Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova)
Chapter 10
Hoe de magneet door zijn verborgen kracht Het ijzer aantrekt kan geen mensch aanschouwen; Toch trekt hij het, en onweerstaanbaar aan.
En dit heeft mij tot het geloof gebracht, Dat liefde is en schenkt mij vast vertrouwen Dat men dit ook gelooven blijft voortaan.
Jacopo da Lentino ( 1246)
(Hij was notaris onder keizer Frederik II. Deze dichter is "de notaris" die met Buonagiunta en Guittone d'Arezzo bleef "aan gene zijde van den zoeten nieuwen stijl") (Louteringsberg XXIV 54-57).
Liefde is Begeerte, door het groot vermogen Van welgevallen in het hart verwekt, Het allereerst ontspringt de Liefde uit de oogen En 't is het hart dat voedsel haar verstrekt.
Wel komt bijwijl die drang in ons getogen, Zonder dat zichtbaar schoon hem tot zich trekt; Maar schoonheid die we aanschouwen met onze oogen Is 't toch die sterkste en hechtste liefde wekt;
Wijl de oogen aan het hart het goed en kwaad Melden getrouwelijk van alle dingen, Zooals Natuur hen altemaal formeert;
En 't hart dat deze taal terdeeg verstaat, Voelt diepverheugd Begeerte in zich ontspringen: En dat is Liefde, die den mensch regeert.
Fra Guittone d'Arezzo ( 1294)
(Aanvankelijk schreef hij alleen minnepoëzie, maar op zijn 35ste jaar bekeerde hij zich, werd "broeder" van de religieus-militaire orde der Cavalieri gaudenti (vroolijke ridders) en wijdde zich sindsdien uitsluitend aan het boetedicht. Hij stond in hoog aanzien, ofschoon Dante deze bewondering niet deelt. In een gesprek met den grooten dichter Guinizelli (Louteringsberg XXVI, 124-126) zegt Dante over hem:
"Aldus (nl. voorbarig prijzen) deden vele ouden met Guittone, de een den ander nasprekend om hem lof te geven, totdat met meer personen de waarheid hem heeft overwonnen.")
Aan de heilige Maagd Maria.
Vrouwe des Heils, wier glorie nooit kan enden, Moeder van Jezus zoet, wiens heilge dood, Ons te verlossen van der helle nood, Den doem van 's eersten vaders val mocht wenden;
Zie hoe mij Amor's wreede knechten schenden Met schichten scherp, aanschouw mijn foltring groot; Moeder vol deernis, zachte bondgenoot, Schut mij voor de vervolging zijner benden!
Vul van die ééne Liefde heel mijn wezen, Die trekt de ziel naar haren oorsprong puur, Zoodat der lusten strik mij niet weerhoudt;
Zulk middel slechts kan zulk een koorts genezen, Zulk water slechts bluscht zulk een gloeiend vuur; Met spijkers drijft met spijkers uit het hout.
Chiaro Davanzati
(Een Florentijnsch dichter, wiens werk valt tusschen 1260 en 1280)
Wanneer het stralend licht zijn glans komt spreiden Zendt het zijn klaarheid tot in versten nacht; De bleeke sterren dooven en verscheiden Voor zijner schichten ùitblinkende kracht.
Zoo schenkt mijn Vrouwe met haar blik verblijden Aan ieder die in donkre smarten smacht En doet in vreugd verkeeren al hun lijden: Zoo overgroot is harer deugden macht.
En als een stoet van dienende getrouwen Volgen haar als der Hoofschheid keizerin, Wijl ze aller licht is, alle andere vrouwen.
De schilders staren met verrukten zin Haar aan wijl ze in haar schoon gelaat aanschouwen Wat zij te schildren hopen tot een elks gewin.
