Part 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
HET MODERNE EGYPTE
WAT ER TE ZIEN EN TE HOOREN VALT TUSSCHEN KAÏRO EN FASCHODA.
Naar het Fransch van A. B. de Guerville.
Toen ik den vorigen herfst in Caux vertoefde, dat ideale Alpenstationnetje boven Territet aan het meer van Genève, ontmoette ik daar een mijner vrienden uit de jeugd, een diplomaat, die tien jaren van zijn leven in Egypte had doorgebracht.
"Ik heb uw 'In Japan' gelezen," zei hij, "en nu ben ik besloten, naar het land der chrysanthemums te gaan; ga met mij mee, om je oude liefde terug te zien!"
"Neen, mijn waarde," antwoordde ik, "ik ga integendeel naar het land, waar jij zoo vol van bent, niet naar de moesme's, maar naar de mummies."
"Naar Egypte? Wat benijd ik je! Dat is een heerlijk winterverblijf. Maar weet wel, dat je er niet enkel mummies ontmoet; wat de vrouwen aangaat,... maar dat zul je zelf wel zien! Ga je er weer een boek over schrijven? Ja? Dan benijd ik je niet langer; dan beklaag ik je uit den grond van mijn hart, want die egyptische quaestie, daar is eenvoudig niet uit te komen; er bestaat geen ingewikkelder vraagstuk."
"Ik lach wat met de egyptische quaestie! Ik ga om het land; de bewoners, hun zeden..."
"Goed zoo! Maar ik tart je, om daarover te spreken, zonder te roeren aan de duizend en één lastige vraagstukken van financiëelen en politieken aard, waar je in Egypte dadelijk tot over de ooren in zit."
Mijn vriend had gelijk. Ik had eigenlijk geen voorstelling van de zware taak, die ik op mij had genomen. In enkele maanden Egypte te willen begrijpen en in een enkel boekdeel zijn roemrijk verleden, zijn krachtig en werkzaam heden, zijn hoopvolle toekomst te willen beschrijven, is een onbegonnen werk. Ik wil daar dan ook niet mee beginnen. Ik ga maar indrukken geven, beelden van mijn reis van Kaïro naar Faschoda, en als ik er nu en dan eens een beschouwing aan toevoeg over staatkunde en financiën en godsdienst, dan heb ik uit de beste bronnen geput, namelijk uit wat ik hoorde van de hoogste egyptische ambtenaren; van Engelschen, Franschen en anderen, allen mannen van talent en gevoel, die in de paleizen, de ministeries, de legaties, de weinige groote industriëele ondernemingen, onafgebroken werken aan den opbouw van Egypte.
En kon ik nu maar twintig deelen schrijven in plaats van twintig hoofdstukken!
"Wat hoor ik, je gaat naar Egypte onder duitsche vlag!" zei een mijner vrienden te Marseille, en voegde er somber aan toe: "Waar moet het heen? Eerst laten wij, Franschen, Egypte aan de Engelschen over, en nu laten we de Duitschers den baas spelen in de Middellandsche Zee, en die duivelsche Teutonen zijn overmoedig genoeg, om een expressen dienst van paketbooten te openen tusschen Alexandrië en Marseille!"
Het ging mijn braven Marseillaan werkelijk aan het hart, en hij had er reden voor. Inderdaad, terwijl de telkens terugkeerende werkstakingen de groote fransche havens met ondergang bedreigen en allen ondernemingslust fnuiken, werken de Engelschen, de Duitschers, de Italianen onafgebroken, om zich daar te doen gelden, waar de Franschen nog heeren en meesters waren.
Door het in het leven roepen van den nieuwen dienst tusschen Marseille en Alexandrië, met een oponthoud van achttien uren in Napels, en door daar twee van zijn mooiste stoombooten, de "Schleswig" en de "Hohenzollern" voor te bestemmen, heeft de Norddeutsche Lloyd van Bremen weer een van zijn meesterstukken volbracht.
Omdat ik het comfort van die nieuwe lijn had hooren roemen, wenschte ik er kennis mee te maken, en ik heb bevonden, dat de lof niet overdreven is geweest.
