Chapter 8
Het was duidelijk als de dag, dat de reiziger zijne koelbloedigheid in het geheel niet verloren had. Maar zijne armen en beenen hadden hem ongetwijfeld na zijnen val verderen dienst geweigerd; machteloos als zij waren. Thans kon hij niets anders doen dan zich vastklemmen aan het uitstekende gedeelte der rots, die hem van den afgrond scheidde.
Intusschen daalde Hulda al meer en meer, en weinige oogenblikken later was zij bij den vreemdeling aangekomen. Toen zij haren voet stevig tegen eene oneffenheid der rots geplaatst had, greep zij zijne hand.
De reiziger poogde zijn lichaam een weinig op te tillen.
»Beweeg u niet, mijnheer!.... beweeg u niet...." zei Hulda verschrikt. »Gij zoudt aan het glijden gaan en gij zoudt mij met u medesleepen, en ik zou niet sterk genoeg zijn, om u tegen te houden! Wij moeten de komst van mijn broeder afwachten. Als die tusschen u en de Rjukanfos aangekomen zal zijn, dan zult gij kunnen pogen om op te staan."
»Op te staan, lieve moedige meid! Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, en ik vrees zelfs dat het zeer moeielijk zal gaan."
»Zoudt gij gekwetst zijn, mijnheer?"
»Hm!.... Gebroken heb ik niets, ook is niets uit het lid getrokken, of verzwikt; maar ik geloof toch, dat ik eene vreeselijke ontvelling aan het been heb."
»Als het niet anders is," antwoordde Hulda lachende, »dan zal het wel losloopen."
Joël bevond zich toen ongeveer twintig voet beneden de plek, waar zich Hulda en de reiziger bevonden.
De kromming van den weg had hem belet om rechtstreeks naar hen toe te klimmen. Hij moest dus die afgeronde oppervlakte opstijgen, dat was het moeielijkste en het gevaarlijkste. Inderdaad het leven was daarmede gemoeid.
»Geene beweging maken, Hulda," riep hij voor de laatste maal. »Wanneer gij beiden aan het glijden geraaktet, dan zou ik, daar ik nog geen goede stelling ingenomen heb, onmogelijk u kunnen weerhouden en wij zouden alle drie verloren zijn!"
»Vrees niets, Joël!" antwoordde Hulda. »Denk maar aan je zelven, en dat God u met zijne hulp nabij zij!"
Joël begon, op zijn buik glijdende, naar boven te kruipen. Hij sleepte zich als het ware en was genoodzaakt daarbij zijn lichaam in allerlei bochten te wringen, zooals eene slang op dat gevaarlijke terrein zoude doen. Twee of driemalen gevoelde hij, dat hem zijn steunpunt zou gaan begeven. Maar eindelijk, dank zij zijne behendigheid, slaagde hij er in, om tot bij den reiziger op te klimmen.
»Neen, neen, nog niet," riep hij uit, toen hij meende dezen eene beweging te zien maken. »Blijf stil liggen, ik ben te vermoeid en uitgeput, om u van eenig nut te kunnen zijn."
[Illustratie: Joël begon, op zijn buik glijdende, naar boven te kruipen. Blz. 80.]
De reiziger bleek reeds een man van jaren te zijn, maar stevig gebouwd, met een schoon en edel gelaat, dat er daarenboven aangenaam, beminnelijk en glimlachend uitzag.
Inderdaad, Joël was er eerder op voorbereid geweest, om daar een jeugdigen vermetele te ontmoeten, die het er op gezet had, om den Maristiaan-pas te overschrijden.
»Het is onvergeeflijk, wat gij gedaan hebt, mijnheer," zei Joël, terwijl hij zich half op den grond uitstrekte, om weer bij adem te komen. »Het is waarlijk zoo onvoorzichtig mogelijk."
»Wat, onvoorzichtig!" antwoordde de reiziger. »Zeg eerder dat het zoo dom, zoo ezelachtig mogelijk is. Dan zult gij dichter bij de waarheid komen. Ja, ezelachtig, ik neem dat woord niet terug."
