Het loterijbriefje

Chapter 5

Chapter 53,898 wordsPublic domain

Wat hare kleeding en hare juweelen betreft, och, die baarden haar weinig zorg. Zij had immers slechts te putten uit den voorraad harer moeder. De hoofdbestanddeelen van het bruidstoilet worden toch in de Noorweegsche familiën van geslacht tot geslacht zorgvuldig bewaard en aan elkander overgegeven, hetgeen, dat moet bekend worden, een aandoenlijk gebruik is.

Zoo zou men bij dat huwelijk weer te voorschijn brengen, het met goud geborduurde keurslijf, den fluweelen gordel, den van effen of veelkleurige zijde vervaardigden japon, de wadmel-kousen, de gouden halsketen en de kroon--de beroemde Scandinavische kroon,--die gewoonlijk in de kast, waarop het beste slot zit, opgeborgen wordt. Die kroon vertegenwoordigt geene groote waarde, zooals men meenen zou. Neen, zij bestaat slechts uit zwaar verguld bordpapier, dat kunstig in reliefwerk geperst, met sterren als bezaaid, en verder met frisch loofwerk versierd is. Zij vervangt in Noorwegen den krans van oranjebloesem, die het hoofd der bruiden in andere landen tooit, is betrekkelijk smaakvoller en zou met haren stralenkrans van uiterst fijn draadwerk, met hare klingelende hangers, met hare versiersels van gekleurd glas, op zeer bevallige wijze het fraaie voorhoofd en het gelaat van Hulda Hansen tooien.

De »gekroonde bruid", zooals men zich in Noorwegen uitdrukt, zou haren echtgenoot alle eer aandoen.

Hij van zijn kant zou haar in zijn bruidegomspak in allen deele waardig zijn. Die kleeding bestond uit een korte jas met zilveren knoopen, die zeer dicht bij elkander geplaatst zijn, uit een stijf gesteven hemd met hoogstaande boorden, uit een gestreept vest, dat met figuren van zijden pletkoordjes versierd was, uit een nauwsluitende korte broek, boven de knie gesloten was met een bouquet van wolachtige kwastjes, uit een hoed van slap vilt, en uit geelkleurige stevels, terwijl om het middel de Scandinavische gordel met de »dolknif", zonder hetwelk zich geen rechtgeaard Noorweger ooit vertoont, in eene lederen scheede, bevestigd was.

Van alle kanten dus had men genoeg te stellen en te zorgen voor bijzonderheden, die nauwlettend behandeld moesten worden. Waarlijk, daartoe waren de weinige weken, die nog beschikbaar waren, ternauwernood voldoende, wilde men voor de terugkomst van Ole Kamp met alles in gereedheid zijn. Maar, wat te doen, wanneer onze zeeman vroeger thuis kwam, dan hij verwacht werd? Hulda zou dan voorzeker met hare voorbereidselen niet gereed zijn. Toch zou het lieve meisje er zich niet over beklagen, en, zooals iedereen wel begrijpen zal, Ole Kamp nog minder. Integendeel, dat zou voor beide partijen eene aangename verrassing zijn.

Met het maken van die beschikkingen voor het huwelijk gingen de laatste weken van April en de eerste van Mei voorbij.

Joël van zijn kant had zich ijverig onledig gehouden met in persoon de uitnoodigingen tot de plechtigheid over te brengen, en kon dat in gemoede uitvoeren, omdat zijne betrekking van ginds hem in die dagen een tijd van rust gunde. Men maakte zelfs de opmerking, dat hij zeer veel vrienden te Bambel moest hebben; want hij ging er zeer dikwijls heen. Wij kennen evenwel de beweegreden, de magneet, die hem naar dat Noorweegsche dorpje trok; namelijk de schoone oogen van Siegfrid. De brave jongen was nog niet naar Bergen gereisd, om de Gebroeders Help uit te noodigen; maar hij had hen toch geschreven. En, zooals hij terecht gegist had, hadden de waardige reeders de uitnoodiging, om het huwelijk van Ole Kamp, den eersten stuurman van de _Viken_, met hunne tegenwoordigheid te vereeren, met de grootste hartelijkheid aangenomen.

