Het Moderne Egypte Wat Er Te Zien En Te Hooren Valt Tusschen Ka

Chapter 7

Chapter 73,880 wordsPublic domain

De nieuwe spoorweg van Berber naar Soeakim aan de Roode Zee was ook een onderwerp van gesprek tusschen ons. "Wij staan daardoor," zei de generaal, "rechtstreeks in verbinding met de zee en hebben een haven in Soedan. Daarheen zullen de goederen worden vervoerd, waar de Soedan behoefte aan heeft en van daar zullen de waren vertrekken, die het kan uitvoeren."

"Wordt er in sommige kringen niet beweerd," vroeg ik, "dat die lijn, die aangelegd is met geld, dat de egyptische regeering heeft geleend, aan dat laatste land nadeel zal toebrengen, omdat ze den handel tot zich zal trekken, die thans over Alexandrië gaat en tot Assoean van de egyptische spoorwegen gebruik maakt?"

"Inderdaad," antwoordde de gouverneur glimlachend, "die theorie is te berde gebracht, maar ze houdt geen stand. Zoolang Soedan afhankelijk blijft van dien eenigen, langen en kostbaren weg over Egypte en den Nijl, kunnen de ondernemingen van den handel er geen hooge vlucht nemen. Alles zou blijven wat het nu is, en Egypte zou de kleine sommen innen waar u van spreekt, zonder eenige kans dat die vermeerderden. Wel zal de nieuwe lijn afbreuk doen aan de inkomsten van Egypte, maar daar het budget van Soedan ervan zal profiteeren en onze inkomsten erdoor zullen toenemen, omdat de handel snel zal groeien, dank zij de nieuwe afzetmarkt, zullen wij allereerst aan Egypte interest kunnen betalen van het geld, dat het ons heeft voorgeschoten en eindelijk... dat is het belangrijkste, hoe meer de provincie Soedan zich zal ontwikkelen, des te spoediger zal ze geldelijk onafhankelijk wezen."

"En het water, generaal?"

"O, wat het water betreft, zal Soedan voordeel trekken uit de groote plannen van Sir William Garstin. Maar dat zijn nog maar plannen, die eerst binnen enkele jaren verwezenlijkt kunnen worden. De egyptische regeering laat in samenwerking met mijn officieren de zaak onderzoeken door een commissie, en wij zullen waarschijnlijk tot een resultaat komen, dat in het klein helpt, in afwachting van de grootere plannen met het vergroote reservoir. Er zijn al enkele bevloeiingskanalen gegraven, en Soedan kan water erlangen uit den Nijl in den zomer op een tijdstip, waarop dat aan den egyptischen landbouw in het minst geen nadeel kan berokkenen. Want Egypte wil ons natuurlijk niet toestaan, dat wij het berooven van het kostbare water, waar zijn bestaan aan hangt."

Omdoerman aan de overzijde van Khartoem is in veel opzichten een belangwekkende plaats. Er zijn tegenwoordig nog 60 000 inwoners, terwijl er in den tijd van den Mahdi een bevolking woonde van meer dan 400000 zielen. De markten van Omdoerman zijn beroemd, en lange karavanen van kameelen, komend van het Zuiden, brengen er, evenals talrijke booten, elken dag de producten uit Centraal Afrika. Caoutchouc, suikerriet, doerrah, een soort van koren, dat tot voedsel dient voor menschen en dieren, ivoor, struisveeren en vele andere voortbrengselen worden er op reuzenpleinen uitgestald. Het is merkwaardig, de lange rijen kameelen te zien aankomen, als ze weken en weken geloopen hebben, om uit het binnenland van het zwarte werelddeel hun zware vrachten aan te voeren. Het is een sympathiek dier, ijverig, volhardend en met weinig tevreden.

De tijd zal wel niet ver meer zijn, dat een spoorweg Omdoerman met de provincies Darfoer en Kordofan zal verbinden, waarvan de rijkdom groot is, en die genoeg negerkoren voortbrengen, om geheel Soedan te voeden en er nog van uit te voeren in groote hoeveelheid. De maat, die te Kordofan vijf francs kost, wordt te Omdoerman met 28 francs betaald, waaruit duidelijk blijkt, hoe duur het vervoer per karavaan van kameelen komt, het eenige middel van transport dat nu ter beschikking is.

