Het moderne Egypte: Wat er te zien en te hooren valt tusschen Kaïro en Faschoda De Aarde en haar Volken, 1908

Part 2

Chapter 23,911 wordsPublic domain

De jonge Abbas Hilmi had terstond een zeer besliste meening over zijn rechten en plichten als souverein. Daar hij nog niet persoonlijk had ervaren, welke rol Engeland in Egypte speelde, moest hem natuurlijk de tegenwoordigheid van een vreemd leger in zijn vaderland hinderen, en zoo kwam hij er dan ook terug met een hart vol vrees.

Lieden uit zijn omgeving en meer of minder officiëele vreemdelingen maakten van deze stemming gebruik, om den jongen en toen nog onervaren vorst te drijven tot een openlijke breuk met Engeland, door hem te verzekeren, dat op den dag van den strijd de fransche bajonnetten en de russische Kozakken achter hem zouden staan.

Dapper en vol zelfbeheersching, wees hij den Engelschen op een goeden dag de deur; toen omziend, om te zien, wie hem volgden, vond hij een ledig... Diegenen zelfs, die hem geraden hadden, hielden zich lafhartig schuil op het oogenblik van den strijd.

In 1878 had Engeland vóór de poorten van Konstantinopel aan Rusland een "Halt!" toegeroepen, en het groote keizerrijk had geen schrede verder gedaan.

Twintig jaren later te Faschoda riep Engeland Frankrijk een "Achterwaarts!" toe, en de rijke en machtige Republiek moest wijken voor de keizerin der zeeën...

Zoo ook antwoordden de Engelschen op de afwerende beweging van den khedive: "Wij zijn de sterksten en wij zullen blijven!" En Egypte, dat nog zwak was op dat oogenblik, moest zich schikken.

Het is waar, dat Engeland den goeden smaak had, erbij te voegen: "Wij wenschen slechts uw belang; wij erkennen uw souvereiniteit en wij willen niets anders dan u helpen met al onze krachten, om uw land een herleving te doen ondergaan." Het was een harde slag, maar hij had voor Zijne Hoogheid meer waarde dan tien jaren van levenservaring. De jonge vorst kende van dien tijd af de waarde van de vriendschap, de zwakheid van zijn eigen land en wat hijzelf vermocht.

Hij nam in het administratieve den raad van Engeland aan, maar bewaarde al zijn vorstelijke prerogatieven en wist ze te doen eerbiedigen. In den aanvang weigerde hij de hem toegestoken hand aan te nemen, want hij wilde, eer hij den Engelschen zijn vertrouwen schonk, hen aan het werk zien, zoodat de betrekkingen koel, officiëel en uit de hoogte waren.

Met buitengewone wilskracht begon hij studie te maken van de behoeften van zijn land, en langzamerhand begon hij te bemerken, dat Engeland woord hield en dat er eerlijk en trouw voor het wezenlijk belang van Egypte werd gewerkt.

Toen, maar ook toen eerst, aanvaardde hij het verdrag en in het jaar van de toenadering tusschen Frankrijk en Engeland bracht Zijne Hoogheid een vriendschapsbezoek aan koning Eduard en werd in Londen gevierd en geëerd.

In den loop der vele gesprekken, die ik met den khedive heb mogen voeren, heeft hij mij zelf verzekerd, dat zijn betrekkingen met Engeland en de staatssecretarissen en andere raadgevers en ambtenaren van engelschen landaard uitstekend zijn, dat er van zijn kant, noch van dien der egyptische ministers eenige wensch bestaat, om het beschavingswerk op eenige wijze te hinderen en dat zij allen van ganscher harte aan de opleving van Egypte meewerken.

In het kort, ik kan verklaren, dat Zijne Hoogheid tevreden is over den tegenwoordigen staat van zaken, en zoolang Egypte niet een graad van beschaving heeft bereikt en niet machtig genoeg is geworden, om in alles op eigen wieken te drijven, geeft hij er verre de voorkeur aan, op Engeland te steunen en gebruik te maken van de lessen en raadgevingen der bekwaamste kolonisators ter wereld dan een steun te zoeken bij andere mogendheden.

Maar dit belet Abbas Hilmi niet, voor sommige van die mogendheden een oprechte vriendschap te gevoelen en een groote bewondering. Zijne Hoogheid heeft voor Frankrijk een voorkeur, die hij zeer beslist aan den dag legt, en elk jaar komt hij zijn vacantie te Divonne doorbrengen, waar hij dan rustig leeft als een gewoon, eenvoudig, deftig reiziger.

