Het loterijbriefje

Chapter 9

Chapter 93,880 wordsPublic domain

Maar zonder dien af te wachten, werd hij aangetrokken door de bewonderenswaardige vergezichten, die in de nabijheid van den Maristiaan-pas aangetroffen worden. Hij had zich op den gevaarlijken rotsklomp gewaagd, wat eene groote onvoorzichtigheid moest genoemd worden. Zij had hem bijkans het leven gekost. En het mag niet vergeten worden, dat zonder de tusschenkomst van Joël Hansen en van zijne zuster Hulda de reiziger en zijne reis in de kolken van den Rjukanfos een jammerlijk einde zouden gevonden hebben. Wij hebben gezien, hoe hij uit zijn neteligen toestand gered werd.

X.

DE GAST VAN DE HERBERG TE DAL.

Het onderwijs, dat op het Scandinavisch schiereiland, zoowel aan de bewoners der steden als aan de landlieden gegeven wordt, mag gerust uitstekend genoemd worden. Het onderricht gaat zelfs verder dan het leeren van lezen, schrijven en rekenen. De boer leert gemakkelijk en gaarne. Hij heeft een ontwikkeld verstand. Hij stelt belang in de openbare zaak en neemt ruimschoots deel aan de staatkundige en gemeentelijke verhandelingen. De mannen van dat gehalte hebben in de Storthing steeds de meerderheid.

Somtijds nemen zij in 's lands vergaderzaal zitting in de nationale kleederdracht hunner provincie. Zij zijn beroemd, en met recht, voor hun gezond verstand, voor hun practischen zin en voor hunne juiste opvatting der zaken. Zijn zij ook al ietwat langzaam bij het nemen hunner besluiten, zoo munten zij daarentegen uit door hunne onomkoopbaarheid, wat in onze veile eeuw wel als eene zeldzaamheid aan te merken is.

Het is dus niet te verwonderen, dat de naam van Sylvius Hog door geheel Noorwegen bekend was, en dat hij overal met veel eerbied genoemd en uitgesproken werd, zelfs tot in het wildste en woestste gedeelte van het bergachtige en bijna ontoegankelijke Telemarken.

Vrouw Hansen meende dan ook, dat het gepast was den zoo algemeen geachten gast te zeggen, toen zij hem onder haar dak ontving, dat zij zich zeer vereerd gevoelde hem huisvesting te kunnen verleenen.

»Ik weet niet of u dat eer aandoet, vrouw Hansen," antwoordde Sylvius Hog, »maar wel weet ik dat het mij genoegen doet hier te zijn."

»Waarlijk, mijnheer?" vroeg de waardin van de herberg van Dal gestreeld.

»Ja zeker," antwoordde de geleerde. »Ik had reeds zoo dikwijls door mijne leerlingen hooren spreken over uwe gastvrije inrichting. Daarom heb ik besloten, om hier gedurende eene week te komen uitrusten. Maar dat Sint Olaf mij straffe...."

»Het is zonde! Schei uit," viel hem vrouw Hansen in de rede.

»Dat Sint Olaf mij straffe!" ging Sylvius Hog onverstoorbaar voort, »als ik had kunnen denken, dat ik hier met een manke vlerk zou aankomen."

En terwijl hij dit zeide, greep de goede man de hand der waardin en drukte die hartelijk.

»Mijnheer Sylvius?"

»Wat belieft u, lieve Hulda?" vroeg hij vriendelijk.

»Verlangt gij dat mijn broeder een geneesheer te Bambel ga halen?"

»Een geneesheer?"

»Ja, een geneesheer. Mij dunkt ik spreek toch duidelijk, niet waar?"

»Een geneesheer, lieve kleine Hulda? Hebt gij het er op gemunt om mij het gebruik mijner beide beenen te doen verliezen?"

»O, mijnheer Sylvius, welke gedachte!" zei het jonge meisje glimlachend.

»Een geneesheer! Waarom niet dadelijk dokter Bock, mijn vriend, uit Christiania gehaald?"

»Dat is te ver, mijnheer Sylvius."