Men heeft te Omdoerman paardenmarkten, markten voor ezels en kameelen en zeer belangwekkende bazars. Daar vindt men soedaneesche wapens, struisvogeleieren, wonderlijke leêren portemonnaies, door de vrouwen aan een draad om den hals gedragen, ceintuurs met leeren franje, helder gekleurde rieten manden, voorwerpen van ivoor, karwatsen en zweepen van hippopotamusleder, en een heele straat, waar zilversmeden wonen. Armbanden, ringen, zegels, doosjes, servetringen zelfs, alle vreemd en mooi bewerkt, maar waar zulke enorme prijzen voor worden gevraagd, dat het wel blijkt, hoe ook hier als elders de komst van toeristen het sein is geworden voor een exploitatie in het groot.

Men kan heele morgens zoek brengen aan de markten en bazars. Men voelt er zich als overgebracht in een andere wereld, bijna als op een andere planeet, en men moet langs den winkel van een inlandschen kleermaker gaan, waar een twintigtal Singernaaimachines een heidensch lawaai maken, om zich te overtuigen, dat men toch niet zoo ver verwijderd is van de beschaving, dan men eerst dacht.

Er zijn te Omdoerman historische gebouwen, als de ruïnen van het graf van den Mahdi, het huis van Slatin pacha en een groot gebouw, waar de relieken uit het verleden worden bewaard, pistolen, geweren en sabels, die aan de Mahdisten hebben toebehoord, en de zonderlinge hoofddekkels, die ze droegen; daar zijn duizenden van, die men voor een spotprijsje kan koopen. Iets verder kan men de kanonnen van den Khalief zien, kanonnen ook, die bij het leger van Hicks of te Khartoem hebben dienst gedaan, en eindelijk de rijtuigen en de piano van Gordon in zeer vervallen staat.

Ik moet bekennen, dat ik erdoor geschokt was, daar onder een afdak de herinneringen te vinden aan den held, die te Khartoem viel. Zou men er geen plaatsje voor hebben kunnen inruimen in de onbewoonde benedenverdieping van het paleis van den gouverneur-generaal?

Naast het leeggeplunderde graf van den Mahdi staat het huis van den Khalief, waar hij heeft gewoond met zijn vier vrouwen en 400 bijwijven. Men kan alleen in zijn particuliere vertrekken komen door eindelooze gangen, die bij elken hoek werden bewaakt, zoozeer vreesde hij te worden vermoord. Het huis is ongelukkig ledig; het zou belangwekkend geweest zijn, er de voorwerpen te vinden, waarvan de Khalief zich bediende en er een soort van mahdistisch museum van in te richten.

Rustig en kalm is de bevolking van Omdoerman aan haar dagelijksch werk, doet zaken met Egyptenaren en Europeanen en zendt haar kinderen naar de uitstekende scholen, die de regeering heeft geopend. Wie kan begrijpen, dat het nog nauwelijks zeven jaar geleden is, dat de plaats een middelpunt was voor het grofste fanatisme op godsdienstig gebied? Fanatisme en despotisme, daar had de bevolking te veel van geleden en ze had genoeg van den Khalief, den Mahdi, van de emirs die hun alles ontnamen, zelf in overvloed en weelde leefden en de menschelijke kudde lieten omkomen van honger! De dweepzucht van den derwisch is thans verdwenen, want hij begrijpt zelf, dat hij het nu beter heeft dan vroeger, nu rust en vrede en gerechtigheid hem in staat stellen, de vruchten van zijn arbeid te oogsten.

Mijn bediende Makhmoed heeft mij dat op zijn manier uitgelegd. "De derwisch is ook een mensch, de Soedanees ook en de Arabier eveneens, allen tevreden nu en houden van den Engelschman, omdat de engelsche meester rechtvaardig is. De arme man kan nu naar den moedir gaan; hij wordt ontvangen en aangehoord; hem wordt recht verschaft, zelfs tegen rijke menschen, zelfs tegen een Engelschman."

Ik geloof, dat Makhmoed gelijk heeft; de tijden zijn veranderd, en de bevolking is er niet rouwig om. Maar laat ons naar Khartoem terugkeeren. Er is een veerboot, een stoomferryboot, die op vaste uren den geheelen dag door over de samenvloeiing der beide Nijls vaart, en als ge geen paard, noch een ezel hebt, vindt ge aan de landingplaats een alleraardigst tramtreintje, dat u naar het midden van de stad zal brengen. Een vondst, die tram, die, als alle verbeteringen in Khartoem, te danken is aan kolonel Stanton. Die energieke man zou zelfs graag het stof willen doen verdwijnen, waar Khartoem veel te veel van heeft, en dat geen eer is voor de stad, en ik geloof inderdaad, dat het hem gelukken zal, als hij maar over genoeg geld kan beschikken op zijn budget. Hij heeft een uitmuntend middel gevonden, om het stof te binden, namelijk een residu van caoutchouc, dat heel goedkoop is; de zoo behandelde weg wordt hard, glad en stofvrij. De gomming van een lange laan heeft niet meer dan 1000 francs gekost.

Geld en water, misschien ook geld als water, wenscht kolonel Stanton voor zijn hervormingen; water vooral, want als men dat maar over de woestijn uitgiet, die Khartoem omgeeft, groeien alle boomen, planten en bloemen er met ongeloofelijke snelheid. In de tuinen en langs den Nijl wint men den geheelen winter aardbeien, doperwten, slaboonen en alle andere denkbare groenten; maar het hotel zet ze niet aan de gasten voor!

Er zijn te Khartoem een engelsche en een egyptische sociëteit. De officieren der beide landen, die in dienst zijn van de soedansche regeering, verbroederen zich nooit met elkander. Een Engelschman vertelde mij dienaangaande: "Wij zijn gescheiden door een golf, die niet kan gedempt worden, zelfs niet door een onnoemelijk aantal whisky-soda'a in den loop der officiëele aangelegenheden."

Hier ontmoeten ze elkaar evenals te Kaïro officieel; op de kantoren zijn de verhoudingen gewoon en prettig; ze gebruiken onder het behandelen der zaken een whisky-soda of een kop koffie en zullen samen een sigaret rooken, maar dan gaan ze ieder naar hun eigen club of hun "home" en daar kennen ze elkander niet meer, of het moest nu en dan zijn op een diner of een officiëele receptie; maar zelfs daar wordt met het verschil rekening gehouden, want de gouverneur-generaal houdt aparte ontvangdagen voor de Egyptenaren en andere voor de Engelschen.

Ik herinner mij mijn verbazing, toen op een bal, gegeven in ons hotel door de "Egyptian cavalry" ik er alleen de engelsche officieren van het corps zag verschijnen en hun genoodigden, onder wie er geen enkele Egyptenaar was. Die laatsten worden zeker wel gehinderd door de manier, waarop ze door de Engelschen worden behandeld, die wel gevreesd en geëerbiedigd, maar niet geliefd zijn bij de Egyptenaren.

Welke reden kunnen ze hebben, om zoo de Egyptenaren, in het leger met hen samen thuis behoorend, op een afstand te houden? Dat hebben ze mij eens op de volgende wijze uitgelegd:

"Wij kunnen te zamen werken... wij kunnen samen oorlog voeren... maar we kunnen niet en famille met hen converseeren.

"De Egyptenaar zal ons nooit bij zich te huis aan zijn vrouw voorstellen of aan zijn vrouwen, of het moesten jonge menschen met moderne ideeën wezen, die een Levantijnsche of Europeesche hebben getrouwd. Meestal laat de reputatie van die dames te wenschen over, en waarom zouden we haar in ons huis ontvangen en de Egyptenaren aan onze vrouwen en dochters voorstellen, waar we weten, dat onze opvattingen en hun houding, waar het vrouwen geldt, zooveel verschillen van de onze? Dat is de voornaamste reden, die ons van de Egyptenaren scheidt in het particuliere leven, maar het is niet de eenige. Hun gewoonten, hun zeden, hun begrippen over hygiëne, hun denkbeelden over moraliteit zijn anders dan de onze, en eindelijk, mijn waarde, wij wenschen ham te eten aan het ontbijt en zij willen dien niet!"

De engelsche officieren stellen veel belang in hun egyptische soldaten en werken krachtig ten einde er goede troepen van te maken, omdat het hun plicht is en ze betaald worden om dat te doen, maar ze voelen geen genegenheid voor die manschappen. Integendeel, ze hebben de soedaneesche soldaten veel liever, ofschoon die moeilijker te leiden zijn. Het zijn geen garnizoentroepen, maar veldtroepen, die men altijd op de een of andere wijze moet bezighouden. De zwarten hebben een hekel aan Egyptenaren, terwijl ze vol toewijding zijn voor hun engelsche officieren. Dat is wel een interessant verschijnsel.

Indien ooit Egypte of de suzereine staat Turkije de neiging mocht voelen, van Engeland de souvereiniteit over Egypte op te eischen, die nu verdeeld is, zouden de soedaneesche troepen zich als één man om de Union Jack scharen en blij zijn, dat er iets te vernielen was, vooral zoo dat iets egyptisch was.

In het paleis van den gouverneur zijn Sir Reginald en lady Wingate de vriendelijkste gastheer en gastvrouw, die men zich denken kan. Alle reizigers, die aanbevelingsbrieven voor hen hebben, bewaren de liefelijkste herinnering aan hun gastvrijheid en aan de déjeuners, diners en tuinpartijen, gegeven in het paleis, vooral aantrekkelijk door den eenvoud en de hartelijkheid, die er heerschen. Die tuinpartijen, die bijna iedere week in den winter plaats hebben in het heerlijke park bij het paleis, missen alle stijfheid en het ceremoniëel van gewone officiëele plechtigheden. De gouverneur ontvangt in flanellen costuum en met den Panamahoed, en zijn officieren zoowel als de andere genoodigden volgen zijn voorbeeld.

Thee en ververschingen worden gepresenteerd onder een groote tent, waar de gouverneur-generaal en lady Wingate zelf hun vrienden bedienen. Een militaire muziek, op eenigen afstand opgesteld, laat bekende melodieën hooren, en terwijl sommigen praten, wandelen en rooken, spelen anderen tennis of croquet. Men meent in een park bij een kasteel in Europa te zijn in den zomer, als men niet hier en daar de wuivende kroon van een palmboom zag en de zwarte soldaten-muzikanten, en ook ginder te midden van het groen het standbeeld van Gordon, dat herinnert aan het geweldige verleden. Op zijn bronzen kameel zit Gordon natuurlijk en levendig afgebeeld en kijkt naar het Zuiden, van waar de vijand kwam, terwijl hij den rug naar het Noorden wendt, van waar hij hulp kon verwachten, die nooit opdaagde!

Ik ben tegenwoordig geweest bij een feest in het paleispark, dat mij levendig heeft geïnteresseerd, namelijk dat, hetwelk gegeven werd ter eere van den hertog en de hertogin van Connaught, die de gasten waren van den gouverneur en lady Wingate. Ook de prinsessen Margaretha en Patricia waren erbij; ze brachten met hun ouders dien winter eenige dagen te Khartoem door. Op denzelfden dag van hun aankomst werd er een receptie in het park gegeven, waarbij alle leden der regeering, de engelsche en egyptische officieren, de mohammedaansche sjeiks, de soedaneesche hoofden en de doortrekkende vreemdelingen, die de gouverneur kende, waren uitgenoodigd.

Bij mijn aankomst zag ik, dat op een der heerlijkste plekjes in het park een tent was opgeslagen voor de prinsessen en lady Wingate. Het was juist tegenover de treden van de paleisstoep, een open tent. Links vóór een tweede groote tent, die als buffet was ingericht, waren de Engelschen en de vreemdelingen gegroepeerd. Rechts stond het "arabische" buffet, waarvoor de egyptische officieren zich ophielden en naast hen, in hun schilderachtige kleederdrachten, hun mantels en tulbanden, de muzelmansche hoofden. Hier en daar staken de pieken omhoog van de soedaneesche soldaten, lange, slanke mannen, zwart als ebbenhout. Plotseling heft de militaire muziek het "God save the king" aan, en de hertog en de hertogin van Connaught, de gouverneur-generaal en lady Wingate en de jonge prinsesjes, elegant en bekoorlijk, maken hun verschijning, gevolgd door een stoet van schitterende officieren.

De omgeving maakte dit alles zeer belangwekkend. Wij zijn hier onder den blauwen hemel van Soedan, op de plaats zelve, waar Gordon viel, en in een ideaal park, vol groen en bloemen en frischheid, waar de vogels hun melodieuse stemmetjes mengen onder de tonen der militaire muziek. Kijk eens naar die soedaneesche hoofden, die vertegenwoordigers van het volk, dat gisteren nog alleen aan moord en doodslag dacht, zie hen buigen, glimlachend en tevreden, voor den broeder van den koning van Engeland en voor den vertegenwoordiger van den Khedive, generaal Wingate. Aanschouw dit vredige en sierlijke tooneel, waar de lichte toiletjes zich mengen onder de met decoraties bedekte uniformen en onder de gewaden van de muzelmansche sjeiks, in de schaduw van het standbeeld van den gewroken Gordon. Zie dat alles, en in een opwelling van bewondering zult ge herhalen, wat de hertog van Connaught zelf mij zeide: "Is het niet bewonderingswaardig? Khartoem is in zes jaar een groote en mooie stad geworden; geheel Soedan is tot rust gebracht, en dat is alles tot stand gekomen door een handjevol mannen met zeer gebrekkige hulpmiddelen, het is verwonderlijk!"

Het programma der feesten, gegeven ter eere van hunne koninklijke hoogheden, omvatte onder andere aantrekkelijkheden bootwedstrijden, een tentoonstelling van landbouw en tuinbouw, een militaire taptoe des avonds bij het licht van duizenden toortsen, waarbij de vereenigde muziek van de engelsche, egyptische en soedaneesche regimenten een monsterconcert zouden geven onder den met sterren bezaaiden hemel, die in den Nijl werd weerkaatst, en eindelijk een groote parade.

Die laatste had plaats buiten de stad, bij het begin der woestijn, en nooit zal ik dat prachtige schouwspel vergeten. Infanterie, cavalerie, artillerie, Egyptenaren en Soedaneezen, passeerden in de voorbeeldigste orde, dan kwamen de troepen te paard en de artillerie deed een charge in galop, die het woestijnzand in wolken deed opvliegen, hetzelfde zand, dat vroeger is opgejaagd door de regimenten van Ibrahim en Gordon en de gewapende horden van den Mahdi.

"Wat zegt u ervan?" vroeg mij een engelsch officier, die naast mij stond.

"Eerlijk gezegd, ik vind het bewonderenswaardige paradesoldaten; ze zijn prachtig, en indien hun krijgsmanshoedanigheden aan het uiterlijk beantwoorden, hebt u het recht, er trotsch op te zijn."

"Welnu, op mijn beurt in oprechtheid gesproken, ik wil u dit zeggen. Het zijn nu uitmuntende troepen, en zeker, wij hebben ons best gedaan, om ze zoo ver te brengen. Maar u moet niet gelooven, dat de egyptische officieren ons niet geholpen hebben. De meesten hunner werken met onvermoeiden ijver en een groot volhardingsvermogen, en ze zijn inderdaad best in staat, hun manschappen aan te voeren en te leiden. Maar kijk eens... zie daar eens..."

Tusschen den blauwen hemel en het gele zand komt een bijna onzichtbare lijn, gelijk van kleur met den grond, als een lange slang nader met ongeloofelijke snelheid, lenigheid en energie. Dat zijn de 700 man van het engelsche regiment, dat te Khartoem ligt. Er is in hun houding zoo iets mannelijks, sterks en krijgshaftigs, dat ik er ontroerd van word, en ik zou willen toejuichen en "bravo" roepen, zooals aan het slot van een parade te Longchamp, als de cavalerie in snelle charge aankomt en alles in stofwolken hult.

Wat doet het er toe, dat deze soldaten zoo jong zijn, dat hun khaki-uniform onelegant is, als de borst, die erdoor bedekt wordt, maar bezield is met een vasten wil en een onwankelbaren moed, waartegen alle aanvallen van de dweepzieke Derwischen werden afgeslagen als tegen glas.

Het was zeer schoon... Maar als standbeelden kalm, scheen geen der aanwezige Engelschen er iets van te bespeuren.

Ja, het is al heel mooi, dat men naar Khartoem kan komen in het jaar 1905, en de geheele reis door van alle mogelijke weelde en gemakken kan profiteeren; maar is het aan velen bekend, dat men de reis met alle moderne comfort kan voortzetten tot in het hartje van Afrika? Zonder nog te spreken van den Blauwen Nijl, dien men kan opvaren tot de hooge plateau's van Abessynië, men kan ook tegenwoordig zich naar Faschoda begeven, naar Lado en naar het Congogebied en Gondokoro in Oeganda, even gemakkelijk, alsof die plaatsen aan de Seine lagen of aan den Rijn; het eenige verschil is, dat ze verder af zijn gelegen en dat men dus meer tijd noodig heeft. Gondokoro ligt 4490 kilometer van Kaïro af. In twee maanden gaat men thans den Nijl op tot aan de plaatsen, waar het land nog bevolkt wordt door krokodillen, door nijlpaarden, door leeuwen, olifanten, giraffen, buffels en rhinocerossen, terwijl men dan reist door de landen, bewoond door de woeste stammen der Sjilloeks en der Dinka's, daar, waar nog zoo kort geleden Stanley en Marchand enkel konden doordringen met ongeloofelijke moeilijkheden te midden van verschrikkelijke gevaren en van onuitsprekelijke ontberingen.

