Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)
Chapter 3
Zij gaat getooid van zooveel lieflijkheden, Dat ze ieders hoogmoed breekt door haren groet En elken heiden 't waar geloof zou schenken.
Nooit kan een laag man voor haar aanschijn treden. Maar grooter nog is 't wonder dat zij doet: Wie haar aanschouwt kan niets wat slecht is denken.
Een lof welke zin voor zin bedenkelijk gelijkt op wat Dante in verschillende gedichten schrijft over Beatrice, en hier is het toch kennelijk Dante die zijn vòòrganger naspreekt.
Doch wat doet het er ten slotte toe dat wij van Beatrice's verschijning niet meer weten dan het vage beeld dat Dante zelf van haar geeft. Niet wat zij wàs, maar wat zij in Dante's geest wakker riep is het belangrijke van haar bestaan, dat toch tenslotte maar een van die kleine, onbeteekenende feitjes was waarvan dichters dikwijls hun meest grootsche concepties ontvangen. Misschien wàs zij inderdaad onvergelijkelijk schoon van lichaam en edel van ziel, maar zeker zag Dante haar, lichamelijk en geestelijk nòg schooner en edeler, doordat hij haar omhing met het weefsel zijner eigen hoogste verlangens. Want zoo immers doet ieder dichter, ja ieder mensch wien de liefde het "nieuwe leven" ontsluit. Omweeft niet elke minnaar de geliefde vrouw met een teederen, mystieken glans, die voor zijn verbeelding--al naar den vorm waarin hij leerde denken--straalt als de aureool eener heilige of als de diadeem eener droomkoningin, maar die, hoe dan ook, steeds de hoogste schoonheid kroont welke in zijn eigen hart leeft? Dante zag in Beatrice zijn hoogsten droom van schoonheid, reinheid en deugd verwerkelijkt, en zooals iedere werkelijkheid voor wie bewondert en liefheeft tot symbool wordt, werd ook zij voor hem symbool van zijn eigen innerlijkste, dichtst-bij-God levende verlangen. Zoo is zijn werk--als elk kunstwerk in liefde geschapen, als elke liefdedaad--zoowel uitvloeisel en weerslag van een doorleefde realiteit als min of meer bewuste symboliseering van innerlijken droom. Misschien is de religieus-mystieke vorm van Dante's exaltatie "uit den tijd" en althans voor niet-katholieken moeilijk juist te waardeeren; haar geest is begrijpelijk en navoelbaar, en zal dit eeuwig blijven, voor elken minnaar.
Hoezeer allengs, na Beatrice's dood, deze symboliseering, die vergeestelijking overhand kreeg en de reëele, zinnelijke grondmotieven zijner liefde verdrong, blijkt het duidelijkst wel uit het feit dat Dante zijn herhaalde en diep-berouwde ontrouw aan de gestorven geliefde gevoelt als een vergrijp tegen.... de Rede. Ook de zalige Beatrice trouwens, die hem zijnen afval van haar verwijt, verstaat onder die ontrouw nog iets anders en meer dan amoureuse avonturen, al veroordeelt zij natuurlijk ook deze.