»En dat alles voor eene ontvelling, voor niets meer dan eene krab!"

»Ja wel, maar eene ontvelling of eene krab kunnen een gevaarlijke wond worden."

»Och, kom."

»Als zij niet behoorlijk verzorgd worden. Dat verzeker ik u, mijn heer Sylvius."

»Juist," zei Joël, die in de nabijheid gestaan had en zich thans eerst in het gesprek mengde.

»Nu, komaan. Die ook nog. Spreek op, Joël, waarom wilt ge dat eene krab gevaarlijk zal worden? Want gij schijnt het te willen."

»Ik wil dat niet, mijnheer Sylvius," protesteerde de jeugdige gids. »God beware mij!"

»Welnu, God zal u bewaren en mij ook en het geheele huis van vrouw Hansen, vooral wanneer die lieve beminnelijke Hulda toestemmen wil mij hare zorgen te wijden?"....

»Wel zeker, mijnheer Sylvius."

»Opperbest! waarde vrienden! Over vier of vijf dagen ben ik genezen en zal er niets meer van te bespeuren zijn. Daarenboven, waarom zou ik niet genezen in zulk eene fraaie kamer? Waar zou ik mij beter kunnen laten verplegen dan in die voortreffelijke, die uitmuntende herberg van Dal...."

»O, mijnheer Sylvius...." prevelde vrouw Hansen.

»En dan dat lekkere bed met zijn vele opschriften, die meer waard zijn dan al de voorschriften en machtspreuken der geneeskundige faculteit!...."

»Waarlijk, gij maakt mij verlegen!..." stotterde de kasteleines.

»En verder dat luchtige raam, met het uitzicht op het dal der Maan-rivier!" ging Sylvius Hog voort. »En het gemurmel van het water, dat tot in mijn slaapstede hoorbaar is. En de verkwikkende geur van het hoog geboomte, waarmede het geheele huis doortrokken is...."

»Gij ziet alles te zeer van den mooien kant," sprak Hulda lachende.

»En dan de heerlijke lucht, de berglucht! Is die niet de beste van alle geneesheeren? Als men die noodig heeft, behoeft men slechts het raam te openen, dan komt ze en fleurt u op en wat vooral niet te verwerpen is, schrijft u geen hongerlijdend dieet voor."

Sylvius Hog sprak zoo vroolijk en opgewekt, dat met hem een weinig geluk het huis scheen te zijn binnengetreden. Dit was de indruk althans, dien de beide jongelieden, de broeder en zuster ontvingen, die elkanders hand vasthielden, terwijl zij hunnen gast aanhoorden en zich aan hetzelfde gevoel overgaven.

De professor was al dadelijk bij aankomst in de kamer gelijkvloers gebracht geworden. Thans lag hij uitgestrekt in een grooten leuningstoel, het been op een tabouret en ontving zoo de verpleging van Hulda en Joël. Hij duldde evenwel niets anders dan kompressen van koud water op het gekneusde lidmaat. En inderdaad kon geen beter middel aangewend worden. Een geneeskundige zou niets anders geraden hebben.

»Goed, mijne vrienden," zeide hij, »uitstekend! Men moet geen misbruik van geneesmiddelen maken."

»Neen, waarlijk, dat doet gij niet," merkte Joël lachende op. »Drommels, koud water...."

»Ja wel, spot er maar mede. Maar nu over iets anders gepraat. Weet gij wel, dat ik, zonder uwe welwillende tusschenkomst, gelegenheid zou gehad hebben om de wonderen van den Rjukanfos van al te nabij te zien. Drommels, ik zou in den afgrond gerold zijn als een rotsblok. Ik zou eene nieuwe legende bij die van den Maristiaan-pas gevoegd hebben, zonder dat ik er eenige verontschuldiging toe had. Mijne bruid wachtte mij niet op den overzijdschen oever, zooals bij den rampzaligen Eystein het geval was!"

»Maar welk verdriet zou dat ongeluk aan mevrouw Hog veroorzaakt hebben," zei Hulda.

»Aan mevrouw Hog?" vroeg mijnheer Silvius met eenige verbazing in zijne stem.

»Ja, mevrouw Hog," herhaalde het jonge meisje. »Zij zou bepaald ontroostbaar geweest zijn."

»Och kom," hernam de professor. »Mevrouw Hog zou geen traan geplengd hebben."

»O! mijnheer Sylvius," protesteerde Hulda.

»Dat kunt gij onmogelijk meenen," zei Joël Hansen.

»Neen, zeg ik u," ging mijnheer Sylvius voort, »en om de zeer goede reden, dat er geen mevrouw Hog bestaat."

»O! dat is wat anders," riepen Hulda en Joël tegelijktijdig uit.

»En...." ging de professor voort, »ik kan mij zelfs niet voorstellen, hoe mevrouw Hog er uitgezien zou hebben, of zij dik of mager, klein of lang geweest zoude zijn...."

»Zij zou beminnelijk geweest zijn, en bovendien als uwe echtgenoote verstandig en goedaardig," zei Hulda.

»Zoo, meent gij dat, mejuffrouw?"

»Voorzeker, meen ik dat."

»Goed, goed. Ik geloof u, ik geloof u."

»Maar als u zulk een ongeluk overkomen zoude zijn, dan zouden uwe bloedverwanten, uwe vrienden, mijnheer Sylvius...." wilde Joël zeggen.

»Bloedverwanten bezit ik niet, mijn jongen," hernam de professor.

»Des te erger, mijnheer Sylvius," antwoordde de jonge man.

»En vrienden.... het schijnt, dat ik van die soort een zeker aantal bezit, behalve degenen, die ik in het huis van vrouw Hansen verworven heb. En waarachtig, die hebt gij de moeite bespaard mij te moeten beweenen.--Maar, om tot onze zaak weer te keeren, zegt mij, lieve kinderen, zal ik hier eenige dagen kunnen blijven?"

»Zoolang als gij verkiest, mijnheer Sylvius," antwoordde Hulda. »Die kamer is de uwe."

»Ik had het plan gemaakt, om evenals al de andere toeristen te Dal mijn hoofdkwartier op te slaan, om vandaar uitstapjes in alle richtingen door het Telemarksche te maken.... Ik zal nu geene uitstapjes maken, of dat later doen, dat is alles!"

»Ik hoop, mijnheer Sylvius," antwoordde Joël, »dat gij vóór het einde der week weer ter been zijt."

»Ja, dat hoop ik ook!"

»En als dat het geval is, bied ik mij als gids aan, om u overal in het baljuwschap te brengen, waar gij mocht verkiezen te gaan. Geen enkele plek zou ik overslaan."

»Dat zijn zaken van later zorg, Joël. Wij zullen dit gesprek hervatten, wanneer ik niet meer in den staat van een half gevilde zal verkeeren! Ik heb nog twee maanden verlof, of als ge wilt vacantie voor mij; en als ik de helft daarvan in de herberg van vrouw Hansen zou moeten doorbrengen, dan zou ik waarlijk niet te beklagen zijn! Ik zal toch dat gedeelte van het Vestfjorddal moeten bezoeken, dat tusschen de beide meren gelegen is; ik zal toch den Gousta moeten beklimmen; ik zal toch naar den waterval te Rjukanfos moeten weerkeeren, want ik heb er niets van gezien, al heb ik ook gevaar geloopen er kopje onder in te spelen. En ik ben er op gesteld hem te zien en te bewonderen. Inderdaad, dat ben ik."

[Illustratie: En ontving zoo de verpleging van Hulda en Joël. Blz. 95.]

»Welnu, gij zult hem bewonderen, mijnheer Sylvius," antwoordde Hulda.

»En wij zullen hem te zamen gaan bewonderen, niet waar? In gezelschap van vrouw Hansen, wel te verstaan, als zij zoo goed zal willen zijn om ons te vergezellen. Maar...."

»Maar, wat, mijnheer Sylvius?"