En ik herhaal het, die reis wordt volbracht met dezelfde veiligheid en hetzelfde comfort, als de tocht van Kaïro naar Assoean. Onnoodig te zeggen, dat ze honderdmaal interessanter is, en wat het klimaat aangaat, dat is in den winter eenvoudig ideaal. Voor ik de manier beschrijf waarop ikzelf de reis deed, en die de aangenaamste is, maar ook de duurste, wil ik in het kort vertellen, hoe men haar op andere manier kan doen.

Ter zijde laat ik vooreerst den dienst, ingesteld door de Maatschappij die den naam draagt van de Sudan Developing Co. tusschen Khartoem en Goz Aboe Goma, dat maar op 300 kilometer afstands is gelegen. De reis duurt zes dagen op het minst belangwekkende deel van den Witten Nijl. De nieuwe en goed ingerichte stoomboot heeft te veel diepgang en loopt bij iedere reis gevaar, vast te raken, zooals verleden jaar gebeurde op een zandbank halfweg, en er verscheiden dagen te blijven zitten, wat ver van aangenaam is.

De regeering van Soedan heeft een maandelijkschen dienst, die veel belangrijker is. Haar booten varen den Nijl op tot Gondokoro in Oeganda, een afstand van 1825 kilometer van Khartoem, en doen een maand over de reis heen en terug. De prijs van een biljet is 1700 francs en men vindt aan boord electrisch licht, warme en koude baden, en bediening en tafel, die niets te wenschen overlaten. Er wordt vaak stilgehouden, verschillend van dertig minuten tot twee uren, en voor de personen, die eenvoudig Centraal Afrika eens willen zien en den Soedan in al zijn uitgestrektheid alsook een hoek van Belgisch Congo en Oeganda, is die dienst het meest practische middel, om hun doel te bereiken.

Maar ik kan hem niet aanbevelen aan diegenen, die willen jagen, want het oponthoud is niet lang genoeg op de verschillende plaatsen, en natuurlijk vindt men het groote wild en zelfs het kleine niet vlak bij de aanlegplaatsen der booten. Voor de jagers is het eenige, wat hun voldoening kan schenken, dat ze een boot huren, waarmee ze zich overal kunnen ophouden waar ze verkiezen. De stoombooten zijn uit den aard der zaak het comfortabelst; maar ze zijn ook het duurst. De inlandsche zeilschepen kan men voor een dragelijken prijs krijgen en zij varen den Nijl bijna even vlug op als de stoombooten, daar de wind krachtig en geregeld uit het Noorden blaast in den winter. De rivier afvaren met den wind van voren duurt langer; maar als men haast heeft, om terug te zijn, kan men zich met niet te lange tusschenpoozen laten opnemen door een gouvernementsboot.

Terwijl ik in Khartoem was, vertrokken een Engelschman, een groot liefhebber van jagen, en zijn vrouw naar Centraal Afrika op een expeditie van twee maanden. Ze hadden twee naggars, dat zijn inlandsche vaartuigen. Op het grootste was een tent opgeslagen van matwerk, midden op het dek. Die bevatte twee veldbedden, een waschtafel, tafels, stoelen, enz. De kok, de bedienden en de bemanning waren op het achterschip. De tweede naggar bevatte vier kameelen, zes ezels en verscheiden inlandsche bedienden, een jager van beroep, een Sjikari, die alle gewoonten van de wilde dieren kende en de plaatsen, waar ze het meest voorkomen. Zij hadden ook tenten bij zich en een geheel kamp, waardoor ze met hun kameelen en hun ezels hun schepen konden verlaten en tochten van verscheiden dagen konden ondernemen in het binnenland, waar de olifanten en de andere groote dieren te vinden waren.

Terzelfdertijd vertrokken twee Franschen, twee heeren uit Rouaan, voor een kleine expeditie van veertien dagen. Ik zag hen, toen ze terugkwamen, en ze waren verrukt, omdat ze twaalf tot vijftien honderd gevederde dieren hadden geschoten, waarvan enkele van buitengewone grootte. Daar ze geen tijd hadden gehad voor tochten te land, hadden ze maar een enkele boot gehuurd en hadden noch ezels, noch tenten meegenomen. Dat jachtpartijtje had hun 670 francs per week gekost, per persoon 335 francs; in dien prijs waren begrepen het schip, het tafel- en beddegoed, de bedienden, alles.