De volksfantazie, die ervan houdt, zich den khedive voor te stellen als wonend in een weelderig paleis, zijn dagen slijtend op gemakkelijke sofa's en divans tusschen zachte kussens, omringd door de vrouwen van zijn harem, terwijl hij lekkernijen eet en een narghileh rookt, die volksverbeelding zou zeer verrast wezen, als ze bespeurde, wat inderdaad een feit is, dat de khedive de man is, die het van alle Egyptenaren het drukst heeft. Men zou bijna geen gevulder en beziger leven kunnen leiden. Zijn officiëele plichten, het bestudeeren van wetten, het onderteekenen van besluiten, het presideeren van ministersvergaderingen, het verleenen van audiënties, het houden van recepties, het bijwonen van parades, al die bezigheden van een souverein zouden voor velen reeds een zware taak zijn. En toch vindt Z.H. buiten dat alles den tijd nog in het groot aan landbouw en veeteelt te doen, zijn grondbezit steeds uit te breiden, heele wijken te laten bouwen bij steden en dorpen in het open land, reuzenuitgestrektheden vruchtbaar te laten maken ter ontginning, en zijn groote goederen te doorreizen per spoor, met zijn jacht, in een dahabieh, per rijtuig, per automobiel, te paard of op een kameel en dan nog, om van zijn eigen penningen een spoorlijn te laten bouwen, die Egypte met Tripolis zal verbinden. En denk nu niet, dat de khedive zich slechts met de groote lijnen van al zijn plannen bezighoudt, aan anderen het meeste werk overlatend. Dat zou een groote dwaling zijn. Zeker, hij heeft raadgevers en dienaren van groote beteekenis, zooals het hoofd van de Daïra Kassa, het civiele huis, Z. Excellentie de Martino pacha, die hem allen groote diensten bewijzen, maar het blijft niettemin waar, dat de khedive alle quaesties grondig bestudeert tot in de kleinste bijzonderheden.

De voornaamste verblijven van den khedive zijn het paleis van Abdine in Kaïro, waar alle officiëele recepties plaats hebben; het Koebbehpaleis buiten op tien kilometer afstands van de stad, waar Zijn Hoogheid het grootste deel van het jaar met zijn echtgenoote, de Khedivah, en hun kinderen woont; het paleis van Alexandrië en eindelijk het paleis van Montazah aan zee op eenige kilometers van Alexandrië.

In het Abdinepaleis ontving Zijn Hoogheid mij voor de eerste maal in gezelschap van den heer W. Riddle, gezant van de Vereenigde Staten.

De tijden zijn voorbij, waarin onverschillig welke onbeteekenende consul zich in het paleis mocht vertoonen met een colbertje en slappen hoed, en vragen, om te worden ontvangen, of de khedive dat aangenaam vond of niet. Wat de zwakheid van Tewfik verdragen had, was met hem ten einde, en Abbas Hilmi wist van den eersten dag af, zich voor te doen als de souverein en zich als zoodanig te doen eerbiedigen. Onnoodig dus, hierbij te voegen, dat, als aan alle buitenlandsche hoven, de vreemde vertegenwoordigers hun verzoek om een audiëntie moeten richten tot den groot-ceremoniemeester, die het overbrengt aan Zijn Hoogheid, en dat men niet kan worden ontvangen dan in groot uniform of in rok en hoogen hoed.

Beneden in de vestibule staan de soldaten van de garde en haie geschaard en boven aan de groote, marmeren trap treffen we de ceremoniemeesters en kamerheeren, die ons geleiden in een eerste en ruime wachtzaal, en na eenige minuten zijn wij binnengetreden in de ontvangzaal, waar Zijn Hoogheid ons wacht. De vorst kwam glimlachend op ons toe met uitgestoken hand en na een krachtigen handdruk gingen we zitten, waarna de sigaretten werden opgestoken en het gesprek begon, eerst in het Engelsch, later in het Fransch. De khedive spreekt beide talen uitstekend, evenals het Duitsch en natuurlijk Turksch en Arabisch.

Zelfs zijn verbitterdste politieke vijanden erkennen gaarne de bekoring, die uitgaat van de persoonlijkheid van dezen vorst, en een van hen had mij gezegd: "O, zeker, ge zult hem innemend vinden, dat is het ware woord; hij is een charmeur en hij zal u bekoren, maar... wees op uw hoede!"

Ik ben in het geheel niet op mijn hoede geweest, en ik heb mij daar best bij bevonden.

Het gesprek was gekomen op de reis, die ik ging doen naar Soedan en op de afrikaansche spoorwegen; ik nam de vrijheid, Zijn Hoogheid te vragen naar den spoorweg, dien zij op haar kosten laat aanleggen tusschen Alexandrië en Tripolitanië, en ziehier het antwoord, dat ik ontving: "Het land, dat zich ten westen van Alexandrië uitstrekt, is aan de reizigers totaal onbekend. Men nam gewoonlijk aan, dat het een onmetelijke woestijn was, met enkele oasen op afstanden van twintig of dertig dagreizen voor kameelen.

"Toch kwamen een groot aantal karavanen door die woestijn, tenzij uit de bedoelde oasen of uit Tripolitanië en brachten allerlei soorten van producten naar Alexandrië.

"Ik besloot eens een lange reis te paard te doen door dit onbekende land. Tot mijn groote verbazing vond ik geen zandwoestijn, zooals ik verwachtte, maar een rijken grond, geschikt voor allerlei cultures. De aarde is niet zoo donker van kleur als die dichtbij den Nijl, maar het is duidelijk, dat ze ten tijde van de Romeinen een talrijke bevolking heeft gevoed.

"Wij hebben er ruïnen van steden en dorpen aangetroffen en boerenhoeven, die door Romeinen waren bewoond, en nu nog zijn er in die zoogenaamde woestijn genoeg steenen van al die ruïnen, om honderden dorpen te bouwen."

"Op een avond," zoo ging de Khedive voort, "sloeg ik mijn tent op aan den grooten weg. Ik kon eerst niet slapen en bleef ook verder den geheelen nacht wakker, doordat onafgebroken karavanen voorbijtrokken van beladen kameelen.

"En terwijl ik in de lange uren de langzame, zware passen van den kameelenoptocht hoorde en het gefluit van de geleiders, dacht ik aan de uren, dagen, weken, maanden, die door die Bedoeïenen op de wegen worden zoekgebracht, en ik zeide tot mijzelven: 'Maar als er dan zooveel zijn, zou men best een spoorweg voor hen kunnen aanleggen; dat zal een uitmuntende zaak wezen voor hen en waarschijnlijk ook voor de aanleggers.'

"En later toen ik naar den kant van Tripolitanië de rijke oasen zag, waarvan de voortbrengselen niet konden worden vervoerd; de dieren, die niet konden worden verkocht en die gevoed werden met vijgen en dadels, waarmee men niet wist, wat aan te vangen, was spoedig mijn besluit genomen; ik zette mij terstond aan het werk en begon met den aanleg van dien spoorweg."

"En is Uwe Hoogheid tevreden over den uitslag?"

"Tevreden? Maar ik ben er verrukt van. Ik heb nog slechts een honderdtal kilometer aangelegd; welnu, wat de koopmansgoederen aangaat, hebben wij in het eerste jaar een millioen kilogrammen vervoerd; dit jaar (1905) zullen we boven de zes millioen komen. Ik was begonnen, een lijn met smal spoor te bouwen, maar dat was een vergissing, en ik stel er thans een lijn met gewone spoorbreedte voor in de plaats. Naarmate we vorderen en de oasen naderen, zal de handel steeds levendiger worden. Onlangs heb ik een drukke markt bijgewoond in het dorp, dat eindpunt was van den spoorweg. Nu, daar waren karavanen gekomen uit Tripolis, en om u een denkbeeld te geven van de belangrijkheid van de markt, wil ik u enkel zeggen, dat er 22 000 schapen waren!

"De samenkomst was bij uitstek schilderachtig, want men zag er Bedoeïenen in den allerprimitiefsten staat. Veel van de overeenkomsten, die werden gesloten waren gewone ruilhandel, daar deze menschen zeer weinig geld hadden. Men kon er nog een paard koopen voor 50 francs. Mijn bedoeling is, de bevolking aan te moedigen, om in de dorpen, waar de trein passeert, op vaste dagen week- en jaarmarkten te openen."

"En tot hoever denkt Uwe Hoogheid den spoorweg voort te zetten?"