»Ik moet er om denken, vrienden, dat ik met een enkel woord Kaat, mijne oude, goede huishoudster, en Fink, mijn ouden knecht, te Christiania van het gebeurde verwittig! Zij zouden zeer ongerust wezen, wanneer ik hun geen tijding van mij deed toekomen. Ik zou waarlijk beknord worden! En nu moet ik nog eene bekentenis afleggen. De aardbeien en melkspijzen zijn zeer aangenaam, zeer verfrisschend; maar dat alles is niet voldoende en daar ik er zelfs niet over wil hooren spreken, om op dieet gesteld te worden.... Hoe laat is het?.... En om hoe laat eet gij hier?"

»Wat kan u dat schelen, mijnheer Sylvius?"

»Wat mij dat kan schelen? Wel, zeer veel. Denkt gij dan, dat ik het gedurende mijn verblijf te Dal prettig zou vinden om mij alleen aan tafel en in mijne kamer te vervelen? Neen, waarachtig niet! Ik wil met ulieden eten, te zamen met u en uwe moeder, natuurlijk, wanneer vrouw Hansen geene tegenwerpingen te maken heeft. Nu, wat zegt ge, goede vrouw? Spreek."

Vrouw Hansen, nu zij zoo den wensch van den professor vernam had niets daartegen in te brengen, en hoewel zij er de voorkeur aan gegeven zou hebben om volgens hare gewoonte apart te blijven, zoo kon zij niet anders doen dan zich onderwerpen.

»Het zal eene eer voor mij en de mijnen zijn," sprak zij, »aan tafel te mogen zitten met een afgevaardigde bij de Storthing. Waarlijk dat zal het."

»Dat is dan afgesproken," hernam Sylvius Hog, »wij zullen te zamen in de groote zaal eten...."

»Juist, mijnheer Sylvius," antwoordde Joël. »Ik zal slechts de geringe moeite te nemen hebben u op uwen leuningstoel derwaarts te rollen, wanneer het middagmaal gereed zal zijn."

»Waarom mij niet liever in een karretje vervoerd, Joël? Neen! met behulp van een arm, waarop ik zal kunnen leunen, zal ik er ook wel komen. Mijn been is niet afgezet, voor zoover ik weet!"

»Zooals gij verkiezen zult, mijnheer Sylvius!" antwoordde Hulda. »Maar doe geene noodelooze onvoorzichtigheden, wat ik u bidden mag.... of Joël zal gauw den geneesheer gaan halen."

»Bedreigingen, bij Sint Olaf! Neen, wees gerust, ik zal voorzichtig en volgzaam wezen. En van het oogenblik dat ik niet op dieet gesteld zal worden, zal ik de gehoorzaamste en de onderworpenste van alle zieken zijn.--Maar.... lieve vrienden, komaan laat hooren, hebt gijlieden geen honger?"

»Wel zeker, mijnheer Sylvius," antwoordde Hulda, »maar wij verzoeken u nog slechts een kwartier geduld te hebben, om u eene kruisbessensoep te kunnen voorzetten, met eene forel uit de Maan-rivier, en eene patrijs, die door Joël uit het Hardangsche gebergte medegebracht werd."

»Is dat alles?" vroeg Silvius Hog.

»Met een lekkere flesch wijn uit Frankrijk, ja, mijnheer Sylvius."

»Heb dank, lieve meid, heb dank! Drommels, dat zal lekkertjes smaken, hoor!"

En de lekkerbek likte zich met begeerige tong, lippen en knevel. Men kon zien dat hij bij voorbaat smulde.

Hulda verliet het vertrek om toezicht op de toebereiding van het eten te houden en de tafel in de groote zaal te doen dekken; terwijl Joël reeds heengegaan was om het karretje van den onderbaas Lengling terug te brengen.

Sylvius Hog bleef dus alleen.

Waar anders zouden zijne gedachten hebben kunnen verwijlen, dan bij de leden van die eerlijke familie, wier gast hij niet alleen was, maar waaraan hij daarenboven zoo groote verplichting had?

Hoe zou hij die onwaardeerbare diensten, reeds genoten, en de zorgvuldige verpleging, die hij van Hulda en Joël verwachtte, ooit kunnen beloonen?

Hij zat daar met het hoofd in de hand, maar had niet veel tijd om zich in zijne overpeinzingen te verdiepen, want tien minuten later had hij plaats genomen op den eerezetel aan de gastvrije tafel in de groote zaal.

Het maal was overheerlijk en handhaafde den alouden roem van de herberg van Dal.

Professor Sylvius Hog at dan ook met den meesten smaak en met zeer grooten eetlust.

De avonduren verliepen vervolgens te midden van gezellig gekout, waarvan Sylvius Hog het grootste gedeelte voor zijne rekening nam. Toch gelukte het hem, met uitzondering van vrouw Hansen, die zich in het gesprek niet mengde, de beide anderen, zuster en broeder, aan het praten te krijgen. De innige sympathie, welke hij reeds voor hen gevoelde, kon slechts door dat gekeuvel vermeerderen. Daaruit bleek toch ten duidelijkste, door welk een hartelijke liefde die twee wezens aan elkander verbonden waren, zoodat de professor zich herhaalde malen bij de uitingen daarvan bewogen gevoelde.

Toen het eindelijk nacht geworden was en het tijd was om te gaan slapen, begaf de gast zich, met behulp van Joël en Hulda, naar zijn slaapvertrek en wenschte zijne vrienden op de beminnelijkste wijze goedennacht. En nauwelijks had hij zich op het bekende bed, voorzien van spreuken, uitgestrekt, of hij sliep in en genoot een weldadige rust.

Den volgenden ochtend was Sylvius Hog reeds bij het krieken van den dag wakker en lag reeds te peinzen, nog voordat iemand aan zijne deur klopte. Trouwens, dat was hij gewoon.

»Neen," zeide hij, »ik weet waarachtig niet, hoe ik het aanleggen zal, hoe ik daaruit geraken moet. Ik kan mij toch niet laten redden, verplegen en genezen, en er mij dan met een eenvoudig bedankje van afmaken. Ik ben inderdaad de verplichte van Hulda en Joël Hansen. Dat staat als een paal boven water! Maar.... juist.... daarin zit het hem! Dat zijn van die verplichtingen, die men niet met goud vergelden kan. Neen, foei!.... Daarbij komt nog, dat het mij toeschijnt, dat die familie gelukkig is, en dat ik niets aan hun geluk zou kunnen toevoegen!.... Maar.... wij zullen nog wel met elkander praten, en al pratende, zal ik misschien wel iets ontdekken...."

Ja, gedurende de drie of vier eerste dagen, dat de professor met uitgestrekt en omzwachteld been moest blijven stilzitten, werd door dat drietal gepraat en zelfs veel gepraat. Jammer, dat van den kant van de zuster en den broeder daarbij eene zekere mate van terughoudendheid heerschte. Noch de een, noch de ander wilde iets betreffende hunne moeder zeggen, wier achterhoudendheid en koele bezorgdheid Sylvius toch niet had kunnen ontsnappen. Een ander gevoel snoerde hen bovendien den mond en belette hun de onrust te laten blijken, die door het wegblijven van Ole Kamp veroorzaakt werd. Zouden zij hun gast niet uit zijn humeur brengen, wanneer zij hem hun leed en hunne zorgen vertelden?

»Toch," zei Joël tot zijne zuster, »geloof ik, dat wij ongelijk hebben, door ons vertrouwen niet aan mijnheer Sylvius te schenken. Hij is een goed raadsman, en door zijne menigvuldige relatiën zoude hij te weten kunnen komen, of men zich in de zeemanswereld ongerust maakt over het uitblijven van de _Viken_ en of men weet, wat er van het vaartuig geworden is."

»Gij hebt gelijk, Joël," antwoordde Hulda. »Ik geloof, dat wij goed zullen doen, wanneer wij hem alles mededeelen. Maar, wij moeten wachten, tot hij genezen is."

»Ja, dat is goed en die genezing zal niet lang uitblijven, hoop ik," beaamde Joël.

