Het Moderne Egypte Wat Er Te Zien En Te Hooren Valt Tusschen Ka

Chapter 6

Chapter 63,884 wordsPublic domain

Tusschen Luxor en Assoean, houden de groote toeristenbooten van Cook, die er twee dagen over doen, stil te Esneh, Edfoe en Kom Ombo. Het eerste plaatsje is een vrij belangrijk stadje met groote huizen en drukke bazaars. De tempel is nog maar ten deele ontgraven, en een enkele zaal is slechts voor het publiek te zien. Te Edfoe daarentegen vindt men een reusachtigen tempel, die begonnen was onder de regeering van Ptolemaeus III, 237 jaar vóór Christus en waaraan niet minder dan 180 jaren werd gewerkt. Hij was geheel verborgen onder puin en zand en aarde, waar hutten en stallen op waren gebouwd, en werd ontdekt en aan het licht gebracht door Mariette.

De tempel van Kom Ombo, waar de booten niet meer dan een uur ophouden, heeft belangwekkend beeldhouwwerk, en op eenige meters daar vandaan verheft zich een kolossale steenen schoorsteen, omringd door afschuwelijke moderne gebouwen, die behooren bij de onderneming van de heeren Cassel en Suares. Niemand had er nog aan gedacht, de gronden aan te koopen, die lagen in de buurt van Kom Ombo, eenvoudig omdat, met het oog op hun hooge ligging boven den Nijl, men het onmogelijk achtte, ze te besproeien. En thans werken er stoompompen, die zoo krachtig zijn, dat het kinderspel is, er het water tot 15 meter hoogte mee op te voeren. De bedoelde groep kocht dus dertig duizend feddans grond, die haar op niet meer dan honderd francs de feddan te staan kwamen, toen alle werkzaamheden afgeloopen waren, en die gemakkelijk het viervoud van den prijs zullen opbrengen bij verkoop, tenzij de heeren den grond verhuren en er niets tegen hebben tot in verre tijden twintig percent voor hun kapitaal te maken.

Eindelijk kwam de Ramses twaalf dagen na het vertrek uit Kaïro te Assoean aan den eersten waterval van den Nijl. Ten allen tijde zijn die stad en het beroemde eilandje Elephantine er tegenover beschouwd als een der belangrijkste punten van Egypte. Het was lang de grensstad, waar de Egyptenaren, de Perzen, de Romeinen en eindelijk de Anglo-Egyptenaren hun garnizoenen hielden. Aan den overkant van den waterval ligt Nubië, dan volgt Soedan, zoo wijd en uitgestrekt en tot voor kort nog zoo geheimzinnig.

Tegenwoordig is Assoean een belangrijke en volkomen moderne plaats, die in den winter niet enkel druk is door vreemdelingenbezoek van de toeristen, door booten en treinen dagelijks aangevoerd, maar ook door een steeds aangroeiend aantal vreemdelingen, die er den heelen winter blijven. Het klimaat is mogelijk wel wat veel opgehemeld. Het is zeer warm, droog en zonnig en mist en regen zijn er, om zoo te zeggen, onbekend; maar het moet erkend, dat die groote droogte van de lucht het klimaat ontzenuwend maakt, en dat men nu en dan er kennis maakt met een kouden, doordringenden wind. Daarom is het er voor zwakke personen niet zonder gevaar. In den zonneschijn en beschut voor den wind, braadt men heerlijk in de maand Januari; maar als de wind opsteekt, dringt die dadelijk door de kleederen heen en men voelt zich kil en onaangenaam. Men ontmoet dan ook niet zelden menschen in wit flanel gekleed en met een kurkhoed op het hoofd, maar met een overjas of deken over den arm.

Met wat voorzichtigheid en overleg kan men een verkoudheid voorkomen, maar ik zou niet genoeg kunnen herhalen, dat zelfs overigens sterke menschen voorzichtig moeten wezen. Dit aanvaard zijnde, ben ik echter bereid, te erkennen, dat Assoean in den winter een ideale plek is voor diegenen, die in de open lucht willen leven. Als men zijn dagen op den Nijl doorbrengt in een bootje, de hoeken en hoekjes van de elanden Elephantine en Philae bezoekt, tennis speelt of golf, de woestijn ingaat per ezel of kameel, nooit zal men zich behoeven te vervelen en elke minuut zal men kunnen genieten van den goddelijken zonneschijn, die versterkend en prettig is.