Intusschen was, hoe traag ook de tijd verliep, toch de 15de Mei genaderd.

»Eindelijk! Eindelijk!" had de lieve Hulda Hansen in zich zelve gepreveld.

Iederen dag kon men de aankomst van Ole Kamp verwachten. Ieder uur kon het schouwspel opleveren, hem uit zijn karretje te zien springen, hem de deur te zien openen, en hem met zijne zoo opgeruimde stem te hooren uitroepen:

»Hier ben ik, mijne dierbare Hulda!.... Ja, hier ben ik! Hier ben ik!"

Er behoefde slechts nog wat geduld geoefend te worden. Niets meer dan dat. En, hoewel noode, dat zou niet ontbreken.

Alles en allen waren intusschen klaar, ook de lieve Siegfrid, die slechts op een teeken wachtte, om dadelijk feestelijk uitgedost en in haren fraaisten opschik te verschijnen.

De 16de was daar; maar Ole Kamp verscheen niet. Hij zou waarschijnlijk den volgenden dag komen.

Maar ook de 17de ging voorbij, zonder dat de zeeman aangekomen was. Men begon ongerust te worden.

Ook de 18de bracht geene uitkomst. Zelfs kwam geen brief van New-Found-Land aan!

»Dat moet je niet te zeer verwonderen, zusjelief," herhaalde Joël telkenmale, ja voortdurend. »Een zeilschip kan tegenspoed, kan vertraging ondervinden. De afstand van Saint Pierre Miquelon tot Bergen is lang en de overtocht lang niet gemakkelijk. O, ware de _Viken_ een stoomschip en ware ik de machinist aan boord! Wat zou ik mijn stoomwerktuig aanzetten! Hoe zou ik het vaartuig tegen wind en getij injagen; al moest de ketel ook bij aankomst in de haven uit elkander springen! Gij zoudt eens zien, hoe het dan in zijn werk zoude gaan! Vooruit!... Vooruit!..."

Hij zeide dat alles met goede bedoeling natuurlijk; want duidelijk zag hij Hulda's ongerustheid iederen dag klimmen.

En daar was wel reden voor. Want, inderdaad, er heerschte in die dagen veel slecht weder in de Telemarksche streken. Hevige windvlagen gierden en huilden over de hoogvlakten der fjelds en die windvlagen, die uit het westen bliezen en de muren deden schudden, de daken kraken, de ruiten der ramen rinkelen, kwamen helaas! uit Amerika.

»Die winden komen toch uit den goeden hoek," herhaalde het jonge meisje voortdurend, »en moeten dus de vaart van de _Viken_ bevorderen. Is dat niet zoo, broeder Joël?"

»Ongetwijfeld, zusjelief," antwoordde Joël Hansen. »Maar, als ze te hard blazen, als ze tot storm aangroeien, dan zijn ze nadeelig; want dan moet het schip zeil minderen, dan loopt het soms voor top en takel, en maakt dan niet veel vaart; wakkert de wind nog meer aan, dan moet het schip bijleggen, om den orkaan het hoofd te kunnen bieden, en dan vordert het in het geheel niet. Het ligt dan maar met den kop op de golf op en neer te stampen."

»In het geheel niet?" vroeg Hulda ten uiterste ontsteld. »O, met dit weer zal de _Viken_...."

»Ja, lieve Hulda, op zee kan men niet altijd doen, wat men wil..."

»Dat schijnt wel zoo te zijn. Goddank, dat Ole het zeevaren vaarwel zal zeggen!"

»Daarin stem ik met u overeen. Daarover ben ik ook zeer verheugd. Een teeken, dat de goede jongen u liefheeft."

»Maar.... gij zijt dus niet ongerust over dat uitblijven, Joël?"

»Volstrekt niet, zusjelief. Waarom zou ik mij verontrusten? Zeg Hulda?"

