Part 5
Thans werkt de heer Legrain sinds tien jaren met ongehoorden ijver en groote wilskracht aan de reconstructie van de beroemde tempels van Karnak, en in het bewuste gesprek, dat ik met hem voerde, ging hij voort: "Welnu, thans geloof ik aan die fameuse muren, omdat ik na al die voorbijgegane eeuwen nog met mijn rijtuig over hun ruïnen kan rijden!"
En ik vraag mij af, wat men meer moet bewonderen, de ouden, die zulke wonderen hebben gewrocht, of de modernen, die als de heer Legrain het beste deel van hun leven geven, om de tempels voor ons te doen herleven. Men moet naar Luxor, het oude Thebe, zijn gegaan en men moet de tempels van Karnak hebben bezocht, om zich een denkbeeld te vormen van de scheppende macht der oude Egyptenaren, als ook van de geestkracht en het geduld van den man, die stukje voor stukje herstelt, wat misschien de grootste tempel der wereld was. Als Mariette dacht, dat twintig deelen noodig zouden wezen, om den tempel van Denderah te beschrijven, hoeveel zouden er dan wel vereischt worden, om een juist denkbeeld te geven van wat Karnak is geweest? Dat zijn tegenwoordig nog de wonderbaarlijkste ruïnen van Egypte, zooals in den tijd van hun pracht die tempels een der wonderen der wereld zijn geweest.
Stel u voor een ruimte, die ongeveer 900 000 vierkante meters groot is, en die gedurende meer dan twee duizend jaren het heiligdom was, waar Egypte, zijn vorsten en zijn volk, de schatten kwamen brengen, die ze aan de goden wilden offeren. Tempels, gevuld met beelden en gouden voorwerpen, ingelegd met ivoor en kostbare steenen, obelisken van graniet, uit één stuk gehouwen in de steengroeven van Assoean; honderden kilometers muur, bedekt met basreliëfs en schilderwerk, tallooze reuzenzuilen, van boven tot beneden gebeeldhouwd, lanen van geheimzinnige sfinxen... Verbeeld u dat alles en nog duizendmaal meer, en ge zult u nog nauwelijks kunnen voorstellen, wat Karnak was veertig eeuwen geleden.
In het midden van dien tempel vindt ge een zaal zoo ruim, dat onze Parijsche Notre Dame er met gemak in gaat. Het is de zuilenzaal, waar een heel woud van pilaren, gebeeldhouwde zuilen, hun trotsche kapiteelen ten hemel heffen. Middenin zijn er twaalf, die 20 meter hoog zijn, en aan de kanten zijn er 122, van 13 meter hoogte en 10 meter in omtrek. Het is prachtig en indrukwekkend. Maar sedert den ver achter ons liggenden tijd, waarin Cambyses Thebe verwoestte, hadden de bouwvallen van Karnak zich langzamerhand met zand bedekt, en ook met puin en aarde, en alles was verdwenen, begraven tot op den dag toen de Egyptologen hun opgravingen begonnen.
En toen men eenmaal de laan van sfinxen had ontgraven, en de zuilenzaal, begonnen de enorme gebeeldhouwde zuilen te wankelen, en later, in 1899, stortten er elf van in onder een oorverdoovend geweld. De fundamenten, die ondermijnd waren door de veranderingen van den waterstand van den Nijl, waren niet stevig genoeg meer. De ramp scheen onherstelbaar; maar de heer Legrain was daar, en hij zwoer, dat, wat het hem ook kosten moest, de omgevallen zuilen weer hun plaats zouden innemen... en ze zijn er teruggekomen!
"Hoe kan u dat met mogelijkheid gelukt zijn?" vroeg ik.
"O," antwoordde hij met zijn innemenden glimlach, "dat was de eenvoudigste zaak ter wereld... alleen nam het veel tijd, en veel werk was ermee gemoeid. Eerst raapte men alle brokken van zuilen op; ze werden genommerd. Toen dat gedaan was, zagen wij de fundamenten na, en toen die gereed waren, werden de stukken van de zuilen één voor één voor den dag gehaald en ter plaatse gebracht. Daarna moest er worden begonnen met het afbreken van de andere zuilen, die ook dreigden te vallen en hun grondslagen moesten eveneens worden versterkt. Anders is het niets!"
Vol bewondering keek ik den man aan, die sinds tien jaren de bedrijven van metselaar, ingenieur, bouwmeester en geleerde in zich vereenigt; dan wendden zich mijn oogen omhoog naar de enorme steenmassa's, en ik vroeg welke kracht ze zoo ver omhoog heeft kunnen voeren.
"Ja, ook dat is zeer gemakkelijk, en toch bedienen wij ons van geen ander hulpmiddel van mechanischen aard, van geen enkele beweegkracht. Wij doen, wat zeer waarschijnlijk de oude Egyptenaren zelf ook deden... wij gebruiken aarde.
"Aarde?"
"Zeker, aarde. Naarmate de zuil of de muur hooger wordt, laten we ook den omringenden grond rijzen. Er wordt grond aangevoerd, nog eens grond en altoos weer grond, en zoo komt men tot heel bovenaan langs een hellend vlak, waar men enkel stevige touwen en veel armen behoeft, om de grootste steenen omhoog te voeren. Wij verplaatsen blokken van 50 000 kilogram, zonder dat er ooit eenig ongeval is gebeurd. Wat de aarde aangaat..... wel! deze reuzentempel is sedert verleden jaar driemaal gevuld en weer geledigd! Het werk, om den grond aan te brengen, en weer weg te voeren, wordt verricht door honderden kinderen, die zeven stuiver per dag verdienen; de mannen krijgen tien stuivers. Als er in een gezin drie kinderen zijn, die voor zeven stuiver per dag werken, doet de vader niets meer en leeft van zijn renten!"
"Maar waar krijgt ge den grond vandaan?"
"O, daar raakt ge een interessant punt aan. Wij halen dien van die plaatsen in Karnak, waar nog geen opgravingen zijn gedaan, en zoo doen wij dubbel werk. Zonder nog te denken aan de kostbaarheden, die we vinden, steunen de vondsten, die wij verkoopen ook weer de nieuwe werkzaamheden, die erdoor bekostigd kunnen worden. Kom mee, dan zal ik u eens de bergplaats wijzen, die ons 698 standbeelden van graniet, kalksteen, albast, versteend hout enz. heeft opgeleverd en nog 12000 andere beeldjes van brons."
Ik volg den heer Legrain, die mij naar de opening van een reuzendiepte brengt, waar naakte mannen waden en graven in slijk en water.
Dat is de beroemde bergplaats, maar op de diepte, die men nu heeft bereikt, vult ze zich met water, en het werk wordt er zeer door bemoeilijkt.
Verderop woon ik andere opgravingen bij. De mannen zijn met houweelen bezig en vullen manden met aarde, die door massa's kinderen al dravend worden meegenomen naar een plaats, waar er zullen moeten worden opgezet.
De historieschrijvers hebben altijd aangenomen, dat Thebe en Karnak uit denzelfden tijd afkomstig waren, maar dat schijnt niet zoo te zijn.
"Inderdaad," zei de heer Legrain, "hebben wij thans onder de fundamenten van Karnak bouwvallen ontdekt van een veel ouderen tempel, die tot 5 of 6000 jaren vóór Christus opklimt. Dat was blijkbaar een belangrijke tempel, en men treft op de steenen ervan zeer fijn beeldhouwwerk aan. Zie hier maar eens naar dit basrelief."
En de directeur van Karnak liet mij een der heerlijkste in den steen gehouwen kunstwerken zien, die ik nog ooit heb aanschouwd. Het stelde een zeer schoon hoofd voor, en er waren bloemen op te zien en een klein kuikentje.
"Wij geven aan al die dingen etiketten," zei de heer Legrain, "en dan zal er getracht worden, dien onderaardschen tempel te reconstrueeren, zooals Karnak weer opgebouwd wordt. Verleden jaar hebben we in een hoekje ginds een tempeltje ontdekt, gewijd aan een oude, leelijke godin, die, naar het schijnt, kinderen at. Ik heb alles weer ter plaatse gebracht, komt u maar eens binnen; het is frappant."
Inderdaad stond er in het midden van het tempeltje een afschuwelijk beeld, verlicht op fantastische wijze.