Guido Guinizelli (1220?-1276)
(Van zijn leven is weinig meer bekend dan dat hij tot een aanzienlijk Bologneesch geslacht behoorde en in 1274 wegens zijn keizerlijke gezindheid werd verbannen. Hij was zeker de grootste dichter van zijn tijd en Dante heeft hem hoogelijk geprezen, staat dan ook zelf sterk onder zijn invloed. Kenmerkend is dat Guinizelli, stichter van den "zoeten nieuwen stijl", eerste "vergoddelijker" der Vrouw, door Dante op den Louteringsberg wordt aangetroffen onder hen die zich aan zinsgenot te buiten gingen. Als Guinizelli zich aan Dante bekend maakt, kan deze zich haast niet verzadigen van den aanblik van "den vader van mij en zoovele anderen die beter zijn dan ik, die ooit in rijmen, zoete en gevallige, spraken van minne." (L. B. XXVI 97-99) Guinizelli spreekt dan Dante aldus aan:
"....zeg mij wat de reden is waarom gij toont in uw spreken en uw blikken mij lief te hebben."
waarop Dante antwoordt:
"De zoete woorden uwe, die, zoolang de hedendaagsche spreekwijze zal duren, de geschriften waarin ze bevat zijn, zullen dierbaar maken." (108-114).)
I.
Het edel hart.
Het edel hart is Liefde's wijk en wapen, Gelijk voor 't vogelken het dicht geblaart; Niet heeft Natuur de Liefde 't eerst geschapen, Noch eer dan Liefde 't Hart van eedlen aard. Maar zooals mèt de zon Van aanvang af het licht de ruimte kliefde, Doch éér niet stralen kon; Zoo woont in al wat edel is en puur Vanzelf de zoete Liefde, Gelijk de gloed in 't glanzen van het vuur.
Der Liefde vuur komt in 't eêl harte stralen Als zuivre glans in kostelijken steen: Geen ster kan tooverkracht in hem doen dalen Eer hem het loutrend licht der zon bescheen. Maar dan, wanneer dier kracht Al 't slechte uit zijnen aard wegzengde en blaakte, Krijgt ook de ster haar macht. Zoo kan een vrouw in 't hart dat door Gods gloed Tot eedle deugd ontwaakte, Haar Liefde stralen als 't die sterre doet.
De Liefde heeft het edel hart tot woning Zooals de vlam den top van de flambouw; Zij straalt er fier tot eigen vreugd en looning, Alsof zij nimmer anders branden zou. Wie slecht is van natuur, Vermag zoo min de Liefde te verdragen Als water 't heete vuur. Besloten ligt de Liefde in 't harte rein, Als in verborgen lagen Een diamant in 't ijzer eener mijn.
Moog' heel den dag de zon het slijk bestralen: 't Blijft vuil; de zon haar zuivren glans behoudt. "'k Ben edel van geboort", wie dùs kan pralen Is als dit slijk, de Deugd is 't zonnegoud. Geloove niemand ooit, Dat adel buiten 't edel hart kan leven: Wien konings hoogheid tooit Blijft laag zelfs, zoo niet Deugd zijn hart doordringt, Dat kaatse als water 't beven Van sterrenglans die uit den hemel blinkt.
De Schepper straalt voor 's hemels Intellekten In klaarder gloed dan voor ons oog de zon. Ontfloersd aanzien ze 't Licht dat hen verwekte, En in aanbidding voor der Waarheid bron, Bereikt van aanvang af Hun streven doel, naar Gods algoed beschikken.-- Dat zòò mijn Vrouwe ook gaf De waarheid van haar eedle deugd, die straalt Uit hare zuivre blikken, Aan mij die nimmer haar te minnen faalt!
Mijn Vrouwe, "Wat vermat ge u!" zal God spreken, Wanneer mijn ziel ten laatste voor hem staat. "Kwaamt ge alle heemlen door tot mij geweken, Te plaatsen mij naast minne die vergaat? Uw lof zij slechts gericht Tot mij alleen en die genaderijke Voor wie àl logen zwicht." Maar 'k antwoord: "Met een engel die gìj zond, Moest ik haar wel gelijken; Zoo laak het niet dat mij haar liefde bond."
II.
Aan Lucia.
Ik wil naar waarheid mijne Vrouwe loven, Wier schoonheid roze en lelie bei gelijkt, Ze is als de morgenster, als al wat boven Ons schoon en stralend aan den hemel prijkt.
Al kleur en tint van bonte bloemenhoven, Van lucht en groene beemden haar gelijkt, Goud en lazuur voor haren glans verdooven En Amor zelf schijnt door hààr schoon verrijkt.
Zij gaat, getooid van zòòveel lieflijkheden, Dat ze ieders hoogmoed breekt door haren groet En elken heiden 't waar geloof zou schenken.
