Het loterijbriefje

Chapter 6

Chapter 63,866 wordsPublic domain

»Hulda," antwoordde vrouw Hansen, »zorg dat het vreemdelingenboek, voordat die onbekende weer terugkomt, in zijne kamer gebracht zij. Zult ge?"

»Ja, moeder, wees gerust; ik zal er voor zorgen," antwoordde het jonge meisje.

»Hij zal er waarschijnlijk toe overgaan, zijn naam daarin te schrijven."

Hulda glimlachte ongeloovig, maar antwoordde niet.

Tegen acht uur was de nacht reeds ingetreden en de duisternis zoo zwart mogelijk. De lucht was dik bewolkt en een fijne regen begon te vallen, waardoor de geheele vallei als het ware in eene dikke nevelbank gehuld werd, die alles tot op de halve hoogte van de berghelling kletsnat maakte. Het weer was derhalve zoo ongunstig mogelijk tot het afleggen eener avondwandeling. De nieuwe gast van vrouw Hansen keerde dan ook, nadat hij het bergpad tot bij de houtzagerij gevolgd was, naar de herberg terug, alwaar hij een glaasje brandewijn vroeg. Hij dronk dat met kleine teugen leeg. Daarna nam hij den houten kandelaar, waarop de stearine-kaars ontstoken was, en begaf zich zonder een enkel woord te spreken, zonder iemand, wie ook, goedennacht gewenscht te hebben, naar zijne kamer, opende haar, trad binnen, sloot de deur en grendelde haar, waarna men hem gedurende den geheelen nacht niet meer hoorde.

Wat den skydskarl betrof, die had eenvoudig eene toevlucht gezocht onder het afdak der kleine loods. Daar had hij zich tusschen de disselboomen van de kariol uitgestrekt en was weldra in gezelschap van het geelachtige paard rustig ingeslapen, zonder zich om weer, wind of regen in het minst te bekommeren.

Den volgenden ochtend stonden vrouw Hansen en hare dochter Hulda bij het krieken van den dag op. Geen enkel geluid werd in de kamer van den reiziger, die waarschijnlijk nog sliep, vernomen.

[Illustratie: Nadat hij zich van zijn mantel ontdaan had, ging hij bij het vuur zitten. Blz. 51.]

Iets over negen uur trad hij de groote zaal binnen, met een gelaat nog norscher dan daags te voren. Hij begon dadelijk, zonder iemand met een groet te verwaardigen, te klagen over zijn bed, dat zoo hard was, en over het leven in huis, waardoor hij ontijdig vroeg gewekt was. Hij mompelde iets van beestenboel tusschen de tanden, tot groote verontwaardiging der vrouwen.

Daarna opende hij de deur en keek naar het uitspansel, dat er niets verkwikkelijk uitzag.

En inderdaad een scherpe wind gierde over de toppen van het Gousta-gebergte, geheel achter dikke dampen en wolken verborgen, en joeg huilend door het dal.

De reiziger waagde het niet, om naar buiten te treden; maar toch liet hij geen tijd verloren gaan. Terwijl hij zijne pijp rookte en dikke wolken uitblies, liep hij in de herberg rond en poogde de innerlijke gesteldheid van het gebouw op te nemen. Hij trad de verschillende vertrekken binnen, onderzocht het meubilair, opende de laden en kasten alsof dit vanzelf sprak en hij in zijn eigen huis was. Men zoude gezegd hebben, dat hij een rijks-taxateur was, die belast was met het gerechtelijk inventariseeren van een inboedel.

Het viel niet te ontkennen dat het gedrag van den vreemdeling niet alleen zonderling, maar bepaald verdacht was te noemen. De arme vrouwen wisten waarlijk niet meer, wat zij van hem denken moesten. Zij huiverden van angst.

Toen de man met zijn gesnuffel klaar was, keerde hij in de groote zaal terug en nam plaats in den kolossalen leuningstoel. Toen richtte hij kortaf en op ruwen toon eenige vragen tot vrouw Hansen:

Wanneer was de herberg gebouwd? En of zij het jaartal wist?

Was het haar man Harald, die de inrichting gebouwd had. Of had hij haar door overerving verkregen?

Waren reeds herstellingen noodig geweest? En zoo ja, welke?

Hoe groot was de omvang van het erf en van de soeter, die er bij behoorde?

Had de herberg eene goede klandisie en bracht zij veel op? Hoeveel wel per jaar?

Hoeveel toeristen kwamen er gemiddeld gedurende het zomerseizoen?

Waren er bij, die meer dan een dag in de inrichting doorbrachten? En op hoeveel van die soort kon men rekenen?

Daarbij bleef het evenwel niet. Hij deed nog meer vragen, te veel om alle mede te deelen.

Blijkbaar had de reiziger nog geen kennis genomen van het vreemdelingenboek, dat in zijne kamer op de tafel neergelegd was. Had hij dat toch gedaan, dan had hij zijne laatste vragen waarschijnlijk overbodig geacht.

Inderdaad het boek bevond zich nog op dezelfde plaats, waar Hulda het daags te voren had nedergelegd en de naam van den reiziger was er nog niet ingeschreven.

»Mijnheer," zei vrouw Hansen toen, »ik vat volstrekt niet, waarom gij die vragen doet, en welk belang die zaken u kunnen inboezemen. Maar, wanneer gij daaromtrent inlichtingen wenscht te verwerven, dan bestaat daartoe een zeer gemakkelijk middel, namelijk het vreemdelingenboek te raadplegen. Ik moet u tevens verzoeken, om uw naam er in te schrijven. Dat wordt door de politie voorgeschreven en is een gebruik, dat..."

»Mijn naam?" vroeg de vreemdeling op uittartenden toon, terwijl hij onaangenaam glimlachte.

»Ja, uw naam!" antwoordde vrouw Hansen geërgerd en vrij bits.

»Ja wel," hernam hij, »ik zal mijn naam invullen, vrouw Hansen, wees gerust.... Maar, ik zal dat eerst doen, wanneer ik afscheid van u nemen zal!"

»Moet uwe kamer voor u opengehouden worden?" vroeg de waardin.

»Dat is onnoodig," antwoordde de reiziger, terwijl hij uit den leuningstoel opstond. »Ik wil dadelijk vertrekken na het ontbijt gebruikt te hebben, om morgenavond te Drammen terug te kunnen zijn."

»Te Drammen?" hernam vrouw Hansen op vrij levendigen toon, terwijl zij den vreemdeling aankeek.

»Ja, te Drammen! Wat zou dat overigens? Maar ik wil geen tijd verliezen, laat derhalve het ontbijt brengen."

»Woont gij te Drammen?" vroeg de waardin, die Hulda een wenk gaf, om dadelijk voor het ontbijt te zorgen.

»Ja, wat is daar bevreemdends in, dat ik te Drammen woon?"

Vrouw Hansen antwoordde op die vraag niet, maar staarde nadenkend voor zich.

Dus die reiziger keerde, na ternauwernood een dag te Dal, of liever in de herberg doorgebracht te hebben naar Drammen terug, zonder hoegenaamd iets van de landstreek gezien te hebben! Hij wenschte het baljuwschap niet verder in te trekken! Hij scheen zich niet in het minst om de Gousta-toppen, om de Rjukanfos-hellingen, om de wonderen van het Vestfjorddal te bekreunen!

Hij had dus Drammen niet voor zijn pleizier, maar voor zaken verlaten!

En.... hij scheen geen andere beweegreden gehad te hebben om hier te komen, dan om het huis en have en goed van vrouw Hansen zoo nauwkeurig mogelijk op te nemen!

Hulda zag wel, dat hare moeder zeer ontsteld was. Vrouw Hansen had plaats genomen in den grooten leuningstoel. Een oogenblik trachtte zij zich met spinnen te verstrooien; maar dat lukte niet. Zij stootte haar spinnewiel driftig achteruit en bleef bewegingloos zitten, zonder een enkel woord te spreken.

De reiziger was intusschen de eetzaal binnengetreden, waar hij aan de tafel plaats genomen had.

Hij scheen evenwel niet beter tevreden te zijn over het ontbijt, dat toch even zorgvuldig toebereid was als het middagmaal daags te voren. En toch at en dronk hij goed zonder zich evenwel daarbij te overhaasten. Hij liet niet na bij die gelegenheid zijne aandacht voornamelijk te vestigen op de waarde van het zilverwerk, eene weelde waarop de Noorweegsche landlieden zeer gesteld zijn. Bij zijn diner van den vorigen dag had hij waarschijnlijk die bijzonderheid uit het oog verloren. Nu woog hij op de hand de lepels en vorken, die op tafel lagen, en die van vader op zoon overgegaan, bij de familiejuweelen bewaard worden.

De skydskarl maakte zich intusschen onder de kleine loods tot vertrek gereed, en het sloeg elf uur, toen het paard en de kariol voor de deur der herberg klaarstonden.

De reiziger keek door het venster naar de lucht. Het weer zag er steeds somber uit. Dikke wolken bedekten den hemel en joegen, voortgedreven door een noordwestenwind, wild door het luchtruim. Soms kletterde eene regenvlaag tegen de ruiten der vensters, alsof iemand er vermaak in geschept had, met kracht handenvol erwten er tegen te werpen. De reiziger evenwel, stevig in zijn mantel gehuld, die, zooals men weet, behoorlijk met bont gevoerd was, scheen daar geen acht op te slaan of er zich ten minste niet aan te storen.

Toen hij met zijn ontbijt klaar was, verorberde hij als afzakkertje nog een glas brandewijn, stak zijne pijp aan, blies dikke wolken van tabaksrook uit en sloeg toen zijn mantel om. Daarna begaf hij zich naar de groote zaal en vroeg zijne rekening, steeds op onwellevenden ja schier onbeschoften toon, zoo ongewoon in die streken vooral.

»Ik zal haar opmaken," antwoordde Hulda Hansen, die zich voor eene kleine schrijflessenaar wilde nederzetten.

»Haast maken daarbij!" zeide de reiziger steeds nurksch en onbehouwen.

»En..." ging hij voort, »geef mij ondertusschen het vreemdelingenboek, om mijn naam te kunnen invullen."

Vrouw Hansen stond uit haren leuningstoel op, haalde het boek en legde het geopend op de groote tafel neder.

»Daar is het, mijnheer," zei zij, terwijl zij naar het boek wees.

De reiziger greep eene pen, doopte haar in de inkt en keek nog eens over zijne brilleglazen heen naar vrouw Hansen. Na zoo een poos getuurd te hebben, bukte hij het hoofd, schreef zijn naam met dikke, vette letters in het boek en sloeg het zoo heftig dicht, dat het was of een pistoolschot weerklonk.

Hulda, die met de rekening klaar was, reikte hem die toen over.

Hij nam het papier aan, ging het opgeschrevene al knorrende woord voor woord na, en controleerde de optelling.

»Hm! hm!" zeide hij. »Dat is drommels duur. Zeven en een halve mark voor een enkelen nacht en twee maaltijden! Drommels duur, voorwaar!"

»Gij vergeet, dat de rekening ook het onderhoud van den skydskarl en het paard betreft," merkte Hulda op.

»Kan niet schelen! Ik vind het duur. Als dat zoo gaat, en de menschen zoo gevild worden, dan verwondert het mij geenszins, dat hier in huis goede zaken gedreven worden!"

»Wat is er dan te duur gerekend?" vroeg Hulda rood van verlegenheid.

Maar, voor een antwoord op die vraag had kunnen volgen:

»Gij zijt niets verschuldigd, mijnheer," klonk de stem van vrouw Hansen, evenwel zoo verlegen en zoo zacht, dat zij nauwelijks hoorbaar was. »Gij zijt ons niets verschuldigd?"

Zij had het vreemdelingenboek opengeslagen en den ingeschreven naam gelezen.

Nu trad zij naar voren, greep de rekening en verscheurde die, terwijl zij herhaalde:

»Gij zijt ons niets schuldig!"

»Dat is mijn meening ook!" antwoordde de reiziger droogweg en met een hatelijken glimlach op het gelaat.

En, zonder bij het heengaan eenig vaarwel te prevelen, evenmin als hij bij zijne aankomst beleefdheidshalve gegroet had, steeg hij in zijn kariol, terwijl de skydskarl achter op het plankje sprong. Hij liet de teugels schieten, gaf het paard een tik met de zweep, en was weldra bij een kromming van den weg uit het gezicht verdwenen.

Hulda sloeg toen het vreemdelingenboek nieuwsgierig open en keek.

Zij ontwaarde evenwel niets anders dan dien eenen naam, die daar met dikke letters gekrabbeld stond: »Sandgoïst, van Drammen."

Noch betrekking, noch nationaliteit waren er bij vermeld, Hulda was er niet veel wijzer door.

VII.

ZUSTER EN BROEDER.

In den namiddag van den daarop volgenden dag zou Joël Hansen te Dal wederkeeren.

Hij had den toerist, dien hij tot gids strekte, op den weg naar de Hardangsche streken gebracht en daar aan een anderen wegwijzer behoorlijk overgegeven.

Hulda, die wist, dat haar broeder langs het pad, hetwelk over de bergvlakte van den Gousta en langs den linkeroever der Maan-rivier voert, zoude wederkeeren, ging hem bij den overgang van den onstuimigen bergstroom wachten. Zij zette zich neder bij eene kleine verhevenheid, die tot bruggenhoofd en ontschepingsplaats voor de veerpont diende, die daar de gemeenschap onderhield. Daar was zij weldra in haar overpeinzingen verzonken. Bij het angstige gevoel, dat haar vanwege het lange uitblijven van de _Viken_ beheerschte, voegde zich thans nog een veel sterker, veroorzaakt door het bezoek van dien Sandgoïst daags te voren en door de houding bij deze gelegenheid door vrouw Hansen, hare moeder, aangenomen.

Waarom had deze bij het vernemen van den naam van dien vreemdeling, de rekening verscheurd? En waarom had zij toen het haar toekomende geweigerd in betaling aan te nemen?

Zij kende haar moeder genoegzaam, om niet te beseffen, dat die daad een geheim--een gewichtig geheim ongetwijfeld--tot grondslag moest hebben. Dat kon haast niet anders.

Hulda Hansen zat daar een poos het oog op den top van den Gousta gevestigd, die zich 1890 meter boven de oppervlakte van de zee verheft, en met een niet al te hoogen zadelrug in het Noorden aan de hoogvlakte, Hardanger vidda genaamd, aansluit, waarachter de Halling jokul met zijn schitterenden gletscher, die de rotswanden van Hallingskarven beheerscht, uitkijkt. Van het punt, waar het meisje zat, kon haar oog waren over de vijf groote dalen, waaruit het Telemarksche bestaat, namelijk het Numedal met de rivier de Laayer, het Hallingdal met de rivier de Maan, het Valdresdal met de rivier Bägna, het Gudbrandsdal en het Osterdal. De rivieren, of beter bergstroomen, storten als beken van het gebergte neer, vormen daarbij de woeste en schilderachtigste watervallen der wereld, en stroomen in de Christiania-fjord, welks boorden tot de vruchtbaarste van geheel Noorwegen behooren, in zee. In de verte werd een donderend geraas vernomen, dat was de rivier Krannä, die van een hoogte van ruim 250 meter neerstort en den Rjukanwaterval vormt, den schoonsten van geheel Noorwegen, ja van geheel Europa.

Of dat fraaie tafereel de lieve maagd boeide, valt te betwijfelen. Hulda zat daar en keek; maar of zij ook zag?....

Zij werd eindelijk uit hare overpeinzingen door de aankomst van haren broeder Joël gewekt. Zij ontwaarde hem, toen hij het kronkelende pad langs het eerste voorgebergte met haastigen pas afdaalde. Nu eens verscheen hij te midden der smalle openingen van het woud, tusschen de neergevelde boomen of tusschen de stronken van die woudreuzen, welke door het vuur opgeruimd waren. Dan weer verdween hij onder de dichte takken der dennen, berke- en beukeboomen, waarmede de berghellingen als het ware overladen zijn. Hier vertoonde hij zich op den kam eener bergrib in de volle ontwikkeling zijner welgevormde mannelijke gestalte. Elders trok hij achter eene kolossale rotspartij om, die hem voor Hulda's oogen verborg, terwijl hij iets verder door eene rotsspelonk opgenomen werd, waarin hij verdween, alsof hij toegang had verkregen tot een der ingangen van de onderwereld.

Maar eindelijk, na nog eene scherpe helling afgedaald te zijn, kwam Joël Hansen op den tegenovergestelden oever van den bergstroom aan, en sprong in de veerpont. Hij stak fluks van wal en de riemen krachtig hanteerende, ontkwam hij met weinige roeislagen de kolken en tegenstroomingen van de bruisende rivier. Eindelijk bereikte hij den oever. In één sprong was hij op den wal en bij zijne zuster, die hij liefderijk in de armen sloot.

»Is Ole Kamp terug?" vroeg hij onstuimig en terstond na die broederlijke omarming.

Zooals men ziet, was zijne eerste gedachte voor zijn vriend. Helaas, zijne vraag bleef onbeantwoord.

Droefgeestig en terneergeslagen keek hij voor zich, terwijl hij den arm om het middel zijner zuster geslagen hield.

»En geen brief van hem ontvangen?" vervolgde hij.

»Geen woord!"

Hulda barstte in tranen uit. Zij snikte en heftig bewoog zich hare borst.

»Neen," riep Joël Hansen uit, »neen zusjelief, schrei niet... Dat doet mij te veel pijn... Ik kan je niet zien weenen... Komaan! laat zien... Ge zegt, dat er geen brief gekomen is... Dat begint er werkelijk onrustbarend uit te zien!... Toch bestaat er nog geen reden om te wanhopen!... Kijk, als gij wilt, zal ik naar Bergen reizen. Daar zal ik berichten inwinnen... Ik zal de heeren Gebroeders Help gaan zien... Misschien hebben die tijdingen van New-Found-Land... Waarom zou de _Viken_ niet de een of andere noodhaven hebben kunnen aandoen? Hij kan averij bekomen hebben, hij kan genoodzaakt geweest zijn voor den storm te lenzen, of zich te bergen.... Dat is zeker, dat de wind sedert meer dan eene week zeer onstuimig gewaaid heeft en soms tot storm aangewakkerd is. Maar... wat zou dat nog?"

Hulda keek hem met hare roodbekreten oogen aan. Och, zij had zoo gaarne geruststelling en vertrouwen uit de woorden van haren broeder geput. Of deze daarbij slaagde?

»Men kan voorbeelden aanhalen," vervolgde Joël Hansen, »dat vaartuigen, komende van de Noord-Amerikaansche kust een toevlucht gezocht hebben op IJsland of op de Ferro-eilanden. Dat is zelfs Ole Kamp twee jaren geleden overkomen, herinnert gij u nog wel, toen hij aan boord van de _Strenna_ voer? Dat kan u onmogelijk ontschoten zijn, nietwaar?"

Hulda knikte bevestigend met het hoofd, maar scheen lang niet overtuigd.

»En van die streken komt de post niet dagelijks aan," ging Joël Hansen voort. »Bij gevolg bestaat er niet altijd gelegenheid om te schrijven. Dat is klaar als de dag!"

Het arme meisje was ontroostbaar bij dat denkbeeld, hetwelk evenwel als eene uitkomst moest gerekend worden, bij de gedachte aan eene zooveel wreedere mogelijkheid.

»Ziet ge, zusjelief," ging Joël voort, »ik spreek tot je zooals ik denk.... Wees nu toch bedaard.... Wat moet er van ons worden, als ik ook ga schreien?"

»Ik kan er niets aan doen, broeder," bracht Hulda snikkende uit.

»Hulda!.... Hulda!.... Geen moed verliezen, wat ik je bidden mag!.... Ik verzeker je, dat ik nog volstrekt niet wanhoop! En toch weet ge, hoezeer ik Ole liefheb."

»Kan ik je gelooven, Joël?" vroeg het meisje, terwijl zij het hoofdje aan zijne borst vleide.

»Ja, dat kunt ge, zuster," antwoordde de jonge man. »Maar wilt ge, om u gerust te stellen, dat ik naar Bergen vertrek?... Morgenochtend.... of hedenavond?"

»Ik wil niet, dat gij mij verlaat!.... Neen, dat wil ik niet!" antwoordde Hulda Hansen, terwijl zij zich aan haren broeder vastklemde, alsof zij slechts hem ter wereld meer bezat.

Hij suste, en troostte haar nog eenigen tijd en wendde zijne beste argumenten aan, om haar gerust te stellen, hetgeen dan ook eenigermate gelukte. Beiden wilden toen den terugweg naar de herberg van Dal aanvaarden, waarbij Joël Hansen zijne zuster zoo goed en zoo kwaad hij kon, tegen den regen trachtte te beschutten.

Maar de bui werd in dat oogenblik zoo hevig, de slagregen kletterde zoo krachtig terneder, dat zij genoodzaakt waren eene toevlucht te zoeken in de hut van den veerpontschipper, die op een paar honderd passen van den oever der Maan-rivier stond.

Daar moesten zij wachten, totdat de bui eenigermate uitgeraasd zoude hebben of weggedreven zoude zijn. En terwijl zij daar verwijlden, gevoelde Joël Hansen eene onoverwinnelijke behoefte om te praten, om het even over wat. De stilzwijgendheid kwam hem nog wanhopiger voor, als alles wat er gezegd kon worden, ja al zouden woorden moeten weerklinken, die weinig hoop, die weinig uitzicht op eene wenschelijke oplossing zouden geven. Alles, alles liever dan die stilte!

»Hoe is het met moeder?" vroeg hij met zekere gejaagdheid in zijne stem.

»Die wordt al meer en meer droefgeestig," antwoordde Hulda, steeds terneergeslagen.

»Is er niemand gedurende mijne afwezigheid in de herberg afgestapt?"

»Ja wel, een reiziger, die daags daarna weer vertrokken is," was het antwoord van het meisje.

»Dus er is geen enkele toerist in de herberg aanwezig, nietwaar? en is er in mijne afwezigheid om geen gids gevraagd geworden, zusjelief?" vroeg Joël.

»Neen, broeder, er is geen toerist in de herberg, en er is geen gids gevorderd."

»Des te beter."

»Waarom, Joël?"

»Omdat ik thans in de gegeven omstandigheden u liever niet verlaat. Daarenboven...."

»Daarenboven wat?"

»Als het slechte weder aanhoudt, vrees ik wel, dat de toeristen er van zullen afzien, om onze schoone provincie Telemarken te bezoeken. Denkt gij dat ook niet, Hulda?"

»Wij zijn nog pas in April, Joël, dus nog ver van den zomer. Het weer kan dus wel ten goede keeren."

»Ongetwijfeld, zusjelief; maar ik heb als het ware een voorgevoel, dat wij geen goed seizoen zullen hebben."

»Niet? Waarom niet?"

»Ja, de reden van dat voorgevoel kan ik niet opgeven. Nu, wij zullen zien, wie gelijk heeft, gij of ik."

»Gisteren heeft die vreemdeling Dal verlaten, nietwaar, Hulda?"

»Ja, Joël. Hij is des morgens heel vroeg vertrokken. Het was ternauwernood dag."

»Wie was het? Zeg, weet gij daar ook iets van?"

»Niet anders dan dat hij van Drammen afkomstig was."

»Van Drammen?"

»Ja, hij schijnt daar te wonen."

»En wat weet gij verder? Kom, zusjelief, spreek op. Bij voorbeeld, hoe heet hij?"

»Hij heet Sandgoïst."

»Sandgoïst?"

»Ja. Kent gij hem misschien?"

»Neen," antwoordde Joël.

Hulda had zich reeds de vraag gesteld, of zij alles aan haren broeder zou vertellen, wat in de herberg gedurende zijne afwezigheid voorgevallen was. Wanneer Joël vernemen zoude, hoe onwellevend, ja hoe onbeschoft die man te werk was gegaan, hoe hij de waarde van het huis en van het ameublement scheen berekend te hebben; wanneer haar broeder ingelicht zoude zijn, over de houding en de gedragslijn van vrouw Hansen tegenover dien vreemdeling, wat zou hij dan wel denken? Zou hij dan niet moeten gelooven, dat hunne moeder zeer ernstige redenen moest hebben, om te handelen, zooals zij gedaan had?

En dan.... welke waren die redenen? Daar stond haar verstand werkelijk voor stil.

Wat voor geheim kon er tusschen haar moeder en dien Sandgoïst bestaan?.... Waarlijk, onbegrijpelijk!

Het kon niet anders, of daar moest iets achter schuilen.

En nog wel een dreigend geheim voor de familie.

Joël zou het willen vernemen. Hij zou zijne moeder ondervragen. Hij zou haar geen rust laten.... En vrouw Hansen, die toch al zoo weinig mededeelzaam was, die er toch al zoo tegen opzag haar gemoed voor anderen uit te storten, zou haar geheim willen bewaren, zooals zij tot heden gedaan had. De verhouding tusschen haar en hare kinderen, die toch al zoo bedroevend was, zou nog pijnlijker worden.

Maar, zou het jonge meisje iets voor Joël kunnen verzwijgen? Zou dat mogelijk zijn?

Een geheim voor hem? Zou dat geen nadeeligen invloed uitoefenen op de warme vriendschap, die beiden verbond? Zou dat geen verraad zijn? Ja, snood verraad!

Neen, die vriendschap mocht nimmer verbroken worden. Hulda besloot dan ook alles te zeggen.

»Hebt ge nimmer over dien Sandgoïst hooren spreken, wanneer gij te Drammen vertoefdet?" vroeg zij.

»Nooit," antwoordde haar broeder.

»Welnu, weet dan, Joël, dat onze moeder hem reeds kende, althans van naam."

»Zij kende Sandgoïst?"

»Ja, Joël."

»Maar, ik heb haar nimmer over hem hooren reppen?...."

Hulda trok de schouders op, daardoor te kennen gevende, dat dit geen bewijs was.

»Ik heb haar zelfs den naam van dien man niet hooren noemen," vervolgde Joël.

»En toch kende zij hem," antwoordde het jonge meisje, »hoewel zij dien man nimmer voor zijn bezoek van eergisteren gezien heeft. Daar van houd ik mij overtuigd."

En nu verhaalde Hulda al de bijzonderheden, die het verblijf van dien Sandgoïst in de herberg van Dal gekenmerkt hadden, zonder de zonderlinge daad van vrouw Hansen bij het vertrek van den vreemdeling te vergeten. Daarna haastte zij zich te vervolgen:

»Ik geloof dat we het verstandigst zullen doen, broeder Joël, om niets aan moeder te vragen. Gij kent haar, nietwaar? Dat zou haar nog ongelukkiger maken. De toekomst zal ons ongetwijfeld ontsluieren wat ons van het verleden verborgen is gebleven."

»Maar wat zou dat kunnen zijn, zusjelief?"

»Ik weet het niet; maar geve de hemel, dat Ole Kamp spoedig moge terugkeeren! Mocht ons dan eenige ramp treffen, of eenige reden tot droefheid ons deel zijn, dan zullen wij met ons drieën zijn om die te dragen."

Joël had zijne zuster met de meest onverdeelde aandacht aangehoord.