»Och, ik wilde, dat ik uwe gemoedsstemming konde deelen!" sprak het meisje met een diepen zucht.

»Er valt geen onrust te koesteren. Ja, de vertraging is betreurenswaardig; maar zij is niets meer of minder dan natuurlijk. Neen! Ik ben niet ongerust, om de eenvoudige reden, dat er geen reden hoegenaamd toe bestaat. Wees dus kalm!"

Op den 19den kwam een reiziger in de herberg te Dal aan, die een gids noodig had. Hij moest tot op de grens van de Hardanger provincie gebracht worden. Men had dus een belangrijk gedeelte van het Telemarksche gebergte te doorworstelen. Hoewel het Joël niet aanstond, zijn zuster Hulda in deze omstandigheden aan zich zelve over te laten, kon hij onmogelijk den gevergden dienst weigeren. Hij zou hoogstens tweemaal vier en twintig uren afwezig zijn en hoopte dat hij bij zijne terugkomst Ole Kamp zoude aantreffen. Volgens hem kon dat bijna niet anders.

De waarheid was, dat de brave kerel op zijne beurt ook zeer ongerust begon te worden.

Hij vertrok dus den volgenden ochtend met een bezwaard hart en met looden schoenen.

Den daarop volgenden dag, zoo omstreeks een uur in den namiddag werd op de deur der herberg geklopt.

»Zou het Ole Kamp zijn?" riep Hulda uit. »Zou hij het eindelijk zijn? Dat geve God!"

Zij stond van haar stoel op, spoedde zich naar de deur en opende die haastig.

Voor den drempel bevond zich een man, die in een reismantel gewikkeld en in een gewoon karretje gezeten was. Zij bekeek hem aandachtig, zeer aandachtig zelfs. Maar zijn gelaat was haar onbekend.

VI.

DE VREEMDELING.

»Is het hier de herberg van vrouw Hansen?" vroeg de vreemdeling kortaf, zonder ook maar een gebaar om te groeten te maken, of een woord van wellevendheid te doen hooren.

»Ja, mijnheer," antwoordde het jonge meisje met hare gewone voorkomendheid.

»En is vrouw Hansen te huis?" was de tweede vraag even nurksch geformuleerd.

»Neen...."

»Niet?" viel de vreemdeling Hulda met eene soort van teleurstelling in de reden.

»Neen, maar zij komt terug."

»Weldra?"

[Illustratie: Is het hier de herberg van vrouw Hansen? Blz. 48.]

»Dadelijk," antwoordde Hulda, »en als gij haar wilt spreken...."

»Ik?... In het geheel niet!" protesteerde de vreemdeling met eenige drift.

»Wat wilt gij dan?"... vroeg het meisje nogal verwonderd. »Wilt gij eene kamer?"

De man antwoordde niet dadelijk. Hij zat daar in zijn karretje, alsof hij in gedachten verzonken was. Hulda keek hem een oogenblik vragend aan. Zij scheen ietwat ongeduldig.

»Ja, geef mij de fraaiste kamer van het huis," sprak de reiziger eindelijk.

»Zult gij ook bij ons eten?" vroeg het jonge meisje, terwijl zij de deur met uitnoodigend gebaar opende.

»Ja zeker; maar ik heb ergen honger. Zorg dus, dat het maal zoo spoedig mogelijk klaar zij, en vooral...."

»En vooral?"... vroeg Hulda, toen de vreemdeling, na een blik op het jonge meisje geworpen te hebben, aarzelde.

»En vooral discht op, wat gij het beste in uwe voorraadkamer hebt. Hebt ge begrepen?"

Dit was het gesprek, hetwelk tusschen Hulda Hansen en den vreemden reiziger gevoerd werd, voordat deze nog uit het wagentje gestapt was, hetwelk hem tot vervoermiddel gediend had, om dwars door de eeuwenoude wouden, langs de prachtige bergmeren en op en neer door de diep ingesneden dalen van midden-Noorwegen, de Telemarksche provincie te bereiken.