"De Arabieren zijn er gruwelijk bang voor," vervolgde de heer Legrain, "en geen van mijn werklieden zou erin toestemmen, hier zonder mij binnen te treden. Het zijn groote kinderen, die aan legenden en spoken gelooven. Een van hen beweert, dat telkens als hij voorbij het kerkhof gaat, hij geslagen wordt door wezens zonder hoofd, wier lichamen vuur braken, en allen gelooven hem! Ook gaat het verhaal van een boot, die vergaan moet zijn op een gewijd meer, en dat ik die zal terugvinden. Het is zoo vreemd niet, dat de arme Arabieren hun directeur, den eenigen Europeaan onder hen, voor een wonderdadig wezen houden. Hij behoeft maar een plek met den vinger aan te wijzen, en zie, men ontdekt er dingen, waarvan het bestaan zelfs niet werd vermoed. Verleden jaar, toen ik thuis kwam van vacantie, zei ik tot een van de opzichters: 'Zoek hier eens; daar moet een trap zijn.' En werkelijk werd de trap gevonden. Ik had erover gelezen en de juiste plek kunnen afleiden uit oude documenten, die in het Louvre worden bewaard."
Wij zijn gekomen bij een prachtigen obelisk, en de in goud gegraveerde letters vertellen ons, dat hij werd opgericht door koningin Makeré, en dat het reuzenwerk, om hem uit een enkel blok te houwen in de steengroeven van Assoean, hem naar Thebe te voeren met zijn gewicht van 1 836 500 kilogrammen, de letters erin te graveeren en hem overeind te zetten, verricht werd in zeven maanden!
Waarlijk, men zou het niet gedaan krijgen in zoo korten tijd met alle middelen, waar wetenschap en en techniek tegenwoordig over beschikken. Trouwens de beroemde koningin vermoedde wel, dat die tour de force aan toekomstige geslachten bewondering zou inboezemen, want ze verklaart, in gouden letters, op den obelisk gegrift, dat ze het alles liet uitvoeren, opdat in latere eeuwen men zou zeggen: "Is het mogelijk? Wat een prachtig werk!"
"Kom eens in mijn tuin kijken," zei de heer Legrain, en ik volgde hem op een door muren omsloten plaats, waar ik zelfs niet de schaduw van een bloem vond.
"Nee, je behoeft niet naar den grond te zien maar naar de muren; kijk daar!"
En inderdaad, gebeeldhouwd op den wand met uitstekende fijnheid, zag ik er alle mogelijke planten, een complete verzameling, een echte tuinbouwtentoonstelling. Het is te begrijpen, dat alle dieven uit Egypte, alle wederverkoopers van valsche of gestolen oudheden erop uit zijn, de in Karnak ontdekte voorwerpen machtig te worden, en het is geen gemakkelijke zaak, alle arbeiders te bewaken, die er bezig zijn. Het vorige jaar hadden dieven samengespannen met enkele der bewakers en hadden des nachts een gat gemaakt in den muur van het kantoor van den heer Legrain, waarna ze twee beelden van groote waarde stalen, die echter na duizenderlei moeilijkheden teruggevonden werden.
Ik raad de toeristen aan, alle verkoopers van antiquiteiten te wantrouwen. Een van hen houdt er een eigenaardige manier op na. Hij is een consul van een of ander land te Luxor en noodigt rijke vreemdelingen op een arabischen maaltijd. Bij het dessert klinkt de schel aan de poort, en de bedienden doen de mededeeling, dat er inboorlingen zijn, die merkwaardige oudheden aanbrengen, pas dien dag gevonden. Ze worden binnengelaten, en op raad van den consul koopen de rijke vreemdelingen, die de verzoeking niet kunnen weerstaan, de dingen, die het eigendom waren van hun gastheer.
Karnak was in den tijd van zijn bloei verbonden met den grooten tempel van Luxor door een laan van sfinxen, ter lengte van twee kilometer en drie meter breed. Uit dien laatsten tempel is de obelisk afkomstig van de Place de la Concorde, en een tweede, precies aan den eersten gelijk, staat nog te midden van de ruïnen.
Luxor, een stad, die op zichzelf niet zeer interessant is, wordt door de nabijheid der koningsgraven en andere monumenten uit de oudheid een der meest aantrekkelijke punten van Egypte. Het klimaat is er in den winter alleraangenaamst, en men vindt er verscheiden hotels. Het Grand Hotel Luxor, dat aan den vriendelijken en voorkomenden Franschman, den heer Pagnon behoort, is het beste en meest populaire. Hoewel het niet zeer nieuw is, biedt het alle gemakken, en tafel en bediening schenen mij uitstekend. Het ligt in een mooien en schaduwrijken tuin, iets zeldzaams in Boven-Egypte.
