Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)
Chapter 4
Over het proza nog een paar opmerkingen. Het verhalend gedeelte ervan, dat tot begrip van het verband der gedichten dient, is niet geheel en al een vinding van Dante. Reeds de provençaalsche troubadours plachten zulke uitleggingen, razo's, als biografische aanteekeningen aan de losse gedichten hunner collega's toe te voegen, o.a. bij de liederen van Bertrand de Born, en ook in oudere Italiaansche canzoniere's of liederenbundels treft men ze aan. Maar wel is Dante de eerste, en hij bleef ook de eenige, die zélf, een gehééle reeks van gedichten door zulk verklarend proza--ook hij noemde het "ragione"--in een onderling logisch verband bracht. Behalve dezen verband-leggenden tekst evenwel bevat het boekje ook nog korte glossen over bouw en indeeling der gedichten elk afzonderlijk. Dante noemt ze "divisioni". Sommige commentatoren, onder anderen reeds dadelijk Boccaccio, hebben deze divisioni geschrapt of als latere kantteekeningen van anderen beschouwd. Maar zij behooren niettemin wezenlijk tot het werk. Zij laten ons Dante zien in heel zijne, voor ons modern gevoel soms bijna lachwekkende schoolschheid. Maar zòò was de 27-jarige autodidakt, die zich, zonder universitaire opleiding en waarschijnlijk ook zonder geregeld onderwijs, alle wetenschappen van zijn tijd, alle christelijk-schoolsche wijsheid en waanwijsheid, moest eigen maken. Wie zich vermag in te denken in dien onstilbaren dorst naar weten en overzien die dezen tijd beheerschte en de behoefte aan systematiek die hiervan een gevolg is, zal het niet langer zoo héél absurd vinden dat de dichter Dante, maar toch die dichter die, zooals zijn eerste biograaf, Villani ( 1336) zeide: "eenigszins trotsch was op zijn weten en minachtend-verwaten", met een soms pijnlijke dorheid zijn eigen schoonste lyrische uitingen beredeneert, zelfs nog daar, waar de structuur zoo eenvoudig en doorzichtig is, dat iedere nadere verklaring ervan niet anders kan schijnen dan een overbodige pedanterie. En toch is zelfs in deze divisioni wel hier en daar een gevoeliger toon te hooren. Is de overweging waarom de divisioni tijdens het leven van Beatrice achter de gedichten, maar na haar dood er vòòr geplaatst worden: namelijk dat door ze aldus te plaatsen, de gedichten zonder gevolg of geleide optreden en daardoor "meer verweduwd zullen schijnen", is deze skrupule belachelijk-sentimenteel of kinderlijk-beminnelijk? Zéker is zij niet de dorre overweging van een kwasi-wetenschappelijk glossateur. En voorts vergete men niet, dat het ook niet de volgroeide geleerde is die het proza der Vita Nuova schreef, maar juist de nog ongeleerde en daardoor tot geleerdheidsvertoon geneigde beginneling; de jonge man, die wel graag Latijnsche auteurs aanhaalt en ook zelfs wel een brief in die taal weet te schrijven, maar wien het toch veel moeite kostte Boëtius en Cicero te lezen; die over Ptolomaeus spreekt zonder diens stelsel goed te kennen en die aan het slot van zijn boekje zelf zòò diep gevoelt dat hij eerst nog "veel studeeren" moet alvorens hij zijn liefde waardiglijk zal kunnen opvoeren tot de verheerlijking en dienst van haar, zijn Beata Beatrix, zijn ideaal van Schoonheid en Deugd en ook ons aller goddelijke troosteres en leidster, hoe wij haar ook noemen.
