Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)
Chapter 2
Inmiddels was ook in andere deelen van het land, vooral in Toscana, een volkspoëzie ontstaan, kennelijk nog onder sterken invloed der Siciliaansche school en dier Provençaalsche voorgangers, maar ook tevens op eigenaardige wijze doordrongen van den geest eener wetenschappelijke ontwaking, een hartstochtelijk uitslaand verlangen naar weten en begrijpen, naar doordenken eenerzijds en verterend mystiek smachten anderzijds. De gedachten van Thomas van Aquino, van Bonaventura, van Franciscus van Assisi vervulden de atmosfeer. En deze laatste, nationale invloeden waren het welke ook een nieuw element brachten in de overgeleverde poëzie; een element dat, onbeholpen en stroef nog geuit door een Guittone d'Arezzo, door diens leerling, den Bolognees Guido Guinizelli werd ontwikkeld tot dien "dolce stil nuovo" dien zoeten nieuwen stijl, welken Dante later tot schoonsten bloei zou brengen.
Ook een toenemende demokratiseering van het geestelijk leven droeg hiertoe bij. Waren de Fransche troubadours, die, zelf veelal niet of slechts tot den lageren adel behoorend, nogthans de aanzienlijkste edelvrouwen tot de Dame huns harten verhieven en die bovendien op hun zwerftochten met alle maatschappelijke klassen in aanraking kwamen, meestal reeds min of meer demokratisch gezind, zoodat zij naast den adel der geboorte het goed recht van den adel des gemoeds bepleitten; in Italië, waar de dichters niet meer als rondzwervende zangers voor de leden van een ondergaanden adel zongen, moest de nieuwe moraal van den adel des gemoeds, wortelend in een "natuurlijken" aanleg tot het goede en zich openbarend door de genade Gods, nog veel gereeder ingang vinden.
Moog' heel den dag de zon het slijk bestralen: 't Blijft vuil; de zon haar zuivren glans behoudt. "'k Ben edel van geboort!" wie dus kan pralen Is als dit slijk; de Deugd is 't zonnegoud. Geloove niemand ooit Dat adel buiten 't edel hart kan leven; Wien 's konings hoogheid tooit Blijft laag zelfs zoo niet Deugd zijn hart doordringt, Dat kaatse als water 't beven Van sterrenglans die uit den hemel blinkt.
Zoo zingt Guinizelli, de eerste meester van den nieuwen stijl in zijn beroemde canzone over het wezen der liefde. De liefde kweekt den adel des gemoeds, maakt het hart ontvankelijk voor deugd en omgekeerd kan de liefde alleen in het edel hart leven. De laat-Provençaalsche troubadour Lanfranco Cigala wist het ook wel:
ques amors pren en lejal cor naissenza, (de liefde wordt geboren in het edel hart)
maar voor Guinizelli en zijn school is het verband tusschen liefde en deugd wezenlijk; zij behooren onafscheidelijk bij elkaar:
Het edel hart is liefde's wijk en wapen, Gelijk voor 't vogelken het dicht geblaart; Niet heeft Natuur de liefde 't eerst geschapen, Noch eer dan liefde 't hart van eedlen aard. Want zooals met de zon Van aanvang af het licht de ruimte kliefde, Doch éér niet stralen kon, Zoo woont in al wat edel is en puur Vanzelf de zoete liefde, Gelijk de gloed in 't glanzen van het vuur.
