Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)

Chapter 11

Chapter 113,689 wordsPublic domain

[8] Dierlijke en natuurlijke geest. De voorstelling der verschillende levensverrichtingen als "geesten" is in de scholastieke wijsbegeerte zeer gebruikelijk en oorspronkelijk aristotelisch. In zijn "Peri Psyches" (Over de Ziel) beschrijft Aristoteles de ziel als de "Entelechie" d. w. z. de verwerkelijking, het innerlijke doel, van alle functies van het levend organisme. De laagste vorm der ziel is de vegetatieve, het "threptikon", hier de "natuurlijke geest" genoemd, welke beperkt is tot de functies van voeding en voortplanting en reeds bij de planten wordt aangetroffen. Bij de dieren voegt zich hierbij de "Dierlijke geest", de sensitieve ziel, bestaande uit "aisthètikon" (zinnelijke waarneming), "orektikon" (begeerte) en "kinèktikon" (beweging). De hoogste vorm, de rationeele ziel, de "Nous", de Rede, komt slechts bij den mensch voor. Dante, die geen Grieksch kende, ontleende zijn psychologische kennis waarschijnlijk aan het werk "De Anima" (Over de Ziel) van den scholast Hugo de St. Victor. De "zinnelijke geesten" waarvan iets verder sprake is, verbeelden de vijf zintuigen.

[9] Ziet, een god die sterker is dan ik en die, komende, mij zal beheerschen.

[10] Uwe gelukzaligheid is thans verschenen.

[11] Ik ongelukkige! Hoe dikwijls zal ik nu voortaan gehinderd worden!

[12] Amor. Dante gebruikt voor "liefde" afwisselend Amor en Amore. Het eerste woord duidt de liefde aan verpersoonlijkt in de gestalte van een man, een schoone, ernstige verschijning, die niets gemeen heeft met het traditioneele dartele minnegodje. In Dante's symboliek immers is Liefde hetzelfde als Deugd.

[13] Zij scheen niet de dochter etc. De klacht van Priamos over den verslagen Hektor. Ilias XXIV, 258.

"......oude eoikei Andros ge thnètou pais emmenai alla theoio."

[14] Negen jaren vervuld. Deze ontmoeting had dus plaats in het voorjaar van 1283. Dat Beatrice in zuiver-wit gekleed was schijnt er op te wijzen dat zij eene dier vrouwen was die tijdens de in dit voorjaar gehouden feesten deel uitmaakten van den "minnehof" waarvan de oude biograaf Villani gewaagt. (Zie Inleiding).

[15] Allerlieflijkste. Het Italiaansche "gentilissima" beteekent meestal "zeer edel", zoowel van geboorte als van karakter; maar ook bekoorlijk, zacht, vriendelijk, minzaam. In elk geval krijgt het deze beteekenissen door het gebruik dat Dante van het woord maakt. Ik meen dat mijne vertaling dit alles min of meer insluit.

[16] Hoofschheid: De letterlijke vertaling van het Italiaansche "Cortesia". Zoo edel en deugdzaam als de zeden ten hove.... behoorden te zijn.

[17] Vol van deugden. Hier en overal elders moet het woord "deugd" (evenals het Italiaansche "virtute" en het Latijnsche "virtus") in den ruimsten zin worden opgevat, waarin het ook "kracht", "vermogen om iets goeds te bewerken" insluit.

[18] Ik ben uw Heer.

[19] Naakt. Men zoeke hierachter geen symboliek, nog minder een aanwijzing van geheime zinnelijkheid van Dante's liefde. Het was in de middeleeuwen gewoonte geheel ongekleed te slapen, zoodat Amor Beatrice niet anders dan naakt kon ontvoeren.

[20] Vrouwe des Heils. Het Italiaansche "salute" beteekent zoowel "groet" als "heil, redding". Donna della salute lijkt dus dubbelzinnig. Maar deze dubbelzinnigheid is door Dante gewild en lost zich op wanneer men bedenkt dat Dante's hoogste heil juist in niets anders bestond als Beatrice's groet.