Beatrice dus werkelijkheid en symbool, de Vita Nuova spontane lyriek en bedachte allegorie. Zoo is ook de Divina Commedia een schepping waarin zuiverst gevoel versmolt met hoogste gedachte. En dezelfde gedachte als die welke de Vita Nuova beheerscht: de loutering van den geest door begeerte, afdwaling, leed, berouw en terugkeer heen tot de hoogste Liefde. In beide werken dezelfde drievoudige synthese: subjektiviteit en objektiviteit, realisme en idealisme, gevoel en verstand; een synthese, jong en lieflijk in de Vita Nuova, mannelijk en grootsch in de Commedia. Het is zooals Rossetti zegt in zijn "Early Italian poets": "Door de geheele Vita Nuova heen zingt een geluid als het eerste zachte murmelen dat wij hooren ergens op een verre weide en dat ons voorbereidt op den aanblik der zee."
Literatuur. Van de ontzaglijk uitgebreide Dante-literatuur noem ik hier alleen die werken die mij bij de samenstelling dezer inleiding en van de aanteekeningen van het meeste nut waren.
Giovanni Melodia: La Vita Nuova. 1905, tekst met zeer uitgebreid commentaar.
Michele Scherillo: La Vita Nuova. 1911, eveneens met uitvoerig commentaar.
I. del Lungo: Beatrice nella Vita e nella poesia del secolo XIII 1891.
Fr. Pasqualigo: Pensieri sull' allegoria della Vita Nuova di Dante 1896.
Karl Vossler: Die philosophischen Grundlagen zum "Süssen neuen Still" 1904.
Fr. Xaver. Kraus: Dante, sein Leben und sein Werk. 1897.
D. G. Rossetti: Early Italian Poets.
Henri Hauvette: Dante. Inleiding tot de studie van de Divina Commedia. 1913. (Wereldbibliotheek).
H. J. Boeken: De Hel, de Louteringsberg en het Paradijs; in proza vertaald. (Wereldbibliotheek).
HET NIEUWE LEVEN
VERTALING
VOORREDE
In dat gedeelte van het boek mijner herinnering, vòòr hetwelk weinig te lezen zoude zijn, bevindt zich een opschrift, hetwelk luidt:
INCIPIT VITA NOVA [4].
Onder hetzelve vind ik de woorden geschreven, welke het mijne bedoeling is in dit boekske weer te geven, zoo niet in hun geheel, dan tenminste hun zin.
EERSTE GEDEELTE
(1274-1287).
§ I.
Negen malen welhaast na mijne geboorte was de hemel des lichts [5] tot hetzelfde punt weergekeerd, voor zoover zijn eigen omloop betreft, toen mijnen oogen voor het eerst verscheen de glorierijke Vrouwe mijner Gedachte, die door velen, die niet wisten hoe haar te moeten noemen, Beatrice werd geheeten [6]. Zij had reeds zoolang in dit leven verwijld, dat zich gedurende haren tijd de bestarde hemel het twaalfde gedeelte van eenen graad naar het oosten bewogen had [7]: zoodat zij mij verscheen ongeveer in het begin van haar negende jaar en ik haar aanschouwde ongeveer aan het einde van het mijne. En zij verscheen mij omkleed met de edelste kleur, een bescheiden en eerzaam rood, omgord en getooid naar den trant welke haren zeer jeugdigen leeftijd betaamde. Op dit oogenblik, zegge ik naar waarheid, begon de geest des levens [8], die in de verborgenste kamer des harten woont, zoo sterk te beven, dat