Wie kent het karretje niet, of beter genoemd de »kariol," die door de Scandinaviërs boven ieder ander vervoermiddel verkozen wordt. Zij bestaat uit twee lemoenboomen, waar tusschen het paard, dat gewoonlijk sterk en zwaar geschoft is, eene geelachtige kleur heeft en overigens gestreept als een muilezel is, gespannen en door een eenvoudig koord, dat bij wijze van stang of trens niet in den mond maar dwars door een gat door de neus, gemend wordt. Verder bestaat het voertuig uit twee groote maar dunne wielen, welker as eene veelkleurige rijtuigkast, zonder veeren hoegenaamd, steunt, die slechts zoo breed is om ternauwernood eene persoon te kunnen bevatten. De »kariol" bezit geen overtrek of bedekking, geene slikborden, geen vaste of neerslaande trede. De skydskarl klimt achter op de rijtuigkast, waar te dien einde een plankje aangebracht is, waarop hij zoo goed en zoo kwaad als het gaat, kan zitten. Het geheel gelijkt wel eenigermate op eene onmetelijk groote spin, welker dubbelweb door de groote raderen van het toestel gevormd wordt. En met zoo'n oorspronkelijk vervoermiddel leggen de reizigers toch zonder veel moeite of inspanning afstanden van vijftien of twintig kilometers per dag af. Het is verbazend, en men zou het schier niet kunnen gelooven; toch is het zoo.

Op een teeken van den reiziger sprong de skydskarl van zijn plankje naar beneden, om het paard bij het bescheidene hoofdstel te grijpen en vast te houden, een voorzorgsmaatregel, die volmaakt overbodig kon geacht worden.

Toen stond de reiziger in de kariol op, schudde het stof van zijne kleederen, rekte armen en beenen uit, klom niet zonder inspanning, waardoor hij kregelig werd en binnensmonds onaangenaam knorde, uit den bak en sprong op den grond.

»Is het hier eene uitspanning, en kan de kariol hier onder dak gebracht worden?" vroeg hij op ruwen, onaangenamen toon, terwijl hij op den drempel der deur staan bleef.

»Zeker, mijnheer," antwoordde Hulda Hansen zoo lieftallig als haar in de gegeven omstandigheden slechts mogelijk was.

»En kan het paard gedrenkt en gevoederd worden?" was de tweede vraag, op even norschen toon gedaan.

»Wees gerust, mijnheer, uw paard zal niets ontbreken," antwoordde Hulda.

»Ja, dat wordt overal verzekerd en zelden gebeurt het," gromde de vreemdeling bijna onverstaanbaar binnensmonds.

»Ik zal het naar den stal laten brengen, en gij kunt er op aan dat uwe bevelen stipt volvoerd zullen worden."

»Welnu, dat men er goed voor zorge en dat het flinke dier niets ontbreke!"

Die woorden werden op bevelenden maar almede norschen toon uitgesproken.

»Het zal geschieden, zooals gij verlangt.--Maar.... mijnheer...."

»Maar wat?"

»Mag ik u vragen, of gij eenigen tijd te Dal denkt door te brengen?"

»Eenigen tijd? Dat is zoo rekbaar," snauwde de vreemdeling tot antwoord.

»Bij voorbeeld eenige dagen?"... ging Hulda Hansen steeds vriendelijk en wellevend voort.

»Dat weet ik niet. Daaromtrent kan ik niets bepalen," was het nurksche antwoord.

Het karretje en het paard werden in eene kleine loods onder dak gebracht, die op het erf zelf van de herberg, beschut door een paar boomen, aan den voet van het steil omhoog rijzende gebergte opgetrokken was. Dat was de eenige stalling en verspanning, die bij de herberg behoorde en in het dorp Dal bestond. Zij was evenwel volkomen toereikend voor de reizigers, die er verwacht konden worden.

De vreemdeling had een oogenblik later de beste kamer, zooals hij gevraagd had, betrokken.

Nadat hij zich van zijn mantel ontdaan had, ging hij bij het vuur, dat op zijn bevel van flinke, droge blokjes hout vroolijk gestookt was, zitten, en warmde zich terdege. Niet dat het zoo koud was in dit seizoen; maar urenlang in een open voertuig zitten, dat met flinke vaart den wind snijdt, kan iemand onaangenaam kil maken.

Intusschen beval Hulda, om dat nurksche karakter te gemoet te komen en te bevredigen, aan de piga om de meest mogelijke zorg aan het middagmaal te wijden. Die piga was eene stevige boerendeern uit den omtrek, die aan de inrichting onafscheidelijk verbonden, in het zomerseizoen in de keuken der herberg maar ook bij het grove werk hulp verleende.

De nieuw aangekomen reiziger was nog een stevig man, hoewel men wel merken kon, dat hij de zes kruisjes reeds achter den rug had. Hij was mager, had eene middelmatige gestalte, die door eene ietwat gebogene houding nog kleiner scheen, een beenderig en hoekig hoofd, een vaal, bleek gelaat, een spitsen neus, kleine roode oogen met scherp loerenden blik achter zijne groote brilleglazen, een voorhoofd, waarop zich maar al te vaak rimpels vertoonden, lippen die veel te dun waren, om ooit een goedig woord te laten ontsnappen, lange magere handen met haakvormige vingers--in één woord, het was het type van den woekeraar of den pandjeshuishouder.

Hulda had er als het ware een voorgevoel van, dat die reiziger niet veel geluk in de woning van hare moeder zou aanbrengen. Of dat voorgevoel bewaarheid zal worden? Dat zal het vervolg dezer geschiedenis leeren.

Dat hij een Noor was, stond ontwijfelbaar vast; hij vertegenwoordigde evenwel slechts de minder goede kenmerken van het Scandinavische ras. Dat was met één oogopslag door den scherpzienden opmerker te bespeuren.

Zijn reiskostuum bestond uit een hoed met lagen bol, maar met zeer breeden rand, uit een soort jas van wit- of liever grijsachtig laken, een vest, dat over de borst heen dichtgeknoopt werd, eene korte broek, die met lederen riempjes boven de knieën bevestigd was. Over dat alles had hij bij het binnenkomen een soort van bruinen mantel gehad, van binnen met schaapsvel gevoerd; eene uitmuntende voorzorg, want de avonden en nachten konden zeer koud zijn op de hoogvlakten en in de dalen der Telemarksche streken.

Wat den naam van den vreemdeling betrof, dien had Hulda niet gevraagd. Het kon evenwel volgens haar niet missen, of zij zou dien weldra vernemen, daar de nieuw aangekomene hem toch zelf in het vreemdelingen-boek van de herberg zou moeten neerschrijven. Dan zou hare nieuwsgierigheid, die zij echter zorgvuldig verborg, wel bevredigd worden.

Vrouw Hansen kwam op dit oogenblik van haar uitstapje in hare woning terug.

Hare dochter deelde haar mee dat een reiziger aangekomen was, die een goed middagmaal besteld en de fraaiste kamer gevraagd had. Op de vraag harer moeder of die reiziger lang te Dal zou vertoeven, moest Hulda antwoorden, dat zij zulks niet wist, dat hij daaromtrent het antwoord schuldig gebleven was, hoewel zij het hem bepaaldelijk gevraagd had.

»Heeft hij zijn naam niet medegedeeld?" vroeg vrouw Hansen nieuwsgierig.

»Neen, moeder."

»En niet gezegd vanwaar hij kwam?"

»Ook dat niet, moeder," antwoordde het meisje.

»Waarschijnlijk is het een toerist. Dunkt je niet?" vroeg de moeder. »Het is bepaald jammer, dat Joël niet terug is, om zich te zijner beschikking te kunnen stellen. Wat moeten wij doen, zeg, wanneer hij ons een gids vraagt? Dat zal een lastig geval zijn."