Nog voordat de week ten einde liep, was de herstelling van den gekwetste zoover gevorderd, dat hij, hoewel nog een weinig hinkende, zonder iemands hulp zijne kamer kon verlaten. Dan ging hij gewoonlijk op een der banken voor het huis onder de schaduw der hooge boomen zitten. Vandaar kon hij den top van den Gousta waarnemen, die door de zonnestralen helder verlicht werd, terwijl de Maanrivier, als echte bergstroom, ontwortelde boomen met zich voerde, en daar vlak onder zijne voeten, schuimde, klotste en gromde.

Men zag vandaar ook de voetgangers, die zich langs den grooten weg van Dal naar den waterval van Rjukanfos begaven. Voor het meerendeel waren het toeristen, waarvan enkelen gedurende een uur of twee in de herberg van vrouw Hansen aanlegden, om te ontbijten of het middagmaal te gebruiken. Daar kwamen ook studenten van Christiania aan, met den ransel op den rug, en het studentenpetje versierd met de kokarde van het Noorweegsche vaderland.

Dezen herkenden den professor dadelijk, en dan werden de hartelijkste begroetingen gewisseld, die bewezen hoezeer Sylvius Hog door de jongelingschap geliefd was.

»Gij hier? mijnheer Sylvius?"

»Zooals gij ziet, beste vrienden."

»Iedereen dacht, dat gij in het hartje van de Hardangsche landstreek waart!"

»Gij ziet, dat iedereen ongelijk heeft."

»Dat merken wij. Maar hoe komt gij hier?"

»Ja, dat is een geheele geschiedenis. Eigenlijk moest ik in de bedding van den Rjukanfos liggen."

»Nu, wij zullen overal vertellen, dat gij te Dal zijt."

»Ja, te Dal met een omzwachteld been!"

»Gelukkig, dat gij een goed onderkomen en eene uitmuntende verpleging in de herberg van vrouw Hansen gevonden hebt."

»Men zou 't nergens beter kunnen hebben, beste vrienden!"

»Vooral hier in deze streken, professor, waar geene andere herberg aangetroffen wordt."

»En dan zulke brave lieden!"

»Er bestaan geen betere," beaamden al de toeristen vroolijk juichende.

En allen dronken een glas op de gezondheid van Hulda en Joël Hansen, die in het geheele Telemarksche zoo gunstig bekend stonden, wat zij trouwens, zooals wij weten, verdienden.

En toen vertelde de professor wat hem overkomen was. Hij beleed zijne onvoorzichtigheid. Hij beschreef het gevaar, waarin hij verkeerd had, en verhaalde vervolgens, hoe hij gered was geworden. Niemand kon dan ook dankbaarder zijn dan hij.

»Als ik hier wilde blijven," voegde hij er gewoonlijk bij, »totdat mijne schuld vereffend zoude zijn, dan, waarde vrienden, zou ik mijn cursus in de rechtswetenschappen voor geruimen tijd moeten afbreken, en dan zoudt gij vacantie voor onbepaalden tijd kunnen nemen."

»Maar, beste mijnheer Sylvius," hernam die vroolijke troep, »zeg eens, houdt die mooie Hulda u ook in Dal terug?"

»Het is een lieve meid, beste vrienden," antwoordde de professor schelmsch. »Het is eene lieve, bekoorlijke meid, en.... bij Sint Olaf, ik ben nog slechts zestig jaren oud!"

»Op uwe gezondheid, mijnheer Sylvius!"

»Op de uwe, jongelieden! Reist het land door, onderricht u, vermaakt u. Alles valt zoo heerlijk mede, wanneer men uwen leeftijd heeft. Maar...."

»Maar wat, professor?"

»Wantrouwt de bergpassen, vooral dien verraderlijken Maristiaan! Hulda en Joël zouden wellicht niet in de nabijheid zijn om de onvoorzichtigen te redden, die er zich op wagen wilden."

En toen vertrokken de jongelui na een gullen handdruk en deden het geheele dal van hun vroolijk _God aften_ weerklinken.