In de Vita Nuova beschrijft Dante zelf hoe, kort reeds na Beatrice's dood, de aanblik eener "deernisvolle vrouwe" hem tot een tijdelijke ontrouw verlokte. Maar nà deze "Vrouwe aan het Venster" hebben hem, behalve de vrouw waarmede hij huwde, nog menige andere van den rechten weg doen afdwalen. Witte, de vermaarde Dante-kenner, somt er een zevental op, terwijl anderen ook een verhouding aannemen tusschen Dante en de vrouw van zijn broeder. En de ontzetting die den dichter op zijn helletocht aangrijpt over het lot van de echtbrekers Paolo en Francisca (Hel V. 139), een ontzetting zoo geweldig dat zij hem bewusteloos doet neerstorten, schijnt wel op eenig schuldbesef te wijzen. Ik houd het zelfs voor waarschijnlijk dat ook nog tijdens het leven van Beatrice Dante's gedachten niet voortdurend en zeker niet onverdeeld aan haar behoorden. Zou Dante de twee "edele dames" die hij tot "scherm der waarheid" gebruikte, dat wil zeggen die hij openlijk het hof maakte kwasi om zijn liefde voor Beatrice te verbergen, niet eene iets meer dan geveinsde liefde hebben toegedragen? Waarom schreef hij in dien tijd, toch een paar jaren, niets voor Beatrice en kan hij de enkele gedichten dier periode welke in de Vita Nuova zijn opgenomen (§ VII, VIII en IX) slechts op een zeer gedwongen wijze met Beatrice in verband brengen? Het zou mij niets verwonderen als Dante het oude troubadourstrucje slechts achteraf had toegepast om twee werkelijke, voorbijgaande en later berouwde liefden te verontschuldigen. Zegt hij niet zelf dat het vertrek van zijn eerste "schermo" hem "meer bedroefde dan hij tevoren voor mogelijk zou hebben gehouden"? (§ VII) En huldigt hij het tweede niet zoo ondubbelzinnig dat "maar al te vele lieden er over spraken op eene wijze welke de hoofschheid te buiten ging"? (§ X) Mij dunkt, zelfs de in zijn gevoel het meest verkunstelde troubadour zou zich niet zoo aanstellen zonder er althans iets van te meenen. Het waren "schoone en lieflijke" vrouwen en geen ongracelijke coquettes als b.v. de juffer achter wie Goethe zijn liefde voor Kätchen Schönkopf verborg! Doch hoe dit zij, zéker mag men aannemen dat Dante's latere liefden--voor een man van zijn temperament spreekt het vanzelf--niet alle even platonisch geweest zullen zijn. In het begin der Vita Nuova moge hij al verklaren: "dat de Liefde hem nooit beheerschte zonder den trouwen raad der Rede", deze verklaring slaat slechts op de levensperiode vòòr zijn achttiende jaar. Làter, in verschillende gedichten--en een dichter is in zijn Dichting altijd méér waar dan in zijn voor Waarheid gegeven proza--spreekt hij wel anders. Bijvoorbeeld in het sonnet: "Sinds 't negende van mijner jonkheid jaren":
..En 'k weet hoe hij (Amor) ons ment en zweept en spoort....
Want altijd in den kring van Amor's krijt, Is vrije wil dùs door zijn macht gebonden, Dat gansch vergeefs der Rede raad er strijdt;
Steeds kan een nieuwe spoor de flank hem wonden: Wat lust hem ook op 't oogenblik berijdt, De nieuwe volgt hij wen hààr krachten zwonden.
Zijn dit niet woorden van een man die "het klappen van de zweep kent"? En wie, die niet behalve den zegen ook den vloek der liefde gekend heeft bij ondervinding, zou een sonnet kunnen schrijven als dat, hetwelk Dante richtte aan Vrouwe Pietra degli Scrovigni, aan wie hij ook eenige groote canzonen gewijd had en die, als ook zij "symbool" is, toch zeker het best dit gansche ras van nietige, maar wreede en "steen"-harde wezentjes verbeeldt, wier ijdelheid het goed geloof en den gullen hartstocht des dichters pleegt te misbruiken.
Ik vloek den dag dat mij voor 't eerst verblijd Het licht heeft dier verraderlijke oogen; En 't uur dat ge in mijn hart gekomen zijt En hebt mijn ziel er ganschlijk aan onttogen.... etc.
Ik leg opzettelijk eenigszins den nadruk op Dante's "afdwalingen", omdat vele commentatoren en lezers in hunne teleurstelling over het feit dat het karakter van den door hen bewonderden dichter niet precies beantwoordt aan hun eigen moreele overtuigingen, die zoo gaarne zouden willen weg-"verklaren" met een gekunstelde geleerdheid, welke zonder twijfel zelfs Dante te kras zou zijn geweest. Deze lieden bedoelen het goed, maar zij bewijzen de nagedachtenis van den dichter zeker geen dienst met hun pogingen om ook Dante's "zondige" liefden te versymboliseeren. Want juist in het zoogenaamd zwak-menschelijke van zijn liefdeleven vond Dante toch tenslotte die aanleiding tot strijd tegen zichzelf, tot opvoeding door zelftucht, die de dichter--evenals trouwens elk werkelijk karakter--behoeft om waarlijk groot te kunnen worden.
Ik zeide reeds dat overigens Dante, en ook Beatrice, deze afdwalingen op eene andere wijze veroordeelen dan de onthutste commentatoren.
Vòòrdat Dante, aan het aardsche paradijs gekomen, het gelaat der zalige Beatrice mag aanschouwen, spreekt zij hem aldus toe:
"Dante, omdat Virgilius weggaat, ween niet meer, ween nog niet, daar het om een ander zwaard (berouw) u voegt te weenen. (L. B. XXX. 55-57).
Aanschouw mij wel, wel ben, wel ben ik Beatrice; hoe verwaardigdet gij u tot den berg toe te komen? Wist ge niet dat hier de mensch gelukkig is?" (73-75).
En de dichter verhaalt:
Mijne oogen vielen omlaag in de heldere bron, maar mij daarin ziende, trok ik ze terug tot het gras: zoo groote schaamte bezwaarde mij het voorhoofd. (76-78).
Later spreekt Beatrice tot de Engelen, die medelijden betoonen met den door hare verwijten geheel verslagen dichter:
"Eenigen tijd hield ik hem òp met mijn gelaat: de jeugdige oogen hem vertoonende, leidde ik hem, zoodat hij was met mij op het goede doel gericht.
Zoodra ik op den dorpel was van mijn tweeden leeftijd en van leven verwisselde, pakte hij zich weg van mij en gaf hij zich aan een ander.
Wanneer ik van vleesch tot geest was opgerezen, en schoonheid en deugd mij waren gegroeid, was ik hem minder dierbaar en gevallig;
en hij lichtte de schreden langs den niet waren weg, valsche schijnbeelden des goeds volgende, die niet gaaf wedergeven wat zij beloofden". (121-132).
In den volgenden zang bekent Dante:
Weenende zeide ik: "De tegenwoordige zaken met hun valsche behagen, keerden mijne schreden, zoodra uw aanblik was schuilgegaan". (XXXI 34-36).
Waarna Beatrice antwoordt:
"Toen u het eerst de schichten der begeerte der bedriegelijke zaken troffen, had ge u moeten opheffen, om mij, die niet meer zoodanig was, te volgen.
Gij moest niet meer uw vleugelen omlaag laten drukken om meer slagen te verwachten, hetzij door een meisje, of eenige andere ijdelheid met zoo korte bate." (55-60).
Dit zijn Beatrice's verwijten, naar aanleiding waarvan Dante zegt:
"Zulk een zelfkennis beet mij het hart, dat ik verwonnen viel (88)". Men ziet het, ook andere dingen dan het naloopen van een meisje gelden der hemelsche Beatrice voor afval van haar. Niet echter zijn huwelijk met Gemma Donati, de vrouw bij wie Dante vier, volgens anderen zelfs negen kinderen verwekte. En ook de toch zeer reëele ontrouw in den gewonen zin des woords aan deze zijne echtgenoote zelf wordt hem nergens verweten. Dante's ontrouw, wat althans door hemzelf als zoodanig gevoeld wordt, is inderdaad een andere dan de gewone en in zooverre hebben de redders zijner moraliteit gelijk, die meenen dat Beatrice's verwijten op geestelijke afdwalingen, op verslapping van Dante's geloofsijver of studie betrekking hebben. Het zware zelfberouw dat Dante kwelt is niet het gewone zondegevoel van een man die een gestorven geliefde--en bovendien in dubbel opzicht zijn eigen vrouw--ontrouw is; maar bovenal het besef dat telkens elkeen pijnigt die een levenstaak te vervullen heeft: tijd en geestkracht verspild, verknoeid te hebben aan iets anders dan zijn hoogsten droom, zich van zijn weg te hebben laten afleiden door "ijdelheden van korte bate", door nietige alledaagschheden en gebeurtenissen en onder andere òòk door een lichtzinnig leven, zooals Dante gedurende eenigen tijd in gezelschap van zijn zwager Forese Donati, den gulzigaard, geleid schijnt te hebben. Cavalcanti, die--schoon volgens zijn tijdgenooten zelf niet zeer standvastig in zijn minnedienst--in een merkwaardig sonnet de rol van "vriend die mij mijn feilen toont" op zich neemt, verwijt Dante diens "verwerpelijk" leven na den dood van Beatrice scherp genoeg en vooral smartelijk genoeg om aan een reëele reden voor zijn verwijt te mogen gelooven, al mag men anderzijds ook aannemen dat Dante, evenals de meeste zelf-aanklagers, zichzelf zwarter afschildert dan hij eigenlijk was. Wanneer Dante op den Louteringsberg in den tuin waar de gulzigaards hun Tantaluskwelling ondergaan, Forese ontmoet, voegt hij hem toe:
"Zoo ge u wederom in den geest haalt hoedanig gij met mij waart en ik met u, dan zal nog de herinnering u bezwaren" (XXIII 115-117).
En dat in dit "schandelijk" leven de pargoletta's, de meisjes waarvan Beatrice gewaagt, een rol gespeeld zullen hebben, lijdt ook voor Dante, die bovendien volstrekt geen gulzigaard was, geen twijfel. Ook het afschuwelijk-drastische droomgezicht der Wellust als Sirene wijst er op. (L. B. XIX. 7.) Maar ik herhaal: zoozeer was Beatrice voor Dante tot een symbool geworden dat hij zijn ontrouw slechts in zooverre als zondig voelde als zij hem werkelijk afhield van dien levensdroom dien Beatrice in zijnen geest verbeeldde. En men betreure niet, en verdoezele nog minder, de afdwalingen van een man, wiens deugd en grootheid juist daarin bestaan dat hij tròts den strijd zijner hartstochten telkens den stillen vrede zijner geestelijke hoogheid hervindt.
De gedichten in het Nieuwe Leven opgenomen, werden geschreven tusschen 1283 en 1292, den tijd waarin Dante's dichterschap nog in zijn eerste ontwikkeling was. Maar ofschoon er hierdoor een zeer merkbaar verschil bestaat tusschen de vroegere en latere, hebben zij toch alle onmiskenbaar dien zekeren gevoelstoon van innerlijke doorleefdheid, die hen tot zuivere lyriek maakt, trots sommige gekunsteldheden welke een oppervlakkig beoordeelaar zouden kunnen misleiden. Ook dat het, overigens zoo simpele verhaal, nog tal van niet eens oorspronkelijk verzonnen, maar direkt uit de provençaalsch-siciliaansch-toskaansche poëzie overgenomen elementen bevat, vooral in het eerste gedeelte: het epitheton "gentilissima" voor de geliefde Vrouwe, het beven bij haren aanblik, de geheimhouding van zijn liefde voor de onbescheiden nieuwsgierigen en het zich verstoppen achter een "schermo", de bespotting door de aangebedene, de voorstelling der Liefde als Leenheer en der minnaars als diens Getrouwen, het eten van het hart des minnaars, en tal van andere reminiscenzen, ja plagiaten, waarop in de aanteekeningen nog hier en daar zal worden gewezen of van welke men in de gedichten in het Aanhangsel parallelplaatsen zal kunnen vinden--dit alles, dat soms den indruk geeft alsof Dante opzettelijk in één werk alle kenmerken der oude minnepoëzie heeft willen bijeenbrengen; dit alles behoeft tòch den lezer in het minst niet te doen twijfelen aan de "echtheid" van het gevoel dat Dante bezielde toen hij het in dien half-traditioneelen vorm uitte. Evenmin het feit dat deze lyriek achteraf zoo gemakkelijk tot één allegorisch geheel te vereenigen bleek. Want--en hier raak ik aan het kenmerk van alle waarlijk groote lyriek--Dante's poëzie was geen stemmingskunst, wisselend als spelende golfjes, maar al zijn poëzie werd gedragen door éénzelfden, standvastigen onderstroom van innerlijkst gevoel, dat wil zeggen door éénen levensdrang, éénzelfde stuwing naar het innerlijk aanschouwde ideaal van hun schepper. Hierdoor komt het dat het meerendeel van deze lyrische gedichten van aanvang af en niettegenstaande de toevalligheid van hun ontstaan, voorbeschikt was later deel uit te maken van een grooter werk, dat in zijn geheel dien innerlijksten levensdrang zou versymboliseeren.
