gezelschap hielden, van dienst te zijn. En toen ik dit juist besloten had, leek het mij als voelde ik eene vreemde siddering beginnen in de linker zijde van mijne borst en zich plotseling over alle deelen mijns lichaam uitbreiden. Toen, zegge ik, leunde ik mij onmiddellijk tegen eene muurschildering, welke de zaal omgaf; en vreezende dat anderen mijne siddering zouden hebben opgemerkt, sloeg ik de oogen op en naar de vrouwen ziende, ontwaarde ik onder hen de lieflijke Beatrice. Toen werden mijne geesten zoodanig overweldigd door de kracht welke de Liefde verkreeg, ziende zich in zoo groote nabijheid dier allerlieflijkste Vrouwe, dat geen meer in mij leven bleven dan alleen de geesten des gezichts; en zelfs deze bleven nog buiten hunne werktuigen, omdat de Liefde in hunne verheven plaats wilde huizen, ten einde die wonderbare Vrouwe te kunnen zien. En ofschoon ik een ander was dan eerst, bedroefde ik mij toch zeer over die geestjes, die luide jammerden en zeiden: "Als deze ons niet aldus uit onze plaats gebliksemd had, zouden wij nu daar het wonder dier Vrouwe kunnen aanzien, zooals de anderen, onze gelijken, doen". Ik zeg dat vele dier dames, mijne verandering hebbende opgemerkt, zich begonnen te verwonderen; en pratende spotteden zij over mij met de Allerlieflijkste [48], waarop mijn argelooze vriend, dit bemerkende, mij bij de hand nam en, mij leidend uit het gezicht dier dames, mij vroeg wat ik had. Hierop rustte ik eene pooze, en nadat mijne doode geesten weder waren herrezen en de verdrevene weder tot hunne plaatsen waren teruggekeerd, zeide ik tot mijnen vriend deze woorden: "Ik heb mijne voeten gezet in dat deel des levens, vanwaar men niet weder kan terugkeeren, al wilde men." En ik nam afscheid van hem en trok mij terug in de kamer der tranen, in welke ik, weenende en beschaamd, tot mijzelven zeide: "Als deze Vrouwe mijnen toestand kende, ik geloof niet dat zij aldus mijn uiterlijk zou bespotten, maar ik geloof veeleer dat zij diep medelijden er mede hebben zou." En aldus klagen blijvend, nam ik mij voor woorden te spreken waardoor ik, mij tot hààr richtend, haar de oorzaak mijner verandering zou verklaren en zou zeggen dat ik wel wist dat men die niet kende en dat, indien men haar gekend had, ik geloofde dat elkeen medelijden gevoeld zou hebben: en ik nam mij voor dit te zeggen, hopende dat het bij toeval haar ter oore zou komen; en ik schreef toen dit sonnet, hetwelk aldus begint:
Bespotten zie ik u met de andre vrouwen Mijn aanschijn, want de reden kent ge niet Waarom het dus verandert en verschiet Telkens wanneer 'k uw schoonheid mag aanschouwen.
Zoo ge het wist: wèl zoude 't u berouwen Dat ge mij niets dan die bespotting biedt. 't Is wijl, wen Amor mij dicht bij u ziet, Hem vult zulk overmoedig zelfvertrouwen,
Dat, woedend onder mijn ontstelde zinnen, Hij deze doodt en gene gansch verdrijft, Om veilig, in hùn plaats naar u te staren.
Maar zòò niet is de Liefde in mij gevaren, Dat niet mijn hart toch tevens pijnen blijft Om mijn gemartelde en verdreven zinnen.
Dit sonnet verdeel ik niet in gedeelten, omdat eene verdeeling alleen gemaakt wordt om den zin der verdeelde zaak open te leggen; zoodat dit, aangezien het door zijne verhaalde aanleiding voldoende duidelijk is, geene verdeeling behoeft. Weliswaar bevinden zich onder de woorden, waarin de aanleiding tot dit sonnet verhaald wordt, eenige twijfelachtige woorden, namelijk waar ik zeg dat de Liefde al mijne geesten doodt en alleen die des gezichts in leven blijven, ofschoon dan buiten hunne werktuigen. En deze moeilijkheid is onmogelijk op te lossen voor wie niet in dezelfde mate der Liefde plichtig is; en voor hen die zulks zijn, is datgene wat die moeilijkheid zou oplossen duidelijk; en daarom is het niet goed voor mij deze moeilijkheid te verklaren, aangezien mijne woorden òf vergeefs zouden zijn òf overbodig.
§ XV.
Na deze nieuwe verandering werd ik sterk vervuld van eene gedachte welke mij zelden meer verliet, maar mij voortdurend weer hernam en aldus tot mij sprak: "Daar ge zulk een spotwaardig uiterlijk aanneemt wanneer ge in de nabijheid dier Vrouwe zijt, waarom dan zoekt ge haar te zien? Wanneer zij u daarnaar vroeg, wat zoudt ge hebben te antwoorden? aangenomen dat ge het vrije gebruik van al uwe vermogens hadt wanneer ge haar toespreken moest." En eene andere, schuchtere gedachte, antwoordde op deze en zeide: "Wanneer ik mijne vermogens niet verloor en zoo vrij ware dat ik kon antwoorden, zoude ik haar zeggen dat, zoodra ik mij hare wonderbare schoonheid verbeeld, dadelijk ook een verlangen in mij opkomt om haar te zien, hetwelk van zoo groote kracht is, dat het doodt en verwoest in mijne herinnering al wat er tegen op zoude kunnen staan; en daardoor weerhouden mij de geleden smarten niet om opnieuw haren aanblik te zoeken." Waarop ik, bewogen door deze gedachten, mij voornam eenige woorden te zeggen, in welke ik, mij tegenover haar verontschuldigend over mijn gedrag, ook zou verhalen van wat mij in hare nabijheid overkwam; en ik schreef dit sonnet, hetwelk aldus begint:
Al wat weerstreeft in mijnen geest moet sterven, Wanneer 'k, o Schoone Vreugd, tot u wil gaan. Maar "Vlucht" spreekt Amor, "wilt ge u niet verderven", Als hij mij vindt in uw nabijheid staan.
