Chapter 3
Joël Hansen was een degelijke, brave jongen. Hij telde vijf en twintig jaren, was flink en krachtig uit de kluiten geschoten, had evenals alle Noorweegsche bergbewoners eene hooge gestalte en daarbij een fier uiterlijk, dat evenwel niet uittartend was. Zijn geheele voorkomen getuigde van stoutmoedigheid, die evenwel van roekeloosheid geheel vrij was. Hij had een blonden haardos, daarbij donkerblauwe oogen, die het zwarte nabij kwamen. Zijne kleederdracht deed zijne krachtige schouders goed uitkomen. Men kon zien, dat die niet spoedig zouden buigen. In zijne breede borstkas klopte een warm hart en werkten een paar longen, die hem als berggids eer aandeden. Hij had krachtige armen en een paar beenen, die er voor gemaakt schenen, om de hooge bergtoppen van het Telemarksche te beklimmen. Wanneer hij zijn daagsche pak aanhad, zag hij er als een ruiter uit. Zijn blauwachtig kort jasje, dat zijn middel goed deed uitkomen, sloeg met twee breede borststukken over zijn breedgewelfd lichaam, en was op de rugzijde met kleurrijke galons, die fraaie teekeningen vormden, langs de naden versierd, evenals de keltische vesten der Bretanjer boeren in Frankrijk. Zijn hemdsboord vormde het beloop van een trechter. Zijn gele broek was even beneden de knie door een soort kousenband met gesp opgebonden. Op het hoofd droeg hij eenigszins schuins een bruinen hoed met breeden rand en met zwarte en roode lussen omboord. Hij had hooge slobkousen om de beenen, terwijl de voeten in sterke laarzen verdwenen, die van stevige zolen en platte hakken voorzien waren, en die, door het uiterlijk van de schoenwreef vol rimpels in het leer, veel op zeelaarzen geleken.
Joël was van beroep gids in het baljuwschap Telemark, maar ook in het hooge gebergte van het Hardangersche district. Steeds gereed om op te breken en te vertrekken, wanneer zijne hulp ingeroepen werd, steeds onvermoeid en gehard, verdiende hij vergeleken te worden met Rollo den Voetganger, een der Noorweegsche helden uit den legendetijd, die een zekere vermaardheid verworven heeft, en in de herinneringen dier streken voortleeft.
Als hij tijd overhad, dan vergezelde hij de Engelsche jagers, die dolgraag op de »ripers" en de »jerpers" kwamen schieten, en dan wist hij hen steeds uitstekende jachtterreinen aan te wijzen.
De riper is een soort ptarmigan of zeevogel, die in Noorwegen veel grooter is dan op de naburige Hebriden. En de jerper is een soort kleine patrijs, die fijner en edeler van smaak is dan de Schotsche kwartel.
Was de winter eenmaal in het land, dan legde de wolvenjacht beslag op zijn tijd; want dan vertoonden zich die verscheurende dieren, daartoe door den honger gedwongen, tot in de nabijheid der bevroren meeren en was het waarlijk zaak hen in bedwang te houden.
In den zomer hield hij zich onledig met de berenjacht, wanneer dat dier, door zijn welpen gevolgd, zijn voedsel van versch gras op de hoogvlakten komt zoeken, en de jager verplicht is, zijne prooi op een hoogte van duizend of twaalfhonderd voet te gaan opzoeken en vervolgen. Die jacht was een kolfje naar zijne hand.
Meer dan eens kwam Joël daarbij in groot levensgevaar, en had zijn redding te danken, niet alleen aan zijn wonderbaarlijke spierkracht, die hem in staat stelde weerstand te bieden aan de omarmingen van die schrikkelijke dieren, maar ook aan zijne onverstoorbare koelbloedigheid, die hem veroorloofde het gevaar kalm en onverschrokken te overzien en tegemoet te treden en de middelen te ontwerpen, om er zich uit te redden. Hij was als het ware voor die streken geschapen.