Er zijn drie prachtige hotels te Assoean, waarvan twee reusachtige moderne paleizen zijn. Het Cataracthotel, dat aan de heeren Cook behoort, wordt uitstekend bestuurd door een Franschman, den heer Pagnon, eigenaar ook van de hotels te Luxor, en is zeer mooi gelegen op een hoogte en op het Zuiden. De salons, halls, terrassen, bibliotheek, biljardzaal, enz. zijn prachtig ingericht en de groote, moorsche eetzaal is heerlijk. De keuken is uitmuntend en overvloedig en de service laat niets te wenschen over. Het laat zich gemakkelijk denken, hoe groot de moeilijkheden moeten wezen, die overwonnen moeten worden, om een dergelijke onderneming te leiden en elken dag op 1000 kilometers afstands van Kaïro een afwisselend menu, dat een groote restauratie in Parijs geen oneer aan zou doen, voor te zetten aan honderden personen, hongerig geworden door het verblijf in de buitenlucht. Het is werkelijk wonderbaarlijk, dat men op de grens van Nubië tegen redelijke prijzen al het comfort vindt, hetwelk wij gewoon zijn duur te betalen in de hotelpaleizen van Ostende, Baden Baden, Nice en Monte Carlo.

Op het eiland Elephantine verrijst te midden van prachtige tuinen een ander paleis, het Savoy-hotel, behoorend aan de Anglo-American Co. en even populair als het Cataracthotel. En dan is er nog in de stad en dichtbij de landingplaats het Grand Hotel van Assoean, behoorend aan den heer Pagnon, niet zoo luisterrijk als de andere, maar ook zeer goed. Evenals te Kaïro zijn de hotels de groote middelpunten voor het mondaine verkeer. Men doet er aan allerlei sport en des avonds kan men er concerten, bals, bridgepartijen en dergelijke feestelijkheden genieten. Nu en dan hebben er gymkhana-wedstrijden plaats, harddraverijen van ezels en kameelen; en mannen, vrouwen en kinderen, ouden en jongen stellen er levendig belang in.

Assoean is ontwijfelbaar het schilderachtigste plekje van Boven-Egypte. Aan beide kanten van den Nijl verheffen zich hooge bergen, bijna geheel met goudgeel zand bedekt, en hier en daar gekroond door eeuwenoude ruïnen. Tusschen de stad en het eilandje Elephantine, dat geheel in het groen ligt, heeft de Nijl een snellen stroom, waar zich honderden dahabiehs en booten door bewegen, terwijl de roeiers hun eentonig liedje onophoudelijk doen hooren.

Hoogerop ligt dan de eerste waterval en de versnellingen doen het water zich al brullend tusschen de rotsen voortbewegen. Ik heb nooit schooners gezien dan een zonsondergang te Assoean, en er zou een andere pen dan de mijne noodig zijn, om de bewonderenswaardige en fantastische tinten te beschrijven, die de lucht en de stroom en de bergen dan aannemen. Het is verrukkelijk, en wie dat eenmaal heeft aanschouwd, vergeet het nimmer.

Kameelen zijn er zeer in trek; vooral de dames houden van het groote rijdier, maar het is een krachtige lichaamsbeweging, die niet ieder kan verdragen. De uitstapjes per ezel of kameel in de buurt van Assoean zijn zeer belangwekkend. Het kamp der Besharins, op een half uur afstands dichtbij de ruïnen van een oud arabisch kerkhof, is een gezocht doel voor een tochtje. Die Arabieren (van het kamp, niet van het kerkhof) met lange haren en een zonderling type vertoonend, wonen in ellendige tenten van vlechtwerk en zoo primitief, dat het hun niet aan schilderachtigheid ontbreekt.

Onnoodig te zeggen, dat er in Assoean beroemde graven zijn, als overal in Egypte. Men heeft er de bekende granietgroeven, waaruit de oude Egyptenaren hun obelisken en beelden en grafmonumenten hebben gehaald. Men kan er nu nog een onvoltooiden obelisk vinden, die dertig meter lang is. Op eenigen afstand van Assoean, niet ver van het begin van den waterval, ligt de tempel van Philae, de sierlijkste en elegantste der egyptische tempels. Gelegen op het eiland van denzelfden naam, behoort die "Parel van Egypte" eigenlijk al tot Nubië. De inboorlingen noemen hem "Gesiret Anas en Wogud" met den naam van den held uit een der verhalen van de Duizend en één Nacht, die daar naar de egyptische overlevering zijn geliefde terugvond.