Tusschen liefde en deugd was het verband gelegd, de nieuwe stijl, onder invloed van de opbloeiende christelijke scholastiek en de innig-hartstochtelijke Maria-vereering in de "lyrische lofzangen" der volgelingen van Frans van Assisi, vereenzelvigde haar nu bovendien met de vroomheid. En zoo kon het gebeuren dat de naieve, gedachtelooze gratie van het oude, zinnelijke troubadourslied en de hoofsche traditie van den wereldlijken minnedienst voorbeeld en grondslag werden voor de diepstzinnigst bespiegelende poëzie. De donna, de schoone, maar bovenal deugdzame vrouw, wordt verheven tot de beata beatrix, de engel in menschelijke gedaante, die de ware godsliefde doet ontwaken in het hart van den minnaar. Zeker, ook van deze, platonische en eeuwig-menschelijke gedachte, biedt de vroegere poëzie voorbeelden, maar men vindt ze er slechts sporadisch. De vergelijking der geliefde met een engel is bij de oudere troubadours zelden meer dan een nu eenmaal geijkte dichterlijke frase; geen werkt haar uit tot een navoelbare symboliek, want bij geen is zij uiting van een werkelijk ook diepgevoelde godsliefde. De nieuwe christelijke filosofie echter, met haar Maria-kultus en haar voorstelling van de engelen als bemiddelaars tusschen God en mensch, als "afgescheiden Intelligenties" die Gods gedachte moeten verwerkelijken door de in den mensch als "potentie", als vermogen sluimerende deugd te wekken tot "actie", tot daad, was als geroepen om aan den voormaligen en tot een geëxalteerden schijn ontaarden minnedienst een nieuwe beteekenis, een hoogere wijding te geven; hoe hoogst-bevreemdend en paradoxaal op het eerste gezicht ook een verbinding van dichterlijke erotiek met aristotelisch-middeleeuwsche wijsbegeerte, mystiek en asketisme ook moge schijnen. De hoofsche vorm, de traditie van het ridderschap, bleef behouden, de Liefde blijft de "Heer en Meester", dien de minnaar "dient" als "trouw vasal", maar die liefde is niet langer de naieve, overwegend sensueele begeerte der twaalfde-eeuwsche poëzie, noch hare asketisch-dekadente verfijning, maar haar volkomen vergeestelijking tot eene onzinnelijke vroomheid, waarin echter alle zoetheid en teederheid der schoone zinnelijkheid wordt overgedragen. Natuurlijk zijn de dichters dier geestelijke richting niet in al hun werk hun beginsel trouw gebleven--zij waren dichters!--en hebben zij naast hun hoogste, hemelsche liefde zeer goed den aardschen hartstocht gekend en gekoesterd. Den meester Guinizelli zelf ontwaart Dante op den Louteringsberg achter den vlammenboog waar zij die zich aan zingenot te buiten gingen worden gelouterd; Cavalcanti betoont zich zeer wispelturig in zijn aanbidding en het groote in Dante's eigen liefde is niet hare standvastigheid, maar Dante's worsteling ervoor. Maar dit neemt niet weg dat bij hen de vergoddelijking der vrouw bewust tot de hoogste bedoeling hunner kunst wordt gemaakt. De verfijnde aanstellerigheid van den traditioneelen minnedienst wordt weder door een echt en diep gevoel vervangen. En dit juist is het wat die kunst tot een nieuwen stijl verheft.
God straalt Zijn licht onverzwakt uit over de engelen; daarom verrichten zij hun taak ook van aanvang af goed, zegt Guinizelli in zijn reeds aangehaalde canzone. En dan verzucht hij:
Dat zòò mijn Vrouwe ook gaf De waarheid harer eedle deugd, die straalt Uit hare zuivre blikken, Aan mij, die nimmer haar te minnen faalt.
En dat bij hèm de vergelijking met een engel niet maar een ondoordachte frase is, bewijst de slot-stanza, waarin hij in een, later ook voor Dante voorbeeldig hemelvisioen, haar voor het aangezicht van God-zelf verdedigt:
Mijn Vrouwe! "Wat vermat ge u?" zal God spreken Wanneer mijn ziel ten laatste voor hem staat. "Kwaamt ge alle heemlen door tot mij geweken, Te plaatsen mij naast minne die vergaat? Uw lof zij slechts gericht Tot mij alleen en die genaderijke Voor wie àl logen zwicht." Maar 'k antwoord: "Met een engel die gij zond, Moest ik haar wel gelijken, Zoo laak het niet dat mij haar liefde bond."
Hier is het zinnelijk realisme der ridderlyriek inderdaad tot diepzinnige symboliek gestegen. En dezen toon van nederige devotie voeren voortaan de beste dichters van den nieuwen stijl. Wanneer zij zich althans richten tot de "ware" Vrouwe hunner ziel.
Que'son del vero amore inamorati, Ch'a Dio son servir dati
(Zij alleen zijn vervuld van ware liefde, Die zich gewijd hebben aan den dienst van God).