[21] Zie, uw hart.

[22] Hetwelk zij weifelend at. Het doen eten van een hart is een beeldspraak die in de troubadourspoëzie meer voorkomt en die op een barbaarsche werkelijkheid berust, Meestal is het een bedrogen echtgenoot die zijn gade dwingt het hart van haar verslagen minnaar te eten, Sordello van Mantua echter, een door Dante zeer hoog geschat troubadour, doet (in overeenstemming met een ook thans nog onder vele wilde volken wijdverbreid volksgeloof) aan den laffen baronnen van zijn tijd het voorstel gezamenlijk het hart van zijn dooden vriend Blacas op te eten, opdat diens deugd en moed in hen mochten overgaan. Bij Dante heeft het voor onzen smaak onfraaie beeld een dergelijke beteekenis: hij hoopt dat door het eten van zijn brandend hart de gloed zijner liefde in Beatrice moge overgaan.

[23] In rijmen te spreken. Dit beteekent dichten "in de volkstaal", in tegenstelling met dichten in het Latijn, in welke taal het rijm niet of zelden (kerkelijke liederen) wordt aangewend. (Zie § XXVII)

[24] Getrouwen der Liefde. Spreekwijze uit de ridderpoëzie: de Liefde wordt voorgesteld als een machtig "Heer", de minnaars als zijn vasallen, zijn getrouwen. (fedeli)

[25] Hart. In Dante's poëzie wordt het woord "hart" dikwijls persoonlijk gebruikt, als synoniem van "mensch".

[26] Mijn grootste vriend. Guido Cavalcanti (zie Aanhangsel). Andere bekende dichters, wier antwoorden op Dante's sonnet bekend zijn, waren Cino da Pistoia en Dante da Maiano. Een dergelijk vragen en antwoorden in poëzie was onder de dichters van dien tijd zeer gebruikelijk.

[27] Ge zaagt etc. In het Italiaansch luidt de regel:

"Vedesti al mio parere ogni valore"

hetgeen rijmt op Dante's beginregel:

"A ciascun alma presa e gentil core"

Analogie in onze litteratuur: het sonnet van P. C. Hooft aan C. Huigens: "Men voedde Achilles op met mergh uit Leeuwenschonken", dat aanleiding gaf tot een reeks van sonnetten van andere dichters op dezelfde rijmklanken.

[28] De ware beteekenis. Verschillende commentatoren hebben hierin weer iets "duisters" gezien. Bedoeld wordt natuurlijk: "nu Beatrice gestorven is (wat heel Florence weet) en inderdaad door de Liefde zelf ten hemel is gedragen, waarheen zij mijn brandend hart heeft meegenomen."

Een andere vraag is of Dante, toen hij dit sonnet schreef, reeds aan dezen uitleg dacht, m. a. w. of hij een voorgevoel van Beatrice's vroegen dood had. Het is opvallend dat alleen in het later toegevoegde proza ervan gewaagd wordt dat Amor hemelwaarts vliedt. Had dus, toen Dante het sonnet schreef, Amor's plotseling opkomend verdriet een andere reden? Melodia onderstelt dat de oorzaak van Amor's of Dante's verdriet is de verloving of het huwelijk van Bice met Simone dei Bardi, en dat dit sonnet is een "voorspelling nà het feit", zooals men er zoovele aantreft in de Commedia. Aanvankelijk slaapt Beatrice, d. w. z. zij is onbewust van Dante's liefde; dan bemerkt zij haar en schijnt haar, na vele pogingen van Dante's kant, te beantwoorden door haren groet (zij eet het hart werkelijk op "schuchter, schoon gehoorzaam, paventosa umilmente"), maar verlooft zich ten slotte toch met een ander. Deze verklaring lijkt mij zeer aannemelijk voorzoover het een verloving of het vooruitzicht daarvan betreft; dat Beatrice reeds gehuwd was vòòr Dante haar tot zijn Vrouwe koos, acht ik niet waarschijnlijk. (Zie aanteekening 34-36).

[29] De koningin der glorie: Maria. Dante wil hier Beatrice's vereering voor de Moeder Gods aanduiden. Dikwijls gebruikt hij voor Maria en Beatrice gelijksoortige woorden; het is bovenal Beatrice's nederigheid en ootmoed (umiltate) welke hij verheerlijkt en waardoor zij na haren dood zal stralen "onder het teeken van Maria" (§ XXVIII) in dien hemel waar: "hoogst gebenedeid Maria troont onder de nedrigst-vromen" (sonnet XXXIV).

[30] Een scherm der waarheid, (schermo). De methode om de liefde voor hun "dame" te verbergen door liefde voor eene andere te veinzen, werd onder de troubadours en oudere Italiaansche dichters herhaaldelijk toegepast. Zij houdt natuurlijk verband met het feit dat de "dame" meestal gehuwd was met een ander. Voorbeelden bij Folquet de Marseille, Arnaldo Daniello, Guittone il Torraca.

[31] Serventese. (Provençaals: sirventes) Een gedicht in terzinen, door een halven regel aan elkaar verbonden, naar het schema AAAb--BBBc. Meestal van politiek-religieusen inhoud, maar ook wel lyrisch.

Het dichten van een lofzang op een aantal vrouwen eener stad of streek tegelijk, was bij de oude troubadours niet zeldzaam. Dat Dante er juist zestig uitkiest heeft zonder twijfel een of andere, met zijn getallenmystiek in verband staande reden. Verschillende commentatoren meenen dat de Vrouwe die Dante tot scherm diende in dit verloren gedicht genoemd werd onder nummer dertig en dat op hààr de raadselachtige uitdrukking slaat: "en zij die 't dertigst stond" in Dante's sonnet: "Guido, ik wou" (Zie Aanhangsel).

[32] Dit gedicht, evenals het tweede sonnet in § VIII, is eigenlijk een ballade, op een overeenkomstige, maar nog kunstiger wijze gebouwd dan het gewone sonnet, doordat de kwatrijnen met twee en de terzinen met één drievoetigen regel verrijkt werden, zonder dat evenwel door deze toevoeging nieuwe rijmklanken werden ingevoerd. Het gedicht is hierdoor zoowel kunstiger van rijm als bevalliger van rythmiek geworden.

[33] Gij allen die over weg gaat, schouwt het aan en ziet of eene smart zij gelijk mijne smart. (Klaagliederen van Jeremia I. 12).

[34] Dante wil hier zeggen dat hij in de laatste terzine oogenschijnlijk bedroeft is over het vertrek van zijn "scherm", in werkelijkheid echter om iets anders, waarschijnlijk de hopeloosheid zijner liefde voor Beatrice.

[35] Volgens sommige commentatoren zijn hier bedoeld de twee laatste regels van het tweede sonnet. Zij luiden in het Italiaansch:

Chi non merta salute, Non speri mai d'aver sua compagnia.

hetgeen letterlijk vertaald is:

Wie niet het heil verdient Hope nooit haar gezelschap te hebben.

Dat met haar gezelschap dat van Beatrice bedoeld zou zijn is inderdaad zeer gezocht. Rossetti meent dat Dante te verstaan wil geven dat diegene die het gezelschap der gestorven vriendin had genoten, dat wil dus zeggen Beatrice, den hemel waardig was. Hij vertaalt:

Whoso deserves not Heaven May never hope to have her company.

Ik waag een andere, m. i. zeer eenvoudige verklaring, berustend op Dante's dubbelzinnig gebruik van het woord "salute". De, làter door Dante verzonnen, verborgen bedoeling zou dan zijn: "Wie zoo slecht is dat hij niet den groet (van Beatrice) verdient, hope nooit in den hemel (d. i. in het gezelschap der gestorven vriendin) te komen.

Het is echter ook mogelijk dat de duistere woorden alleen slaan op de terzinen van het éérste sonnet. De Liefde in "tastbare gedaant" toch is dan Beatrice zelf. (verg. Aanteekening 46)

[36] O lage Dood. Morte villana. Het woord "villana" heeft hier de oude beteekenis van boersch, wreed, laag, in tegenstelling met "gentile", edel.

"mors, villaine ies, en toi n'a gentillece" (provençaalsch lied).

[37] Gebeurde er iets. Verschillende uitdrukkingen (o.a. het verplichte van den tocht, het rijden in gezelschap van velen gedurende een geheelen dag) wijzen er op dat hier sprake is van een militaire expeditie. Inderdaad zond Florence tijdens een oorlogje, van 1285 tot April 1286 gevoerd tusschen Sienna en Arezzo, een troepje ruiters uit om de Sienneezen te helpen.

[38] Mijn zoon, het is tijd dat wij onze voorwendselen ter zijde stellen.

[39] Ik ben gelijk het middelpunt van eenen cirkel, tot hetwelk alle deelen van den omtrek zich gelijkelijk verhouden; gij echter zijt niet aldus.

[40] Ik ben gelijk etc. Over deze zinsnede is heel wat gestreden. De meest aannemelijke opvatting lijkt mij die van Proto. Volgens deze is de beteekenis: Ik, de Liefde, ("die de Zon en de andere sterren beweegt", laatste regel van het Paradijs) ben het eene, onveranderlijke kernpunt van alle deugden, en evenver verwijderd van de ontelbare zonden die buiten mij liggen. Ook gij, Dante, staat nog buiten dit middelpunt; daarom ween ik om u en zie ik in dat het tijd voor u is om het onwaardige geveins dat u tot zonde verleidt, te laten varen en u alleen te richten tot Beatrice, de "vernietigster van alle kwaad en koningin der deugd", die zelf "Liefde" zou moeten heeten, "zoozeer gelijkt zij mij" (§ XXIV).

[41] In de volkstaal. Hieruit blijkt dat Dante, toen hij dit schreef, het Latijn nog niet gemakkelijk verstond. Dante zegt zelf dat hij eerst nà den dood van Beatrice ernstig begon het Latijn te bestudeeren en wel het eerst het boek der "Vertroosting" van Boëtius en "Over de vriendschap" van Cicero, welke lectuur hem echter zeer moeilijk viel. (Conv. II. 13)

[42] Maar tooi hen met zoete harmonie. Dit beteekent: "laat het lied op muziek zetten", gelijk voor minnedichten, vooral ballades, veel geschiedde.

[43] De namen richten zich naar de dingen.

[44] De namen richten zich naar de dingen. Leuze der scholastieke Nominalisten, in tegenstelling met de leer der Realisten, volgens welken de begrippen een reëel, werkelijk bestaan hadden op zichzelf.

[45] Naar welke plaats ik werd medegenomen. Volgens de Florentijnsche verordening op huwelijks- en begrafenisplechtigheden mocht elk genoodigde één vriend meebrengen, een edelman echter vier en een rechter of arts twee.

[46] Mij toevertrouwend etc. Fidandomi nella persona, laquale un suo amico al estremità della vita condotto avea. Letterlijk: mij toevertrouwend aan dien persoon, die (of dien) eenen (of een) zijner vrienden naar het uiterste eind des levens geleid had.--Het komt mij voor dat deze tusschenzin alleen reden van bestaan heeft wanneer die tweede vriend Dante zelf is. De zin, die anders volkomen overbodig, ja misplaatst ware, is ironisch bedoeld. "Ik vertrouwde mij toe aan een man die nota bene alleen reeds door mij hierheen te brengen mijn leven in gevaar bracht." Ook Rossetti vat het aldus op en vertaalt: Who yet was leading his friend to the last verge of life. De ironie wordt nog duidelijker wanneer men aanneemt dat Cavalcanti, voor wien immers Dante de Vita Nuova schrijft, zelf de bewuste geleider was.

[47] Enkele commentatoren, ook Rossetti, meenen dat Dante in deze paragraaf spreekt over de bruiloft van Beatrice zelf, die immers waarschijnlijk juist in dezen tijd, omstreeks 1287, huwde met Simone dei Bardi. Het is in de hoofsche poëzie geen gebruik ooit over het huwelijk der aangebedene te spreken. Des te waarschijnlijker lijkt het mij dat Dante er toch op deze wijze een toespeling op maakte.

Een argument voor de juistheid dezer opvatting is dunkt mij ook het antwoord dat Dante geeft aan zijn bezorgden vriend: "Ik heb mijn voeten gezet in dat deel des levens, vanwaar men niet kan terug gaan al wilde men". Men heeft deze duistere woorden willen verklaren met een onnoozel: "ik was op het punt te sterven, ik was alhaast in de andere wereld." Het komt mij voor dat deze woorden een geheel andere en zeer diepe beteekenis hebben. Zij willen zeggen dat voor Dante een nieuwe levensfase begon en de vroegere onherroepelijk is afgesloten. (Zie ook § XVII de "nieuwe stof" die hij wil gaan behandelen) Na Beatrice's huwelijk toch is hij wel gedwongen tot een zuiver ideëele liefde. Ofschoon haar huwelijk den dichter Dante de gewenschte exaltatie eener geestelijke liefde bracht, moest zij den màn zeker pijn doen. Vandaar Dante's buitengewone verwarring en ontroering. Andere argumenten in 35 en 36.

[48] Spotteden zij over mij. De bespotting van den minnaar door zijn "dame" is een geliefd thema bij de oude troubadours en ook bij Dante's tijdgenooten, o. a. Cino da Pistoia:

"Zoo ge de klagelijke stem kondet hooren Van mijne zuchten, wanneer zij mij verlaten, Zoudt ge mijn gelaat en kleur niet bespotten, Die ik geheel verwissel wanneer ik in uwe nabijheid ben."

Hoe kon Beatrice, de zoo deemoedige en zachte, zoo wreed zijn Dante te bespotten? Wellicht spotten alleen de andere vrouwen en heeft zìj slechts geglimlacht, zooals ieder mensch, ook de edelste, zonder leedvermaak kan glimlachen om het jammerlijk figuur van een wanhopig verliefde. Of is de bespotting een beeldspraak voor het feit van haar huwelijk met een man dien zij hoogstwaarschijnlijk slechts op bevel van haar vader, uit politieke of commercieele overwegingen, trouwde, gelijk in dien tijd gewoonte was?

[49] Geloovende te moeten zwijgen, en "ofschoon ik mij daarna nooit meer (onmiddellijk) tot haar richtte." Ook deze zinnen pleiten sterk voor de juistheid van het vermoeden omtrent Beatrice's huwelijk. Het ware al heel verwonderlijk als Dante plotseling, eigenlijk zonder motief, het bezingen zijner Vrouwe gestaakt had; maar het kan niet verwonderen dat hij in zijn eerste smart meende nu ook maar voorgoed te moeten "afsluiten", en evenmin dat hij dan later toch dit voornemen weer ontrouw wordt. Dat hij de drie sonnetten waarin hij zijn wanhopigen toestand schildert, in strijd met de chevallereske kieschheid, tot haarzelf richt, bewijst dat zij de vrucht zijn van een buitengewoon sterke ontroering. Dat hij haar echter, na dien eersten storm, niet meer direct aanspreekt, wordt eveneens door haar huwelijk, waardoor dit nog onbetamelijker, zooniet gevaarlijk wordt, verklaard.

Ten slotte is het opvallend dat de gedichten die nu volgen van een geheel anderen geest zijn dan de vorigen; zij behandelen inderdaad een "nieuwe en edeler stof"; zij zijn zuivere lofzangen, zonder verborgen bijbedoeling. Zij prijzen alleen, zij vragen niets. (Zie Inleiding.)

[50] Val welke eene. d'Ancona meent dat deze dame, wier vraag het oogenblik van de ideëele verandering der figuur van Beatrice en van het nieuwe karakter van Dante's volgende poëzie aanduidt, de latere Mathilde van het Paradijs is. In verband met de voorgaande aanteekeningen wijs ik er op dat die vraag echter hoogstens een medewerkende aanleiding tot Dante's bewustwording der vergeestelijking zijner liefde kon zijn. De ware oorzaak van den grooten omkeer in zijn gemoed, van zijn stijgen boven de subjektieve klacht uit tot de objectieve verheerlijking, is de uitkomst eener innerlijke evolutie die wel door een schokkend feit, zooals haar huwelijk, maar niet door een opmerking eener vreemde dame kon worden teweeg gebracht.

[51] Hunne woorden zag uitgaan. Mi parea vedere le loro parole uscire mischiate di sospiri. De commentatoren die Dante willen verbeteren door vedere te vertalen met hooren, doen den dichter onrecht.

Dante verstond de woorden der pratende vrouwen niet, maar zag hen spreken en zuchten en juist dit zien bracht hem op die wonderbaar schoone vergelijking van den regen met sneeuw vermengd.

[52] Niet tot alle vrouwen. Dante neemt het woord "donna" in zijn meer beperkte beteekenis, waarin het adjectief "gentile", edel, lieflijk als het ware ligt opgesloten. (evenals bij ons: "dame" het begrip "wel opgevoed" insluit.) De vrouw-zonder-meer toch is volgens Dante's spreekwijze niet in staat de liefde te kennen. Alleen de Deugd, de Gentilezza, schenkt haar daartoe het vermogen. De eerste regel der canzone is dus in Dante's taal: "Gij edele vrouwen, die de deugd bezit."

[53] Over de beteekenis dezer canzone als eerste oorspronkelijke "meesterproef" zie mijn Inleiding.

[54] En die eens spreken zal etc. Deze regels hebben tot een geheele litteratuur aanleiding gegeven. Mij lijkt de meest voor de hand liggende, maar zeer betwiste verklaring, nl.: dat Dante hier een toespeling maakt op zijn later werk "de Hel", zeer aannemelijk. Waarom zou hij niet reeds tijdens het schrijven dier canzone hebben rondgeloopen met het vage denkbeeld--voor dien tijd niet eens zoo oorspronkelijk--later een tocht door de Hel te beschrijven?

[55] De wijze dichter. Guido Guinizelli. Zie Inleiding en Aanhangsel.

[56] De verwekker. Folco di Ricovero Portinari, gestorven 31 December 1289. Hij was een aanzienlijk, rijk en vrijgevig man, o.a. stichter van een hospitaal.

[57] Volgens gebruik. Volgens de Florentijnsche verordening kwamen de vrouwelijke bloedverwanten en buren in het sterfhuis bijeen, terwijl de andere leeddragenden zich er vòòr verzamelden.

[58] Hosanna in den Hooge.

[59] Door zeer nauwe verwantschap. Blijkbaar bedoelt Dante een zijner zusters.

[60] Giovanna, Monna Vanna, was de "dame" van Cavalcanti. Het geven van een bijnaam (provençaalsch "senhal" = signal, teeken) was een oud troubadoursgebruik. Dante past het hier toe om, volgens zijn symboliek, Beatrice met de Deugd of hoogste Liefde te vereenzelvigen. Inderdaad kan in verscheidene gedichten het woord: "Liefde" of "Amor" door "Beatrice" worden vervangen, bv.

Klaagt al wie mint nu ge Amor zelf hoort klagen....,

en:

Over der doode lieflijk beeld gebogen Zag 'k weenen hem (de Liefde) in tastbare gedaant. (§ VIII)

en:

van Liefde spreken nu al mijn gedachten.... (§ XIII)

en:

Dikwerf wanneer 'k bepeins het vreemd gedragen Waartoe mij Amor dwingt.... (§ XVI)

[61] Ik ben de stem des roependen in de woestijn; bereidt den weg des Heeren. (Matheus III, 3.)