»Gij hebt uw leven gewaagd...."
»En er u toe gedwongen, het uwe te wagen! Nogmaals, mijn gedrag is ezelachtig."
»O! wat mij betreft.... Ik heb mijnen plicht gedaan. Zoo iets komt in ons vak nog al voor," zei Joël.
Terwijl hij zoo sprak, stond hij op. Die weinige minuten hadden hem zijne krachten hergeven.
»Thans geldt het om den bovenrand van de nok te bereiken," vervolgde hij; »maar Goddank, het moeielijkste is achter den rug. Daaromtrent behoeven wij ons niet meer te bekommeren."
»Het moeielijkste?.... Gij schertst?...." vroeg de vreemdeling met een ongeloovigen glimlach om de lippen.
»Ja, mijnheer," antwoordde Joël, »het moeielijkste was bij u te komen. Niet waar, Hulda?"
Het jonge meisje zei geen woord, maar knikte toestemmend.
»Wij hebben thans niets anders te doen," ging Joël voort, »dan die helling op te stijgen, die veel minder steil is, dan die ik opgeklommen ben. Kijk maar."
»Gij zult echter wel doen, beste kerel, om, bij het maken uwer plannen, niet te veel op mij te rekenen."
»Niet op u rekenen?...." vroeg Joël ontsteld, terwijl hij zijne zuster aankeek.
»Ik heb daar een been," ging de vreemdeling voort; »waarvan ik noch in dit oogenblik, noch over eenige dagen eenigen dienst zal mogen vergen. Dat is treurig, maar dat is zoo."
»Kom, het zal zoo erg niet zijn. Beproef nu maar eens op te staan."
»Ik zal beproeven. Wees gerust, aan mij zal het niet liggen. Ik heb geestkracht genoeg."
»Goed vasthouden, Hulda," beval de berggids zijne zuster met den meesten ernst aan.
»Ik houd hem, wees gerust," antwoordde het jonge meisje, thans kalm en bedaard.
»Nu, sta op," zei Joël.
»Gaarne.... als gij mij uwe hulp maar verleenen wilt," antwoordde de vreemdeling.
»Grijp den arm mijner zuster."
»Ik heb hem beet."
»Goed ik zal u nu ondersteunen en u in de lendenen voortduwen."
»Met kracht?"
»Ja, met kracht."
»Welnu, vrienden, ik laat het geheele geval aan u over," zei de reiziger met onderwerping.
»Dat is ook het beste, wat gij doen kunt," antwoordde Joël, glimlachende over die berusting.
»Gij hebt op u genomen, mij uit den mosterd te halen. Welnu, gaat uw gang."
Men ging te werk, zooals Joël voorgeschreven had, en betrachtte daarbij de meest mogelijke voorzichtigheid. Hoewel die opstijging niet geheel en al zonder gevaar was, zoo bracht ons drietal het er toch beter af, dan zij gedacht hadden. Daarenboven, de reiziger had bij zijnen val noch breuk, noch ontwrichting, noch kneuzing opgeloopen; hij kon dus beter zijne handen gebruiken dan hij gemeend had. Ook zijn beenen weigerden geen dienst. Wel leed hij veel pijn, daar het eene been deerlijk ontveld was. Maar, dat was niets bij het gevaar, dat hij geloopen had. In zulke omstandigheden gevoelt men geene pijn.
Tien minuten later was hij aan de overzijde van den Maristiaan-pas in volkomen veiligheid.