zegt Chiaro Davanzati. Het zijn nu niet langer de kleur van oogen en haren, de blankheid der huid, de roode lippen, de zachtgeronde leden; het zijn niet langer de uiterlijke bekoorlijkheden hunner Vrouwe alléén of in de eerste plaats die zij bezingen; maar het is hun zachtheid, hun nederigheid, hun vrome deugd bovenal welke zij prijzen en waarvan zij de louterende afstraling in hun eigen hart verwachten. Niet de begeerte om de geliefde, nu eerst waarlijk de "aangebedene", te bezitten beheerscht deze dichters, maar in haar glimlach of groet alleen bestaat hun gelukzaligheid en hun eenige vrees en droefenis is de gedachte haar niet waardig te zijn. In de beroemde canzone: "Gij vrouwen edel, die de liefde kent" laat Dante, na eerst de schoonheid van Beatrice's ziel bezongen te hebben, Amor zelf de grootste schoonheden van haar lichaam prijzen. Amor prijst haar oogen en mond, volgens de oude troubadours-overlevering "begin en einde der liefde":
En geen kan haren mond, teeder omtogen Van liefde's lach, bewondren onbewogen.
"Maar," zoo zegt Dante in de "verdeeling" dezer stanza, "opdat hier iedere lage gedachte worde opgeheven, herinnere zich wie dit leest dat hierboven geschreven werd hoe de groet mijner Vrouwe, welke eene werking van haren mond is, het doel mijner wenschen was."
Tot een edel, geestelijk leven moesten deze dichters de vereering hunner Vrouwe opvoeren, tot liefde voor de wijsheid en vrome overpeinzing moest hun hartstocht worden omgesmolten in zijn eigen gloed. En zoo is voor hen de minnepoëzie tenslotte niet langer slechts een middel om te bekoren door schoone bevalligheid, maar bovenal om te stichten, te onderrichten: de kunst wordt opzettelijk didactisch. Een hoogste stijging, waardoor zij het dichtst nadert tot haar goddelijk oerwezen en tot.... zijn parodie. Want stichten en onderrichten willen allen die iets weten en die godsliefde en wijsheid in zich voelen. En "woorden spreken op rijm" kan ten slotte vrijwel iedereen even gemakkelijk leeren als de achttienjarige Dante. Maar weinigen zijn de uitverkorenen die ook kunnen dichten. Vandaar het koude, ongevoelige, bedachte in slèchten zin, dat men bij deze dichters aantreft, wìj vooral wien het op zichzelf reeds eenigszins moeilijk valt ons in den middeleeuwschen geestestoestand te verplaatsen en die maar al te zeer neiging hebben beelden of zinswendingen "koude, dorre scholastiek" te noemen die in dien tijd en voor die dichters toch een warme, innige gevoelswaarde bezaten. Evenwel, veel van deze poëzie zal terecht als het doode rijmwerk van echte of wouldbe geleerden, theologen en moralisten beschouwd mogen worden en het valt niet te loochenen dat zelfs bij een Cavalcanti vele van zijn luchtiger en wereldscher sonnetten en balladen in den volkstoon hooger dichterlijke waarde bezitten dan b.v. zijn vermaarde, doch door duistere gekunsteldheid ongenietbare metaphysische canzone over den aard der liefde.
Toen kwam Dante. Hij ook had zijn "Vrouwe", wettige echtgenoote van een ander, naar de mode des tijds; hij bezong haar lieflijke en zaligmakende deugdzaamheid zooals zijn voorgangers en vrienden de "gentilezza" hunner eigen donna's bezongen, dikwijls zelfs in de gebruikelijke woorden en geijkte beelden. Hij aanvaardt en huldigt zonder voorbehoud de "theorie" van meester Guinizelli. "Liefde en een edel hart", zoo dicht hij dien Saggio, dien "wijzen dichter" na:
Liefde en een edel hart zijn ganschlijk een, Gelijk de wijze dichter heeft geschreven....