Het eiland Philae ligt juist midden in de ruimte, die gevuld kan zijn door het enorme réservoir van Assoean, zoodat op den tijd, als het bekken gevuld is, het geheele eiland en bijna de geheele heerlijke tempel onder het slijkerige Nijlwater verdwenen zijn. De geleerden, de archeologen van de geheele wereld stelden zich in beweging, toen tot aanleg van het réservoir besloten werd en smeekten, dat toch een andere plaats mocht worden gekozen. Het zou onmogelijk geweest zijn, over den geheelen loop van den Nijl een plek te vinden, die zoo geschikt was voor het bekken, en tusschen den sierlijken tempel en de werken, die den landbouwrijkdom van Egypte bijna zouden verdubbelen, aarzelden de ingenieurs niet en offerden Philae op. Toch moet erkend, dat zeer belangrijke werken werden uitgevoerd, om het merkwaardige monument te bevestigen, en de regeering heeft niet minder dan 350 000 francs met dit doel uitgegeven.

Daarbij schijnt het, dat het water, hetwelk naar aller berekening den beroemden tempel zou hebben moeten verwoesten, dien waarschijnlijk heeft gered. In zijn rapport over 1904 maakt lord Cromer de opmerking, dat bij zijn bezoek aan de werken, toen men ermee bezig was, hij getroffen werd door den deplorabelen toestand van de fondamenten, die binnen kort de instortingen van sommige deelen van den tempel ten gevolge zou hebben gehad.

Ook de heer Edouard Naville schreef in het Journal de Genève: "Ik behoor tot hen, die herhaaldelijk door middel van de pers en op wetenschappelijke congressen geprotesteerd hebben tegen den aanleg van den dam te Assoean.... Maar thans kan ik zeggen, dat de archeologen niet te klagen hebben. Het monument is behoed voor allen verderen achteruitgang voor lange jaren, en het water schijnt geen nadeeligen invloed op het gesteente uit te oefenen, behalve dan in een paar vertrekken, die geen andere opening hebben dan een lage deur en dus het vocht niet verliezen, zoodat er zich salpeter tegen de wanden afzet.

"Zelfs zou men kunnen vragen, of in sommige opzichten de tempel van Philae niet in beter conditie is gekomen dan de meeste egyptische gebouwen. Sinds verscheiden jaren maken de groote tempels door, wat ik zou willen noemen een crisis van seniele aftakeling. Zijn de opgravingen daar schuld aan? Ik zou het niet durven tegenspreken. Het is zeker, dat men al te dikwijls in de haast, om de prachtige overblijfselen aan het licht te brengen, zich niet in voldoende mate rekenschap heeft gegeven van de vraag, of ze nog sterk genoeg waren, om te blijven staan, en of ze geen behoefte hadden aan den steun, die hun verstrekt werd door de bergen van puin of door de dorpen, die ter halver hoogte van de pilaren en tusschen de zuilen waren gebouwd.

"Te Philae zou hetzelfde gebeurd zijn als elders. De tempel zou langzamerhand verzakt zijn; men zou nu eens een zuil hebben zien omvallen, dan weer een architraaf, en er zou voor het herstel gewacht moeten zijn op voldoende geldelijke hulp. Thans is de bevestiging tot stand gebracht en wel voor langen tijd, en onder dankbetuiging aan de egyptische regeering voor den spoed, waarmee ze zich die opoffering heeft getroost, kan men rustig de toekomst afwachten".

Helaas, dat er zich toch alweer donkere wolken aan den horizon hebben samengetrokken. De ingenieurs begonnen ervan te spreken, den dam te Assoean te verhoogen met zes meters. Dat zou de dood voor Philae wezen! De verhooging van den dam is een zaak van het allerhoogste gewicht voor Egypte, en de kundigste ingenieurs hebben ervoor gepleit, omdat de watervoorraad van het reuzenréservoir erdoor zou toenemen, en omdat een veel grooter gebied zou kunnen worden besproeid en dus op de woestijn zou kunnen worden veroverd. Maar de egyptische ministers en hun raadsman Sir William Garstin zijn voorzichtige lieden en wilden de quaestie niet overhaast beslissen. Daarom werden twee bekende geleerden, de heeren W. Atcherley en Karl Pearson, erover gehoord, en hun meening, dat men zich van het weerstandsvermogen van den dam ook een te hoog denkeeld kan vormen, heeft ertoe geleid, dat andere plannen zijn opgekomen omtrent een nieuwen dam boven Assoean. Dus zal Egypte altijd nog wel eenige jaren moeten wachten, eer het een groote hoeveelheid water krijgt voor zijn landbouw. Ik geloof niet, dat dit een ramp is. De tegenwoordige voorspoed is zoo groot, dat een periode van betrekkelijke kalmte niet anders dan goed kan zijn, ook om het land op zijn verhaal te doen komen van de speculatiewoede van den laatsten tijd.

