Het Moderne Egypte Wat Er Te Zien En Te Hooren Valt Tusschen Ka
Chapter 9
Zooals men Stockholm heeft genoemd het noorsche Venetië, zoo heeft men Gotheborg met hollandsche steden willen vergelijken. Inderdaad vestigden er zich in de zeventiende eeuw kooplieden, die uit Holland kwamen, legden er grachten en kanalen aan en steenen kaden en ontwierpen er rechtlijnige straten. Maar nauwelijks heeft men dat ingenieurswerk bewonderd, of er doen zich vergezichten voor in heerlijk groen, een lange, breede laan van groote boomen, voortloopend tot in blauwe, wazige verten, de Nya-allee. Zij verdeelt de stad in tweeën en heeft aan haar linkerkant een reeks van villa's, met meestal een voortuin vol bloemen en rechts een reusachtig park met de heerlijkste wandelwegen. Als men let op de uitgestrektheid van die terreinen, schijnt het park buiten verhouding groot in vergelijking met de provinciestad, waar het bij behoort. De groene plek, die daar ligt tusschen de huizenzee, beslaat inderdaad een goed vierde deel van de oppervlakte der stad.
Toch zijn er nog andere beplante gedeelten, het Wasapark, het Brunspark en de Gamla-allee, die zoowat in alle wijken plekjes groen brengen. Alle regeerders, die in steden zoo zuinig zijn met de open terreinen, kunnen hier een lesje nemen. En dat is nog niet alles. Pas heeft men het oude fort Skansen en de arbeiderswijk Annedal achter zich gelaten, en dat is niet verder dan een kwartiertje rijdens, of er ligt een prachtig bosch vóór ons, het Slottskog. Het is groot, heuvelachtig, van kloven doorsneden en grillig door de kale rotspartijen. Knoestige eiken staan er naast blanke berken, trotsche dennen en aardige, bloeiende haagdoorns. Het windje, dat het water van de mooie vijvers rimpelen doet, speelt met de veêren van trotsche zwanen. Het bosch heeft allen zwier van ons Bois, met de zindelijkheid bovendien, die netheid en keurigheid, waar ik zeker nog telkens op zal terugkomen, en waar de bezoekers hier van kindsbeen af aan zijn gewend geraakt. Overal, aan de boomen en op de grasperken hangen en staan van die groote manden van vlechtwerk, waarin men papieren en overblijfselen van op het gras genoten maaltijden deponeert. De gazons zijn er dan ook keurig en smetteloos als het mooiste tapijt.
Een eenvoudig vigelantepaard, dat coquet stapte als een volbloed, bracht ons buiten de stad langs de Danska vagan, den weg, dien de Denen volgden toen ze Gotheborg kwamen innemen. Het landschap is er allerliefst met de kleurige, houten villa'tjes onder het dichte gebladerte en Oregrut, het geliefde doel van de uitstapjes der Gotheborgers.
Nog meer dan in Frankrijk schijnt de burger in Zweden behoefte te gevoelen, nu en dan de stad te verlaten en zich buiten te gaan vermeien. Stockholm bij voorbeeld is des zomers als uitgestorven; in alle huizen ziet men neergelaten stores, en de stroom van toeristen, die dan in de stad neerstrijkt, kan er lang niet die levendigheid aan geven, die Stockholm in den winter kenmerkt. De hotels zijn intusschen vol in de warme zomerdagen; heele karavanen van toeristen verdringen er elkander, en elegante victoria's, heftig tuffende auto's en alle mogelijke andere voertuigen brengen de bezoekers, die alles in haast willen zien, naar de verschillende musea, naar het koninklijk paleis en het belvédère van Katarinahissen, van waar men het klassieke panorama kan bewonderen van de stad met haar eilanden, haar schitterende watervlakten en haar parken.
Wat het aantal boomen betreft, lijkt Stockholm, de oppervlakte in aanmerking genomen, veel minder goed bedeeld dan Gotheborg; maar de open plekken worden in de hoofdstad gevormd door de wateren van het Mälarmeer en door de zee-armen, die in de stad binnendringen, er eilandjes en schiereilandjes bespoelen en waaraan fleurige, witte booten u aan elke kade tot varen uitnoodigen naar een der zeven duizend eilandjes van den Skargard, of naar een der twaalfhonderd van den Mälar, of wel naar een der modeplaatsjes in de buurt, Saltsjöbaden, Vaxholm en Dalarö.