[62] Zekere woorden verzwijgend. Namelijk de woordspeling waarbij Monna Vanna slechts een voorloopster schijnt van nog grootere schoonheid. Aan de vergelijking met Johannes den Dooper als voorlooper van het ware Licht, zal Dante bij het schrijven van het sonnet wel niet hebben gedacht (zie Inleiding). Toen Dante het proza schreef wist hij dat Cavalcanti's liefde voor Monna Vanna inmiddels was bekoeld en kon hij spreken zonder zijn vriend te kwetsen.

[63] Monna Vanna en Monna Bice. Monna is de populaire verkorting van Madonna. Gevolgd door den voornaam duidt het woord alleen gehuwde vrouwen aan.

[64] Volgens den filosoof. "De" filosoof in de middeleeuwen is steeds Aristoteles. Dante haalt hem waarschijnlijk aan uit de tweede hand.

[65] De taal van "oc". Dante onderscheidde de Romaansche talen naar hun bevestigend bijwoord, in het provençaalsch "oc", in het oud-fransch "oil", in het Italiaansch "si".

[66] Ouder dan 150 jaren. Dit is slechts juist wat het Italiaansch betreft, de provençaalsche poëzie begint reeds tusschen het jaar 1000 en 1050.

[67] Om van de Liefde te spreken. Hier meent dus Dante nog dat de volkstaal alleen voor het minnedicht geschikt is; ook in het Convitto stelt Dante het Latijn nog steeds boven de volkstaal; eerst in zijn "De vulgari eloquio" slaat zijn waardeering om.

[68] Virgilius, Horatius, Ovidius en Lucanus behooren tot de dichters die Dante het meest bewonderde. (Hel IV. 90)

[69] Aeolus, u verleende.... (Aenëide I, 65).

[70] Wat gij, koningin, wenscht.... (Aenëide I, 76).

[71] Harde Dardaneërs.... (Aenëide III, 94).

[72] Veel, o Rome, hebt ge te danken aan de wapenen uwer burgers (Pharsalus I, 47).

[73] Noem mij, o Muze, den man. (Epistola ad Pisones V. 141).

[74] Middelen tegen de liefde.

[75] Oorlog bereiden zij mij, zie ik, zoo sprak zij.... (Remedia Amoris V. 2).

[76] Deze ééne stanza der zoogenaamde canzone vormt een gesloten geheel. De bouw is, behoudens de ééne verkorte regel, volkomen die van een sonnet. Het lijkt mij daarom zeer waarschijnlijk dat Dante dit sonnet achteraf, wegens het samenvallen van zijn ontstaan met Beatrice's dood, voor een plotseling afgebroken canzone heeft willen doen doorgaan.

[77] Hoe zit die stad zoo eenzaam, die vol volks was! Zij is als eene weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen. (Klaagliederen van Jeremia I. 1).

[78] Deze derde reden heeft tot heel wat onderstellingen aanleiding gegeven. Aannemelijk lijkt mij dat Dante wil zeggen: door haar op waardige wijze in haar hemelsche heerlijkheid af te beelden, zou ik mijzelf min of meer een brevet van heiligheid geven.

[79] Een anderen uitlegger (chiosatore, glossateur) Cina da Pistoia, die eene canzone schreef om Dante te troosten over het verlies van Beatrice. (Zie Aanhangsel)

[80] De kalender van Arabië. Beatrice stierf in den avond van 8 Juni 1290. Volgens Arabische dagverdeeling begon de dag na zonsondergang. Dante roept die dagverdeeling dus te hulp om den datum 8 te kunnen veranderen in 9, en den Syrischen kalender opdat Juni de 9de maand zou zijn.

Tisirin de eerste. Er zijn namelijk twee maanden welke dien naam dragen.

Het volmaakte getal = 10.