Men reist tegenwoordig naar het hart van Soedan, naar Khartoem en Omdoerman, dat eenige jaren geleden de hoofdstad der Derwischen was, even gemakkelijk als naar Petersburg of Chicago. Ik kan er zelfs bijvoegen, dat in den winter de reis van Assoean naar Khartoem een der interessantste, prettigste en gemakkelijkste is, die men kan ondernemen. De temperatuur is heerlijk, noch warm, noch koud; regen en vochtigheid zijn onbekende zaken, en van den morgen tot den avond geniet men een schitterenden zonneschijn, door geen wolkje verduisterd.

Tot Wadi Halfa reisde ik per boot en toen we na vier dagen die plaats bereikten, werd de tocht per Soedanspoorweg voortgezet over Berber, waar de verbindingslijn met Soeakim naar het Oosten gaat, naar Khartoem. Een inconveniënt op die gemakkelijke reis in den _train de luxe_ is het stof, dat door de gesloten vensters binnenkomt; maar dat zal mettertijd zeker verdwijnen, als de maatschappij waggons zal hebben aangeschaft, als in gebruik zijn op den amerikaanschen spoorweg van Omaha naar San Francisco, waar men door een even stoffig zandlandschap reist zonder iets van het stof te merken.

Tegen zeven uur in den morgen bereikt de reiziger Khartoem. Hij is er eigenlijk al den vorigen avond aangekomen, maar te laat om aan wal te gaan. De aankomst heeft plaats tegenover Khartoem op den tegenoverliggenden oever van den Blauwen Nijl. Khartoem ligt aan die rivier een weinig boven haar samenvloeiing met den Witten Nijl, waarna ze samen den Nijl vormen.

Per kleine stoomboot wordt men naar Khartoem overgezet. Uit de vuile slaapwaggons komend, ademt de reiziger met volle teugen de zuivere, droge, opwekkende lucht in en verbaast zich, dat op zulk een vroeg morgenuur midden in den winter de zon met haar stralen het tooneel reeds in gouden licht zet. Op den breeden stroom varen booten met groote, witte zeilen, dan kleine booten met negerroeiers, die een eentonig lied zingen, en stoombooten met hooge dekken en helder wit in de verf, vervullen de lucht met hun gefluit. Khartoem ziet men liggen in een ware oase van groen. Het prachtige witte paleis van den gouverneur trekt dadelijk de aandacht, met de engelsche en egyptische vlaggen beide erboven wapperend, en ernaast de lange steenen gebouwen van de ministeries, een groote school en veel aardige villa's te midden van tuinen.

De boot houdt stil aan de aanlegplaats van het hotel, het groote hotel van Khartoem, nog maar sedert een jaar geopend, geloof ik. Het is een lang gebouw van twee verdiepingen, omgeven door enorme galerijen, waar alle kamers op uitkomen, een niet juist aangename inrichting voor diegenen, die van rust en ongestoordheid houden.

De reizigers hebben den vorigen winter geklaagd over het hotel te Khartoem. De prijzen zijn hoog, de service laat te wenschen over, en de maaltijden zijn ver van goed. Het is waar, dat men niet moet vergeten, in Soedan te zijn, maar daar de stad wel goede dingen aanbiedt, waar de officieren en de inwoners der plaats het rechte gebruik van weten te maken, is het onvergefelijk, dat het hotel er de reizigers niet van laat profiteeren. De leiders van de maatschappij, die het hotel bestuurt, denken enkel aan groote voordeelen, en ik heb allen grond voor het vermoeden, dat de regeering, die haar den grooten en prachtigen tuin verhuurt, waarin het huis is gebouwd voor de belachelijk kleine som van 1250 francs per jaar, haar tot rede zal brengen, zoodat verbeteringen onderweg zijn.

De hoofdweg in Khartoem loopt langs den Blauwen Nijl, een breede, met jonge boomen beplante weg, die des avonds electrisch verlicht wordt en waaraan groote, deftige huizen met mooie tuinen zijn gelegen. Dat gaat zoo verscheiden kilometers door. Ge treft daar ook den Botanischen en Zoölogischen Tuin, waar leeuwen en andere wilde dieren in kooien zijn opgesloten in een heerlijk park, vol van de uitgezochtste specimina der afrikaansche flora. Dan volgen het hotel, vele particuliere huizen, bewoond door engelsche officieren, het post- en telegraafkantoor, het groote gebouw waar de kantoren zijn van de regeeringsambtenaren, het paleis van den gouverneur, de italiaansche katholieke zendingspost, de Club, nog weer villa's, Gordon College enz.

Langs die mooie laan komt ge telkens engelsche Tommies tegen, soldaten, in khakipakken gekleed, en soedaneesche soldaten, zwart als ebbenhout, lang van stuk en met beenen zonder kuiten van ongeloofelijke lengte en magerheid. Ook ontmoet men er Arabieren en negers van zoowat alle bedrijven, negerinnen met groote manden of kruiken op het hoofd en met verrassende gratie gedrapeerd in lange zwarte shawls, want er bestaat een verordening, die de inboorlingen te Khartoem dwingt, "zich te kleeden". Zeker geeft die gewoonte, om zware lasten op het hoofd te dragen, aan de negerinnen die rechte houding en dien bevalligen en krachtigen gang.

Khartoem breidt zich niet enkel langs de rivier uit, maar ook naar den woestijnkant; daar vindt men ook breede en mooie straten, maar enkel meer bescheiden huizen, kantoren en banken.

Rijtuigen ziet men bijna niet in de hoofdstad van Soedan. Het hotel heeft een pony en een tonneau, en alleen de gouverneur-generaal heeft verscheiden équipages en een automobiel, terwijl enkele officieren er een eigen wagentje op na houden. Rijpaarden en vooral ezels zijn de gewone vervoermiddelen.

In afwachting van den dag, waarop Khartoem huurrijtuigen zal hebben, ziet men voor het hotel een dozijn jinriksja's, maar helaas, de lange Soedaneezen kunnen niet als de dappere, kleine Japannertjes urenlang draven. Hijgend, zweetend en blazend trekken ze het rijtuigje met moeite voort, terwijl men zich verbijt van ergenis, als men ten minste haast heeft. Met twee man ervoor gaat het een beetje gauwer, maar het best is, een ezel voor een jinriksja te laten loopen; dat werkt verjongend en herinnert aan de lang vervlogen tijd, toen men met een bokkenwagen door de Champs Elysées reed! Een ezel voor het kleine trekwagentje, dat heb ik heerlijk gevonden, en ik had haast stilgehouden in de woestijn, om er poffertjes van zand te bakken!

En als de reiziger dat alles goed heeft gezien, de paleizen, de villa's, de tuinen, waar de vogels in de boomen zingen en de bloemen op de perken geuren, de breede lanen, waar de Soedaneezen heel beschaafd flaneeren; als hij zijn volle aandacht heeft geschonken aan deze aardige stad, die daar zoo modern in het hartje van Afrika ligt en waar rust en orde en arbeidzaamheid heerschen, zal hij zich met de grootste verbazing afvragen en tegelijk met onbegrensde bewondering: "Is het mogelijk, dat ik mij op dezelfde plek bevind, waar Gordon en de zijnen nog zoo kort geleden door dweepzieke en bloeddorstige horden van den Mahdi werden vermoord, en waar ik nauwelijks zeven jaar geleden niets dan ruïnen zou hebben gevonden? Is het mogelijk, dat deze bloeiende stad pas gisteren is geboren op de plaats van de oude soedaneesche hoofdstad, die getuige is geweest van de heldenfeiten en het bloedig drama, in de geschiedenis bekend als 'de verovering en het verlies van Soedan'?"

Ja, hoe onwaarschijnlijk het moge klinken, het was inderdaad hier, dat de egyptische veroveraars onder Ibrahim hun vlag plantten ten tijde van de regeering van Mohammed Ali. En hier ook speelden zich de tragische tooneelen af, waarvan Gordon pacha de hoofdpersoon was. Er woont te Khartoem nog een persoon, wiens gevoelens men wel graag eens zou willen ontleden, als hij in zijn uniform vol decoraties en op een prachtig paard, door de mooie lanen galoppeert. Dat is Slatin pacha, de vroegere gevangene van den Mahdi, thans inspecteur-generaal van de regeering van den Soedan. Welk een roman is zijn leven! Lees zijn boek "Vuur en zwaard in Soedan", en ge zult u verbazen over alles, wat een menschelijk wezen niet al kan uitstaan aan moreel en physiek lijden.