hij tot in de geringste aderen zich schrikkelijk deed gevoelen; en bevende sprak hij deze woorden: "Ecce Deus fortior me, qui veniens dominabitur mihi" [9]. Toen begon de dierlijke geest, die woont in die hooge kamer, waarheen alle zinnelijke geesten hunne waarnemingen dragen, zich zeer te verbazen, en sprekende tot de geesten des gezichts, zeide hij deze woorden: "Apparuit jam beatitudo vestra" [10]. Toen begon de natuurlijke geest, die woont in dat deel des lichaams, waar voor onze voeding wordt zorg gedragen, te jammeren en zeide weenende: "Heu miser, quia frequenter impeditus ero deinceps!" [11]. Van toen af, zegge ik, heeft Amor [12] mijnen geest, die zoo schielijk met hem gehuwd was, beheerscht en begon hij eene zoo groote en zekere macht over mij te verkrijgen, door de kracht welke mijne verbeelding hem schonk, dat ik genoodzaakt was geheel en al naar het hèm beviel te handelen. Zeer dikwijls beval hij mij den aanblik van die jeugdige engel te zoeken; zoo dat ik in mijne jonkheid haar ook herhaaldelijk zocht; en ik zag haar van een zoo ongekend en lofwaardig wezen, dat men zekerlijk van haar kon zeggen die woorden van den dichter Homeros: "Zij scheen niet de dochter van een sterfelijk mensch, doch van eenen god." [13] En het geviel dat haar beeld, hetwelk voortdurend in mij was, ofschoon het mij met de koenheid der Liefde regeerde, ganschelijk was van eene zòò edele deugdzaamheid, dat het nimmer gedoogde dat de Liefde mij beheerschte zonder den trouwen raad der rede, in die zaken waar zulk een raad nuttig was te hooren. Doch daar een te lang vertoeven bij de hartstochten en handelingen eener zoo prille jeugd, eenigszins zou kunnen gelijken op verzinsel, zal ik daarvan afscheid nemen; en vele zaken overslaande, welke ik evenals het volgende zou kunnen verhalen, wil ik overgaan tot die woorden, welke in mijn geheugen in grooter paragrafen staan geschreven.
§ II.
Toen er zoovele dagen waren voorbij gegaan, dat juist negen jaren vervuld waren [14] sedert de bovenbeschreven verschijning dier Allerlieflijkste [15], gebeurde het op den laatste dezer dagen dat deze bewonderenswaardige Vrouwe mij verscheen, gekleed in zuiver-witte kleur, temidden van twee edele dames, die van ouderen leeftijd waren; en voorbij schrijdend door eene straat, wendde zij de oogen naar dien kant waar ik, vol vreeze, stond: en in hare onuitsprekelijke hoofschheid [16], welke nu in de Eeuwigheid vergolden wordt, groette zij mij met een blik zoo vol van deugden [17], dat het mij toescheen als zage ik de grenzen aller zaligheid. Het uur waarop haar allerzoetste groet mij gewerd, was juist het negende van dien dag: en omdat het de eerste reize was dat hare woorden zich tot mijne ooren bewogen, werd ik door zulk eene verteedering bevangen, dat ik mij als dronken van de menigte afzonderde. En ik vlood naar de eenzaamheid mijner kamer en zette mij daar tot peinzen over deze zeer hoofsche Vrouwe.
§ III.