Wanneer eindelijk de winter met al zijn ruwheid ingevallen was, en hij geen toeristen den weg had te wijzen in het Vestfjorddal, noch jagers op hun tochten in de fields te begeleiden, dan hield Joël zich onledig met de kleine soeter, die op een afstand van weinige mijlen in het gebergte gelegen was.
Daar bevond zich een jeugdige herder, die door vrouw Hansen bezoldigd werd, en wien de hoede van een half dozijn koeien, een dertigtal schapen en evenveel geiten opgedragen was. De soeter bestond slechts uit weilanden, zoodat er van bebouwing geen sprake was. Er was slechts gras en nog eens gras, maar dat was van uitmuntende qualiteit.
Joël was gewillig en hulpvaardig van aard. Dat was op zijn eerlijk gezicht te lezen.
Hij was in al de gaards van de Telemarksche streken bekend, en dat beteekent dat hij door een ieder geliefd was en men hem in iedere woning gaarne zag verschijnen. Voor twee wezens koesterde hij evenwel een bijzonder gevoel, een grenzenlooze toewijding. Dat waren zijn neef Ole en zijn zuster Hulda. Die twee wezens waren hem inderdaad het dierbaarst op aarde.
Toen Ole Kamp zich voor den laatsten keer ingescheept had, betreurde de goedhartige Joël het innig, dat hij Hulda geen bruidsschat kon verschaffen, om zoodoende haar verloofde in staat te stellen aan wal te blijven en te trouwen. Ja, een flinke bruidsschat ware het middel geweest, om de jongelieden overgelukkig te maken.
Wanneer hij met de zee vertrouwd ware geweest, zooals hij het met het Telemarksche gebergte was, zou hij geen oogenblik geaarzeld hebben, om zijn neef te laten blijven en in diens plaats te vertrekken, maar van de zee had hij een hartelijken afkeer, en.... zelfs ingeval hij heenging, zou toch nog het geluk der beide geliefden niet gegrondvest zijn.
Er moest toch eenig geld zijn om het jonge huishoudentje, hoe bescheiden ook, op te zetten. Nu had vrouw Hansen geen enkele verbintenis willen aangaan, zoodat Joël begrepen had, en niet geheel zonder grond, dat zij niets van het familiegoed kon of mocht wegschenken.
Ole had dus heen moeten gaan, ver, zeer ver aan de andere zijde van den Atlantischen Oceaan. Joël had hem tot aan de uiterste grenzen van hun dal langs den weg naar Bergen uitgeleide gedaan. Daar had hij hem hartelijk aan zijn borst gedrukt, hem goede reis en behouden terugkomst toegewenscht. Daarna was hij haastig naar zijne zuster teruggekeerd, om die te troosten. Hij droeg haar toch eene echte broederlijke en vaderlijke liefde toe.
Op het tijdstip van het begin van dit verhaal telde Hulda achttien jaren.
Zij behoorde niet tot de klasse der »piga's," zooals de vrouwelijke dienstbaren in de Noorweegsche herbergen genoemd worden; zij was eerder eene »poker", die gelijk gesteld kan worden met de Engelsche miss of de Fransche demoiselle, en voerde ook laatstgenoemden titel, evenals hare moeder door hare omgeving, madame genoemd werd.
[Illustratie: Meer dan eens kwam Joël daarbij in groot levensgevaar. Blz. 23.]
Zij had een bekoorlijk gelaat, dat overheerlijk omlijst werd, door hare blonden haardos, waarover een goudglans lag en die door een licht, helder wit mutsje bedekt werd, dat aan den achterkant weelderige, lange en dikke krullen liet ontsnappen. Men kon zien, dat die haardos met de meeste nauwgezetheid verzorgd werd.
Haar keurslijf van roode stof, dat met groene tressen bezet was, sloot nauw om haar volle en fraai gevormde buste. Haar keursje gaapte van voren en liet een borstkleed zien met levendige kleuren geborduurd en waarboven de kraakzindelijke chemisette te bespeuren was, in welks mouwen bij het fijne polsgewricht satijnen linten geregen waren.