Toch wuiven tusschen de steenen, op pleinen en in tuinen, prachtige boomen hun bladerpluimen. Daar zijn de Bungstraed-garden, de Humle-garden, de Skansen, die laatste een merkwaardig museum in de open lucht, waar oude, eerbiedwaardige huizen, die uit de provincie zijn overgebracht, verstrooid liggen in een der mooiste wandelparken, die men zich kan voorstellen. Die heele wijk trouwens, waar de Skansen en de Djurgarden liggen, is een enkele uitgestrekte tuin.
Daar heb ik in de nachten, waarin schemering en dageraad elkaar ontmoeten, onvergetelijke uren gesleten. Geen zuchtje in de lucht, geen trilling op het water, waarin de weerschijn van de purperen en koperen tinten der ondergaande zon zich mengt met de rose en groene schijnsels van den ontwakenden morgen. En wie niet genoeg had aan die pracht midden in de stad, kan in de onmiddellijke nabijheid het Hagapark vinden, waar ten overvloede een tram heen leidt, en waar in diepe schaduw van zeer hoog geboomte, aan een stille baai de koninklijke lustverblijven liggen, of wel hij kan iets verder de prachtige laan van eeuwenoude beuken volgen naar Ulriksdal, het eenvoudige verblijf van koningin Sophie.
In alle steden, ook de bescheidenste, vindt men die vereeniging van straten met heerlijke parken en tuinen, besproeid door vijvers en rivieren, waar men wandelt langs groenende oevers. Het land is waterrijk bij uitnemendheid. Sla een kaart van Zweden open; overal, in het noorden, het midden en het zuiden ziet ge de blauwe plekken van reuzenrivieren of van meren, die als ware zeeën zijn. Er is een gebied, dat zoo overvloedig gezegend is in dat opzicht, dat zelfs de Zweden er verbaasd van zijn, zoodat een van hun spreekwoorden zegt: "Toen God de wateren scheidde van het vaste land, vergat hij Sudermanland". Inderdaad is dat deel van de kaart, dat de buurt van Stockholm voorstelt, niet veel anders dan een enkele azuren vlakte. Men zou nog eerder de sterren aan den hemel kunnen tellen dan die plassen, die meren en lagunen, die de landen omsluiten als de openingen van een fijnmazig net.
Van die meren, die ik zag uit de portieren van den waggon, die daar lagen te spiegelen in het licht der volle zon, of bleek en koel schenen in het lichte schijnsel der late avondzon, heb ik alleen het Siljanmeer gezien van dichtbij. Ik heb het bezocht, ben het overgestoken van Raetvik naar Leksand en van Leksand naar Raetvik en Mora, en dan ook het Orsameer, zijn buurman, aan welks oevers wij op een namiddag een aardig uitstapje maakten.
Men heeft het Siljanmeer wel "het oog van Dalecarlië" genoemd; een stralend gouden oog, want de wateren van het meer, hetzij ze komen uit de veengronden van de naburige bosschen of dat de ijzerhoudende bodem er doorheen schijnt, zijn donker, warmgeel, hoogblond, als de vlechten van de meisjes aan zijn oevers.
Dalecarlië! Alleen al om den schoonen klank, om de euphonie zou men een provincie liefhebben, die dezen bekoorlijken naam draagt. Dalarne klinkt hij in het Zweedsch. En het is inderdaad een heerlijk land met forsche, lenige, flink gebouwde knapen, recht als de berken zijner bosschen, en met allerliefste meisjes. Van Wahlberg en Osterlind tot Zorn en Carl Larsson hebben de zweedsche schilders zich erop toegelegd, die landschappen van Dalecarlië weer te geven op het doek, en het leven van de boeren en hun kinderen te schetsen. Het is iets als het Bretagne van Zweden, een der weinige terreinen, waar de mooie kleederdrachten uit ouden tijd zijn bewaard gebleven, de kleurige, schilderachtige costumes, die in de verschillende districten der provincie nog zeer van elkaar onderscheiden zijn.