Toen antwoordde mij de khedive met een opgewonden, van hoop en energie stralend gezicht:

"Tot waar toe? Maar mettertijd natuurlijk tot aan de grens van Tripolitanië, en ik hoop wel, dat er dan in Tripolis menschen zullen zijn, die zich verstandig genoeg toonen en genoeg ondernemingsgeest hebben, om een spoorlijn aan te leggen, die zich aansluit bij de mijne. Denk eens aan, dat men dan in Egypte zal kunnen komen na een overtocht van twaalf uren van Messina naar Tripolis in plaats van de drie dagen, die men nu noodig heeft om van Brindisi naar Alexandrië te komen, of van de vijf dagen van Marseille naar diezelfde haven. Een luxetrein zou hen van Tripolis naar Kaïro vervoeren. Die dienst zou twee of drie keeren per week kunnen loopen en ook wel dagelijks in het drukke seizoen."

Over spoorwegen sprekend, werd de khedive ertoe gebracht, ons een anecdote te vertellen in zake de reis van zijn zuster, de prinses Hadidja Hanoem, die met haar man prins Abbas de tentoonstelling te Saint Louis had bezocht het vorig jaar.

"Ik heb altijd zelf," zei de vorst, "den grootsten lust gehad, naar de Vereenigde Staten te gaan en ik zou nooit vermoed hebben, dat de prinses, mijn zuster, er nog eerder zou komen dan ikzelf. Zij heeft mij een prachtige collectie photografieën meegebracht, waarvan verscheiden in buitengewone omstandigheden zijn genomen. De prinses had het ongeluk, een spoorwegramp mee te maken, en in plaats van het hoofd te verliezen, zooals bijna allen, die met haar te zamen waren, photografeerde ze het tooneel! En even koelbloedig was zij, toen ze aan boord was van een petroleumboot, die in brand vloog!"

Dat is heusch interessant. De kalmte en de tegenwoordigheid van de egyptische prinses zijn kenschetsend voor het land, waar zooveel vrije en sterke vrouwen wonen.

Niet alleen naar de grens van Tripolitanië richt zich de jonge en sterke energie van den khedive. In het hartje van Kaïro wil hij aan zijn onderdanen voordoen, hoe ze moeten bouwen.

Ik heb er al op gewezen, dat hier overal een bouwwoede de wereld schijnt te hebben aangegrepen. Aan alle kanten verrijzen nieuwe gebouwen, maar daar de eigenaars zooveel mogelijk geld willen verdienen, wordt er slecht gebouwd en goedkoop, wat, daar er hooge huren worden betaald, groote winsten oplevert van 12 tot 15 procent. Maar hoe lang zullen die slechte huizen duren?

Nu heeft Zijne Hoogheid besloten, een zoo goed als geheel nieuwe wijk te doen verrijzen, maar niet van kartonnen huizen. De woningen, of eigenlijk de groote woningpaleizen, die thans op haar gronden worden opgetrokken, zullen de eerste echt moderne huizen in Kaïro zijn, soliede en voorzien van alle moderne gemakken, lift, bad, telefoon enz. Maar zij zullen slechts 6 of 8 procent opbrengen, echter met de kans, dat ze dien interest langen tijd achtereen zullen opleveren, lang nog nadat de slechte krotten zullen zijn ingestort met hun 15 procent.

Korten tijd na mijn terugkeer uit Soedan had ik een audiëntie bij den khedive in Abdine, het paleis in Kaïro, en zijn Hoogheid had de vriendelijkheid, mij uit te noodigen, een namiddag met haar in het Koebbehpaleis door te brengen.

Per rijtuig begaf ik mij erheen na een heerlijk ritje van ongeveer een uur, en nauwelijks had ik de treden van de marmeren stoep achter mij, of ik zag Zijn Hoogheid mij te gemoet komen zonder eenige plechtigheid, met uitgestoken hand, terwijl hij de andere in het zakje van zijn blauw flanellen vest hield.

"Blij, u weer te zien in mijn echt home!"

En mij medenemend naar den salon, waar we op een groote sofa plaats namen, voegde Z.H. erbij: "Want zooals u weet, woon ik hier, niet in Kaïro. Het Abdinepaleis dient alleen voor officiëele recepties; daar heb ik nooit gelogeerd. Zelfs na mijn groot jaarlijksch bal kom ik midden in den nacht altijd hier terug. Ik houd veel van buiten, en hier vind op een paar pas afstands van de stad en de ministeries rust en kalmte, zonder étiquette en officiëele pose. Hier leid ik het leven van een landedelman."