Hij was Oostenrijker en trad in dienst bij de troepen in Soedan, toen Gordon er voor de eerste maal gouverneur-generaal was. Toen het land in opstand kwam, om den Mahdi te volgen, was Slatin gouverneur van de provincie Darfoer, die hij zoo goed mogelijk verdedigde. Hij deed zijn plicht tot op het oogenblik, waarop de tegenstand onmogelijk was geworden. In het begin van de crisis, toen hij hoorde, dat zijn soldaten aarzelden of ze hem wel zouden volgen, omdat hij christen was, ging hij tot den mohammedaanschen godsdienst over in de tegenwoordigheid van al de vereenigde troepen.

Gordon was indertijd verontwaardigd, toen hij het bericht hoorde en sprak met bitterheid over die buitenlandsche officieren, die hun geloof verloochenen en bereid zijn, het Christendom vaarwel te zeggen, om hun huid te sparen. Ik geloof, dat Slatin minder aan zijn eigen leven dacht dan aan zijn provincie en aan de egyptische troepen, die onder zijn bevel stonden en die hij wilde redden tot op het oogenblik, dat hij, naar hij meende, versterking krijgen zou. Die bleef echter uit en eindelijk gaf Slatin, wien de Mahdi beloofde, hem het leven te sparen, zich over. Hij werd eerst vrij goed behandeld, want daar hij de taal kende, kon hij, naar de Mahdi bedoelde, als het noodig was, met de ongeloovigen onderhandelen te Khartoem.

Maar Slatin moest de nederlaag van het leger aanschouwen en hij was diep getroffen, toen hij van den dood van Gordon hoorde, den generaal en den superieur, dien hij had bewonderd en liefgehad. Hij, Slatin, werd in boeien geslagen, werd een tijdlang aan alle mogelijke martelingen onderworpen, tot eindelijk de Khalief hem in zijn dienst nam en hem als slaaf aan zich verbond. Dat duurde wel twaalf jaren, tot Slatin in Maart 1895 wist te ontsnappen en Assoean te bereiken. Nauwelijks weer in het land der beschaving, bood hij zijn diensten weer aan Engeland en Egypte aan en was een groote steun voor de slotexpeditie onder bevel van lord Kitchener. Daar hij Soedan uitmuntend kende en vertrouwd was met de bewoners en de taal, zoowel als met de sterke en de zwakke punten van de Derwischen, kon hij natuurlijk belangrijken raad geven.

Toen Khartoem heroverd was, wilde hij behooren tot de pioniers, die daar bleven om de stad uit het puin te doen herrijzen en mee te helpen aan het beschavingswerk, dat werkelijk te bewonderen valt en dat in zes jaren van den uitgestrekten Soedan een land heeft gemaakt, waar na zooveel onrust kalmte en orde zijn teruggekeerd.

Het is onbetwistbaar, dat hij zeer groote diensten heeft bewezen en hooggelijk gewaardeerd wordt door den gouverneur-generaal, Sir Reginald Wingate. Deze is een zeer beminnelijk man, eenvoudig en vriendelijk van aard, maar tevens een man met een vasten wil en veel energie. Hij spreekt vloeiend Fransch en onderhoudt zich gaarne in die taal. Ik heb zeer interessante gesprekken met hem gevoerd over de toekomst van Soedan, die hem natuurlijk zeer ter harte gaat, en hij voorziet zoo geen snelle dan toch een zekere ontwikkeling.

De vorderingen van den vooruitgang, meent hij, dat van drie dingen zullen afhangen, waar wij niet dadelijk al te groote verwachtingen van moeten koesteren, namelijk van meer arbeidskrachten, meer en beter middelen van gemeenschap en meer water. Er komen arbeiders te kort in Soedan; denk eens, dat er nauwelijks twee millioen inwoners zijn met een in evenredigheid veel te groot aantal vrouwen en kinderen, terwijl er tien millioen waren een twintigtal jaren geleden. Maar de Arabieren en Soedaneezen zijn vruchtbare rassen, en met de rust zal de bevolking wel vlug toenemen; maar dat zal men niet zoo dadelijk bemerken.