Haar lenig en slank middel, werd omsloten door een roode ceintuur, die prijkte met gespen van zilverdraad vervaardigd, en waardoor haar groene rok opgehouden werd. Hierop droeg zij een veelkleurige geruite boezelaar, waaronder hare helderwitte kousen ontwaard werden, die verscholen waren in dat fijne puntige schoeisel, waardoor de Telemarksche provincie zoo beroemd is geworden.
Ja, waarlijk, de aanstaande van Ole Kamp was bevallig, vooral door haar ietwat droefgeestig uiterlijk, hetwelk zij met het meerendeel harer noordsche zusteren gemeen had. Maar, hoewel droefgeestig, waarde toch steeds een glimlachje op haar gelaat en dat was het juist, wat haar eene bijzondere bekoorlijkheid verleende.
Wanneer men haar zag, dan dacht men met een onwillekeurig genoegen aan Blonde Hulda, welker naam zij droeg, en die in de Scandinavische fabelleer de rol vervult van de weldoende en gelukaanbrengende toovergodin bij den huiselijken haard.
Als zedig en braaf meisje trad zij altijd op met eene zekere mate van terughoudendheid, die evenwel geen afbreuk deed aan de natuurlijke bevalligheid, waarmede zij de gasten, die in de herberg van Dal een kortstondig onderkomen zochten, te gemoet trad. De toeristen, welke die streken gewoonlijk bezochten, waren daarmede bekend, en ieder hunner voelde zich aangetrokken tot haar en beschouwde het als eene ware aantrekkelijkheid met Hulda de »shakehand", die hartelijke handdruk, die aan allen, hetzij man of vrouw, aangeboden wordt, te kunnen wisselen.
Gaarne voegden die toeristen haar dan toe:
»Hartelijk dank, lieve Hulda, voor den genoten maaltijd, _Tack for mad!_"
En zij waren dan overgelukkig, haar met hare frissche, heldere en welluidende stem te hooren antwoorden:
»Het verheugt mij, dat het u inderdaad gesmaakt heeft. _Wed bekomme!_"
IV.
DE VERLOVING.
Ole Kamp had sedert een jaar het land verlaten en die tijd was hem lang gevallen.
Zooals hij in zijn brief schreef, was de reis een zeer ruwe tocht, een ware wintertocht in de streken van New-Found-Land geweest. O, men verdient daar zijn geld niet zonder moeite, wel te verstaan, wanneer men het er nog maar verdient. Men ontmoet daar windvlagen, die de vaartuigen in volle zee dwars van die eilanden overvallen en in weinige uren eene geheele visschersvloot kunnen vernielen.
Maar, er is overvloed van visch op de bank van New-Found-Land, het krioelt daar en de scheepsbemanningen kunnen daar, wanneer het hen eenigszins medeloopt, eene ruime vergoeding vinden voor de vermoeienissen alsook voor de gevaren, die hen in dat stormgat in den regel deelachtig zijn.
Daarenboven de Noorwegers zijn goede zeelieden. Dat betwijfelt niemand.
Zij deinzen voor geen arbeid hoe zwaar ook terug, maar weten integendeel flink armen en handen te gebruiken. Te midden van de fjords van het kustland, van af Christiansand tot aan de Noordkaap, te midden van de klippen van Finmark, langs de zee-engten door de Mageroe- en Loffodden-eilanden, ontbreken hun de gelegenheden niet, om zich met de woede van de wereldzee vertrouwd te maken. Dat reeds is eene uitstekende oefenschool voor hen.