Nooit kan een laag man voor haar aanschijn treden. Maar grooter nog is 't wonder dat zij doet: Wie haar aanschouwt kan niets wat slecht is denken.
DANTE'S TIJDGENOOTEN
Guido Cavalcanti (1250-1300)
(Cavalcanti, een Florentijnsch edelman, was Dante's "grootsten vriend", zijn "secretaris", d.w.z. zijn geheimdrager, de eenige die, althans tijdens het leven van Beatrice, het geheim van Dante's liefde kende. Hij schijnt op Dante een grooten moreelen invloed te hebben gehad. Geschriften zijner tijdgenooten doen hem kennen als wispelturig in de liefde en los in het geloof, maar tevens als een man van groote gaven, vurig, edelmoedig, geleerd, trotsch en van eenzame hooghartigheid. Als dichter stond hij hoog in aanzien. Zijn metaphysische en zeer duistere canzone: "Donna mi priega" (Een Vrouwe vraagt mij), handelende over den aard der Liefde, werd veel bewonderd, besproken en gecommentarieerd, ook door theologen. "Een liefdezang", zegt Rossetti hiervan, "welke zulk een vliegenvanger blijkt voor priesters en pedanten, ziet er verdacht uit; maar het feit dat hij geschreven werd door een man wiens leven en werken toch zooveel impulsiefs en reëels bevatte, is teekenend voor dien tijd van jonge scholastieke geleerdheid". Ook Dante had groote bewondering voor zijn vriend. Op den Louteringsberg, waar hij spreekt over de vergankelijkheid van den roem (XI. 96-99) schijnt hij Cavalcanti boven Guinizelli te stellen, en zichzelf boven die beiden:
"Aldus heeft de eene Guido den anderen den roem der taal ontnomen; en wellicht is geboren die den één en den ander uit het nest zal jagen.")
I
Aan Vanna.
Wie is zij, wier bewonderd nadren doet De lucht van tintlende verwachting beven; Die Amor met zich voert, zoodat begeven Van alle woorden elkeen zuchten moet?
Wat zij gelijkt zoo zij met de oogen groet, Ik zegge 't niet, laat Amor 't antwoord geven. Vrouwe van Deemoed lijkt zij, zòò verheven, Dat ik elke andre "Hoogmoed" heeten moet.
Onzeggelijk is harer schoonheid glans, Wijl alle edele deugden voor haar knielen En schoonheid zelf haar eert als een godin.
Nooit was een geest van zulk een eedlen zin, Nooit vulde deugd zoozeer der menschen zielen, Dat één haar ooit begreep daadlijk en gansch.
II
Aan Vanna.
Schoonheid van vrouwen of vriendlijk gemoed, De wapenpraal van eedle ridderscharen, Gekweel van voglen, minnefluistring zoet, Van sterke schepen 't vlug en sierlijk varen;
Zuivere lucht wanneer de daagraad groet, De blanke sneeuw die stilkens neer komt waren, De klare bron en aller bloemen gloed, Sieraân die goud en flonkersteen bezwaren;
't Al overtreft de tooi der lieflijkheên Van mijne Vrouwe en harer deugden waarde, Zoodat dit àl gering acht wie het ziet;
Ze is zóóveel meer dan alles om zich heen Als heel de hemel grooter is dan de aarde: Wie is als zìj, dien mijdt Gods zegen niet.
III
Op Mandetta, wier oogen geleken op die van zijn Vrouwe, Monna Vanna.
Een jonge en schoone Tolosaansche Vrouwe, Vol eerzame bevalligheden, straalt Gelijkenis zòò treffend en bepaald Uit haar schoone oogen met mijn eigen Vrouwe,
Dat mijne ziel, verlangend haar te aanschouwen, Mijn hart verlaat en tot haar henen dwaalt; Doch zoo verward, dat zij het niet verhaalt Wie haar te schenden drijft haar eerste trouwe.
De Schoone aanschouwt haar met een blik zoo teer, Dat in mijn ziel de Liefde rasch ontwaakt, Wijl 't is of zij haar ware Vrouwe ziet,
Maar zuchtend keert ze in 't harte weer, geraakt Ten doode door de scherpgepunte speer Die haar de Schoone nawerpt zoo zij vliedt.