En terwijl ik over haar peinsde overviel mij een zoete sluimer, in welken mij een wonderbaar gezicht verscheen: het leek mij dat ik in mijne kamer eenen vuurkleurigen nevel zag, binnen welken ik de gedaante onderscheidde van eenen man van vreeswekkend aanschijn voor wie hem aanschouwden: maar toch scheen hij, wat hemzelf betrof, zoo vroolijk dat het verwonderlijk was: en sprekende zeide hij vele dingen, waarvan ik slechts weinig verstond, waaronder echter deze woorden: "Ego Dominus tuus" [18]. In zijne armen meende ik eene slapende gestalte te zien, naakt [19], behalve dat zij mij gehuld leek in een kleed van teeder rood; welke gestalte ik na zeer aandachtige beschouwing herkende als die Vrouwe des Heils [20], die mij den vorigen dag eenen groet had waardig geacht. En het leek mij dat de verschijning in de eene hand iets hield dat geheel en al brandde en het leek mij dat hij deze woorden tot mij sprak: "Vide cor tuum" [21]. En nadat hij eene pooze aldus gestaan had, leek het mij dat hij de slapende wekte, en zòò sterk was hij door de kracht van zijnen geest, dat hij haar dit voorwerp, dat brandde in zijne hand, deed eten; hetwelk zij weifelend at [22]. Hierna, kort daarop, veranderde zijne vreugde in bitterst geklag: en aldus klagend, nam hij de Vrouwe opnieuw in zijne armen en het scheen mij dat hij met haar hemelwaarts vlood: waarover ik in zulk eenen hevigen angst geraakte dat mijn lichte sluimer het niet kon verduren, maar afbrak en ik ontwaakte. En onmiddellijk begon ik te peinzen; en ik vond dat het uur waarop het gezicht mij verschenen was, het vierde uur geweest was van dien nacht: zoodat het duidelijk blijkt dat het het eerste uur was van de negen laatste uren des nachts. En steeds peinzend over wat mij verschenen was, nam ik mij voor het aan velen bekend te maken, die in dien tijd vermaarde troubadours waren: en omdat ik reeds uit mijzelf de kunst geleerd had in rijmen te spreken [23], nam ik mij voor een sonnet te maken, in hetwelk ik eenen groet bracht aan alle Getrouwen der Liefde [24]; en hen verzoekend om hun oordeel over mijn gezicht, beschreef ik hen wat ik in mijnen slaap gezien had. En ik begon toen dit sonnet:
Elk edel hart, [25] dat juist der Liefde gloed, Tot voor welks aanschijn deze woorden dwalen-- Opdat het mij zijn meening moog' verhalen-- In naam van Amor, zijnen Heer, mijn groet!
Reeds henen was dra 't derde deel gespoed Der uren waarin alle sterren stralen, Toen plotseling Amor tot mij neer kwam dalen, Zòò, dat herinnring nòg mij beven doet.
Vol vreugde scheen hij me eerst terwijl zijn handen Droegen mijn hart, en in zijn armen had Hij mijn Meestres, sluimrend in lichtrood kleed;
Toen riep hij haar; en van mijn hart dat brandde, Zag 'k hoe zij schuchter, schoon gehoorzaam, at.... En klagend vlood hij als in bitter leed.
Dit sonnet bestaat uit twee gedeelten: in het eerste gedeelte breng ik mijnen groet en vraag ik antwoord; in het tweede duid ik aan waarop geantwoord moet worden. Het tweede gedeelte begint hier: "Reeds henen was...."
Op dit sonnet werd door velen en in verschillenden zin geantwoord, en onder hen die antwoordden bevond zich hij, dien ik mijnen grootsten vriend noem [26]. Deze schreef toen een sonnet, hetwelk begint: "Ge zaagt, naar het mij schijnt, het hoogste goed" [27]. En het was zoo te zeggen het begin der vriendschap tusschen hem en mij toen hij vernam dat ik degene was die hem zulks had gezonden. De ware beteekenis van den droom werd toen door niemand gezien, maar thans is zij zelfs den meest onnoozelen duidelijk [28].
§ IV.
Van dit gezicht af begon mijn natuurlijke geest belemmerd te worden in zijne werking, wijl mijne ziel geheel was overgegeven aan de bepeinzing dier Allerlieflijkste, zoodat ik binnen korten tijd van eenen zoo broozen en zwakken staat werd, dat het vele vrienden bij mijnen aanblik bekommerde; en velen, die vol nieuwsgierigheid waren, gaven zich moeite van mij te weten te komen wat ik van alle dingen het liefste voor anderen wilde verbergen. En ik, hun lastig aandringen bemerkend, antwoordde hen door den wil der Liefde, die mij zulks beval volgens den raad der Rede, dat Liefde degeen was die mij dus had doen worden: ik zeide Liefde, omdat ik in mijn gelaat zoovele harer teekenen droeg, dat ik het niet kon verbergen. En wanneer zij mij vroegen: "Om welke is het dat de Liefde u dus heeft verteerd?" dan zag ik hen glimlachende aan en zeide niets.