Wanneer zij den Noord-Atlantischen Oceaan oversteken, om gezamenlijk naar de verafgelegen visscherijen van New-Found-land te stevenen, hebben zij reeds hunne proeven van moed en vastberadenheid afgelegd. De stormen en orkanen, die zij reeds gedurende hunne kindschheid op de Europeesche kust doorstaan hebben, hebben hen geleerd, om die op de Amerikaansche kusten het hoofd te bieden. Het verschil is niet groot, in laatstbedoelde streken doorstaan zij het begin van den storm, op de vaderlandsche kusten daarentegen het einde daarvan. Niets meer dan dat. De Noorwegers daarenboven behooren tot een ras, dat op zee voor geen klein gerucht vervaard is.
Hunne voorvaderen waren ten tijde, toen de Hanze-bonden zich den handel van Noordelijk Europa toegeëigend hadden, onverschrokken zeelieden. Misschien waren zij in die overoude tijden wel ietwat op zeerooverijen uit; maar dat lag toen zoo in de zeden. De handel en het zeewezen zijn sedert veel verbeterd en zedelijker geworden, hoewel toch erkend moet worden, dat nog wel het een en ander, misschien nog wel zeer veel op dat gebied te verbeteren blijft.
Hoe het ook zij, en wat men er ook van denken moge, de Noorwegers waren toch stoute varenslieden, zij zijn het inderdaad nog en zullen het wel altijd blijven.
Ole Kamp was er de man niet naar, om niet te beantwoorden aan hetgeen van hem volgens zijne afkomst te verwachten was.
Hij had zijne leerjaren onder de leiding van zijn vader, die als een bekend kustvaarder van Bergen bekend stond, doorgebracht en dezen was hij zijne inwijding in dat ruwe zeemansleven verschuldigd. Zijne kindsche jaren had hij in die havenplaats doorgebracht, welke de meest bedrijvige is van het geheele Scandinavische koninkrijk.
Alvorens naar zee te gaan of beter alvorens de groote tochten te ondernemen, was hij een stoutmoedige kwajongen geweest, die zich onledig hield met in de fjords de nesten der watervogels uit te halen of mede hielp aan de vangst van die ontelbare visschen, die gedroogd zijnde, als stokvisch in den handel komen.
Toen hij den leeftijd bereikt had, om scheepsjongen te worden, was hij begonnen met de Oost- en Noordzee te bevaren. Een paar malen hadden zich zijne tochten tot naar de Hebriden en tot op de westkust van Ierland, dus tot in den Noord-Atlantischen Oceaan, uitgestrekt; een enkele maal tot in de Noordpoolstreken naar het eiland Spitsbergen, hetwelk op den tachtigsten graad noorderbreedte gelegen is.
Toen zijn vader kwam te overlijden, was hij geheel en al wees, daar zijne moeder reeds ettelijke jaren vroeger gestorven was. Hij werd toen door Harald Hansen opgenomen, maar wilde het zeemansleven niet vaarwel zeggen, hetgeen door zijn oom goedgekeurd werd, daar deze zeer goed inzag, dat hij als het ware voor dat leven in de wieg gelegd was.
Hij verzuimde nooit, wanneer hij van zijne tochten thuis kwam, naar Dal te gaan, om de bloedverwanten, die hij liefhad, weer te zien. Het waren trouwens de eenige nabestaanden, die hij op de wereld had.
Hij maakte vervolgens verscheidene reizen aan boord van groote visschersvaartuigen mede, en verkreeg reeds den stuurmansrang, toen hij even een-en-twintig jaren oud was.
Thans, bij het begin van dit verhaal, telde hij reeds drie-en-twintig jaren.
Wanneer hij te Dal was, dan vond hij in zijn neef Joël een waardigen makker. Hij volgde dezen dan bij al zijn tochten door het gebergte, door de diepe dalen en tot op de hoogste toppen en bergvlakten van het Telemarksche bergstelsel. Niets weerhield dien jeugdigen zeeman, noch fjords, noch fjelds, noch ravijnen, noch rotskammen. Hij bleef nimmer bij zulke uitstapjes achter, of het moest zijn, om zijne nicht Hulda gezelschap te houden.
Eene innige vriendschap was langzamerhand tusschen Ole Kamp en Hulda Hansen ontstaan. Later evenwel was het natuurlijke en zeer begrijpelijke gevolg van die vriendschap, dat een geheel ander gevoel voor het jonge meisje in het hart van den jongen zeeman ontkiemd was. En waarom zou Joël dat gevoel niet aangemoedigd hebben? Zou zijne zuster een beteren jongeling, met eene meer sympathieke geaardheid, een karakter met meer toewijding bedeeld, een warmer hart in de geheele provincie aangetroffen hebben? Wanneer Hulda Ole Kamp huwde, dan kon haar geluk als verzekerd beschouwd worden. Het jonge meisje legde dus hare gevoelens, met instemming van hare moeder en van haren broeder, geen den minsten dwang op. Al zijn die bewoners van de Noordelijke streken min of meer gesloten bij het openbaren van hun zieleleven, zoo moet men ze toch niet voor ongevoelig houden. Neen! zoo is nu eenmaal hunne wijze van handelen, en alles wel beschouwd, zijn zij er niet minder om!
Eens, dat deze vier personen in de groote zaal van de herberg van vrouw Hansen vereenigd zaten, sprak Ole Kamp plotseling, zonder overgang of zonder eenige andere voorbereiding.
»Daar valt mij iets in, Hulda. Luister, eene goede gedachte, kindlief."
»Welke gedachte?" vroeg het jonge meisje, terwijl zij den jongen zeeman aankeek.
»Mij dunkt, dat wij zeer goed zouden doen, wanneer wij te zamen in het huwelijk traden."
»Dat dunkt mij ook," antwoordde Hulda bedaard, evenwel met een schier onmerkbaren glimlach op het gelaat.
»Dat zou zeer goed zijn," vulde vrouw Hansen aan, alsof het een reeds lang overeengekomen zaak ware.
»Dat denk ik ook," hernam Joël, »en op die wijze zou ik natuurlijk uw schoonbroeder worden."
»Inderdaad," antwoordde Ole Kamp, »maar wees er verzekerd van, ik zal u dan nog meer liefhebben, dan ik nu reeds doe,--wel te verstaan als dat mogelijk zal zijn. Ik zal er in ieder geval mijn best toe doen."
»Ja, goed gezegd, Ole, als het mogelijk zal zijn! Nietwaar?"
Een glimlach vloog over het gelaat van den gelukkigen Joël Hansen.
»Ja, lach maar," sprak Ole Kamp. »Gij zult het wel zien en ondervinden."
»Inderdaad, ik verlang niet beter," antwoordde Joël, terwijl hij de hand zijns vriends greep en die innig drukte.
»Is dit dus afgesproken, Hulda?" vroeg vrouw Hansen ernstig.
»Ja, moeder," bracht het jonge meisje met zachte stem doch zonder schroom uit.
»Behoef ik u te zeggen, Hulda," hernam Ole Kamp, »dat ik u beminde, al zeide ik er niets van?"
»Neen, Ole; want ook ik deed zoo. Dat kan ik u evenzeer verzekeren."
»Hoe dat bij mij opgekomen is, weet ik waarlijk niet," betuigde de gelukkige vrijer.
»Ik zou dat ook niet weten te vertellen," antwoordde het jonge meisje in allen ernst.
»Zeker moet dat gekomen zijn, lieve Hulda, door dat ik u iederen dag schooner zag, terwijl gij tegelijkertijd in goede hoedanigheden toenaamt."
»Is dat nu inderdaad niet overdrijven, waarde Ole? Zoo zult gij mij bederven," zei het meisje, terwijl hare wangen met een bekoorlijken blos overtogen werden.
»Waarlijk niet, en ik mag dat wel kunnen zeggen, zonder dat gij daarom behoeft te blozen; want ik spreek slechts waarheid, niets anders dan de eenvoudige waarheid."
En zich daarna tot Hulda's moeder wendende, vervolgde hij:
»Hebt gij niet bemerkt, vrouw Hansen, dat ik Hulda beminde?"
»Jawel, zoo wat," antwoordde deze met een glimlach op de lippen.
»En gij, Joël?" ging Ole Kamp met vragen voort. »En gij, die ik mijn besten vriend noem?"
»Ik?.... Wel, ik heb dat zeer goed en reeds sedert lang bemerkt," antwoordde Hulda's broeder.
»Welnu," hernam de verliefde zeeman, vroolijk glimlachende, »ronduit gesproken, dan hadt gij beiden mij wel kunnen waarschuwen. Want, waarlijk, ik wist het niet."
Allen keken elkander gedwongen lachend aan, en wisten niet wat te antwoorden. Eindelijk hernam Joël:
»Hoe kon ik dat? Dat was zoo moeielijk te zeggen. Daarenboven ik kon mij vergissen, nietwaar? En dan was het, alsof ik u mijne zuster opdrong. En dat mocht toch niet."
»Maar," vroeg vrouw Hansen, om het gesprek eene andere wending te geven, »zal u het reizen niet al te onaangenaam zijn, Ole, wanneer gij eenmaal getrouwd zult wezen?"
»Zeker zal het dat," antwoordde Ole Kamp, »en wel zoodanig, dat ik besloten heb niet meer te varen, nadat ons huwelijk gesloten zal zijn. Is dat geen goed besluit, Hulda?"
»Niet meer te varen!...." vroeg het meisje uiterst bedaard. »Is dat mogelijk?"
»Zeker is dat mogelijk, Hulda. Vraag liever, of het mogelijk zou zijn, dat ik u voor lange, lange maanden zou kunnen verlaten? Raad dan eens welk antwoord mijn hart daarop geeft."
»Dus gij gaat thans voor den laatsten keer naar zee?" vroeg het jonge meisje verrast.
»Ja; maar ik vertrek niet zonder goede vooruitzichten. Deze reis zal mij in staat stellen een aardig spaarduitje over te leggen, daar de heeren Gebroeders Help beloofd hebben, mij een vol aandeel in de winst uit te keeren...."
»Inderdaad, dat zijn brave menschen!" viel hem Joël Hansen in de rede.
»Zeker zijn zij dat! Het zijn de beste menschen, die ik ken," antwoordde Ole Kamp. »Zij zijn dan ook overal bekend en worden door alle zeelieden gewaardeerd."
»Maar, beste Ole," vroeg Hulda, »als gij niet meer gaat varen, wat zijt gij dan voornemens ter hand te nemen. Een man moet toch een beroep hebben?"
»Ja, daar heb ik al aan gedacht. Ik zal dan de makker, de vennoot van Joël worden. Ik heb goede beenen en mochten ze te kort schieten, dan zal ik mij een paar andere vervaardigen, door mij langzamerhand, maar ter dege te oefenen. Dan heb ik ook nog om eene zaak gedacht, die wellicht niet te versmaden zal zijn. Waarom zouden wij geen postwagendienst tusschen Drammen, Honsberg en de gaards van de Telemarksche provincie oprichten. De gemeenschapsmiddelen zijn er verre van gemakkelijk en worden zeer onregelmatig onderhouden. Gij ziet, dat ik plannen beraam voor de toekomst, zonder nog te rekenen op...."
Hier bleef hij steken. Hij aarzelde blijkbaar. Het was, alsof hij zich verpraat had.
»Waarop?" vroeg Hulda nieuwsgierig.
»Niets, niets," antwoordde hij ontwijkend. »Wij zullen daarover bij mijne terugkomst spreken. Maar ik verzeker u, dat ik alles zal doen, alles zal ter hand nemen om te bewerken, dat mijne Hulda de meest benijde, de gelukkigste vrouw van het geheele land zal wezen. Ja, dat heb ik vast besloten, en God zal mij sterken en bij de uitvoering behulpzaam zijn."
»Als ge eens wist, welke gemakkelijke taak dat voor u zal wezen," antwoordde Hulda, terwijl zij hem hare fraaie hand reikte, die hij met warmte in de zijne klemde. »Is dat niet reeds voor een groot deel volbracht? Bestaat er in geheel Dal een huisgezin waarin meer geluk aangetroffen wordt dan het onze?"