Natuur bestemde ons hart tot Amor's leen En heeft het hem tot vaste woon gegeven; En sluimrend beidt hij daar, kort bij den een, Bij d' ander lang, den dag van 't nieuwe leven,
Wen Schoonheid als een vrouw vol deugd verschijnt.... (§ XX)
Hij verheerlijkt zijn Beatrice als de engel, door God op aarde gezonden om alles door haren glans te heiligen:
De Hemel zond tot de aarde een engel zoet, Dat ze op een vlekloos wonder konde bogen.... (§ XXVI)
Mijn Vrouwe straalt zoo zoete liefde uit de oogen Dat zij verlieflijkt al wat zij aanschouwt.... (§ XXI)
Dit alles zijn bekende klanken. Maar er is iets in Dante's gedichten, althans in die welke volgen na de canzone: "Gij vrouwen edel, die de liefde kent", dat hen toch wezenlijk van die zijner voorgangers onderscheidt. En dat is de volkomen synthese van doorleden gevoel en reflekteerende gedachte tot ééne ongescheiden doorlééfdheid. Na deze canzone maakt Dante met volle bewustheid zijn kunst dienstbaar aan zijn hoogste gedachteleven. Ik zeg gedachteléven en niet gedachte-napraterij, waartoe de niet-denkende rijmer zoo heel gemakkelijk kan vervallen. Wat bij anderen geworden was of dreigde te worden woord-abstractie zonder meer, bleef bij hèm een levende werkelijkheid. Voor hem, evengoed als voor Guinizelli en anderen, waren liefde en deugd begrippen, maar hij sprak ze niet uit wanneer ze niet gloeiend in hem leefden. Dante had lief zooals alleen een echt dichter liefheeft, met die zoete verdwazing die zoo wonderlieflijk vermengd is met hoogste wijsheid en daarom alleen straalt zijn geheele liefdessymboliek in zulk een warmen, innigen glans. En Dante had ook de werkelijkheid lief, de concrete, tastbare werkelijkheid der schoone dingen en menschen. Hij had die lief met de diepte van den dichter en de vurigheid van den Italiaan bovendien. Daarom geen abstractie, geen symbool bij Dante, dat niet op een doorleefde werkelijkheid berust, geen hemelsche zaligheid die niet uit aardsche wanhoop is opgestegen, geen goddelijk-stille liefde die niet in de hel der wilde hartstochten werd geboren.
Dante vermocht de groote synthese te voltrekken. Hij was, of hij wilde tenminste zijn, een geleerde, dat wil zeggen--het was de dertiende Eeuw--een godgeleerde. En heel de intellektueele hartstocht van den jongen autodidakt trok zich samen in dit ééne verlangen tot ontleden, doorgronden, begrijpen. Zijn wetensdorst was hartstocht, levend gevoel. Hij was ook een hartstochtelijk minnaar van de natuur, wier zoete mystiek hij zeker even diep doorvoelde als een Frans van Assisi, de dichter van het Lied der Zon. Een minnaar van het echt-menschelijke was hij, even fel als zijn jongere tijdgenoot de schilder Giotto. En hij was een aanzienlijk Florentijn, ridderlijk, trotsch, onstuimig, zacht en zeer verliefd. Hij had alles in zich wat sterk en machtig-levend was in zijn tijd en dat alles doorleefde hij zèlf in een eigen innerlijke wereld die hij uit eigen kracht beheerschte. Is het dan wonder dat hij in de vereering zijner Vrouwe den gloed der aardsche liefde verbond met de zuiverheid der hemelsche en dat Beatrice, trots de voorzichtige twijfelingen van zeergeleerde commentatoren, voor den dichterlijken en minnenden geest nooit als een "alleen maar bedachte allegorie", als een kunstmatige "draagster" van "verstandelijke symboliek" verschijnt, maar steeds als een levende, diepgeliefde en zonder twijfel afwisselend even smartelijk-begeerde als platonisch-aanbeden jonge vrouw?
Zonder twijfel heeft Dante zijn Vita Nuova bedoeld tot een allegorie te maken, althans achteraf aan de gestalte van Beatrice en aan alle gebeurlijkheden in zijn boekske een allegorische beteekenis te geven. Pasqualigo heeft in een zeer scherpzinnig en geleerd werk trachten te bewijzen dat Beatrice niets anders is dan de allegorie der christelijke liefde, welke door hare vereeniging met de wetenschap tenslotte tot goddelijke wijsheid wordt. Het is, zegt hij, niet aan te nemen dat Dante als knaapje van negen jaar reeds alle kenteekenen van een volwassen hartstocht vertoonde, laat staan zich daarvan bewust was op een zoo gedetailleerde wijze als uit het gedrag zijner "levensgeesten" bij Beatrice's eerste aanschouwen blijkt. Maar dat kinderen van dien leeftijd reeds op hun manier van een diepe, ernstige vroomheid, een dwepend godsverlangen vervuld zijn, is niet zoo heel zeldzaam. Welnu, die eerste verschijning van Beatrice op Dante's negende jaar beteekent Dante's.... eerste communie! En de tweede verschijning, negen jaar later, was de neerdaling der goddelijke genade in Dante's hart. Het "zuiver wit" waarin hij haar zag is de kleur des Vredes; de twee oudere matrones die haar vergezellen zijn "Geloof" en "Onschuld"; haar groet is "het Heil, de Heiland, Christus"; de menigte van welke Dante zich afzondert verbeeldt zijn eigen zinnelijke begeerten; de eenzame kamer waarin hij zich terugtrekt zijn eigen innerlijk; de zoete slaap welke hem daar overvalt den vrede des gemoeds die op hem neerdaalt, etc. etc.