Mijn aanschijn toont in wisselende verven Des harten strijd en zwijmend leune ik aan 't Gemuurde, en 't is of ik de steenen "sterven!" Hoor zuchten in dier wanhoop dronken waan.
Wie dus mij ziet bevlekt zijn ziel van zonde, Zoo mijn verbijstering hem niet verweekt Tot droeve deernis en een zachte klacht
Om Meelij, dat uw spot zòò diep verwondde Dat uit mijn brekende oogen het slechts smeekt Den Dood, van wien alleen 't nog troost verwacht.
Dit sonnet kan in twee gedeelten worden verdeeld; in het eerste zeg ik de reden waarom ik mij niet houden kan naar mijne Vrouwe te gaan; in het tweede zeg ik wat mij overkomt doordat ik tot haar ga; en dit gedeelte begint hier: "Maar: Vlucht, spreekt Amor...." En dit tweede gedeelte is nog verder te verdeelen in vijven, volgens vijf verschillende mededeelingen: want in het eerste zeg ik wat de Liefde, geraden door de Rede, mij zegt wanneer ik in hare nabijheid ben; in het tweede zet ik den toestand van mijn hart uiteen naar het voorbeeld van mijn gelaat; in het derde zeg ik hoe alle zekerheid mij ontvalt; in het vierde zeg ik dat degeen die geen medelijden met mij betoont zondigt, omdat zulks mij eenigermate zou hebben getroost; in het laatste zeg ik waaròm men medelijden moet hebben, namelijk wegens den deerniswaardigen blik welke mij in de oogen komt; want deze deerniswaardige blik is verwoest, dat wil zeggen is voor een ander niet meer zichtbaar tengevolge van de spot mijner Vrouwe, welke tot een dergelijk gedragen diegenen medesleept die misschien zulk medelijden hadden kunnen betoonen. Het tweede gedeelte begint hier: "Mijn aanschijn toont...."; het derde hier: "En 't is of ik...."; het vierde: "Wie dus mij ziet...."; het vijfde: "Om Meelij...."
§ XVI.
Nadat ik dit geschreven had, wekte dit sonnet het verlangen in mij op om ook eenige woorden te zeggen over vier andere zaken mijnen toestand betreffende, welke mij schenen door mij nog niet duidelijk te zijn gemaakt. De eerste van deze was aldus: dat ik mij dikwijls bedroefde wanneer mijn geheugen mijne verbeelding bewoog zich voor te stellen hoedanig Amor mij gemaakt had. De tweede was aldus: dat de Liefde mij herhaaldelijk plotseling zoo hevig besprong, dat er in mij niets anders levends bleef dan slechts ééne gedachte, welke van mijne Vrouwe sprak. De derde was aldus: dat wanneer die strijd der Liefde mij aldus bestookte, ik mij, bijna geheel ontkleurd, opmaakte om mijne Vrouwe te gaan zien, geloovende dat haar aanblik mij in dien strijd zou verdedigen, en vergetende wat mij door het naderen tot hare zoo groote lieflijkheid overkwam. De vierde was aldus: dat deze aanblik mij niet alleen niet verdedigde, maar zelfs de laatste rest mijns levens nog uit mij verdreef; en daarop schreef ik dit sonnet, hetwelk begint:
Dikwerf wanneer 'k bepeins het vreemd gedragen Waartoe mij Amor dwingt, wil 't hart mij breken Van medelijden en ik hoor het klagen: "Ach, kon ooit smart een ander dus verweeken?"
Wen Amor mij bespringt om te verjagen Mijn zinnen en haast allen voor hem weken, Ontkomt er slechts ééne enkele aan zijn slagen, En die blijft, om van ù alleen te spreken.
En dan, wijl ik voor eigen zwakheid zwicht, Kom 'k bleek, ontdaan, van alle kracht begeven, Tot u, of me ook ùw blik genezing biedt.
Maar zoo ik opzie tot uw zoet gezicht, Begint nog smartlijker mijn hart te beven En 'k voel hoe 't leven uit mijn adren vliedt.
Dit sonnet kan worden verdeeld in vier gedeelten, volgens de vier zaken welke er in verhaald worden; en omdat deze zaken hierboven reeds uiteengezet zijn, houd ik mij niet op dan slechts om deze gedeelten door hunne beginwoorden aan te duiden; zoodat ik zeg dat het tweede gedeelte begint hier: "Wen Amor...."; het derde hier: "En dan, wijl ik...."; het vierde hier: "Maar zoo ik opzie...."
§ XVII.
Nadat ik deze drie sonnetten had geschreven, waarin ik sprak tot mijne Vrouwe, geloovende nu te moeten zwijgen [49], omdat zij ongeveer heel mijnen toestand verhaalden en het mij voorkwam dat ik duidelijk genoeg over mijzelf had gesproken, gebeurde het toch--ofschoon ik mij daarna nooit meer onmiddellijk tot hààr gericht heb--dat ik eene nieuwe en edeler stof dan de voorgaande opnam. En omdat de aanleiding daartoe aangenaam is om te hooren, zal ik haar zoo kort ik kan mededeelen.
TWEEDE GEDEELTE
(1287-1290).
§ XVIII.