Na een vijfdaagsche reis met weinig goed weêr wierp de "Schleswig" in de haven van Alexandrië het anker uit. Dadelijk waren wij omringd door een massa booten met Egyptenaren, die vervaarlijk schreeuwden, waarbij ze met niet minder kracht door Turken en Arabieren in hun eigen booten werden ondersteund. Binnen enkele seconden was het schip bezet door een bonte menigte van gidsen, tolken, hotelportiers, schippers, agenten van reisbureau's en dergelijke personen. Een babylonische spraakverwarring heerschte er aan boord, en de arme verschrikte toerist ziet met ontzetting, hoe vijftig bruine of zwarte duivels zich storten op zijn bagage. Maar dan verschijnt op het rechte oogenblik iemand van de firma Cook, die met een stentorstem u toeroept, dat ge u niet ongerust behoeft te maken, want dat hij zich met alles belast. Daar daagt op het dek een kolossale Arabier op met een staf van sterke dragers, wier bovenlijf in een rood buis is gestoken, waarop in witte letters: "Thos. Cook and Son".
En als door een tooverslag is de orde hersteld, als een generaal op het slagveld geeft de agent van de heeren Cook zijn bevelen aan de dragers, staat beleefd de reizigers te woord met uitleggingen en verklaringen en als men zich ongerust maakt over de douaneformaliteiten, glimlacht hij en zegt geruststellend: "Er is geen douane voor u. Wij hebben de speciale vergunning verkregen, alle bagage der reizigers te mogen laten passeeren, zonder dat zij geopend wordt. U heeft ons slechts uw recu's ter hand te stellen en u vindt uw bagage òf in het hotel, dat u ons zult opgeven òf aan het station, gereed om met u naar Kaïro te reizen." De directeuren van dit reisagentschap zijn niet ten onrechte de niet gekroonde koningen van Egypte en het Oosten genoemd.
Moest niet keizer Wilhelm op zijn reis in Palestina zich met al de zijnen in handen stellen van de heeren Cook, als ieder gewoon toerist? De witte barken van het agentschap omringen nu de "Schleswig" en met al onze bagage waren we er weldra in geïnstalleerd.
Om twaalf uur bestormden wij de express naar Kaïro, en de luxetrein, van alle gemakken voorzien, bracht ons in drie uren naar de hoofdstad door groote, goed bebouwde vlakten en wijde maïsvelden. Men zou zich kunnen verbeelden, in het Westen van Amerika te zijn, als zich niet nu en dan de kolossale gepluimde palmen aan het oog vertoonden. Dan waren er dorpjes van gele leemen hutten met platte daken, waar stroo op gedekt was en die meteen dienden voor kippenloop en geiten-, schapen- en varkensstallen.
Op de slechte wegen gingen kameelen met zware lasten langzaam voort in gelijkmatigen pas met den kleinen kop omhoog op den langen hals. Hun logge gang doet nog te opvallender den gang van de egyptische ezels uitkomen, dien sierlijken, vluggen gang, die hen zoozeer doet verschillen van de broeders in Europa.
En toen Kaïro! Welk een veranderingen in weinige jaren! Men praat van amerikaansche steden, die snel als paddestoelen verrijzen, maar wie heeft ooit een oude oostersche stad zich zoo snel zien verjongen en zoo volkomen zien ontwaken tot een nieuw leven als Kaïro na 1882, toen Engeland de stad als met het stokje van een tooverfee aanraakte? De vorderingen zijn zoodanig, dat men na ieder vijftal jaren weer veel veranderingen en verbeteringen aantreft.
Alleen de hoofdstraat, Shariah-Kamel en het Operaplein zijn weinig veranderd. Dat is nog altijd het drukste hoekje van de stad; daar verdringt zich van den morgen tot den avond een dichte, bonte menigte.
Het zou niet mogelijk wezen, iets schilderachtigers te bedenken, dan dit levend en bewegend panorama, waar het Oosten en het Westen samenkomen en zonder eenigen schok op de natuurlijkste manier van de wereld ineensmelten.
Het oog wordt allereerst getroffen door tallooze roode puntjes, waar balletjes van zwarte zijde langs dansen. Dat is de fez, die op zooveel verschillende hoofden rust, hoofden verschillend van type en ras. Men ziet de heeren ver in de meerderheid, en zij hebben geen andere oostersche kenmerken dan die fez, want ze kleeden zich naar europeeschen trant, en velen naar den allerlaatsten smaak.
In de menigte ziet men negers, Arabieren in wijde gewaden, joden met onrustige oogen, eunuchen, knappe egyptische soldaten, en onder al die oosterlingen toeristen uit aller heeren landen, die alle mogelijke talen spreken, vrouwen uit de groote en de halve wereld, en hier en daar een gesluierde oostersche, die stil en geheimzinnig zich voortspoedt.