Men kan nu van andere zijde de "echte" liefde van den negenjarigen knaap op psychologische gronden verdedigen, of het er voor houden dat Dante terwille van zijn negen-symboliek een paar jaar smokkelde; men kan ook wijzen op de talrijke zoo levensechte trekjes in het verhaal; zonder dat dit nogthans de allegorische bedoeling uitsluit. Het komt mij zelfs vrij waarschijnlijk voor dat Dante in zijn verhaal inderdaad de boven aangeduide of andere dergelijke "beteekenissen" heeft willen verstoppen, maar het lijkt mij van weinig belang ze even zorgvuldig weer alle te ontdekken. Bovendien zal er, als bij iedere symboliek, zeker veel meer "uit te halen" zijn dan de schrijver zelf er in legde. Ik laat het dus gaarne aan den intelligenten lezer over zelf naar eigen smaak en willekeur de détails van Dante's symboliek na te pluizen en verwijs alleen hier en daar in de aanteekeningen naar hare algemeene hoofdlijnen. De meer naar theologische duisterheden dan naar psychologische werkelijkheid speurende lezer houde maar steeds in het oog dat Beatrice voor Dante inderdaad het symbool is of zijn kan van deugd, goedheid, nederigheid, waarheid, vroomheid, Liefde, Genade, Christus, Maria en zelfs God. Met dezen sleutel en bijgelicht door de kennis der Thomistische filosofie zal hij tot heel wat Danteske duisterheden den toegang vinden. Maar hij vergete bij zijn verklaringen ook niet, dat tenslotte ieder willekeurig verhaaltje, hoe eenvoudig ook, zooveel aanknoopingspunten biedt voor allerlei gedachten-associaties, dat het zeer weinig moeite kost er een diepzinnige allegorie achter te verbergen, afgezien van de misschien ontzagwekkende geleerdheid die er toe noodig is om zulk eene erin-verbeelde beteekenis ook te "bewijzen".
Maar behalve als symbool heeft Beatrice ook in werkelijkheid bestaan. Veel is er niet van haar bekend. Het 15 Januari 1287 gedagteekende testament van Folco dei Portinari noemt haar als diens dochter Bice, kinderlooze echtgenoote van den bankier Simone dei Bardi. Dit is het eenige wat men documenteel van haar weet. Maar meer dan waarschijnlijk is het dat deze Bice Portinari inderdaad Dante's Vrouwe was, de moderne kritiek is het hierover vrijwel eens.
Wanneer niet reeds tal van plaatsen in de Vita Nuova en de Commedia dwongen de lichamelijke realiteit van Beatrice aan te nemen, zou ééne plaats in het eerste werk, waar Dante op ontroerende wijze de volkomen bewustwording van zijn jong dichterschap openbaart, ons het psychologisch bewijs ervan leveren (§ XVIII). Eenige "edele vrouwen", zonder twijfel zelf veelbezongen "dames" van den Florentijnschen dichterkring, hadden, wetende hoezeer de aanblik van Beatrice hem in verwarring placht te brengen, Dante gevraagd waarin dan toch wel zijn gelukzaligheid bestond. "In woorden welke mijne Vrouwe prijzen" had hij geantwoord. En peinzende over de diepe beteekenis van dit antwoord, waarin hij ook voor zichzelf voor het eerst de volkomen vergeestelijking zijner liefde uitsprak, nam hij zich voor: "tot stof voor zijn dichten (voortaan) nooit iets anders dan den lof dier Allerlieflijkste te kiezen". En dan volgt die in haar oprechten eenvoud zoo treffende beschrijving van den gemoedstoestand eens dichters: de twijfel of de gestelde taak niet boven zijn kracht zal gaan, de angst om het werk te beginnen, het dagenlange rondloopen in onrust en vaag verlangen, het voortdurend vervuld zijn van zijn stof; en dan opeens, onverwacht, de inspiratie, de influistering van dien regel waarop of waaromheen het geheele gedicht zal worden opgebouwd. Broedend wandelde Dante langs de heldere, snelstroomende Arno en.... "toen, zegge ik, sprak mijn tong als van zelf bewogen: Gij vrouwen edel, die de liefde kent". Het was de aanvangsregel der canzone welke voor het eerst volkomen de geliefde vergoddelijkt, en tevens het gedicht dat Dante later zelf het begin zijner nieuwe, geheel echte, levensware poëzie zal noemen.