Er zijn duidelijk drie fasen in Dante's liefde tot Beatrice te onderscheiden; fasen waarin zich in het kort de geheele ontwikkeling der minnepoëzie zooals die in het voorgaande werd geschetst, herhaalt. Ten eerste de nog bijkans geheel traditioneel-chevalereske vereering van het lieflijke meisje, waarbij men eigenlijk niet goed weet of haar uiterlijke schoonheid dan wel haar innerlijke deugd er het werkelijke motief van is, of begeerte dan wel zuivere bewondering den grondtoon er van vormt. Verwarring, verbijstering is het overheerschende gevoel dat Beatrice in Dante teweeg brengt. Wanhoop om de onthouding van haar groet en om haar bespotting van zijn hulpelooze onthutstheid bij haar aanblik, vervult hem veel sterker dan elke andere aandoening. Die aanblik vermoordt hem en toch is de gedachte alléén aan haar hem niet voldoende, hij moet haar zien, hij begeert haar schoonheid. Als "Amor hem bespringt" vergeet hij hoe haar nabijheid hem eigenlijk martelt,
En dan, wijl ik voor eigen zwakheid zwicht, Kom 'k bleek, ontdaan, van alle kracht begeven, Tot u, of me ook ùw blik genezing biedt.
Haar zoo ik opzie tot uw zoet gezicht, Begint nog smartlijker mijn hart te beven, En 'k voel hoe 't leven uit mijn adren vliedt. (§ XVI)
Maar nu volgt, na een psychischen schok, welken ik, met Rossetti, alleen kan toeschrijven aan Beatrice's huwelijk, een tijdperk van verpuring, van een volkomen kuische vereering, waarin "woorden die zijn Vrouwe prijzen" Dante's eenige gelukzaligheid uitmaken. Het is de periode die opent met de reeds genoemde groote canzone "Gij Vrouwen edel, die de liefde kent" en het sonnet waarin hij spreekt van de ontwaking der liefde in het "edel hart". Dante's taal is nu oorspronkelijker en machtiger, zijn hart rustiger; hij begeert niet meer haar schoonheid, maar prijst alleen haar deugd en als Amor thans weer al zijn zinnen uitdrijft en hem geheel met de gedachte aan haar vervult, is hij niet langer verbijsterd, maar gelukkig.
Zoolang nu heeft mij Amor in zijn macht En mij gewend aan zijne heerschappij, Dat even hard als eerst mijn slavernij Mij scheen, zij thans mij lieflijk lijkt en zacht. (§ XXVII).