Het doet zonderling aan, die menschen, die zóó van een schilderij van Frans Hals of Jan Steen schijnen te zijn weggeloopen, dan des zondags uit de kerk komend, hun fietsen te zien bestijgen. De Dalecarliërs zijn een trotsch volkje; het zijn vurige vaderlanders, naijverig op de beteekenis van hun eigen provincie. Mij klinkt nog in de ooren de toon van warme overtuiging, waarvan de stemmen trilden der drie jonge meisjes met groote bundels veldbloemen in den arm, toen ze op de stoomboot, waarmee wij van Raetvik kwamen, op ons verzoek het volksliedje van Mora zongen, waarin de woorden voorkomen: "De vreemdeling ziet uit de hoogte op ons neer; maar ik heb u lief, mijn dierbaar land!"
Bosschen en mijnen zijn de voornaamste rijkdom van Zweden. Zweden is het houtrijkste land van de geheele wereld; het brengt een vijfde deel voort van al, wat er gebruikt wordt. Op de 41 millioen hectaren die Zweden groot is, komen, als men de meren eraf trekt, bijna 20 hectaren voor, die met wouden zijn bedekt; dat is dus 48 procent of bijna de helft van het land. Mijlen en mijlen ver loopen de treinen, in welke richting men ook reist, door zuilengangen van heerlijke bosschen. Hoe verder men naar het noorden komt, des te meer berken verschijnen tusschen de dennen. Maar de berken zijn er weinig in tel; men bewondert wel hun fijn gebladerte, maar ze hebben niet veel waarde, en eerst in Lapland worden ze weer meer op prijs gesteld, omdat daar de pijnen niet tegen het klimaat kunnen.
Nu en dan wordt het bosch dunner, en men ontmoet een frisch groene weide, afloopend naar een stil meer, dat als in een groene schelp rust. Maar dan buigt de hijgende locomotief alweer in de sombere gangen onder de hooge pijnboomen naar een blauwachtigen uitgang heel in de verte, en de waggons zijn met harsgeuren gevuld. Werklieden zijn bezig in de blauwe schaduwen van het bosch, en de schitterlichten van hun glimmende bijlen doorflitsen de schemering. Zij hakken en vellen en schillen en doen de kale boomen meevoeren met den stroom van de rivier in de buurt. En kolenbranders bouwen groote stapels en branden de houtskool, dat nuttige boschproduct, terwijl weer anderen in de lage, moerassige deelen der dalen turf graven, de brandstof der armen.
Door de rivieren hebben de bosschen van Zweden zoo groote waarde, want zij maken de exploitatie van het woud mogelijk. Ook voor de toekomst is Zweden op zijn rivieren aangewezen, want die zullen met hun watervallen en stroomversnellingen het land tegen lage prijzen de electriciteit verschaffen. Wij zijn de Angermanna-elf afgevaren, na ons te Sollefteote hebben ingescheept. Boomstammen gleden met onze boot mee, tot wij te Hernösand waren. Toen nam een andere boot ons op, om ons naar Sundsvall te brengen. Het was een heerlijke tocht. Alles aan de oevers der rivier was aantrekkelijk: de dorpjes met de roode en groene houten huisjes, de visschershutten met de er voor liggende bootjes en de altijd weer terugkeerende houtstapels van nieuwe, goudgele planken.
"Ga vooral de scholen zien, als ge in Zweden zijt," had men mij gezegd. En de aansporing was haast overbodig, want overal, in de kleinste plaatsjes, als ge een huis ziet, dat er beter en vroolijker uitziet dan alle andere, waar bloemen vóór de wijd open vensters staan, en aardige veranda's er uitlokkend uitzien, daar hebt ge honderd tegen één een volksschool, een folkskolan, voor u. En ik heb in Stockholm een groote handels- en industrieschool bezocht, waar beide geslachten te zamen worden opgevoed. Ik wou, dat ik alle zalen kon beschrijven, die laboratoria, de keukens voor het kookonderwijs der meisjes, de muziek- en de teekenzaal. Het was alles grootsch, weelderig, licht en vroolijk en doelmatig. O, paedagogen van Frankrijk, gaat daar eens kijken, om beschaamd te worden en het voorbeeld te volgen.