Luxors ligging is inderdaad zeer mooi, en de ouden zouden geen beter plek hebben kunnen kiezen voor de stad, die gedurende vele eeuwen de hoofdstad was der egyptische koningen. De Nijl stroomt er majestueus door een wijd en vruchtbaar dal, omringd door hooge en dorre bergen. Volgens Diodorus was Thebe de oudste stad van het Nijldal, en hij neemt aan, dat de stad evenals Memphis gesticht werd door Menes 4400 jaren vóór J. C. Ook Homerus bezingt de stad en beschrijft haar als oneindig groot en prachtig met haar honderd poorten en twintig duizend oorlogswagens.
De beroemde stad breidde zich niet alleen uit aan den rechteroever van den Nijl, waar tegenwoordig Luxor ligt en waar men de ruïnen van Karnak vindt, maar ook op den linkeroever, waar te midden van het vruchtbare land we prachtige resten van bouwwerken vinden. Het Ramseum, een reuzentempel, gebouwd onder Ramses II, de kolossen van Memnon, twee groote beelden, die den hemel schijnen te bedreigen, de beroemde tempel van Medinet Aboe, dat alles staat nog overeind en is hoogst belangwekkend. Eertijds, toen Thebe bloeide, lag de necropool aan dezen kant van den Nijl evenals de huizen der priesters, der balsemers, der bouwmeesters en werklieden, die aan de graven arbeidden, de stallen der heilige dieren, de scholen en de bibliotheken. Achter in het dal verrijzen de bergen van Libye, waarvan de met graven bezette hellingen op puimsteen gelijken. Links in een klein dal zijn de graven der Koningen, en rechts in een ander dor en smal dal die der Koninginnen.
Die laatste zijn naar mijn bescheiden meening het interessantste en wonderlijkste van heel Egypte, en ik zal nooit den indruk vergeten, dien ik kreeg bij mijn bezoek.
Vergezeld door den heer Quibell, een alleraardigsten Schot, inspecteur-generaal der antiquiteiten, verliet ik de Ramses vroeg in den morgen bij zonnig, heerlijk weer. Wij zeilden over den Nijl, en toen bestegen we de ezeltjes, die er op ons wachtten en galoppeerden wel drie kwartier door bebouwde en vruchtbare velden, vóór we aan den ingang van de vallei der koningsgraven kwamen, een smal dal tusschen hooge, gele, dorre rotsen. De tegenstelling tusschen het veld vol leven, waar wij vandaan kwamen en dezen weg van den dood, waar geen vogel, geen insect, ook niet de schaduw van een levend wezen zichtbaar was, en dat zonder eenigen overgang, was wel treffend. Ja, dit is wel de weg des doods, het dal van het Nietzijn, waar men de open graven vindt van de machtige monarchen, die om rustig hun laatsten slaap te slapen, daar op de hoogte en in de laagte aan den rotswand de holten hadden laten uitboren, en ze hadden laten versieren met beeldhouw- en schilderwerk, om hun stoffelijke overblijfsel er te laten rusten.
O, koninklijke ijdelheid, die terwijl ge u liet begraven met uw juweelen en edelgesteenten, uw ivoorwerken, uw vergulde meubels, niet begreept, dat de dag zou komen, waarop uw priesters, die den toegang tot uw graven moesten bewaken, zouden verdwijnen, waarop uw volk zou uitsterven en waarop de roovers, belust op den rijken buit de deuren zouden verbreken, de muren zouden beschadigen, de doodkisten zouden openbreken, om er alles uit te halen tot de koninklijke mummie toe.
Toch was dat juist, wat er gebeurde. Volgens den heer Maspéro waren de dieven ongeveer in het jaar 966 vóór Christus zoo sterk geworden, konden zoo gemakkelijk de regeering trotseeren en hadden reeds zooveel koningsgraven geplunderd, dat Auputh, zoon van Shasbank, besloot, ze allen te laten openen en de koninklijke doodkisten te doen overbrengen naar een enkele reuzenholte, een grafkelder, waar ze eerst op zeer onverwachte wijze werden ontdekt ongeveer dertig eeuwen later.
Het schijnt, dat in 1871 een Arabier, namens Abd er Rasul Ahmed, bij toeval den ingang tot den kelder vond en, begrijpend hoeveel schatten er moesten zijn, besloot, ze ten eigen bate te exploiteeren. Hij deelde zijn ontdekking mee aan zijn twee broeders en aan zijn zoon, en gedurende enkele jaren verkochten onze man en zijn medeplichtigen aan de toeristen voorwerpen van groote waarde, maar van kleine afmeting, die ze gemakkelijk uit de schuilplaats naar hun huizen konden meenemen. De belangstelling der Egyptologen werd echter eindelijk wakker, en in 1881 begaf de heer Maspéro, die toen directeur was van het Museum te Kaïro, zich naar Luxor, om daar een onderzoek in te stellen. Na tallooze moeilijkheden, te veel om hier op te noemen, werd de bergplaats eindelijk ontdekt, en de koninklijke mummies werden naar Kaïro gevoerd, waar ze al gauw werden tentoongesteld in de glazen vitrines van het Museum.