Op den Louteringsberg spreekt de oude Toskaansche dichter Buonagiunta aldus Dante aan:
"Maar zeg of ik hier zie dengene, die tevoren bracht de nieuwe rijmen, beginnende: Vrouwen, die begrip hebt van liefde."
En ik tot hem: "Ik ben er één die, wanneer de Liefde iet mij inblaast, het opmerk en op die wijze waarop zij het binnen in mij dicteert, voortga het opteekenende."
"O broeder, nu zie ik" zeide hij, "de knoop die den notaris [2] en Guittone [3] en mij weerhield aan deze zijde van den zoeten nieuwen stijl, welken ik hoor" (L. B. XXIV. 49-57).
Levende liefde dus is het die volgens Dante den dichters van den dolce stil nuovo inspireert, en zéker hemzelf. Moge de nog zoo jonge, schoolsche troubadour-geleerde vòòr die wandeling langs de Arno, in de eerste tien gedichten der Vita Nuova dus, al eens bewust of onbewust de geijkte frasen hebben nagepraat, in deze canzone en in de gedichten er nà, zingt alleen Dante zelf en zingt hij alleen "wat het hart hem vóórzeide met de stem der liefde" (§ XXIV), zelfs dààr nog, waar woorden en zinnen ons aandoen als herinneringen, ja plagiaten uit oudere dichters. Maar ieder dichter weet wel dat het geen dorre, doode abstracties zijn die de groote, in ons hart verborgen sluimerende liefde doen ontwaken en spreken, maar dat alleen levende schoonheid daartoe in staat is en vòòr alles "de Schoonheid die als een vrouw vol deugd verschijnt". Zulk eene reëel-symbolische vrouw was voor Dante Beatrice. Of zij ook voor anderen die schoone, edele lieftalligheid bezat die Dante verhemelt? Lieden, die haar niet kennen, raden, wanneer zij haar maar zien, dat zij "Beatrice" dat is "Zaligmaakster" moet heeten. (§ I). Wanneer zij zich op straat vertoont loopt de bevolking uit om haar te zien. (§ XXVI) "Deze is geene vrouw, maar eene der schoonste engelen uit den hemel", zeiden sommigen. En anderen: "Deze is een wonder; gezegend zij de Heer die iets zoo wonderbaarlijks weet te scheppen." Haar zachte nederigheid deelt zich mede aan elk wien zij een groet waardig acht; het is niet mogelijk in haar nabijheid iets slechts ook maar te denken. Wahrheit of Dichtung? Bij haren dood wijdt Cino da Pistoia eene troostcanzone aan haar nagedachtenis die alles te bevestigen schijnt wat Dante ter verheerlijking van zijn Beatrice zeide. Maar bevriende dichters komen elkaar gaarne in het gevlei, vooral in een dergelijke omstandigheid. Bovendien, wat Cino van haar zegt zijn grootendeels toespelingen op, ja aanhalingen van verzen van Dante zelf. En verheerlijken niet tenslotte ook andere dichters hunne geliefden op precies dezelfde wijze? Zingt niet Cavalcanti van zijne Vanna:
Onzeggelijk is harer schoonheid glans, Wijl alle edele deugden voor haar knielen En Schoonheid zelf haar eert als een godin.
en in een ander sonnet:
Ze is zòòveel meer dan alles om haar heen Als heel de hemel grooter is dan de aarde....
Beweert niet de zoo even genoemde Cino da Pistoia van zijne Selvaggia:
De Vrouwe, om wie ge peinzend mij ziet schrijden, Toont een gelaat zòò lieflijk dat zij doet Ontwaken in een iegelijks gemoed Dien eedlen geest die daar verborgen beidde....
Getuigt niet Lapo di Gianni van zijne Lagia:
Een engel lijkt zij die op aard kwam dalen; Ze is als der Liefde zuster in haar spreken, Een wonder is van haar ieder gebaar....
Deze drie dichters waren Dante's tijdgenooten en vrienden, zij kunnen hem hebben nagevolgd, ofschoon bij Cavalcanti, zijn ouderen vriend en raadsman en als lyrisch dichter geenszins zijn mindere, eer het omgekeerde mag worden aangenomen. Maar zegt niet Guinizelli van zijne Lucia: