Het loterijbriefje

Chapter 7

Chapter 73,819 wordsPublic domain

Ja, zeker! Tusschen vrouw Hansen en dien Sandgoïst moest een ernstig geheim bestaan, dat de eene in de volslagen afhankelijkheid van den anderen stelde. Er viel niet aan te twijfelen, dat die kerel te Dal was gekomen, om de waarde der herberg te schatten. Neen, dat was zeker! En die rekening, die bij zijn vertrek verscheurd werd,--eene daad, welke dien vreemdeling geheel natuurlijk voorkwam,--wat had dat toch te beduiden?

»Gij hebt gelijk, Hulda," zei Joël, »ik zal moeder niets vragen. En toch, misschien zal zij berouw gevoelen, dat zij ons haar vertrouwen niet geschonken heeft."

»Misschien wel," antwoordde het jonge meisje. »Maar ik vrees, ik vrees...."

»Als het maar niet reeds te laat is," ging Joël voort. »Och, wat moet de arme vrouw toch lijden. Zij is zoo teruggetrokken. Begrijpt zij dan niet, dat zij hare kinderen heeft, om in hunne harten hare bekommering te storten?"

»O, dat zal zij vroeg of laat wel begrijpen, Joël."

»Ik hoop het, zusjelief," antwoordde de broeder.

»En ik herhaal: als het dan maar niet te laat zal zijn."

»Wij kunnen niets anders doen dan wachten, lieve Hulda. Maar inmiddels zal het toch niet verboden zijn te trachten te weten te komen, wie die kerel is. Misschien kent mijnheer Helmboë hem. De eerste maal, dat ik naar Bambel ga, zal ik het hem vragen."

»Maar, voorzichtig, Joël."

»Ja, wees gerust. En als het noodig zal zijn, zal ik naar Drammen gaan. Daar zal het wel niet veel moeite kosten, om te vernemen wie en wat die man is, wat hij uitvoert, welke zaken hij drijft, wat men er van denkt...."

»Niet veel goeds, voorzeker," viel Hulda hem in de rede. »Hij heeft terugstootende gelaatstrekken en zijn blik duidt op boosaardigheid. Het zou mij verwonderen als onder zulk een lomp uiterlijk eene edelmoedige ziel huisde."

»Kom, zusjelief," hernam Joël. »Gij moogt de lieden niet naar hun uiterlijk beoordeelen, en nog minder veroordeelen. Ik wed, dat gij dien Sandgoïst een aangenaam voorkomen zoudt toeschrijven, wanneer gij hem beschouwdet, terwijl gij met Ole Kamp gearmd gingt."

»Mijn arme Ole!" prevelde het jonge meisje.

»Die zal wel terugkomen," riep Joël uit. »Hij is reeds op weg. Schep moed, Hulda; heb vertrouwen. Ole Kamp is thans niet ver verwijderd meer. Wij zullen hem bij zijne terugkomst beknorren, dat hij zoolang op zich heeft laten wachten. Gij zult mij helpen, niet waar? En wij beiden zullen een heel boos gezicht zetten."

Het had inmiddels opgehouden met regenen. Beiden verlieten de hut en stapten het bergpad op, om naar de herberg terug te keeren. Zij maakten daar nog al haast mede.

Onderweg zei Joël:

»A propos, zusjelief, ik vertrek morgenochtend weer. Morgenochtend heel vroeg."

»Ge vertrekt weer?...."

»Ja, bij het krieken van den dag."

»Reeds vertrekken, broeder?"

»Het kan niet anders, Hulda. Toen ik het Hardangsche verliet, vernam ik van een mijner makkers, dat een reiziger van het noorden over de hooge bergvlakten van Rjukanfos zoude komen. Morgen zal hij reeds daar zijn."

»Welke reiziger is dat, Joël?"

»Dat weet ik niet, zusjelief. Ik ken zelfs zijn naam niet. Maar ik moet noodzakelijk daar zijn, om hem naar Dal te begeleiden."

»Ga dan heen, vervul uwen plicht, als het niet anders zijn kan," antwoordde Hulda met een diepen zucht.

»Juist. Morgen bij het krieken van den dag zal ik mij op weg begeven."

Hulda zuchtte nogmaals.

»Bedroeft u dat, zusjelief?" vroeg de teerhartige broeder bezorgd.

»Ja, Joël," antwoordde het jonge meisje. »Ik ben veel ongeruster, als gij mij verlaat.... al is het ook maar voor weinige uren."

»Welnu, ik zal je wat vertellen, Hulda."

»Wat dan, Joël?" vroeg zij met echt vrouwelijke nieuwsgierigheid. »Wat dan?"

»Luister. Ik vertrek niet alleen."

»Niet alleen?"

»Neen."

»Wie vergezelt u dan?"

»Raad eens."

»Hoe zou ik dat kunnen raden?"

»Geeft gij het op?"

»Ja, ik geef het op. Raadsels kan ik niet oplossen, dat weet gij wel."

»Gij vroegt mij, wie mij zal vergezellen, nietwaar?"

»Ja, en dat vraag ik nog, Joël."

»Welnu, niemand anders dan gij zult mij vergezellen."

»Ik?"

»Ja, gij!"

»Maar...."

»Gij hebt afleiding noodig, en daarom neem ik u mede, Hulda."

»Dat is inderdaad eene goede gedachte van u, dierbare broeder."

»Niet waar?"

»Ongetwijfeld."

»Maar neemt gij het aan?"

»Voorzeker. Ik dank u wel, Joël."

VIII.

EENE ONTMOETING BIJ DEN WATERVAL.

Beiden verlieten den volgenden ochtend de herberg, nog voordat de dageraad aan den hemel was.

Van Dal tot aan de beroemde watervallen bedraagt de afstand slechts vijftien kilometer ongeveer, waarbij natuurlijk evenveel gerekend moet worden om terug te keeren. Ware Joël alleen geweest, dan zou hij dat slechts voor eene wat te ver uitgestrekte wandeling gehouden hebben. Maar Hulda vergezelde hem, en hij mocht niet te veel van de krachten van het tengere meisje vergen.

Joël had bijgevolg het karretje van den onderbaas Lengling gehuurd. Dat voertuig had evenals alle Scandinavische karretjes slechts ééne zitplaats. Het is waar, dat de eigenaar van dat ding zoo dik was en zoo'n omvang had, dat men genoodzaakt geweest was een rijtuig te vervaardigen, waarin hij paste. Dat kwam nu goed, want zooals het karretje thans ingericht was, bestond er ruimte genoeg om Hulda en Joël, naast elkander gezeten, te kunnen bevatten. Als men dus de aangekondigde reiziger te Rjukanfos aantrof, dan kon hij de plaats van Joël innemen, die alsdan te voet naar Dal zoude wederkeeren, of op het plankje achter de rijtuigkast gaan zitten. Dat zou dus geen hinderpalen opleveren.

Het uitzicht van Dal op de watervallen is inderdaad bekoorlijk; maar de weg daarheen uiterst hobbelig. Ternauwernood vierkant bekapte balken overbrugden de talrijke aan de Maanrivier schatplichtige beekjes en bergstroompjes en vormden op afstanden van hoogstens tweehonderd passen van elkander even talrijke vonders, die de reis niet tot de aangenaamste maakten. Maar de Noorweegsche paarden hebben een stevigen gang en zijn aan die hobbelige vonders gewoon. Wel is waar bezit zoo'n karretje geene veeren, maar de lange disselboomen, die nog al veerkrachtig zijn, brengen het hunne er toe bij, om de schokken, door de oneffenheden van den weg veroorzaakt, eenigermate te temperen.

Het weer was fraai en broeder en zuster reden in vluggen stap langs de groenende weilanden, die ter linkerzijde door het helder water van de Maanrivier begrensd waren. Eenige duizenden berkeboomen verleenden hier en daar hunne schaduw aan den weg, dien zij vroolijker deden schijnen, terwijl zij het te schelle zonlicht voldoende temperden. De nachtelijke nevel sloeg als dauw neder en versierde de uiteinden der grassprieten en bladeren met heldere droppels, die onder de zonnestralen al de kleuren van den regenboog vertoonden en als diamanten van het helderste water flonkerden. Ter rechterzijde van den bergstroom ontwaarde men op de bovenste hellingen en toppen van den Gousta uitgestrekte sneeuwvelden, ter hoogte van twee duizend meter boven de oppervlakte der zee, die eene schitterende uitstraling van licht veroorzaakten.

Het karretje reed gedurende een uur ongeveer vrij vlug vooruit. Het terrein klom nog slechts onmerkbaar, daar de helling flauw was. Maar, weldra vernauwde zich het dal. De beekjes en stroompjes, die van weerszijden van de hoogte afdaalden, veranderden weldra in ontembare stortvloeden. Hoewel de weg zeer veel slingeringen beschreef, kon hij toch niet al de steilten van den bodem vermijden. Enkele gedeelten waren dus zeer moeielijk te passeeren, maar dank zij Joëls behendigheid kwam men die zwarigheden zonder ongeval te boven. Daarenboven bij hem vreesde zijne zuster Hulda hoegenaamd niets. Wanneer de schok, die het karretje onderging te sterk was, dan klemde zij zich aan zijn arm vast. De frischheid van de morgenkoelte kleurde thans hare wangen, die anders sedert eenigen tijd ten gevolge van hare bekommeringen, bleek zagen. Zoo zag zij er nu allerbekoorlijkst uit.

Zij moesten evenwel nog meer stijgen, om de bedoelde plek, die nog al hoog lag, te bereiken. Het dal was thans zoo nauw geworden, dat het slechts doortocht aan de Maanrivier tusschen twee steil opgaande rotswanden verleende. Op de naburige bergvlakten waren een twintigtal woningen te ontwaren. Dat waren eigenlijk bouwvallen van soeters of van »gaards", die niet meer onderhouden werden; verder waren het herdershutten, die verscholen lagen tusschen groepen van beuke- en berkeboomen.

Het was evenwel onmogelijk de rivier zelve te bespeuren, maar men hoorde hare golven klotsen en loeien in haar rotsachtig keurslijf en over hare hobbelige bedding. De landstreek had een grootsch en tegelijkertijd een woest uiterlijk aangenomen, nu ze daar zoo door dat rotsachtige ravijn en die hooge bergtoppen omlijst werd. Men bevond zich dan ook in het bergachtigste gedeelte van het Scandinavische schiereiland.

Na twee uren rijdens ontwaarden de reizigers een houtzaagmolen, die op den oever van een vijftienhonderd voet hoogen waterval gelegen was. De vallende waterkolom werd als beweegkracht gebezigd, om het dubbele rad van dien molen in werking te brengen. Watervallen van die hoogte zijn geenszins zeldzaam in het Vestfjorddal, maar de hoeveelheid van hun water of liever de omvang hunner waterkolom is niet zoo aanzienlijk. Daarin worden zij door dien van Rjukanfos verre overtroffen. Die brengt een machtigen straal voort, welke met donderend geluid in de diepte nederploft.

Toen Hulda en Joël bij den houtzaagmolen aangekomen waren, stapten zij uit het karretje.

»Een wandeling van een half uur zal u toch niet te zeer vermoeien, zusjelief," vroeg Joël.

»Neen, broeder," antwoordde het jonge meisje.

»Inderdaad niet?"

»Neen, ik gevoel mij niets vermoeid, en ik geloof dat eene kleine wandeling mij goed zal doen."

»Eene kleine?..." hernam Joël. »Drommels, zeg maar eene groote en daarbij altijd stijgende!..."

»Welnu, broertje, mij zal de steun van uwen arm niet ontbreken, niet waar?"

»Zeker niet, Hulda."

Daar aangekomen, had men inderdaad het karretje moeten verlaten. Dat voertuig zou niet hebben kunnen voortkomen langs die steile wegen, door die enge bergpassen, langs die met rotsen als bezaaide hellingen, welker uiterst grillige omtrekken, hetzij geheel kaal, hetzij door hoog geboomte beschaduwd, de nabijheid van den machtigen waterval aankondigden.

Reeds verhief zich eene nevelzuil in 't blauwachtig verschiet. Dat waren de tot fijn stof verdeelde wateren der Rjukan, en de spiralen van die wolk, welke op den bodem scheen te rusten, ontwikkelden zich tot op eene zeer aanzienlijke hoogte.

Hulda en Joël sloegen een smal pad in, dat den laatste als berggids wel bekend was, en dat naar het nauwste gedeelte van het dal voerde. Men moest tusschen boomstammen en struiken doorsluipen. Eenige oogenblikken later waren beiden gezeten op eene rots, die met een geelachtig mos bekleed en vlak tegenover den waterval gelegen was. Van dien kant was het onmogelijk het prachtige natuurtafereel dichter te naderen.

Daar zouden broeder en zuster zeer moeilijk elkander hebben kunnen verstaan, wanneer zij hadden willen praten. Maar, daartoe gevoelden zij hoegenaamd geen aandrang. Hunne gedachten behoorden toen tot dezulken, die niet door het prevelen der lippen, maar alleen door het hart kunnen medegedeeld worden.

De voortschietende waterkolom der Rjukan is eene machtige, en de hoogte van den val zeer aanzienlijk. Het donderend geluid, dat zich hooren doet, is grootsch. De vaste bodem ontglipt plotseling aan de bedding der Maan-rivier, tusschen het meer Mjös bovenstrooms en het Tinnermeer benedenstrooms, zoodat de watermassa van eene hoogte van negenhonderd voet naar beneden stort.

Negenhonderd voet!... dat is zesmaal de hoogte van den Niagara-val, welks breedte wel is waar drie mijlen bedraagt van den Amerikaanschen naar den Canadaschen oever.

Hier vertoont de Rjukanfos indrukwekkende tafereelen, die moeielijk met de pen te beschrijven zijn. Het penseel zelfs zou onmachtig zijn een volledigen indruk daarvan te geven. Er bestaan van die natuur-wonderen, die men gezien moet hebben, om er de schoonheden van te vatten en te begrijpen. Tot dezen behoort die Scandinavische waterval, die de beroemdste mag heeten van het geheele vasteland.

En juist trachtte een toerist dat prachtige schouwspel in zich op te nemen.

Hij zat op een rots op den hoogen linkeroever der Maan-rivier. Vandaar had hij een ruim uitzicht op den Rjukanfos en was daar den waterval het dichtste nabij, terwijl hij hem van uit de hoogte beheerschte.

[Illustratie: Na twee uur rijdens ontwaarden de reizigers een houtzaagmolen. Blz. 71.]

Noch Joël, noch zijne zuster hadden hem bemerkt, hoewel hij op de verhevenheid, waar hij zat, volkomen zichtbaar was. Evenwel niet zoozeer door den afstand, als door een soort gezichtsbedrog, in bergterreinen meermalen voorkomende, scheen hij zeer klein en bijgevolg verder verwijderd dan hij werkelijk was.

De reiziger stond in dit oogenblik op en waagde zich zeer onvoorzichtiglijk op de rotsachtige nok, die zich als een koepelvormig gewelf naar den kant der Maan-rivier afrondde. Wat die nieuwsgierige blijkbaar wilde bezichtigen waren twee grotten, in de rotsachtige wanden van den Rjukanfos uitgehold, waarin aan den linkerkant de watermassa wielde, kolkte en schuimde, terwijl de rechtsche geheel met een dichten nevel van fijn waterstof vervuld was. Misschien trachtte hij te onderzoeken of nog niet eene derde spelonk nog meer benedenwaarts, zoowat ter halver hoogte van den waterval gelegen, aanwezig was.

Bestond die, dan zou daarin ongetwijfeld de verklaring te vinden zijn, dat de Rjukan, na zich eerst in die grot gestort te hebben, er uitsprong, terwijl hij met zekere regelmatig terugkeerende tusschenpoozen het te veel aanwezige water donderend en klaterend uitwierp. Soms zou men kunnen meenen, dat de wateren door de uitbarsting eener mijn voortgeworpen werden, om dan de omliggende fjelds met fijnen nevel te overdekken.

De toerist klom steeds voort over die steenachtige en glibberige nok, die in vorm wel iets van een ezelsrug had. Bij dien tocht had hij geen takje, geen worteleinde om zich aan vast te klemmen, geen struikje, zelfs geen grasbosje van die soort, welke zoo veelvuldig in die streken voorkomt en Pas van Marie of Maristiaan genoemd wordt.

De onvoorzichtige kende dus de legende niet, welke dien bergpas zoo befaamd gemaakt heeft.

De Noor Eystein wilde eens langs dien gevaarlijken weg de schoone Marie, het mooiste meisje van het Vestfjorddal, gaan bezoeken. Van den anderen kant van den waterval strekte reeds zijne bekoorlijke bruid de armen naar hem uit. Plotseling struikelde hij, verzwikte den voet, viel en gleed naar beneden. Op die rotsen, welke zoo glad als een spiegel zijn, was het onmogelijk zich tegen te houden. Hij verdween in de loeiende kolken der Maan-rivier en nimmer heeft men het lijk van den ongelukkigen minnaar weergevonden. Zijne bruid werd kort daarop krankzinnig ten gevolge van den doorgestanen schrik.

Wat dien rampzaligen Eystein wedervaren was, zou dat nu ook, dien vermetele, die zich daar zoo onvoorzichtig op de hellingen van den Rjukanfos waagde, overkomen?

Dat was werkelijk te vreezen.

En inderdaad, toen hij het gevaar bemerkte, was het reeds te laat. Eensklaps ontweek het steunpunt, waarop hij vertrouwde, zijn voet. Hij viel, slaakte een kreet en rolde over een afstand van een twintigtal passen voort naar beneden, en ternauwernood kon hij zich aan een uitstekende rotspunt vastklemmen. Het was waarlijk tijd; want hij lag reeds op den rand van den afgrond. Nog een paar passen, dan ware hij voorzeker in de diepte verdwenen.

Hulda en Joël hadden hem nog niet ontwaard; maar zij hadden toch zijn kreet gehoord.

»Wat is dat toch?" vroeg Joël; terwijl hij overhaast opsprong. »Wat heb ik gehoord?"

»Een kreet!" antwoordde Hulda.

»Ja!...."

»Ongetwijfeld!"

»En nog wel een noodkreet!"

»Dat meen ik ook."

»Maar, van welken kant."

»Dat weet ik ook niet."

»Het was alsof het van den overkant klonk."

»Dat docht mij ook."

»Laten wij luisteren!"

Beiden keken rechts en links naar den kant van den waterval uit; maar zij konden niets bespeuren.

Zij hadden toch zeer duidelijk de woorden: hulp!.... hulp!.... tusschen de regelmatige tusschenpoozen van het geloei van den Rjukanfos, die ongeveer eene minuut duren, gehoord. Daarin konden zij zich alle twee niet vergissen. Die kreet klonk hen nog in de ooren.

Zij luisterden...., luisterden....; en plotseling.... ja, daar werd de kreet herhaald.

»Joël!" riep Hulda zenuwachtig en opgewonden uit. »Er is een reiziger in gevaar...."

»Ja, zeker," antwoordde Joël; »daar ben ik ook overtuigd van. Luister.... daar roept hij weer."

»Wij moeten hem te hulp ijlen. Kom, voort, voort, broeder!" sprak het meisje gejaagd.

»Ja, zusjelief, en hij is niet ver van ons verwijderd."

»Juist. Kom dan toch. Vooruit."

»Jawel; maar naar welken kant?"

»Naar welken kant?...."

»Waar is hij?.... Ik zie inderdaad niets."

Hulda vloog de helling op, die zich achter de rots, waarop zij een oogenblik te voren gezeten hadden, uitstrekte. Zij klemde zich daarbij vast aan de magere grasstruikjes, die den oever aan dezen kant der Maan-rivier bekleeden.

»Joël!" riep zij eindelijk, toen zij de bovennok dier helling bereikt had. »Joël!"

»Wat is er?" vroeg de broeder, die zich op zijne beurt naar boven haastte.

»Joël!" riep andermaal het jonge meisje. »Joël, kom dan toch, gauw!"

»Ziet ge iets?...." vroeg hij, toen hij boven gekomen was en naast haar stond.

»Daar!.... Daar!...."

En Hulda wees naar den vermetele, die bijna boven den vreeselijken afgrond hing.

»Daar!.... Daar!...."

Wanneer zijn voet, waarmede hij zich tegen een uitstekend gedeelte van de rotsachtige helling steunde, uitgleed; wanneer die steun van het verweerde gesteente afbrokkelde; wanneer hij nog een weinig naar beneden schoof; wanneer eene duizeling hem aangreep en hij in bewusteloozen toestand de handen losliet, o! dan was hij ongetwijfeld verloren!

»Wij moeten hem redden!" kreet Hulda in de grootste overspanning. »Wij zullen hem redden!"

»Ja, dat moeten en dat zullen wij!" antwoordde Joël. »Met veel koelbloedigheid zal het ons wel gelukken in zijne nabijheid te komen. Maar, ik heb alvorens u nog iets te vragen."

»Kom, kom dan toch," smeekte het jonge meisje in de hevigste opgewondenheid.

»Ja wel;.... maar dat gaat zoo maar niet. Laat mij begaan, zuster."

Joël stootte toen een doordringenden en langgerekten schreeuw uit. Die werd door den ongelukkigen reiziger blijkbaar gehoord; want hij keerde het hoofd naar den kant vanwaar het geluid kwam.

Toen bedacht de koene berggids gedurende eenige oogenblikken, wat terstond verricht moest worden, om den rampzalige op de veiligste wijze aan dat vreeselijke gevaar te ontrukken. Eindelijk scheen hij gevonden te hebben, wat hij zocht.

»Hulda...." sprak hij aarzelend.

»Wat wilt ge zeggen, broeder. Kom, spreek gauw," antwoordde hem het jonge meisje gejaagd.

»Gij zijt toch niet vreesachtig, Hulda?"

»Neen, Joël. Wees gerust."

»Gij kent den Maristiaan-pas wel, niet waar?"

»Ja, ik ben er verscheidene malen overgetrokken en nimmer heeft mij het hart daarbij sneller geklopt dan gewoonlijk."

»Dat is gelukkig."

»Wat wilt ge zeggen, Joël?"

»Welnu, klim langs de bergnok naar boven en tracht den reiziger zoo dichtbij mogelijk te naderen. Laat u dan zachtkens tot bij hem afglijden. Als gij bij hem aangekomen zijt, grijp hem dan bij de hand; maar houd die stevig en onwrikbaar vast."

[Illustratie: Eenige oogenblikken later waren ze beiden gezeten op eene rots. Blz. 72.]

»Wees gerust, broeder," zei het jonge meisje vast besloten. »Ik ben wel maar eene vrouw, maar wij bergbewoners zijn niet van spierkracht misdeeld. Dus nogmaals, wees gerust. Wat verder?"

»Zeg hem dan, dat hij nog niet pogen moet, om op te staan."

»Waarom niet, broeder?"

»Eene duizeling zou hem kunnen overvallen, hij zou onmachtig zijn zich te weerhouden; hij zou u meesleepen en dan waart gij beiden verloren, niet waar?"

»En gij, Joël, wat zult gij verrichten?"

»Ik zal, terwijl gij omhoogklimt, daar langs dien rotswrong naar den kant der bedding van de Maan-rivier afklimmen."

»Maar dan, broeder?"

»Ik zal daar zoo ongeveer aangekomen zijn, wanneer gij hem bereikt zult hebben."

»Jawel, maar wat dan?"

»Als gijlieden mocht uitglijden, dan zal ik wellicht in staat zijn, u te weerhouden."

»Dat is alles goed en wel, maar wat dan, broeder? Wij kunnen toch daar boven niet blijven."

»Meer kan ik u niet zeggen, zusjelief. Doe nu maar nauwkeurig en zorgvuldig, wat ik u gezegd heb. Komaan, er is waarachtig geen tijd meer te verliezen."

En zich naar den vreemdeling keerende, en van een oogenblik van betrekkelijke stilte van het geloei van den Rjukanfos gebruik makende, riep hij met forsche stem:

»Beweeg u niet, mijnheer!.... Klem u goed vast!.... Nog een oogenblik geduld. Wij zullen het mogelijke beproeven, om bij u te komen. Geduld dus en volmaakte onbeweeglijkheid!"

Hulda was reeds tusschen het lage struikgewas van de helling verdwenen om af te klimmen naar de andere nok, naar die van den Maristiaan-pas. Zij haastte zich blijkbaar zeer, om hare gevaarvolle taak te volbrengen.

Joël ontwaarde het moedige meisje weldra weder, toen zij bij het omslaan van de laatste groep boomen weer even verscheen.

Hij van zijn kant daalde met groot levensgevaar langs de steile helling van die ronde nok af, die den Rjukanfos omgeeft. Hij kroop, hij schoof, hij sprong met bewonderenswaardige koelbloedigheid, met eene vastheid van voet en van hand, die maar door zeer weinigen geëvenaard kon worden. Maar, het was ook hoog noodig; want hij moest langs dien afgrond afdalen, welks wanden, door de waterdeelen en door de nevelen van den waterval nat gemaakt, zeer glibberig waren.

Evenwijdig met hem, maar een honderdtal voeten hooger, naderde Hulda; terwijl zij daarbij schuinsrechts aanhield, om zoo gemakkelijker, met minder gevaar, de plek te naderen, waar de reiziger onbeweeglijk ter neer lag. In den toestand, waarin hij zich bevond, kon men zijn gelaat niet zien, dat naar den kant van den waterval gekeerd was.

Toen Joël beneden hem aangekomen was, stond hij stil en, na den voet in eene spleet der rots stevig vastgezet te hebben, keek hij naar boven.

»Hé!.... mijnheer!" riep hij.

De vreemdeling keerde het hoofd om.

»Hé!.... mijnheer!" riep Joël andermaal. »Maak geene beweging, geen enkele, en houd u stevig vast."

»Wees gerust," antwoordde de reiziger op een toon, die Joël niets meer deed vreezen. »Ik houd mij stevig vast, goede vriend! Als ik dat niet gedaan had, dan lag ik al sedert een kwartier in het diepste gedeelte van den Rjukanfos en de drommel zou er mij niet meer uithalen!"

»Mijne zuster zal tot bij u neerdalen," hernam Joël steeds schreeuwende. »Zij zal u bij de hand grijpen, maar tracht niet u te bewegen, voordat ik bij u ben. Tracht vooral niet op te staan."

»Ik zal stil als eene rots blijven liggen," riep de vreemdeling terug.

Hulda was reeds bezig, om aan haren kant af te dalen, waarbij zij de minst glibberige gedeelten van de rotsachtige nok trachtte op te sporen. Zij plaatste hare voeten in de spleten, alwaar zij een stevigen steun vinden. Zij was kalm en bedaard en bleef helder van hoofd. Zij toonde daardoor eene waardige dochter van het Telemarksche te zijn, een van die onverschrokken kinderen der hooglanden, die gewoon zijn de hellingen der hoogvlakten te bestijgen en af te dalen.

En zooals Joël den vreemdeling toegeroepen had, zoo deed zij thans ook.

»Houd u goed vast, mijnheer!"

»Ja wel, ja wel, ik zal me vasthouden, ten minste zoolang ik zal kunnen."

»Nog wat geduld; ik kom bij u."

Zooals men ziet, ontbrak goede raad dien ongeluksvogel niet. Van boven en van beneden werd hij tot hem gericht. Wat kon hij meer willen?

»Wees vooral niet bevreesd," riep Hulda.

»Neen, dat ben ik niet."

»En niet te ongeduldig zijn," riep Joël.

»Dat ben ik ook niet; maar drommels haast u!"

»Wij zullen u redden," riep de berggids.

»Ja, daarop reken ik; want bij Sint Olaf, mij zelven redden kan ik niet."