Daar zou hij onder de eerste groepen denneboomen, die het bovenste bergvlak van den Rjukanfos omzoomen, hebben kunnen uitrusten. Maar Joël verzocht hem ten dringendste nog eene laatste poging aan te wenden. Het kwam er op aan eene hut te bereiken, die, onder het geboomte verscholen, op een korten afstand achter de rots gelegen was, waarop zijne zuster en hij stilgestaan hadden, toen zij bij den waterval aangekomen waren. De reiziger deed zijn best om aan dat verzoek te voldoen en slaagde volkomen. Aan den eenen kant gesteund door Hulda, aan den anderen door Joël, bereikte hij zonder te veel vermoeidheid en inspanning de deur van bedoelde hut. Toch kon hij bij aankomst een zucht van verlichting niet bedwingen, het zweet parelde hem op het voorhoofd.
»Laten wij binnengaan, mijnheer," zei toen het jonge meisje, »dan zult gij daar een poos kunnen uitrusten."
»Ja, treed binnen," hernam Joël op zijn beurt. »Kom binnen, mijnheer!"
»Ja, maar.... dat lieve kind spreekt van eene poos te rusten?"
»Zeker, mijnheer, en ik geloof dat die rust u goed zal doen."
»Dat denk ik ook, maar zal die poos een goed kwartier kunnen duren?"
»Ja zeker en langer ook; maar...."
»Maar wat? Spreek op."
»Dan zult gij moeten toestemmen met ons naar Dal te gaan, mijnheer. Zult ge?"
»Naar Dal?"
»Ja."
»Daarheen was ik juist op weg."
»Kijk, kijk," sprak Joël op zijne beurt.
»Wat scheelt u nu, vriend?" vroeg de vreemdeling aan den berggids. »Gij schijnt verwonderd."
»Zijt gij ook bijgeval de toerist, die uit het noordelijke gedeelte des rijks moet aankomen," vroeg Joël, »en wiens komst nog in het Hardangsche gemeld werd?"
»Juist, die ben ik."
»Drommels, gij hebt den goeden weg niet genomen...."
»Dat begin ik ook in te zien."
»Als ik had kunnen voorzien, wat thans gebeurd is, dan zou ik u op den anderen kant van den Rjukanfos hebben gaan wachten. Maar, inderdaad, ik dacht niet...."
»Dat zou eene goede gedachte van u geweest zijn, mijn wakkere kerel. Gij zoudt mij dan belet hebben deze onvoorzichtigheid te plegen, die op mijn leeftijd onvergefelijk is...."
»Onvergefelijk op iederen leeftijd, mijnheer," viel Hulda hoogst ernstig in.
»Kom, treed binnen," sprak Joël. »Gij moet uitrusten."
Alle drie traden de hut binnen, waarin zich eene boerenfamilie bevond, een vader met twee dochters. Dat drietal stond op en ontving de gasten op echt Scandinavische wijze, dat wil zeggen hartelijk en welgemeend.
Joël onderzocht nu de verwonding van den reiziger en bevond dat hij slechts eene vrij groote ontvelling aan het been, iets beneden de knie, opgeloopen had. Erg was het niet; maar die ontvelling vereischte toch eene doelmatige verpleging. Minstens zou de vreemdeling eene week rust moeten houden. Maar het been was noch ontwricht, noch gebroken. En dat was het voornaamste.
Overheerlijke melkspijzen werden met een overvloed van aardbeien en een stuk droog brood aangeboden en aangenomen.
Joël schaamde zich niet te laten zien, dat hij een flinken eetlust bezat. Hulda at weinig, maar de reiziger deed zich te goed en vreesde volstrekt niet den berggids op zijde te streven.
[Illustratie: Aan den eenen kant gesteund door Hulda, aan den anderen kant door Joël. Blz. 83.]
»Drommels," zei hij, »die inspanning heeft als het ware mijn maag uitgehold."
»Nu, eet dan maar flink," zei de bewoner der hut.
»Ik beken evenwel," ging de vreemdeling voort, »dat het meer dan onvoorzichtig was, toen ik den Maristiaan-pas over wilde."
»Dat was het ook," antwoordde Joël ernstig. »Die bergpas is zeer gevaarlijk."
»Het was mij inderdaad blootstellen aan eene herhaling van de rol van...."
»Welke rol?" vroeg Hulda, toen zij den reiziger glimlachend zag aarzelen.
»Van den ongelukkigen Eystein," antwoordde hij met een ondeugenden trek op het gelaat.
»O, gij kent de legende?" zei het jonge meisje.
»Zeker ken ik haar!.... Mijne min zong er mij mee in slaap, natuurlijk in het gelukkige tijdperk mijns levens, dat ik nog eene min bezat. Ja, ik ken die legende, lief, moedig meisje, en ik gevoel er mij te meer schuldig door. Waarlijk, het is te erg, op mijn leeftijd nog eens den val van Eystein, wiens vader, ja wiens grootvader ik had kunnen zijn, te herhalen. Maar, goede vrienden, zal nu een tocht naar Dal niet te ver voor een kreupele zijn? Gaan zal ik niet kunnen..."
»Laat dat maar aan ons over," zei Hulda.
»Dat is alles goed en wel. Maar, hoe zult gij mij derwaarts vervoeren?" vroeg de vreemdeling.
»Verontrust u daaromtrent niet, mijnheer," antwoordde Joël. »Ons karretje wacht ons hier beneden aan het pad. Wij hebben dus niet meer dan driehonderd passen af te leggen."
»Hm!... driehonderd passen."
»Dalen, niet stijgende," vulde het jonge meisje aan. »Kom, dat zal wel gaan."
»O, als het dalende is, dan gaat het vanzelf, goede vrienden. Als ik dan maar op een schouder zal mogen steunen...."
»Waarom niet op twee?" vroeg Joël. »Wij hebben er vier ter uwer beschikking, niet waar?"
»Welnu, ik neem de twee, ja de vier aan. Dat zal mij niet meer kosten; is dat zoo niet?"
»Dat zal u niets kosten," riepen broeder en zuster tegelijkertijd en als in één adem uit.
»Toch, een dank per schouder of per arm, dat is niet te veel, dunkt me. Maar ik bespeur, helaas...."
»Wat toch?"
»Dat ik ulieden nog niet bedankt heb. Dat is inderdaad onvergeeflijk."
»Bedankt voor wat?" vroeg Joël.
»Nu nog mooier! Wel voor den grooten dienst, dien gij mij bewezen hebt."
»Een grooten dienst?"
»Welnu, gij hebt mijn leven gered en daarbij het uwe gewaagd. Niets minder dan dat."
»Kom, laat ons vertrekken, het is tijd, wilt gij?" zei Hulda, die opstond om aan de plichtplegingen een einde te maken.
»Of ik wil?... Wel zeker!... wil ik. Ik doe in den regel alles, wat men van mij verlangt."
Daarop betaalde de reiziger de kleine vertering, bij de bewoners der hut gemaakt, waarna hij, een weinig geholpen door Hulda en zeer veel door haren broeder Joël, het kronkelend pad afdaalde, dat naar den oever der Maan-rivier voert en daar aan den weg naar Dal aansluit.
Die afdaling geschiedde uiterst langzaam, en niet zonder dat de pijn den reiziger eenige kreten had doen uitstooten, die evenwel steeds door een gullen schaterlach gevolgd werden.
Eindelijk was de houtzagerij bereikt en kon Joël dadelijk beginnen het karretje aan te spannen.
De reiziger was vijf minuten later in het voertuig getild, terwijl het jonge meisje naast hem plaats nam.
»En gij?" vroeg hij aan Joël. »Als ik het wel heb, dan neem ik uwe plaats in, niet waar?"
»Die ik u zeer gaarne afsta," antwoordde de berggids.
»Maar, als wij wat opschikten, wat tegen elkaar drongen, dan dunkt me...."
»Neen, dat gaat niet."
»Jawel, het kan zeer goed."
»Neen, mijnheer, ik heb mijne beenen, echte gidsbeenen en.... vergeef mij; die wegen wel tegen een paar wielen op...."