IV
Aan Dante, naar aanleiding van diens lichtzinnige levenswijze na den dood van Beatrice.
Ik kom tot u daaglijks ontelbren keer, Doch te veel laagheid leeft in uw gedachten. Diep droeft mij dit om al die eedle krachten Die woonden in uw hoogen geest weleer.
Te schuwen placht gij eens elk laag verkeer En liên, verslaafd aan slechtheid te verachten. Dies heb 'k de verzen die me uw vriendschap brachten, Als kostbren schat gehouden steeds in eer.
Maar 'k durf niet meer, om uw verwerplijk leven, Zeggen hoe nòg bekoort me uw zoete taal-- En 't slag van liên dat gìj kent, ken ìk niet--
Lees dit sonnet, ik smeek 't u, menig maal: Totdat de Booze, die ons scheidt, verdreven, Ten laatste uit uw onteerde ziele vliedt.
V
Ballade.
'k Zag in een boschje een herderinne dwalen, Als sterrepralen stralend wijd en zijd, Heur blonde haren krulden langs de slapen; Vol liefde de oogen, rozerood de wangen, Hoedde zij met een twijg de makke schapen, De voeten blank van dauw. En als bevangen Van jonge liefde zong ze in zoet verlangen; Zij was omhangen van àl minlijkheid.
Ik groette dadlijk haar in liefde ontstoken En vroeg of 'k haar zou vergezellen mogen. En teeder sprak zij, de oogen half geloken: Heel, héél alleen kwam zij door 't bosch getogen, En: "hoort ge er ooit het lokken van de vooglen, Dàn zal 'k gedoogen dat ge ook mìjn hart vrijt"....
Maar nauw had ik die voorwaarde vernomen, Of 'k hoorde luid de vooglen fluiten tusschen 't Geblaart. Nu is de tijd, zeide ik, gekomen, Om in haar arm mijn minnebrand te blusschen. En 'k dankte haar wijl zij met teedre kussen Mijn hart te sussen was zòò rasch bereid.
Zij nam mijn hand en boog zich tot mij over; Zei dat zij nu haar hart mij had geschonken. Toen bracht zij me in de schauw van 't frissche loover, Waar allerhande bonte bloemen blonken: Zij was 't, van zooveel zoete vreugden dronken, Als zag 'k daar lonken Venus' heerlijkheid.
Cino da Pistoia (1270-1336).
(Hij was een der "vermaarde troubadours" die antwoordden op Dante's eerste sonnet. In "De vulgari Eloquio" zegt Dante: "Zij die het zoetst en schoonst gedicht hebben in het nieuwe Italië zijn Cino da Pistoia en een vriend van hem." Uit het feit dat Dante enkele gedichten, aan Cino opgedragen, onderteekent met "amicus ejus (zijn vriend) blijkt dat Dante met dien vriend zichzelf bedoelde).
I
Aan Dante over den dood van Beatrice.
Schoon ik niet eerder richtte reeds mijn smeeken Tot Liefde en Medelij om uwentwil, Dat zij vertroosten mochten uw droef leven Is toch de tijd niet zoolang reeds verstreken Dat niet mijn woorden zouden vinden stil- zuchtend uw ziel en hart die achterbleven: "O zaalge Vreugd, ik zag u opwaarts zweven, Gelijk uw naam verlangt, ten hemel toe!" Eilaas, wanneer en hoe Zal ik van oog tot oog u mogen zien En in persoon u biên De hulp die u mijn troost zou kunnen geven Zoo luister naar deez' woorden: Liefde gaf Mij ze in, en laat van klacht en zuchten af.
Ge weet: in zorg en vreezen allerwegen Op deze blinde wereld elkeen leeft, Wijl hij de grillen der fortuin moet duchten; Zalig de ziel, die zulk een last ontstegen, Ten hemel, waar àl vreugd vervuld is, streeft; Heil 't hart dat toorn en laagheid kan ontvluchten! Waarom dan hoor ik ùw hart aldoor zuchten? Terwijl het zich verheugen moest veeleer: Verhoord heeft onze Heer De bede door dien engel eens geslaakt, [97] En door haar ziel volmaakt. Den hemel met een ongekend genuchte. Voor des Verlossers aanschijn mag zij staan, Omstuwd door al Gods engelen voortaan.