De terrassen voor de koffiehuizen zijn alle bezet, en men drinkt er de eeuwige turksche koffie en rookt de eeuwige egyptische sigaretten. Maar praten kan men moeilijk op straat, want de straatverkoopers maken een heidensch leven. Ze verkoopen van alles, loterijbriefjes, briefkaarten, waslucifers, dadels, couranten, honig en zelfs vleesch en visch. Er zijn vertooners van geleerde aapjes, arme Italianen, die afschuwelijke violen mishandelen, een leger schoenpoetsers, en eindelijk, juist als voor het Grand Hotel te Parijs, gidsen, die op klanten uit zijn en die u voor een paar piasters alle merkwaardigheden van Kaïro willen laten zien.
Op de buitenwegen is het al even druk. De victoria's, met vlugge paarden bespannen, de karretjes, die als omnibussen voor de inboorlingen dienst doen en vol mannen of vrouwen en kinderen zitten, de wielrijders, de auto's, een oneindig aantal ezels met allerlei personen en goederen beladen, fabelachtig bepakte kameelen, dat alles warrelt er dooreen.
Met luidklinkend gebel vertellen u de electrische trams, dat Kaïro een moderne stad is. Die trams zijn van een belgische maatschappij, die veel geld verdient, maar niet veel zorg besteedt aan het gemak der reizigers. De wagens zijn vuil en de conducteurs oneerlijk. Er is een afgesloten gedeelte voor de haremdames, maar vreemde dames mogen er geen gebruik van maken. Te gaan zitten naast een stoffigen neger is niet aangenaam.
In de Shariah-Kamel, op het Operaplein en in aangrenzende streken heeft men mooie winkels. De juweliers hebben prachtige uitstallingen; er zijn veel parfumeriewinkels en nog meer banketbakkers. Noga en turksche lekkernijen verkoopt men er wel; maar ge moet die zoeken achter in den winkel; de voorgevel is voor zwitsersche chocolade; de Gala Peter en de andere melkchocoladen hebben Egypte en zijn liefde voor zoetigheid voor zich veroverd.
Maar zoo dan al dat schilderachtige hoekje van Kaïro niet veranderd is, het overige deel van de stad doet het wel. De bevolking schijnt aangegrepen door een dolle haast, om te bouwen. Reuzengroote, in appartementen verhuurde huizen, groote paleizen en prachtige hôtels vormen nieuwe wijken, waar tien jaren geleden slechts tuinen werden gezien.
Egypte beleeft tegenwoordig een tijdperk van ongewonen bloei. Iedereen verdient geld als water en daar de waarde van huizen en grond dagelijks toeneemt, gaat ieder, die over kapitaal beschikt, aan het bouwen.
Tot voor weinige jaren gaven Egyptenaren van de middelklasse nog in het geheel niet om comfort; gezinnen van twintig en meer personen woonden in een paar vertrekken in vuile wijken. Nu is dat alles veranderd; de familiën splitsen zich; de getrouwde kinderen willen op zichzelf wonen en geven de voorkeur aan de nieuwe, gezonder en frisscher wijken.
Duizenden, die op den grond sliepen in hun vertrekken naar turkschen trant, willen thans europeesche ledikanten hebben, en vorken en messen vervangen met voordeel vinger en duim.
De snelle vlucht, die de stad heeft genomen, gaat nog onophoudelijk voort en dringt zelfs tot de omringende woestijn door, op welker verovering energieke kapitalisten het voorzien hebben. Boghos Nubar pacha, zoon van den beroemden staatsman, staat aan het hoofd van een maatschappij, die groote terreinen in de woestijn heeft aangekocht voor de poorten van Kaïro, om daar een geheel nieuwe wijk te bouwen, een stadje, zou men het kunnen noemen.
In den loop van hetgeen volgen zal, moet ik zoo dikwijls uitweiden over de bekoring van Kaïro als winterverblijf, en ik zal het verblijf daar zoo van harte aanbevelen aan allen, die het slechte jaargetijde willen doorbrengen in een heerlijk klimaat en in omstandigheden, waarin het hun aan niets ontbreekt, wat comfort aangaat, in een land, rijk aan historische herinneringen en vol kunstschatten, dat ik hoop wel gerechtigd te wezen, om, zonder dat men mij kan verwijten, Egypte onrecht te doen, den wensch uit te spreken naar een verbetering, waardoor Kaïro bevrijd moge worden van de plaag, die een geesel is voor het land der Farao's, het stof.
Als er tegenwoordig niet genoeg water in de stad beschikbaar is, om die kwelling voldoend te bestrijden, laat men het dan van elders laten komen, of laat men andere middelen aanwenden, dat er een eind kome aan die opwolking van stof en vuil, die zoo hoogst onaangenaam zijn en bovendien gevaar meebrengen.
Als er geen stofplaag meer in Kaïro zal wezen en als er riolen zullen zijn en de trams zindelijk zullen wezen, de apothekers geen afzetters en de koetsiers niet brutaal zullen zijn en niet wreed voor hunne arme paarden en het leven over het algemeen iets minder duur, dan zal het in den winter een aardsch paradijs mogen heeten.
Gedurende de maanden, dat het seizoen duurt, zijn de hotels het middelpunt van het mondaine verkeer, want in dat opzicht is Kaïro veel meer een badplaats dan een hoofdstad. Het moet gezegd, dat die hotels ook inderdaad aantrekkelijk zijn. Ze zijn grootsch en vereenigen westersch comfort en oostersche weelde. Nog slechts enkele jaren geleden telde Kaïro maar een enkel hotel, waar men weelde aantrof, namelijk het Shepheard's hotel in het midden der stad in de heerlijke tuinen, die oorspronkelijk hadden behoord bij het paleis van Kiamil, dochter van Mohammed Ali. Daar kwamen historische personen, beroemdheden en diplomaten samen, en de naam is in de heele wereld bekend. Het lot van het hotel berust tegenwoordig in de handen van een energieken man, den heer Charles Baelher, die het vak grondig kent en ook bestuurder is van het Ghezireh Palace. Die beide prachtige hotels zouden voor den roem der hotels in de stad kunnen volstaan, maar de heer Georges Nungovich was ondernemend genoeg, een even groot en mooi te bouwen, en het Savoy hotel verrees. Die drie verdeelen nu de deftige en groote wereld onder elkaar, en de souvereinen en prinsen, die Egypte bezoeken, stappen er af.
De heer Nungovich heeft nog twee andere groote hotels in Kaïro, het Continental op het Operaplein en het Hotel d'Angleterre, dat meer ter zijde ligt en kalmer is, maar even modern. Nungovich is een zeer bekende figuur in Kaïro. Evenals de amerikaansche milliardairs heeft hij zijn loopbaan onder aan de ladder begonnen in de hall van een hotel. Hij verbergt dat niet, maar is er integendeel trotsch op. Enkele jaren later vertrouwden engelsche officieren, die zijn intelligentie en zijn eerlijkheid hadden opgemerkt, hem de leiding op in hun cantine. Nog iets later vinden we hem terug als bestuurder van het hotel d'Angleterre, en op dien tijd, meen ik, bewees hij aan het engelsche leger een dienst, dien de officieren nooit hebben vergeten en die hem, als het ware, stempelde voor den officiëelen hotelier der officieren van Zijne britsche Majesteit. Ten gevolge van het een of andere voorval verscheen onverwacht een engelsch regiment in Kaïro. Er was geen enkele schikking getroffen om het te ontvangen en geen kwartier gemaakt voor de officieren, die niet wisten, waar te gaan logeeren. Aan het station vonden ze den heer Nungovich, die den kolonel verklaarde, dat hij in het Hotel d'Angleterre kamers in gereedheid had laten brengen voor alle officieren van het regiment.
Gedurende de weinige dagen, dat ze er vertoefden, werden de officieren koninklijk onthaald en toen ze bij hun vertrek hun nota's vroegen, werd hun geantwoord: "Die zijn er niet. De heer Nungovich is al te gelukkig, de officieren van Zijne Majesteit te hebben ontvangen."
Talrijk zijn de gekroonde hoofden, die in de laatste jaren naar Kaïro zijn gekomen en die den heer Nungovich met hun vertrouwen hebben vereerd. Natuurlijk is er naijver tusschen de hotels Baelher en Nungovich, maar die naijver doet hun geen kwaad en hij is uitmuntend voor de vreemdelingen, want in alle doet men daardoor het onmogelijke om den lof der bezoekers te verdienen. Trouwens de wedijver is meer denkbeeldig dan werkelijk, en heeft ook eigenlijk thans geen reden van bestaan meer, nu alle hotels een verzekerde toekomst hebben en een goeden naam, terwijl er aan de vier hoeken van Kaïro andere groote hotels worden gebouwd, om aan de nu reeds "ouden" concurrentie aan te doen.
Inderdaad kunnen alle hotels niet meer den enormen toevloed van vreemdelingen bergen, Europeanen en Amerikanen, die den winter in Kaïro komen doorbrengen. Verleden jaar wist men niet meer, waar ze te bergen, en men heeft mij gezegd, dat op één oogenblik oude wagons-lits als geïmproviseerde hotels dienst moesten doen.
Die vreemdelingenstroom, die Egypte overstroomt, behoort tot wat de hoteliers een "clientèle de grand luxe" noemen. Er is inderdaad geld, veel geld noodig, om er den winter te slijten, en diegenen, die uit alle oorden van de wereld komen, om van het heerlijk klimaat te genieten, hebben er hun zakken vol van en geven met gulheid uit. Er is onbeschrijfelijk veel weelde, een onafgebroken opeenvolging van bals en feesten van allerlei aard.
Bovendien is er in de lucht van Egypte iets opwekkends, dat als tot weelde-uitgaven en levensgenot prikkelt.
Buiten de groepen van de zeer rijke en deftige hotels kent men in Kaïro nog de officiëele, de engelsche en de inlandsche wereld. Die laatste is moeilijk te omschrijven en bestaat uit zeer rijke en zeer gastvrije menschen, Grieken en Levantijnen vooral, die sinds tal van jaren in Egypte wonen en de groote handels- en industrieondernemingen in handen hebben evenals den geldhandel. Ze bezitten prachtige huizen, ware paleizen, en leven in de grootste weelde. De oorsprong van verscheiden dier fortuinen kan niet al te veel navraag lijden; maar hij is dan ook dikwijls achter een dikken sluier verborgen, die alleen een enkele maal eens wordt opgeheven door den een of anderen ouden ingewijde.
De engelsche wereld, nu eens zonder de officiëele personen beschouwd, is talrijk en trekt den neus op voor de familiën uit het land zelf. Voor de Engelschen zijn Egyptenaren, Grieken, Turken, Armeniërs allen negers. Ik maak geen grapjes, en hoe vreemd het moge schijnen, ontwikkelde, verstandige en alleraardigste Engelschen zullen van een Griek praten als van "that black man" of "that nigger".
Zelf weer door de officiëele wereld niet voor vol aangezien, leeft het engelsche uitgaande publiek als op een eilandje, waar ze het best maken met al hun sport. De Engelschman rijdt er paard, vaart met zijn jacht, doet aan voetbal, tennis, polo en is tevreden en welvarend.
Er is in de wereld geen verrukkelijker weg dan de breede en mooie avenue, die Kaïro met de pyramiden van Ghizeh verbindt aan den ingang der woestijn. De weg is een tiental kilometers lang en aan beide kanten staan prachtige en reusachtig groote boomen. Het is er op alle uren van den dag druk. Des morgens vertoonen er zich de heeren en de dames te paard; dan ook de ezels en muildieren en de lange rijen kameelen, die naar de markt gaan of ervan terugkeeren. In den namiddag rijdt er het elegante Kaïro in rijtuigen of automobielen, en aan den linker kant van den weg brengt de electrische tram het moderne, luidruchtige, vervelende element. Die breede weg werd in enkele weken door den khedive Ismaël aangelegd in den tijd van de opening van het Suezkanaal, opdat keizerin Eugenie, voor wie ook het rijke Ghezireh Palace was gebouwd, in haar rijtuig tot aan de beroemde pyramiden zou kunnen rijden.
O, die pyramiden, wat een dingen hebben zij al niet gezien in de veertig en meer eeuwen vóór de heldendaden van Bonaparte en daarna! Egyptenaren, Grieken, Turken, Franschen, Engelschen hebben in de buurt om beurten hun tenten en hun vlaggen geplant, en tegenwoordig komen de toeristen zich er verbroederen in een pelgrimstocht van nieuwsgierigheid en pret.