»Ik geloof niet, dat het een toerist is, moeder," antwoordde hare dochter. »Het komt mij voor, dat hij daartoe reeds te oud is."

»Maar als het geen toerist is," vroeg vrouw Hansen, »wat komt hij dan te Dal uitvoeren?"

De goede vrouw vroeg dat meer aan zich zelve, dan wel aan Hulda. Zij moest toch kunnen gissen, dat haar kind daarop niet antwoorden kon. Daarbij voelde zij zich onrustig en beklemd, wat in den toon harer stem merkbaar was.

Hulda antwoordde dan ook niet, om de zeer goede reden, dat de vreemdeling zich omtrent zijne voornemens niet uitgelaten had. Met hare moeder nam zij nu verder de zorgen voor het huishouden waar en bij die bezigheid vloog de tijd als het ware voorbij.

De reiziger trad een uur na zijne aankomst de groote zaal der herberg, die aan zijne kamer grensde, binnen. Toen hij vrouw Hansen gewaarwerd, bleef hij een oogenblik in de omlijsting der deur staan kijken.

Blijkbaar was hij even onbekend aan de waardin der herberg van Dal, als deze aan hem; evengoed een vreemdeling voor haar als voor hare dochter.

Hij trad op haar toe, na haar een poos over zijne brilleglazen heen aangekeken te hebben:

»Vrouw Hansen, niet waar?" vroeg hij, zonder dat hij in zijne lompheid er zelfs aan dacht, om zijn hoed met de hand aan te raken.

»Ja, mijnheer, die ben ik," antwoordde de waardin van de herberg van Dal op beleefden toon.

Maar zij kreeg in de tegenwoordigheid van dien man hetzelfde gevoel als hare dochter ondervonden had, namelijk eene soort van verwarring, waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven, maar die den vreemdeling niet ontgaan kon.

»Dus, gij zijt inderdaad vrouw Hansen van Dal?" herhaalde hij.

»Voorzeker, mijnheer," antwoordde zij, »hebt gij mij iets mede te deelen?"

»In het geheel niet. Ik wenschte slechts in kennis met u te komen. En dat is natuurlijk, dunkt me. Ben ik niet uw gast? En nu de kennis gemaakt is, hoop ik, dat men mij zoo spoedig mogelijk iets te eten verschaffe. Ik heb sedert hedenochtend niets gehad, en ik erken het gaarne, ik heb niet alleen grooten eetlust, maar zelfs honger als een wolf."

»Het middagmaal is klaar," sprak Hulda. »Wees zoo goed, u naar de eetzaal te begeven."

En tevens wees zij naar een belendend vertrek, waarvan de deur op een kier stond.

»Dat zal ik doen," antwoordde de vreemdeling steeds norsch en onvriendelijk.

Daarop stapte hij met loomen tred naar de deur, die hem het jonge meisje gewezen had.

Een oogenblik later had hij aan eene kleine tafel, die netjes en zindelijk gedekt was en bij het raam stond, plaats genomen.

Het maal was ongetwijfeld goed, ja uitstekend te noemen. Geen toerist, zelfs de meesteischende, zou er iets op aan te merken hebben gehad. Intusschen kon onze kregelige vreemdeling zich niet weerhouden om zijne ontevredenheid door gebaren en dof gemompel te kennen te geven. Vooral waren die gebaren overvloedig, want spraakzaam scheen hij niet te zijn. Het mocht inderdaad als op te lossen raadsel gesteld worden, of zijne veeleischendheid geweten moest worden aan een bedorven maag, of aan zijn knorrig karakter? Noch vrouw Hansen noch Hulda konden daar bescheid op geven. Zij waren dan ook wanhopend.