Hoe foltren dan vertwijfeling en weenen Uw hart dat vol moest zijn van liefde en vreugd Wijl heel uw geest nu toeft in 's hemels vrede! Al uw gedachten stijgen op daarhenen Van nu af aan door hare hooge deugd, En Liefde drijft daartoe hen hier beneden. Hoe ligt ge dan zoo jammerlijk vertreden, Gij, die zoo wijs waart, in uw droefheid neer 'k Bid u om Godes eer: Weer uit uw kranken geest zoo bittre smart; Draag niet den dood in 't hart, Noch toon, als hadt ge hem alreeds geleden, Zoo bleek gelaat. God riep haar, maar juist nu, Is ze eindlijk, en van uur tot uur, bij u.
"Troost, troost u", roept de Liefde in haar genade, "Om Gods wil, staak dit weenen" Meelij spreekt. "Schenkt aan zoo zoete beden nu vertrouwen, "Leg af dan eindelijk dier droefheid wade", 't Is Rede zelf die aldus tot u spreekt. Ten doode leidt u zulk wanhopig rouwen; En hoe zoudt ge ooit haar schoon gelaat aanschouwen Zoo Dood u trof in zinnelooze smart! O schut uw droevend hart Voor zulk een zonde; ik bid om Godswil, duld Niet dat zoo zware schuld Uw ziel belemmre die nog hoopt haar Vrouwe Te zullen wederzien en in haar arm Te rusten eens. Ach, dat die troost u warm'.
Schouw in die klare Vreugde waar nu veilig Uw Vrouwe toeft, met hemelglans bekroond. Het paradijs bereikte uw diepst verlangen, Waar 't in een liefde ganschlijk rein en heilig Leeft sinds bij hààr heel uw gedachte woont. Hoe is uw hart dan dùs van strijd bevangen, Nu 't zulk een zaalgen aanblik mocht erlangen! Gelijk ze op aarde als wonder eens verscheen, Zoo straalt ze ook ginds, alleen, Wijl meer erkend, in een nog schooner gloed. Hoe zij er werd begroet Door de engelen met blijden lach en zangen, Hebben uw geesten u genoeg verkond, Zoo dikwijls gij hen op die reize zond.
En tot de zaalge zielen ginds vergaard Spreekt ze over u: "Hij heeft mij eer bewezen, Wijl hij mij prees in rijmen hoog geprezen, Altijd, zoolang ik leefde nog op aard." En zij bidt God, den allerhoogsten Heere, Dat hij u trooste en blij berusten leere.
II
Aan Selvaggia.
De Vrouwe om wie ge peinzend mij ziet schrijden, Toont een gelaat zòò lieflijk, dat zij doet Ontwaken in een iegelijks gemoed Dien eedlen Geest die daar verborgen beidde.
Zoo bang heeft mij haar lieflijkheid doen lijden, Toen 'k in haar oogen had mijn Heere zoet Aanschouwd in heel zijn oppermachtgen gloed, Dit ik 't niet waag nog èèn blik haar te wijden.
Maar zoo 't gevalt dat ik haar schoone oogen Toch schouwen moet, licht me er een heil zòò groot, Dat ik 't niet vatten kan in mijnen geest;
En 'k voel dat al mijn kracht zoozeer me ontvlood, Dat mijne ziel, waaruit mijn zuchten togen, Weldra van 't hart te moeten scheiden vreest.
Lapo di Gianni Ricevuti.
(Hij was notaris en in 1284 lid van den stadsraad).
Aan Lagia.
Zoet is de zucht, verlangende gezonden Dier vrouwe die mijn hart gevangen houdt En die mijn ziel met eedle deugd betrouwt, Wijl zij met Liefde zelf zich heeft verbonden.
Een beeld te vinden waarmee vergeleken Zij waardiglijk kon worden, valt mij zwaar: Een engel lijkt zij die op aard kwam dalen; Ze is als der Liefde zuster in haar spreken; Een wonder is van haar ieder gebaar. Zalig de ziel voor wie haar groet mag stralen. Het schijnt alsof in haar kwam nederdalen Aanvalligheid, vervuld werd Hope en Vreugd, Of in haar bloeide iedere twijg der Deugd, Ontsproten uit haar wezen zonder zonden.