"Je moet in den winter terugkomen," zeiden de vrienden, die ik ginder heb gemaakt. En ze prezen de prettigheid en gezelligheid der korte dagen, waarin de schemering niet week, en hun sport, de glorie van hun meesleepende sport, het schaatsenrijden, de skiwedloopen, het zeilen op het ijs, de wedrennen te paard over de besneeuwde vlakten, het vliegen met een zeiljacht over de ijsvlakte, en de vroolijke avonden bij kunstlicht! Misschien....
Maar ik heb dit jaar alvast drie lentes beleefd. Vooreerst die in Frankrijk, zoo heerlijk en bekoorlijk, en dan twee in Zweden, die in het zuiden bij aankomst en die van Lapland aan het slot van mijn reis. Driemaal heb ik de seringen zien bloeien; nog den laatsten dag hing hun geur langs den weg.
Twee dagen sporens van Stockholm brengen den reiziger naar het treffende tooneel van de middernachtzon. Men zou het moeten aanschouwen aan den oever van den wijden oceaan, maar dan zou ik een denkbeeldige lijn moeten passeeren, een douane, een grens. De Zweden hebben er in hun patriotisme een eer in gesteld, niet langer daar in het hooge noorden bij den buurman datgene te gaan zoeken, wat ze bij zich tehuis kunnen hebben.
Daarom is er te Abisko, aan den spoorweg van Stockholm naar Narvik in Noorwegen, die een groot deel van Lapland doorsnijdt, een van die eenvoudige, maar geriefelijke hotels gebouwd, die er zooveel in het land worden gevonden. Abisko ligt in het uiterste noorden van Zweden. Daar gaan de menschen in Juni en Juli in menigte heen, en ook tal van vreemdelingen komen er de middernachtzon zien.
Den eersten Juli om kwartier over twaalf passeerden wij onder vreugdekreten den poolcirkel, welke denkbeeldige lijn langs den spoorweg aangeduid wordt door een bord op een paal met het eenvoudige woord "Polcirkeln". Bij het volgend station, 500 meter verder, vloog ieder naar de brievenbus, om postkaarten te verzenden, gestempeld van den "Poolcirkel".
Na het diner werd een oogenblik besteed aan het panorama, dat er te zien was van de esplanade van het hotel en daarna begaven wij ons om tien uur op weg. Dadelijk traden we een bosch binnen van kleine berken; nietige bloempjes bloeiden in het gras, en de weg was steil den berg op, waar het schouwspel het mooist moest zijn. Over rotsblokken bereikten we den top, een klein plateau, waar enkel wat korstmossen groeiden en gras, dat dood leek, verdroogd en geel. Maar wij vonden onze moeite ruim beloond. In het westen was de lucht nog in goudglans gehuld en reeds glom in de spleet tusschen twee rotsen in het oosten het licht van den morgen, terwijl de gletschers achter ons zich rood begonnen te kleuren. De kille adem van den morgen deed zich gevoelen. Het was een vreemd, zonderling licht, dat ons omvloeide, een licht om nooit te vergeten.
Nu moesten wij nog het kamp der Lappen bezoeken; want in dit seizoen kan dat op deze breedte reeds gebeuren, daar het zachte weer dat volk elk jaar naar het zuiden voert. In de buurt van ons klein hotel in Abisko was een kamp; rendieren graasden er dichtbij, en de tenten waren er opgeslagen. Deze Lappen zijn vereuropeescht. Ze zaten den avond te voren nog geen kwartier met ons in den waggon, of ze begonnen goederen uit te pakken, die ze ons wilden verkoopen, specimina van laplandsche industrie. Bij het bezoek aan de tenten was het niet anders; door de reten hadden ze ons zien aankomen met mijn photografietoestel, en er was vrij wat parlementeeren noodig, eer ze wilden poseeren. Ze kennen den toerist en weten, hoe ze het meeste van hem loskrijgen! Wie weet, hoe spoedig de Lappen zelf het toestel gebruiken! Gelukkig diegene, die Lapland gezien heeft, eer de nieuwere tijd er zijn intocht heeft gehouden!