§ V.
Op eenen dag gebeurde het dat deze Allerlieflijkste gezeten was dààr, waar gesproken wordt over de Koningin der Glorie [29], en ik bevond mij op eene plaats, van welke ik mijne gelukzaligheid kon zien: en midden tusschen haar en mij, in rechte lijn, zat eene edele dame van zeer bekoorlijk aanschijn, die mij dikwijls aanzag, zich verwonderend over mijn staren, hetwelk bij haar scheen te eindigen; zoodat velen eveneens zich verwonderden. En zoo machtig werd mijne ziel aangegrepen, dat, toen ik die plaats verliet, ik achter mij hoorde zeggen: "Ziet, hoe gindsche dame het uiterlijk van dezen ontstelt". En toen zij haren naam noemden, begreep ik dat zij dit zeiden van haar die in het midden gezeten had van de rechte lijn, welke uitging van de lieflijke Beatrice en eindigde in mijne oogen. Dit vertroostte mij ten zeerste, omdat het mij de zekerheid gaf dat mijn geheim dien dag niet door mijne blikken aan anderen bekend was geworden: onmiddellijk bedacht ik deze edele dame tot een scherm der waarheid te maken [30]; en zoo vaardig betoonde ik mij hierin binnen korten tijd, dat de meeste lieden die over mij spraken, waanden mijn geheim te weten. Achter deze dame verborg ik mij eenige jaren en maanden; en om den anderen het eerder te doen gelooven, maakte ik voor haar zekere gedichtjes, welke het niet mijne bedoeling is hier neer te schrijven, tenzij dan voorzoover zij betrekking hebben op de lieflijke Beatrice; en daarom laat ik ze allen terzijde, behalve dat ik iets er van zal over schrijven dat haren lof schijnt te bevatten.
§ VI.
Ik zeg dan dat in dien tijd, toen deze dame een scherm was voor mijne zoo groote liefde, voorzoover althans mijzelf betrof, de begeerte in mij opkwam den naam der Allerlieflijkste uit te spreken en hem te doen vergezellen van vele namen van vrouwen, in het bijzonder van den naam dier edele dame; en ik nam de namen van zestig der schoonste vrouwen uit die stad, alwaar mijne Vrouwe door den allerhoogsten Koning geplaatst was, en ik stelde eenen brief samen in den vorm eener serventese [31], welke ik niet zal opschrijven; en ik zoude hiervan geen melding gemaakt hebben, ware het niet om aldus te zeggen wat, terwijl ik hem samenstelde, wonderbaarlijkerwijze geviel, namelijk dat de naam mijner Vrouwe op geen enkele andere plaats kon komen te staan tusschen de namen dier vrouwen dan op de negende.
§ VII.
Het geschiedde dat de dame, door middel van welke ik zoo langen tijd mijne begeerte had verborgen, uit bovenbedoelde stad vertrok en zich begaf naar eene zeer verre streek: waarover ik, als verbijsterd door het verlies mijner schoone bescherming, mij meer bedroefde dan ikzelf tevoren voor mogelijk zou hebben gehouden. En bedenkende dat, wanneer ik niet het een of ander droevigs zeide over haar vertrek, de lieden al spoedig mijn geveins zouden bemerken, nam ik mij voor er ietwat over te klagen in een sonnet, hetwelk ik wil opschrijven, omdat mijne Vrouwe de onmiddellijke aanleiding voor zekere woorden was, welke in het sonnet staan, gelijk duidelijk is voor wie het begrijpt: en ik schreef toen dit sonnet [32], hetwelk begint:
Gij, die 'k voorbij langs Amor's weg zie schrijden, Nu wilt aandachtig beiden: Zaagt ge ooit een smart gelijk de mijne groot? O wilt mijn klacht niet ongeduldig mijden: Hoort, hoe aan alle lijden Mijn ledig hart sleutel en toevlucht bood.