Gedurende den tijd dat professor Sylvius Hog in de herberg van Dal verwijlde, moest Joël Hansen een paar malen zich van huis verwijderen, om eenigen toeristen tot gids te verstrekken, die den Goustaberg wenschten te beklimmen. De patiënt had hen wel willen vergezellen. Hij beweerde totaal genezen te zijn. En inderdaad, de wond was dicht, en er begon zich een litteeken te vormen. Maar Hulda verbood hem ernstig en bepaald, om zich aan zoo'n vermoeienis, die nog te groot voor hem was, bloot te stellen. En.... als Hulda gebood, dan moest het geschieden.

Die Gousta was een zonderlinge berg, waarvan de kegelvormige spits, aan alle kanten door met sneeuw gevulde ravijnen geribt, boven een woud van dennen uitstak, die hem als met een kraag van groen omgaven. En, welk een vergezicht op den top! In het oosten overzag men het geheele Numedal, in het westen het Hardangsche gebergte, met zijne grootsche, trotsche gletschers; aan den voet van den berg vervolgens het bochtige Vestfjorddal, besloten tusschen het Mjösmeer en het Tinnermeer, het dorp Dal met zijne miniatuurhuizen, die van uit de verte gezien, aan een doos met speelgoed deden denken, en eindelijk de Maan-rivier, die als een schitterende band, door de groene vlakte kronkelde.

Om die bergbestijging te volvoeren, had Joël zich des morgens om vijf uur op weg begeven en was eerst tegen zes uur in den namiddag teruggekeerd. Sylvius Hog en Hulda waren hem toen te gemoet gewandeld en wachtten hem in de nabijheid van de hut van den veerman. Zoodra de veerpont de toeristen en hun gids overgevoerd had, werden hartelijke handdrukken gewisseld, waarna men den terugtocht aanvaardde, en ons drietal vervolgens den avond op de genoeglijkste wijze doorbracht. De professor sleepte nog wel een weinig met het been; maar hij klaagde niet. Hij scheen niet te verlangen naar een spoedige genezing, wat trouwens voor hem gelijk stond met de noodzakelijkheid, om het gastvrije dak van vrouw Hansen te moeten vaarwelzeggen.

De tijd ging daarenboven zeer snel voorbij. Sylvius Hog had naar Christiania geschreven, dat hij eenigen tijd te Dal zoude blijven. Het gerucht van zijn wedervaren bij den waterval te Rjukanfos had zich door het geheele land verbreid. De dagbladen hadden het medegedeeld en, zooals 't gewoonlijk gaat, het voorgevallene zeer overdreven. Een gevolg daarvan was, dat eene groote menigte brieven aan de herberg voor den gast aankwamen, zonder nog de brochures, de tijdschriften en de dagbladen te rekenen. Dat alles moest gelezen worden. Dat alles moest beantwoord worden. En, Sylvius Hog, aan zijne goedhartige geaardheid getrouw, las en antwoordde, en zoo raakten door die correspondentie de namen van Joël en Hulda Hansen door geheel Noorwegen en zelfs daarbuiten bekend.

Het verblijf in de herberg van vrouw Hansen kon evenwel niet onbepaald verlengd worden. En Sylvius Hog was het nog niet met zich zelf eens hoe hij het best de schuld zijner dankbaarheid zou betalen. Hij begon evenwel te begrijpen dat die familie niet zoo gelukkig was, als hij in het begin geloofd had. Het ongeduld, waarmede zoowel de broeder als de zuster iederen dag de aankomst van de brievenpost van Christiania of Bergen afwachtten, hunne teleurstelling, ja hun verdriet zelfs, wanneer zij ontwaarden, dat alweer geen brief voor een hunner gebracht was, zeiden genoeg.

Men had toch reeds den negenden Juni bereikt.

En nog was er geen enkel bericht van de _Viken_ gekomen.

Het was reeds twee weken over het tijdstip, dat voor den terugkeer van het schip gesteld was.

Geen enkele brief van Ole Kamp was ontvangen. Niets, niets, dat maar eenigermate de schromelijke onrust van de arme Hulda kon verzachten!