Die eedle geest, dien 'k in mij op mocht kweeken, Sinds deze jonge Vrouwe mij verscheen, Heeft boven al wat laag is mij verheven. Mij troost en sterkt, sinds ik haar dien, het spreken Met haar in zoet-vertrouwelijke reên, Over mijn nieuw en liefde-rijke leven. En zooveel gunste heeft zij mij gegeven: Nimmer versmaadde zij mijn woorden zoet; Zoodat ik Amor innigst danken moet, Die zulk eene eer mij waardig heeft bevonden.
Nu wil, mijn Lied, in hoofsche woorden konden, Wat ik het Boek der Liefde heb vertrouwd, Wanneer ge mijne Vrouwe weer aanschouwt, Want als hààr dienaar heb ik u gezonden.
INHOUD
Inleiding VII
Het Nieuwe Leven 1
Aanteekeningen 75
Aanhangsel:
Dante 93 Pier della Vigna 98 Jacopo da Lentino 99 Fra Guittone d'Arezzo 99 Chiaro Davanzati 100 Guido Guinizelli 101 Guido Cavalcanti 107 Cino da Pistoia 108 Lapo di Gianni Ricevuti 111
AANTEEKENINGEN
[1] Van alle in deze Inleiding aangehaalde gedichten van Dante, (buiten die der Vita Nuova) of van zijn voorgangers en tijdgenooten vindt men de geheele vertaling in het Aanhangsel.
[2] De Siciliaan Jacopo da Lentino.
[3] De Toskaan Guittone d'Arezzo.
[4] Het nieuwe leven begint; of: Hier begint het "Nieuwe leven."
[5] De hemel des lichts: de zon. Volgens het stelsel van Ptolomaeus is de aarde het onbeweeglijke middelpunt van negen rondwentelende hemelen, nl. die van de Maan, Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter, Saturnus, de Vaste Sterren en den Kristalhemel of het Primum Mobile, welke laatste aan al de anderen zijne beweging meedeelt, (nl. de omwenteling in den sterredag: 23 uur, 56 min. 4 sec.) waarnaast zij ook een eigen beweging hebben (voor de zon den omlooptijd van een jaar). Deze negen hemelen werden omvat door den onbeweeglijken hemel of het Empyreum.
[6] Beatrice: letterlijk Zaligmaakster. Verkort: Bice.
Deze eerste ontmoeting had volgens Boccaccio plaats tijdens een Meifeest, dat in 1274 door Folco Portinari, den vader van Beatrice, een der aanzienlijkste burgers van Florence, werd gegeven. Dante zou, in gezelschap van zijn vader Alighiera Alighieri, dit feest hebben bijgewoond.
De zinsnede: "die niet wisten hoe haar te moeten noemen" (li quali non sapeano che si chiamare) is eene der meest onduidelijke der Vita Nuova. Men heeft er o. a, uit willen afleiden dat Dante's Beatrice nièt dezelfde was als Bice Portinari, omdat de naam van deze immers bekend was. Dante heeft echter m. i. alleen willen zeggen dat degene, die haar toevallig niet mocht kennen, haar naam wel vanzelf moest raden, afgaande op hare schoonheid en deugdzaamheid. Men bedenke ook dat in Dante's voorstelling zijn geliefde dien naam natuurlijk niet maar toevallig droeg. Vergelijk ook § XIII: Nomina sunt consequentia rerum, d. w. z. de namen richten zich naar de dingen. (Aanteekeningen 31). Pasqualigo leest: "die niet wisten wie zij (eigenlijk) aldus noemden (namelijk een engel)". In elk geval heeft Dante op deze wijze den naam zijner Vrouwe, welke hij volgens troubadours traditie niet noemen mocht, toch uitgesproken. Zij werd algemeen--ook in het testament van haar vader--Bice genoemd; Dante geeft haar haar onverkorten naam als het ware tot schuilnaam. Hij kon dit te eer doen omdat ook andere dichters herhaaldelijk hunne geliefden als eene "beatrice" aanspreken. (Zie ook aanteekening 46)
[7] De sterrenhemel. Volgens Dante (Conv. II. 6.) beweegt zich de hemel der vaste sterren één graad per honderd jaar van het westen naar het oosten, zoodat Beatrice acht jaar en vier maanden oud was toen zij Dante verscheen.