Niet naar gering verdienst mij te onderscheiden, Maar uit genâ bereidde Amor me een leven, zoet als geen genoot; En dikwijls hoorde ik heimlijk mij benijden: Wat deugd kon zulk verblijden Schenken een hart dat vreugde vroeger vlood!
Maar 't lot kwam mij den overmoed ontstelen, Dien 'k zelf ontnam aan Liefde's schoonen schat; En zòò arm bleef ik, dat Ik zelfs den moed mis 't andren mee te deelen
En--als uit schaamt' 't gebrek dat hij bezat, Zoo menigeen der wereld wou verhelen-- Des blijden rol blijf spelen, Terwijl mijn hart smelt in der tranen nat.
Dit sonnet heeft twee hoofdgedeelten: in het eerste namelijk is het mijne bedoeling den Getrouwen der Liefde deze woorden van den profeet Jeremia toe te roepen: "O vos omnes, qui transitis per viam, attendite et videte, si est dolor sicut dolor meus [33]; en hen te smeeken naar mij te willen luisteren. In het tweede verhaal ik in hoedanig een leven de Liefde mij geplaatst had, in eenen anderen zin evenwel dan de laatste gedeelten van het sonnet aanwijzen [34] en zeg ik wat ik verloren heb. Het tweede gedeelte begint hier: "Niet naar gering verdienst...."
§ VIII.
Na het vertrek van deze edele dame behaagde het den Heer der Engelen tot zijne glorie te roepen eene jonkvrouw, jeugdig en van lieflijk aanschijn, die zeer bemind was in bovenbedoelde stad; wier lichaam ik ontzield zag liggen te midden van vele vrouwen, die erbarmelijk weenden. Toen, mij herinnerend dat ik haar wel gezien had in gezelschap der Allerlieflijkste, kon ik enkele tranen niet weerhouden; en nog weenende nam ik mij voor eenige woorden te zeggen over haren dood, ter vergelding daarvan dat ik haar enkele malen samen met mijne Vrouwe gezien had. En hierop zinspeelde ik ietwat in het laatste deel der woorden welke ik erover schreef, hetgeen duidelijk blijkt aan dengene, die het begrijpt [35]; en ik schreef toen deze twee sonnetten, van welke het eerste begint: "Klaagt, al wie mint...." en het tweede: "O lage Dood...." [36].
Klaagt, al wie mint, nu ge Amor zelf hoort klagen, Vernemend zijner diepe droefnis reên: Veel vrouwen zag hij jammerend bijeen, Wier bitter leed erbarmen scheen te vragen,
Omdat de lage Dood wreed heeft verslagen Een edel hart, vol zoete lieflijkheên, Verwoestend wat het meest, na de eer, in een Minlijke maagd der wereld moet behagen.
Nu hoort wat laatste eer Amor haar bewees: Over der doode lieflijk beeld gebogen Zag 'k weenen hem in tastbare gedaant',
En dikwijls hief hij zijn gelaat, betraand Omhoog, tot waar de ziel reeds was getogen Van haar, wier blijde schoonheid men ééns prees.--
Dit eerste sonnet bestaat uit drie gedeelten. In het eerste roep ik de Getrouwen der Liefde aan en wek ik hen op te weenen; en ik zeg dat hun Heer weent, en ik zeg dit opdat zij, vernemend de reden waarom hij weent, meer geneigd zullen zijn naar mij te luisteren. In het tweede verhaal ik deze reden; in het derde spreek ik van een eerbewijs dat de Liefde aan deze jonkvrouw betoonde. Het tweede gedeelte begint hier: "Veel vrouwen....", het derde hier: "Nu hoort...."
O lage Dood! vijand der teedre harten, Oervader aller smarten, Doemsprake wreed en onafwentelbaar! Nu 'k met een hart van zorg en weedom zwaar, Droef-peinzend ommewaar, Blijve in uw blaam mijn tong vermoeinis tarten!