Vrouw Hansen had voor een oogenblik bewogen het hoofd afgewend en een traan weggepinkt.
»Dus," hernam Ole Kamp op vroolijken toon aandringende, »dus de zaak is beklonken?"
[Illustratie: Hulda telde achttien jaren. Blz. 24.]
»Ja," antwoordde Joël Hansen, »dat is zij. Mijne hand er op! Ik krijg een flinken broeder."
»En, er zal niet meer op teruggekomen kunnen worden? Bedenkt u allen wel."
»Nooit!"
»Zult gij geen berouw hebben, Hulda?" drong Ole Kamp bij het meisje aan.
»Nimmer, beste Ole."
»Zouden wij nu maar niet den dag van ons huwelijk vaststellen? Dan is dat reeds gedaan."
»Ware het niet beter daarmede te wachten tot na uwe terugkomst?" meende Joël Hansen. »Mij dunkt althans, dat zulks beter ware. Wat denkt gij, moeder?"
»Ik deel geheel uwe meening," antwoordde vrouw Hansen. »Waartoe zooveel haast?"
»Het zij zoo," sprak Ole Kamp met een zucht. »Dan dien ik mij te onderwerpen; maar het zal van mij niet afhangen en het ongeluk zou mij al zeer moeten vervolgen, wanneer ik niet binnen het jaar terug zal zijn, om mijne Hulda naar de kerk van Moel te geleiden, alwaar onze herder, dominé Andresen wel niet weigeren zal ons huwelijk in te zegenen, en zijne beste en vurigste gebeden voor ons beider geluk naar den Hemel op te zenden."
Ziedaar, hoe tot het huwelijk van Hulda Hansen met Ole Kamp besloten was.
Eenvoudiger kon het waarlijk niet!
De jeugdige zeeman moest uiterlijk acht dagen later aan boord van zijn schip zijn. Alvorens evenwel dit vertrek plaats zou hebben, zouden de beide aanstaanden volgens de aandoenlijke gebruiken, in het oude Scandinavië in zwang, plechtig verloofd worden.
In het eenvoudige en eerbare Noorwegen bestaat namelijk de algemeene gewoonte, om zich te verloven alvorens in het huwelijk te treden. Die eindverbintenis wordt zelfs somtijds eerst twee of drie jaren na die verloving gesloten. Brengt dat niet eenigermate de gebruiken der eerste geloovigen bij het ontstaan van het Christendom in herinnering?
De lezer moet zich evenwel niet verbeelden, dat die verloving slechts bestaan zoude uit een dor formulier van woorden, welker waarde slechts op de goede trouw der betrokken partijen zoude berusten. Neen, de verbintenis is veel ernstiger, en, al wordt zij niet door de geschreven wet erkend en geschraagd, zoo wordt zij toch door het gebruik, die natuurlijke wet der oorspronkelijke volkeren bestendigd en bekrachtigd.
Het gold thans in het onderhavige geval van Hulda Hansen en van Ole Kamp, om eene plechtigheid te vieren, waarbij de predikant Andresen zou voorgaan. Er was geen godsdienstleeraar te Dal, evenmin als in de aangrenzende gaards van het Telemarksche gewest.
Bovendien worden in Noorwegen plaatsen aangetroffen, die »zondagssteden" genoemd worden, en waar zich de »proestegjelb" of pastorie bevindt. Daar komen de voornaamste familiën van het geheele kerspel tot het houden van godsdienstoefening te zamen. In den regel bezitten zij daar een optrekje, groot of klein, geschikt om hen gedurende den tijd die noodig is om hunne godsdienstplichten uit te oefenen en waarmede in den regel vier en twintig uren gemoeid zijn, een onderdak te verleenen.
Zijn die plichten volbracht, dan keert men naar huis terug, alsof men een pelgrimstocht volbracht heeft.