Op een tafel onder zijn bereik lag een groot plan van de bezitting, en daarop werd mij de toer aangewezen, die wij gingen maken. In een zeer wijden kring behooren alle gronden aan den khedive, die op eenigen afstand, aan de oevers van het Ismaïliakanaal een andere prachtige bezitting heeft. Het was zijn droom geweest, die met het domein van Koebbeh samen te voegen; maar de waarde der terreinen is zoo toegenomen, en dat wel zoo ongeloofelijk snel, dat het onmogelijk is geworden.

"Die gronden," legde Z. H. uit, "zijn de beste van Egypte. Ik heb de mijne gekocht eenige jaren geleden voor 759 francs de feddan; tegenwoordig kan ik geen feddan krijgen van de aangrenzende onder 5000 francs. Een feddan is ongeveer 4000 vierkante meters.

"U heeft zeker wel opgemerkt," vervolgde de khedive, "dat er in Egypte noch oude paleizen, noch burchten en kasteelen zijn, met uitzondering altijd van het officiëele Abdinepaleis in Kaïro, en ik zou u niet kunnen spreken over de woningen van mijn voorvaderen. Inderdaad wilde het gebruik, dat de paleizen, gedurende hun leven door mijn voorvaderen bewoond, altijd buiten gelegen, na hun dood werden verwoest. Deze bezitting is de eenige, die bewoond is geweest sinds den tijd van Ibrahim pacha, maar het was maar een klein huis. Ik heb het groote paleis laten oprichten, dat ge hier thans ziet en alle bijgebouwen, die ik u ga toonen."

Van boven van de stoep af zag ik den tuin onderstboven gehaald, met groote gaten, hoopen steenen en een honderdtal mannen bezig met houweelen en spaden.

"Ik laat mijn geheelen tuin omwerken," legde de khedive uit, "en ik heb daartoe een groot meester in de tuinkunst laten overkomen, den heer André uit Parijs, die reeds als zoodanig groote bekendheid heeft verkregen."

Beneden aan de trap wachtte ons een bekoorlijk mandenwagentje, overdekt door een grooten parasol, en bespannen met twee verrukkelijke pony's. Zijne Hoogheid greep de teugels en ik nam naast haar plaats, en, vergezeld door een enkelen groom, die achterop zat, reden we weg in vluggen draf.

Wij volgden een lange, schaduwrijke laan van oude boomen, aan welker eind een kleine moskee lag, welker witte minaret sierlijk tegen den blauwen hemel afstak. Wij traden een mooien tuin binnen, en zagen daar middenin een allerliefst huis met een vroolijk en vriendelijk voorkomen.

"Ik breng u," zei de vorst, "naar de bijzondere school, die ik heb gesticht en waar ik gratis een tweehonderdtal kinderen laat opvoeden. De leertijd duurt vijf jaren, en als ze de school verlaten, verzeker ik hun dadelijk een positie bij het een of andere van mijn eigendommen. In een paar woorden ik vorm hier de beambten en dienaren, die ik noodig heb."

Nooit heb ik een school gezien, die zoo frisch en luchtig was ingericht, en zoo vroolijk en zonnig was gelegen. Het was eenvoudig verrukkelijk. De licht geschilderde wanden waren bedekt met schilderijen en teekeningen, en lucht en licht drongen binnen door verbazend groote open vensters. In de eerste en de tweede klasse dragen de kinderen, allen met de fez op het hoofd, witte, egyptische kleederen, terwijl in de drie andere klassen de reeds veel grooter scholieren uniformen hadden van wit linnen met vergulde knoopen.

Alles zag er zoo smakelijk en netjes uit, dat men die jongens zou gaan benijden. Ze zien er trouwens ook recht tevreden en intelligent uit.

Het leerplan is er speciaal op ingericht, goede landbouwers te vormen en opzichters. Er wordt natuurlijk lezen, schrijven en rekenen geleerd, dan gezondheidsleer van mensch en dier, landmeten en dergelijke vakken.

Het interessante ondernemen strekt Zijn Hoogheid tot eer en is ook een glorie voor de leeraars, die er blijkbaar op gesteld zijn, het khediviale werk te doen slagen.

Toen we weer in het rijtuigje zaten, bezochten we achtereenvolgens de groote dépots voor den katoenoogst en de havenschuren, de archieven der bezitting, den brandweerpost en eindelijk in ponygalop de groote paardenstoeterijen, waar een tallooze menigte paarden worden opgevoed, waaronder ik prachtige, jonge dieren van zuiver arabisch bloed zag.

Verderop liepen in de groene velden veel mooie, zwitsersche koeien en beesten van Jersey evenals ghamoesahs, inlandsche runderen, die men hier haast niet zou herkennen, als men zich de magere, stumperige ghamoesahs herinnert van arme boeren.