»Ja, beenen hebt gij, mijn vriend," sprak de vreemdeling, »en een paar flinke ook."
Men reed af en volgde den weg, die langzamerhand de Maan-rivier naderde. Joël had het paard bij het hoofdstel gegrepen en geleidde het bij den toom, waarbij hij zorgde de schokken van het karretje zooveel mogelijk te vermijden.
Die terugtocht werd vroolijk en prettig, althans van de zijde van den reiziger, afgelegd. Hij praatte, alsof hij een oud vriend van de familie Hansen geweest was.
Voordat zij aan de herberg van Dal aangekomen waren, hadden broeder en zuster den naam van den reiziger vernomen en noemden zij hem niet anders dan »mijnheer Silvius", terwijl die heer hen niet anders dan Hulda en Joël heette, alsof zij alle drie elkander sedert lang gekend hadden.
De fijne spits van den kleinen kerktoren van Dal werd omstreeks vier uur tusschen het loof der boomen, die het gehucht overschaduwden, zichtbaar. Weinige minuten later stond het paard voor de herberg van het dorp stil. De reiziger steeg, hoewel niet zonder moeite, uit het karretje. Vrouw Hansen was naar buiten getreden om hem te ontvangen; en hoewel hij niet de fraaiste kamer van het huis gevraagd had, werd hem die toch gegeven.
IX.
SILVIUS HOG.
Sylvius Hog, de naam, dien de reiziger in het vreemdelingenboek neergeschreven had, volgde daarin onmiddellijk op dien van Sandgoïst, zijn voorganger in de herberg.
Men moet erkennen, dat die twee namen, zoo onder elkander geplaatst, een levendig contrast vormden, en niet alleen de namen, maar ook de personen, die ze droegen.
Tusschen die twee bestond hoegenaamd geene overeenkomst noch geestelijk noch lichamelijk.
Was de een edelmoedig, de ander was de verpersoonlijkte gierigheid.
Was de een de goedheid des harten zelf, de ander bezat eene dorheid van gemoed, die haars gelijken niet had.
Sylvius Hog was ternauwernood zestig jaren oud. Eigenlijk scheen hij veel jonger. Hij was groot van gestalte, liep rechtop, had een aangenaam voorkomen, een helder hoofd en was naar lichaam en ziel gezond. Hij viel door zijn schoon en beminnelijk gelaat, dat geheel baardeloos was, dadelijk in ieders smaak. Dat gelaat werd aangenaam omlijst door zijn grijzend hoofdhaar, dat hij wel wat lang droeg. Zijne oogen stonden vriendelijk en vertoonden evenals zijne lippen steeds een glimlach. Zijn voorhoofd was breed en bevatte voldoende ruimte om er de edelaardigste gedachten in te laten ontkiemen of daaraan toegang te verleenen. In zijne breede borstkas klopte zijn hart met vrije en onbelemmerde beweging. Aan al die voordeelen paarde hij een onkreukbaar, vroolijk gemoed, een scherpzinnig en ontwikkeld verstand, eene geaardheid, die tot iedere edelmoedigheid, tot iedere toewijding in staat was.
Sylvius Hog van Christiania.... die naam zeide genoeg. Want hij was niet alleen algemeen bekend, bemind en geëerd in de Noorweegsche hoofdstad, maar ook het geheele land door--Noorwegen wel te verstaan. Want de gevoelens, die men omtrent hem in de andere helft van het Scandinavische schiereiland, namelijk in het koninkrijk Zweden koesterde, waren niet dezelfde als in Noorwegen.
[Illustratie: Joël had het paard bij het hoofdstel gegrepen. Blz. 87.]
Dat vereischt eene nadere uitlegging, niet waar? Welnu, wij zullen haar geven.
Sylvius Hog was professor in de rechtswetenschappen te Christiania. In andere staten behoort hij die advocaat, of ingenieur, of geneesheer, of handelsman is tot de eerste standen der maatschappij. In Noorwegen is dat niet zoo. Hij die professor is, staat aan het hoofd van alles, staat op de bovenste sport van de maatschappelijke ladder.