Twee jaar later begon de mummie van een der koninginnen een weinig aangenamen geur te verspreiden en ze moest worden uitgepakt; er volgde weldra een andere koningin, die geheel bedorven was en begraven moest worden. Toen werd het besluit genomen, alle mummies uit te pakken, en te luchten, en men begon met Ramses II. Hij was de eerste souverein van Egypte, wiens lijfelijk omhulsel aan de wereld werd geopenbaard 3200 jaren na de mummifiëering.
Zelfs zooals ze nu zijn, ontdaan van de dooden en van de meubels en andere artikelen, die er werden bewaard, zijn de koningsgraven nog hoogst belangwekkend. De beeldhouwwerken en de basreliëfs zijn prachtig bewaard, en veel van het schilderwerk is na zooveel eeuwen nog ongeloofelijk frisch en levendig van kleur.
Van de vijftig koningsgraven, waar de historieschrijvers van gewagen, zijn, geloof ik, een veertigtal teruggevonden en thans voor het publiek geopend. Ze zijn alle in de rots uitgehouwen en bestaan uit lange gangen, die naar ruime kamers voeren, waarvan de laatste, het eigenlijke graf bevattend, 100 tot 160 meter van den ingang is verwijderd.
Voor de oude Egyptenaren was hun graf niet enkel een doodkist in een gat gestopt, maar een ruim vertrek, bewonderenswaardig versierd en gedecoreerd door de grootste schilders en beeldhouwers van hun tijd, en waarin de doode gemakkelijk zich kon bewegen en genieten van het comfort, waaraan hij gewend was. Dus treffen we op de muren en zuilen prachtig weergegeven tooneelen aan uit hun werkelijke leven en uit het toekomstig bestaan, dat ze zich hadden voorgesteld.
De heer Quibell geleidde mij eerst naar het graf van Meremptah, nog pas enkele maanden geleden ontdekt en dat nog niet voor het publiek was opengesteld.
De gangen en kamers waren electrisch verlicht, zoodat men alle bijzonderheden kon bewonderen; maar de grafkamer, het heiligdom, was in volslagen duisternis gelaten toen we er binnentraden. Plotseling vulde zich de sombere holte met helderheid, en onder de schitterende electrische lampen zag ik een reuzengroote fijne figuur van grijs graniet, op den rug liggend, de handen gekruist op de borst. Het effect, dat dit bewonderenswaardige beeld maakte, gebeeldhouwd op het deksel van de kist, was onvergetelijk. Het graf echter, dat van alle den diepsten indruk op mij maakte, was dat van Amenhotep, waarschijnlijk omdat het het eenige was, waarbij zich de mummie in de doodkist bevond.
Midden in het heiligdom staat een prachtige, groote marmeren doodkist, rood van kleur, waar het deksel van is afgenomen, en waarin de doode rust. Een gedeelte van de windselen, die om hem heen waren geslagen, zijn losgemaakt, en zijn hoofd, zijn hals en schouders ziet men zwart en verdroogd. Het is onmogelijk, den indruk te beschrijven, dien het gezicht van dezen machtigen monarch maakt, die daar 3500 jaar na zijn dood rust zoo klein en verschrompeld, in het licht der Edisonlampen. Welk een wreede spot der menschelijke dingen! Diep in den berg een grot te hebben gegraven, waarin men, ontoegankelijk voor de heele wereld, meent eeuwig te zullen kunnen slapen, en dan zulk een plaats dagelijks bezocht door de toeristen van de heeren Thomas Cook en Zoon!
Korten tijd na mijn vertrek uit Luxor werd nog een koningsgraf ontdekt door den heer Theodoor Davis, een Amerikaan die een bekend Egyptoloog is en die zijn winters doorbrengt met archeologische onderzoekingen. Men kan zich gemakkelijk de vreugde van den heer Davis voorstellen, toen hij na zijn lange, moeilijke en kostbare nasporingen eindelijk zijn pogingen bekroond zag met succes en het graf, het bewuste graf, zich voor hem opende.