Men gaat erheen om verschillende redenen. Vooreerst omdat het de Pyramiden zijn, die men moet hebben gezien, om over de steenkolossen te kunnen meepraten. In de tweede plaats omdat ze een aangenaam doel zijn voor een uitstapje en dat de woestijn met haar opwekkende, zuivere lucht een groote bekoring uitoefent. Enkelen komen er, om zich te laten photografeeren met de Pyramiden, om aan de ongeloovigen overtuigend te bewijzen thuis, dat ze er wezenlijk geweest zijn; maar helaas, hoevelen van hen zijn gefopt geworden door den photograaf, die maar een pseudo-photograaf was en wiens toestel een ledig sigarenkistje was met een zwarten doek erover! Na dan een poos geposeerd te hebben, gaf men zijn naam en adres op, offerde zijn tien gulden, om eenige dagen later te vernemen, dat men alles bedorven had door een zenuwachtige beweging!
De nabijheid der Pyramiden wordt onveilig gemaakt door de troepen Bedoeïenen, die wilden uit de woestijn, die van roof en afzetterij leven. In hun lange jurken, met een tulband op het hoofd en goed gewapend, komen ze op de toeristen af en doen allerlei aanbiedingen voor een bezoek aan den Sfinx en de Pyramiden of voor de beklimming van deze laatste.
De beklimming van de Groote Pyramide is moeilijk en vermoeiend. De snelheid, waarmee de Bedoeïenen er tegen opklauteren, is werkelijk phenomenaal. Een menigte toeristen laten er zich toe verleiden. Twee Bedoeïenen zijn gewoonlijk voldoende, om er een man tegen op te hijschen; maar ze ondernemen het werk met hun drieën, als er een dame in het spel is.
Aan den voet der Pyramiden bij den ingang der woestijn vindt men een der beste egyptische hotels, het Mena House. Op het theeuur zijn de terrassen bezet door een vroolijke en luidruchtige menigte. De onmetelijke en prettige salons, de heerlijke eetzaal, een overvloedige en uitstekende keuken, een reusachtig zwembassin in de open lucht, velden voor tennis en croquet maken van dat hotel een der aardigste verblijven van Egypte. De stallen zijn uitmuntend voorzien, en men kan er tegen matige prijzen rijtuigen krijgen, rijpaarden, kameelen en zandwagens, dat zijn karretjes, waarvan de wielen zoo breed zijn, dat ze over het zand glijden zonder erin te zakken, waardoor men, zonder zich te vermoeien, mooie tochtjes in de woestijn kan doen.
Er worden dikwijls bij Mena House groote sportfeesten gegeven, die druk bezocht werden. De wedrennen van kameelen zijn allerdolst. Die dieren begrijpen precies, waar het om gaat en stellen het grootste belang in den strijd, dien ze willen winnen. Den vorigen winter greep een kameel, die boos was, dat een ander hem voorbij streefde, den ruiter van den mededinger bij het been en gaf er een leelijken knauw in.
Op een half uur sporens afstands van Kaïro ligt een andere, ook zeer bekoorlijke en veelbezochte plek, eveneens in de woestijn, maar in een andere richting. Dat is Heloean, een dorp, beroemd om zijn zwavelhoudend water. De badinrichting, het Grand Hotel en het Badhotel behooren aan de maatschappij der Nungovich-hotels en zijn, zooals men verwachten kan, in alle opzichten uitstekend. Hier is geen stof, geen vuil, geen rumoer. Een droge lucht, die opwekkend en heerlijk is en een ideale kalmte. Er is daar nog een zeer goed hotel, het Tewfik Palace, en dan heeft men er veel pensions. Heloean ligt tegen bergen aan en op een van deze vindt men een hotel-sanatorium, El Ayat, dat een paar jaren geleden geopend is. In dat heerlijk gelegen huis vinden de zieken en herstellenden alle mogelijke comfort en zorgvolle verpleging.
Er is te Heloean een uitstekende golfclub en een renbaan, die alle gasten van Kaïro samenbrengen.
In 1892 volgde de tegenwoordige khedive zijn vader Tewfik Pacha op. Die laatste was vrij plotseling gestorven; maar het schijnt haast, alsof hij een voorgevoel van zijn vroegen dood heeft gehad, want toen de kroonprins uit Weenen, waar hij studeerde, eenige maanden vóór het overlijden van zijn vader de vacantie in Egypte doorbracht, liet Tewfik den kroonprins Abbas meerderjarig verklaren, ofschoon de prins er nog niet den vereischten leeftijd voor had bereikt. Door het besluit werd een regentschap vermeden en daardoor kon de tegenwoordige khedive den troon bestijgen, ofschoon hij wettig nog niet meerderjarig was.