In het naburige Zweden is de natie verdeeld in vier klassen: de adel, de priesterstand, de burgerij en de boerenstand. In Noorwegen daarentegen bestaan er slechts drie, namelijk de drie laatstgenoemden, terwijl de adel ontbreekt. Men treft er geen enkel vertegenwoordiger van de aristocratie aan, zelfs niet tusschen de ambtenaren. In dat zoo gunstig bedeelde land, waar geen privilegiën bestaan, kunnen de ambtenaren niets anders zijn dan de zeer nederige dienaren van het publiek.
Om kort te zijn, in Noorwegen heerscht eene volmaakte sociale gelijkheid en geene staatkundige verdeeldheid hoegenaamd. Och, dat andere landen dat ook konden zeggen!
Sylvius Hog was dus een der aanzienlijkste mannen van zijn vaderland en het zal niemand verwonderen, dat hij lid der Storthing was, wat zooveel beteekent als lid van de Tweede Kamer in Nederland.
In de vergaderingen van dat lichaam oefende hij, zoowel door zijne persoonlijke waarde als door zijn onkreukbare eerlijkheid in het private en het openbare leven, een grooten invloed uit, zelfs op die boerenafgevaardigden, die door de landlieden gekozen en in de meerderheid zijn.
Sedert dat de grondwettige bepalingen van 1814 uitgevaardigd werden, kan men inderdaad naar waarheid beweren, dat Noorwegen een gemeenebest is, aan welker hoofd de koning van Zweden staat.
Het spreekt vanzelf, dat datzelfde Noorwegen ten aanzien van zijne prerogatieven en zijne rechten zeer ijverzuchtig is en geen beperking daarvan duldt. Daardoor dan ook heeft hij zijn zelfbestuur behouden, wat zeer te waardeeren is.
De Noorweegsche Storthing heeft met het Zweedsche parlement niets gemeen. Daaruit zal men lichtelijk begrijpen, dat een der invloedrijkste en meest vaderlandlievende volksvertegenwoordigers met geen welwillend oog gezien werd aan de andere zijde van de denkbeeldige grens, die Zweden van Noorwegen scheidt.
Zoo was Sylvius Hog. En nu iets over zijn inborst. De lezer moet hem leeren kennen.
Hij had een zeer onafhankelijk karakter. Hij wilde niets wezen en aan niemand eenige verplichting hebben.
Meermalen had hij geweigerd lid van den ministerraad te zijn. Steeds trad hij op als verdediger van al de rechten van Noorwegen, en had zich daarom steeds en met den meesten nadruk tegen de pogingen van Zweden aangekant, om invloed in zijn vaderland te verwerven en veelal had hij daarbij zijn zin gekregen.
De zedelijke en staatkundige afscheiding tusschen de twee rijken is zoo aanmerkelijk, dat de koning van Zweden,--toenmaals Oscar XV genaamd,--nadat hij zich, bij zijne aanvaarding van de regeering te Stockholm had laten kronen, genoodzaakt was de plechtigheid te Drontheim, de oude hoofdstad van Noorwegen, te doen herhalen. De voorzichtigheid der Noren in handelszaken, die wel een weinig op wantrouwen gelijkt, is zoo groot, dat de Bank van Christiania ongaarne biljetten van de Bank van Stockholm in ontvangst neemt! En zoo iets tusschen twee handeldrijvende en zeevarende natiën geeft heel wat te denken, niet waar?
Zoodanig is de verwijdering tusschen de twee volkeren, dat de Zweedsche vlag noch op de openbare gebouwen wappert, noch zich ontplooit aan de gaffel of aan de masttoppen der Noorweegsche vaartuigen. De eene vertoont een blauw veld met geel kruis, de andere een blauw kruis op rood veld.