In de derde fase, wanneer door Beatrice's dood het toch altijd min of meer onnatuurlijk geëxalteerde van zijn onzinnelijk verlangen is opgeheven, stijgt Dante's vereering tot een zuiver geestelijke aanbidding, welke hij wel, misleid door het medelijden der "Vrouwe aan het Venster" voorbijgaand zal kunnen verzaken, maar welke hij ten laatste "door het leed gelouterd" toch weer terugvindt in een volkomen, maar woordelooze, innerlijke aanschouwing der "uit zichzelf stralende" zalige Beatrice.
Boven die sfeer die 't allerwijdste kringt Vermag mijn geest als stille zucht te stijgen; Een nieuw begrip, dat Liefde in leed verkrijgen Mij deed, heeft hem tot zulk een vlucht bezwingt.
En daar, waarheen heel zijn verlangen dringt, Ziet hij een Vrouwe voor wie de englen neigen; Zòò stralend dat mijn pelgrim-geest in d' eigen Lichtgloed haar schouwt, die uit haar wezen blinkt. (§ XLI).
De gedichten geven dus een doorloopende ontwikkeling weer en het verklarend proza behoeft slechts weinig uit te weiden om deze ontwikkeling duidelijk in het licht te stellen. Toch geeft het op enkele plaatsen méér dan een noodzakelijke uiteenzetting van omstandigheden. En op deze plaatsen blijkt het sterkst Dante's bewuste opzet om met behulp van zijn later-geschreven, rustig, min of meer stijf en doctrinair proza, zijne van leven sidderende liefdeslyriek voor te stellen als de theologisch-moreele allegorie der ziel die God zoekt. Zoo is bijvoorbeeld alléén in het proza sprake van het mystieke getal negen en zijn klaarblijkelijk verband met de Drie-eenheid en Beatrice; zoo wordt alléén in het proza het woord "salute" opzettelijk gebezigd op een wijze waarop het zoowel Beatrice's "groet" als "Genade, Heil, Verlossing" beteekent. Ook uit het schiften van zijn gedichten blijkt dat Dante slechts die opnam die zich voor een symbolische uitlegging het best leenden. Van sommige weggelaten gedichten kan misschien gezegd worden dat zij òf te veel herhalingen bevatten van wat in de wel-opgenomene beter en schooner gezegd is, òf zelfs dat deze latere omwerkingen ervan zijn. Maar waarom het geheel oorspronkelijke "Sinds 't negende van mijner jonkheid jaren", waarvan hierboven reeds iets werd aangehaald, weggelaten? Niet toch wijl het geen volkomen zuivere uiting van Dante's gevoel zou zijn. Integendeel! Juist omdat er méér dan Dante wenschte uit bleek, hoezeer hij ontvankelijk was voor andere liefde dan platonische vereering en middeleeuwsche aanbidding. Het sonnet harmonieerde niet met den grondtoon der Vita Nuova. En hetzelfde geldt voor het sonnet aan Lisette (zie aanhangsel), wanneer deze althans werkelijk de Vrouwe aan het Venster is. Het valt uit den toon, het doet deze Vrouwe wereldscher, ik zou haast zeggen koketter zien, dan de sonnetten die alleen haar deernis prijzen.
Het sonnet (§ XXIV) waarin Dante de nadering achter elkaar van Monna Vanna (Cavalcanti's geliefde), bijgenaamd Primavera, en Monna Bice beschrijft, eindigt:
En Amor sprak--wel heeft mijn geest 't vernomen-- Déze is de Lente en Liefde noem ik hààr Die op haar volgt, zoozeer gelijkt ze mij.
Maar eerst later, onder het schrijven van het proza, valt hem de gedachte in deze Primavera te beschouwen als vòòrloopster van Bice en haar waren naam Giovanna af te leiden van Johannes den Dooper, om op deze wijze gelegenheid te hebben Bice zelf te vergelijken met den Zaligmaker.