Zoo ik dan al het ongeluk had, Luxor te verlaten eer die nieuwe ontdekking gedaan was, ik had ten minste het geluk, korten tijd daarna de toespraak te hooren, die over het onderwerp gehouden werd door den heer Maspéro. Ik heb onder het luisteren een der prettigste uren van mijn leven doorgebracht. Met den grootsten eenvoud, in een duidelijken en gemakkelijken stijl, op zachten en boeienden toon legde de directeur der oudheidkundige onderzoekingen ons uit, dat het ontdekte graf dat was van de koningin Tia, vrouw van Amenhotep III, die vijftien eeuwen vóór de christelijke jaartelling leefde.
De heer Maspéro bracht verdiende hulde aan de rijke vreemdelingen, die zooals de heer Davis, met hun fortuin en met eigen inspanning aan zijn departement steun verleenen, en daarna vervolgt hij: "De opgravingen gedaan door den heer Davis, hadden plaats in een hoek, van het Koningendal, waar de meeste Egyptologen dachten, dat niet veel zou worden gevonden. Het toeval heeft gewild, dat de heer Davis daar juist een der belangwekkendste ontdekkingen heeft gedaan uit onzen tijd. Het graf van koningin Tia was inderdaad onaangeroerd, ofschoon er in den romeinschen tijd dieven aan het werk moeten zijn geweest. Maar die bepaalden zich ertoe, de juweelen weg te nemen en ze raakten al het andere niet aan.
"Wij hechtten er zooveel aan, dit graf te zien, juist zooals het was, dat we er binnendrongen door een kleine opening, juist groot genoeg voor kinderen, dieven of... archeologen. Dichtbij den ingang vonden we op den grond een prachtigen kever, Scarabeus, en albasten vazen, blijkbaar door de dieven onderweg verloren, een duidelijk bewijs, dat het graf geopend was geworden.
"Groot was onze vreugde, dat het heiligdom ongeschonden was en vol was met vele voorwerpen, die het leven van het verleden ons voor den geest riepen. Op den steenen muur, die het tot nu toe van de wereld had afgezonderd, waren sporen te zien van vuile handen, slijkerige handen, al zooveel eeuwen dood, die het hadden gesloten, naar men meende, voor eeuwig. Daar verrees de oudheid als levend vóór ons.
"Midden in de ruime doodkist lag een rood kussen, en daarnaast stond een stoel van vrij modern voorkomen, Empire-stijl, maar met iets echt egyptisch erbij. Wat verder was een vergulde armstoel, met rechte pooten, die aan den stijl van Lodewijk XVI deed denken en daartegenover weer een armstoel van ontwijfelbaar egyptische afkomst. Er was nog een heele voorraad meubels, groote zwarthouten kisten en 72 kruiken, die offeranden en levensmiddelen inhielden, eenden, gazellebouten, gedroogd vleesch, brood en koren, en in enkele kruiken aanzetsel van wijn en van reukwateren, die erin bewaard waren geworden. Een groote vaas, die omgevallen was, liet een dikke, gele vloeistof uitstroomen, honig en, wonderlijk gezicht, op dat oogenblik zagen we er zich een bij op neerzetten, die van buiten was gekomen! Daarnaast lagen gouden voorwerpen, en dingen van ivoor en zilver; ook vonden we een zeer groote kist uien!"
Dan gaf de heer Maspéro ons interessante inlichtingen over het leven der oude Egyptenaren in het algemeen, en in het bijzonder over koningin Tia, die, naar het schijnt, een zeer merkwaardige vrouw moet zijn geweest.
Nadat de Ramses ons drie dagen had gegund voor het bezoek aan het oude Thebe, begaven we ons weer op weg den Nijl op van Luxor naar Assoean in heerlijk weder, het weer, dat aan Boven-Egypte een verrukkelijke lente geeft midden in den winter. Terwijl wij hier profiteerden van warme en zonnige dagen, vertelden ons de telegrammen, dat heel Europa rilde van kou en dat Zuid-Frankrijk onder de sneeuw lag, ja, dat het ook in Algerië had gesneeuwd!
Het was druk op den Nijl. Een menigte groote booten voeren naar beneden en andere gingen stroomop, en aan de oevers waren op maar eenige meters afstands van elkander de fellahs onophoudelijk bezig, water te putten uit de oude sjadoefs; ze scheppen tot 30 000 liter water per dag, maar werken dan ook van zonsopgang tot zonsondergang voor.. vijftig centimes!