Nu was Sylvius Hog in lijf en ziel, in hart en nieren de partij van Noorwegen toegedaan. Hij verdedigde de belangen van dat land overal en bij iedere gelegenheid. Bij voorbeeld, toen de Storthing in 1854 de quaestie behandelde, om voortaan geen onderkoning meer, zelfs geen gouverneur aan het hoofd des lands toe te laten, was hij een der eerste, die de debatten daarover opende, die met kracht en onbezweken standvastigheid volhield en wel zoo dat hij dat beginsel, wat toch zooveel kwaad bloed in Stockholm en in geheel Zweden zette, deed zegevieren.
Men zal gevoeglijk kunnen begrijpen, dat, al was hij niet zeer bemind in het oostelijk gedeelte van het Scandinavische schiereiland, hij het des te meer was in het westelijke gedeelte en daar zelfs in de afgelegenste gaards van het geheele land. Zijn naam was bekend en op ieders lippen in het bergachtige Noorwegen van af de omstreken van Christiania, ja van af kaap Lindesnaess of Kaap ter Neus tot aan de uiterste rotsen van de Noordkaap. Hij verdiende die populariteit van goed allooi ten volle, en geen laster had ooit noch den afgevaardigde, noch den professor van Christiania kunnen bereiken. Daarenboven was hij een echte Noorman, maar een Noorman met vurig bloed, die niets van de traditioneele flegmatieke geaardheid zijner landgenooten bezat. Hij was veelmeer een man van oogenblikkelijke beslissingen, zoowel in woord als in daad, en maakte daardoor op het Scandinavische karakter wel eene uitzondering. Men zag dat aan zijne vlugge bewegingen, aan zijne driftige gebaren, men hoorde dat aan het snelle spreken. Als hij in Frankrijk geboren was, zoude men geen oogenblik geaarzeld hebben, hem voor een bewoner der zuidelijke provinciën aan te zien, voor een Gascogner of een inboorling van Provence of Languedoc, zoo men namelijk met die vergelijking vrede kan hebben, die evenwel zeer toepasselijk op hem is.
Het bedrag van zijn vermogen deed Sylvius Hog tot de welgestelden behooren. Daaruit bleek, dat hij geen munt geslagen had uit zijn deelnemen aan de regeeringszaken, waardoor hij zich zoo gunstig onderscheidde van de staatslieden van andere landen, die in hunne landsbetrekkingen slechts een middel zien om zich vet te mesten. Hij was niet baatzuchtig; hij dacht nooit aan zich zelven, maar steeds aan anderen. Hij was dan ook afkeerig van hooge posten, die door anderen zoo nagejaagd worden. Het was hem voldoende afgevaardigde te zijn. In de Storthing meende hij zijn vaderland nuttig te kunnen zijn, meer verlangde hij niet.
Op het oogenblik dat wij hem ontmoeten, genoot Sylvius Hog een verlof van drie maanden om uit te rusten van de vermoeienissen en inspanningen van een vol jaar, in aanhoudenden arbeid doorgebracht. Hij had Christiania sinds zes weken ongeveer verlaten, met het doel om de geheele streek af te reizen, die zich uitstrekt tot bij Drontheim, namelijk de Hardangsche en de Telemarksche provinciën en de districten Konsberg en Drammen. Hij wilde die streken bezoeken, welke hij nog niet kende. Het was dus eene reis, die zoowel tot studie als tot uitspanning diende.
Sylvius Hog had reeds een gedeelte zijner reis afgelegd, en het was bij zijne terugkomst uit de in het noorden gelegen baljuwschappen, dat hij van de gelegenheid gebruik wilde maken, om den beroemden waterval van Rjukanfos en de wonderen van de Telemarksche streken te bezichtigen.
Nadat hij het project van een spoorweg, van Drontheim naar Christiania, op het terrein nagegaan had, had hij een gids doen opsporen, om hem naar het gehucht Dal te brengen. Deze gids hoopte hij op den linkeroever der Maan-rivier aan te treffen.