Het is hier de plaats om even de veelbesproken vraag te behandelen welke de eigenlijke beteekenis van den titel "Vita Nuova" is. Sommige commentatoren meenen dat met het woord "nuovo" (novo, novello) dat in het oud-italiaansch behalve voor "nieuw" ook wel wordt gebezigd voor "jong, jeugdig, lentelijk", gedoeld wordt op de intrede van een nieuw levenstijdperk, zoodat de titel ware te vertalen met "Jeugdleven". Zelfs al was deze opvatting in overeenstemming te brengen met Dante's eigen schoolsche indeeling der menschelijke leeftijden, later door hem in het Convitto gegeven, waar de adoleszenza duurt van het 1ste tot het 25ste, de gioventu van het 26ste tot 45ste jaar (Conv. I. 1 en IV 24), dan nog zou ik mij aansluiten bij hen die, evenals het geheele werk ook den titel symbolisch duiden in den zin van ontwaking, wedergeboorte, liefdelente. Dante had van zijn eenzame kindsheid vòòr het negende jaar waarschijnlijk geen aangename, althans geen bijzondere herinneringen. Hij begon eerst werkelijk te leven toen de verschijning van Beatrice hem uit dit onbeduidende voorbestaan deed ontwaken, het nieuwe in zijn leven is niet het begin van een nieuwen levenstijd, maar van een nieuwen zielstoestand. Dat dit overigens ook reeds de opvatting was van Dante's voorgangers bewijst dit gedicht van Raimbaut d'Aurenga:
Ab nou cor et ab nou talen, ab nou saben et ab nou sen, et ab nou belh captenemen, vuelh un bon nou vers comensar; e qui mos bons nous motz enten, ben er plus nous a son viven, qu'om vielhs s'en deu renovelar
(Met een nieuw hart en nieuw verlangen, Met nieuw begrip en nieuwe bedoeling Op een nieuwe en schoone wijze, Wil ik een schoon nieuw lied beginnen; En wie mijn schoone nieuwe woorden verstaat, Zal zekerlijk vernieuwd worden in zijn leven, Zoodat zelfs een oud man zich zal verjongen).
De driedeeling waarvan ik hierboven sprak is niet willekeurig. Zij wordt door Dante zelf aangegeven. Twee malen toch spreekt hij in het proza over een "materia nuova", een nieuwe stof die hij zal gaan behandelen en beide malen juist op de plek waar de door mij gekenschetste verandering in zijn gemoedstoestand plaats grijpt. Ik heb daarom mijne vertaling in drie "gedeelten" gesplitst, die elk eindigen met de hierboven aangehaalde gedichten. Dat deze indeeling, de meest logische, ook werkelijk de juiste is, wordt naar mijn meening nog aannemelijk gemaakt door eene eigenaardigheid der compositie, welke voor zoover ik weet nog door niemand werd opgemerkt. Reeds sedert lang werd er op gewezen dat de volgorde der gedichten zoo symmetrisch is dat zij onmogelijk toevallig kan zijn. De cyclus bestaat namelijk uit 26 sonnetten of althans kleinere gedichten van ééne strophe en 5 canzones, elk van 2 tot 6 strophen, welke gedichten aldus gegroepeerd zijn:
(9s + c). c. 4s. c. 4s. c. (9s + c).
Of de symmetrie dezer reeks werkelijk een verborgen bedoeling heeft laat ik in het midden; gegeven Dante's zin voor formalisme lijkt het mij wel waarschijnlijk. Ik wijs er nu echter op dat bij mijn driedeeling de afscheidingen zoodanig vallen dat de eerste beide hoofdstukken elk omvatten 10 en het derde 11 gedichten. Beschouwt men nu het laatste sonnet als een soort van epiloog--en inderdaad bevat het het resultaat van de geheele voorgaande ontwikkeling--dan is deze indeeling in drie (drie-eenheid) hoofdstukken, van elk tien (volmaakte getal) gedichten geheel in overeenstemming met diezelfde getallenmystiek die ook de indeeling der Commedia beheerscht. (Drie boeken, waarvan twee bestaande uit 33 (3 × 10 + 3) zangen en een uit 33 zangen + Proloog).