Om nog uw lage snoodheid te verzwarten, Roepe ik langs weg en markten, Uw ergste arglist uit; schoon ze openbaar Voor elk reeds is, opdat door deze maar Toorn moge ontbranden waar Anders slechts Liefde ontgloeien doet de harten.
Nu moet wel de aarde om haar ontluistring rouwen; Want wat er 't hoogst te prijzen valt: de deugd, Bloeiend in blijde jeugd, Ontnaamt ge haar in deze hoofsche vrouwe.
Haar naam wil ik u verder niet ontvouwen: Elk kent hem wien haar schoonheid heeft verheugd. Nooit hope hij, wiens deugd 't Hoogst heil niet heeft verdiend, haar weer te aanschouwen.
Dit sonnet bestaat uit vier gedeelten: in het eerste gedeelte roep ik den Dood aan met enkele zijner toepasselijke benamingen; in het tweede zeg ik, tot hem sprekende, de reden welke mij beweegt hem te smaden; in het derde gisp ik hem: in het vierde wend ik mij tot een onbepaald persoon, ofschoon deze in mijne bedoeling wèl bepaald is. Het tweede gedeelte begint hier: "Nu 'k met een hart...."; het derde hier: "Om nog uwe lage...."; het vierde hier: "Nooit hope hij...."
§ IX.
Eenige dagen na den dood dezer jonkvrouw gebeurde er iets [37], tengevolge waarvan ik de bovenbedoelde stad moest verlaten en mij begeven in de richting dier streek waar de edele dame vertoefde, die mijne bescherming geweest was, ofschoon het doel mijner reis niet zoo verwijderd was als zij. En niettegenstaande ik in gezelschap van vele anderen was, mishaagde mij deze tocht, naar mijn uiterlijk deed blijken, zoozeer, dat mijne zuchten nauw bij machte waren de beklemming uiting te geven welke mijn hart gevoelde, omdat ik mij van mijne gelukzaligheid verwijderde. En toen verscheen mij in mijne verbeelding mijn allerzoetste Heer, die mij beheerschte door de deugd dier allerlieflijkste Vrouwe, als een pelgrim gekleed, licht en onaanzienlijk. Hij leek mij verbijsterd en zag ter aarde, behalve dat het mij nu en dan scheen dat zijne oogen zich wendden tot eene schoone stroomende en heldere rivier, welke vloeide langs den weg, waarop ik mij bevond. Het leek mij dat Amor mij riep en deze woorden zeide: "Ik kom van die dame, die langen tijd uwe bescherming is geweest en ik weet dat zij niet zal terugkeeren; en daarom heb ik dat hart, hetwelk ik u bij haar deed hebben, nu bij mij en breng het naar eene dame, die nu voortaan uwe bescherming zal zijn gelijk deze het was"; en hij noemde haar mij, zòò, dat ik haar goed kende. "Maar in elk geval, indien ge iets zegt van de woorden welke ik nu tot u heb gesproken, zoo doe het geheel op zulk eene wijze dat uit hen niet blijke de voorgewende liefde welke gij voor deze betoond hebt en welke gij nu aan eene andere zult moeten betoonen." En deze woorden gezegd hebbende, verdween de verschijning geheel plotseling, tengevolge van het groote aandeel dat, naar het mij scheen, de Liefde mij van zich gaf: en, als veranderd in mijn uiterlijk, reed ik dien dag zeer zwijgzaam en vergezeld van vele zuchten. Toen de dag voorbij was begon ik hierover dit sonnet, hetwelk begint:
Onlangs, terwijl ik mijmerende reed, Moede en misnoegd om mijnen langen tocht, Zag 'k, halfweegs, vòòr mij doemen wie mij docht Amor, in pelgrim's licht gewaad gekleed.