De kersen- en klapbessensoep, hoewel zij voortreffelijk genoemd moest worden, beviel den gast maar half. Hij raakte de zalm en de gemarineerde haring ternauwernood met de lippen aan. Noch de rauwe ham, heerlijk in dunne schijven gesneden, noch een half hoen, dat zeer vet en zeer smakelijk gebraden was, konden genade in zijne oogen vinden, evenmin als de groenten, die toch uitmuntend toebereid waren. Hij toonde zich zelfs ontevreden over de flesch St. Julien en de halve flesch Champagne, die hij besteld had, en die toch klaarblijkelijk uitstekend waren. Kenners zouden naar waarheid hebben moeten getuigen, dat het producten van het zonnige Frankrijk waren en nog wel van de beste merken.

Een gevolg van dat alles was, dat de reiziger, toen hij zijn maaltijd geëindigd had, geen enkel »tack for mad" voor de waardin of hare lieve dochter overhad. Dat was de onbeleefdheid ten top voeren! Zoo iets was in het Telemarksche nimmer gezien.

De onwellevende vlegel stak na het diner zijne pijp op, stapte het huis uit en ging een wandeling langs de boorden der Maan-rivier maken.

Toen hij op den oever aangekomen was, maar toen eerst, keerde hij zich om.

Zijne oogen bleven onafgewend op de herberg gevestigd. Hij scheen haar van alle kanten te willen opnemen, zoowel hare verschillende buitenzijden, als hare doorsnede, haar grondvlak, hare hoogte, enz. Het was inderdaad, alsof hij in opdracht had de waarde er van te schatten. Hij telde de deuren, ja zelfs de vensters. Toen stapte hij op eenige balken, die bij de grondvesten van het huis horizontaal uitgestrekt lagen, en maakte er met de punt van zijn dolkmes eenige inkervingen in, alsof hij onderzoeken wilde, uit welke houtsoort zij bestonden en of zij nog behoorlijk gaaf waren, of dat er bederf aan te bespeuren was.

Wilde hij zich inderdaad overtuigen, hoeveel de herberg van vrouw Hansen waard was?

Was hij voornemens ze te koopen, hoewel zij niet in veiling aangeslagen was?

Zijne handelingen waren op zijn minst genomen vreemd te noemen, dat zal iedereen erkennen.

Nadat hij het huis met de meeste aandacht gadegeslagen had, kwam de beurt aan de kleine afgeschutte ruimte, die het erf van de woning vormde. Hij telde er aandachtig de boomen en de struiken van. Veel waren er niet, zoodat dit niet veel tijd wegnam.

Eindelijk mat hij twee der zijden van dat omheinde erf met landmeterspas op en teekende de uitkomst in zijn zakboekje aan. Uit de beweging van zijn potlood was op te merken, dat hij de beide gevonden grootheden met elkander vermenigvuldigde om de oppervlakte te berekenen. Dat was duidelijk genoeg. Lengte maal breedte gelijk aan vierkanten inhoud.

En bij al die verrichtingen schudde hij het hoofd, fronste de wenkbrauwen en hemde met gedempte stem, op afkeurenden toon. De schatting scheen hem tegen te vallen.

Vrouw Hansen en hare dochter Hulda sloegen den vreemdeling gedurende die bedrijven van achter de venstergordijnen van de groote zaal angstvallig gade.

Met welken zonderlingen kerel waren zij toch in aanraking gekomen?

Die vraag kwam voortdurend bij de beide vrouwen op. Inderdaad, zij betreurden, dat dit alles gedurende de afwezigheid van Joël plaats vond. Zij maakten zich zelfs ongerust, en, volgens haar, niet zonder reden, daar die reiziger den geheelen nacht in de herberg zoude doorbrengen. Het was waarlijk, zooals vrouw Hansen dat uitdrukte, om er kippenvel van te krijgen.

»Als het eens een krankzinnige was, moeder?" opperde Hulda vreesachtig.

»Een krankzinnige...." hernam vrouw Hansen. »Neen, dat is hij niet, dunkt mij."

»Toch op zijn minst genomen: een zonderling," vervolgde hare dochter.

»Ja, dat wel, dat moet ik erkennen; maar... och..." antwoordde de moeder aarzelend.

»Intusschen is het toch altijd netelig menschen in huis te ontvangen, die men niet kent."