Toen wij de Koebbehbezitting verlieten, ging een gendarme te paard voor ons uit, en zoo reden we vlug door het land, dat ons scheidde van het tweede domein.

In de dorpen, die we doorgingen, liepen de bewoners uit, om hun souverein te groeten met dien sierlijken groet, die bestaat uit een buiging, met de hand op het hart.

Wij kwamen ten laatste bij een groot, hoog gelegen terrein, waar een reusachtige steenfabriek lag, en Zijn Hoogheid verklaarde mij: "Dit terrein is zoo hoog, dat het onmogelijk was, er eenig irrigatiewerk tot stand te brengen, en het was altijd beschouwd als tot niets nut. Toen ik echter had ontdekt, dat de grond uitstekend geschikt is voor het maken van steenen, heb ik de terreinen gekocht en ik laat ze nu afgraven tot op het niveau der omliggende gronden, door van de overtollige aarde gebruik te laten maken voor het bakken van steenen, die wij veel meer opbrengen dan de kosten van terrein en arbeid te zamen."

Wij reden langs keurig onderhouden velden, katoenaanplantingen, waarbij de khedive mij uitvoerig de cultuur uitlegde, en kwamen zoo bij het kanaal van Ismaïlia, waar Z. H. een groote stoompomp heeft laten zetten, die overdag naar de domeingronden water voert en electriciteit bij nacht.

En eindelijk na een bezoek te hebben gebracht aan de dorpjes, gebouwd voor zijn boeren, stonden we op den terugweg stil bij den tuin, waar een reuzenboom, uitgeput van ouderdom, zijn takken uitspreidt, waarvan vele dood waren. Dat was de Boom der Heilige Maagd, een boom, waaronder, naar de overlevering wil, de Heilige familie moet hebben uitgerust.

In het paleis teruggekeerd, werd ons ijs voorgezet, dat Z.H. verkiest boven thee, en nog een uur bleef ik onder de bekoring van het gesprek van den vorst. Hij deed mij verhalen, waarin historische herinneringen werden opgehaald, en ik moest zijn fijnen geest bewonderen en de ruime, liberale opvattingen van dezen oosterschen vorst.

Eenigen tijd later noodigde Z. H. mij uit, met haar een zeer belangwekkend uitstapje te doen. Om negen uur in den morgen vertrokken we van het paleis te Koebbeh en reden naar het kanaal van Ismaïlia, waar een der stoomjachten van Z. H. ons afwachtte. Wij begaven ons op dek, en de khedive nam het commando op zich.

"Dit kanaal," merkte de vorst op, "gaat van Kaïro naar Ismaïlia, waarheen het het zoete water van den Nijl brengt. Als zooveel andere groote en belangrijke werken, heeft het zijn ontstaan te danken aan het initiatief van fransche ingenieurs. Die hadden zelfs gedacht, dat men, door het dieper en breeder te maken, Kaïro kon verheffen tot den rang van zeehaven, O, wat zijn er in dit land veel dingen, die wij aan den ondernemingsgeest en de werkkracht van Franschen te danken hebben! Ik berekende onlangs, dat de materiëele belangen van Frankrijk in Egypte meer dan drie milliarden vertegenwoordigen... En het land heeft dat alles in den steek gelaten voor Marokko, waar het geen belangen heeft!"

Terwijl hij sprak, keek ik den zoo eenvoudigen en zoo weinig oosterschen vorst aan, die, gekleed in een engelsch costuum, met gele schoenen, zonder eenige kostbaarheid, zonder decoraties er geheel uitzag als een volmaakte gentleman, tevens op dit oogenblik een volleerd jachtbestuurder.

Wij voeren voorbij de gevangenissen van Aboe Zabad, het grootste bagno van Egypte, waar vele honderden dwangarbeiders, nauwlettend bewaakt door soldaten, beziggehouden worden met steenen kloppen. Inderdaad zijn er onder het woestijnzand steengroeven, waarvan de opbrengst in Kaïro en elders wordt verkocht.

De dwangarbeiders waren bij de nadering van het khediviale jacht in een rij langs het kanaal opgesteld, met afgewend gelaat, want die ongelukkigen hebben het recht niet, den souverein te zien voorbijgaan. Alleen de bewakers maken front en brengen den militairen groet.

Toen we het bagno voorbij waren, gaf de khedive het bevel weer over aan den kapitein en deed mij naast zich neerzitten.