Chapter 2
»Maak nu vooral geen omslag, om mij tot Bergen te gemoet te komen. Het is toch mogelijk, dat de aankomst van de _Viken_ eerder geseind wordt dan ik hierboven mededeelde. Maar wat er ook moge gebeuren, vier en twintig uren nadat ik ontscheept zal zijn, zal ik te Dal zijn aangekomen, daar kan mijne dierbaarste Hulda verzekerd van zijn. Wees evenwel niet te zeer verbaasd, wanneer ik vroeger mocht aankomen. Gij zult wel kunnen begrijpen, dat het ongeduld om bij u te zijn, mij geen oogenblik rust zal gunnen.
»Wij zijn door veel slecht weer onbarmhartig heen en weer geschud geworden gedurende dezen winter, die wel de ongunstigste geweest is, welken onze zeelieden in eene lange reeks van jaren hebben doorgestaan. Gelukkig was er veel kabeljauw op de vischplaten aanwezig. De _Viken_ heeft eene lading van vijf duizend centenaars aan boord, die te Bergen afgeleverd moeten worden, en die door de bemiddeling van de heeren gebroeders Help verkocht zijn. Het belangrijkste voor u allen is, nietwaar, dat wij geslaagd, en de winsten goed te noemen zijn, vooral voor mij, die mijn aandeel met niemand te deelen heb.
»Bovendien, al breng ik geen vermogen te huis, zoo beheerscht mij toch het denkbeeld, of beter ik heb er een voorgevoel van, dat dit vermogen mij bij den terugkeer wacht. Ja! een vermogen... zonder het geluk daarbij te rekenen! Hoe dat in zijn werk zal gaan? vraagt ge wellicht. Dat is mijn geheim, waardste Hulda, en gij zult mij vergeven, nietwaar, dat ik voor u een geheim heb. Wees evenwel gerust, het is het eenige, dat ik u daarenboven zal mededeelen... Wanneer... Ja, dat is de vraag. Welnu, wanneer het geschikte oogenblik gekomen zal zijn;--vóór ons huwelijk, wanneer dat door eene onvoorziene omstandigheid uitgesteld zou moeten worden;--daarna, wanneer ik op den bestemden tijd wederkeer, en wanneer gij dan in de week, volgende op mijne terugkomst te Dal, mijne vrouw geworden zult zijn, zooals ik dat vurig wensch.
»Ik omhels u, waarde Hulda. Ik draag u op, om voor mij vrouw Hansen en mijn neef Joël te omhelzen. Ik kus in gedachte uw voorhoofd, waaraan de schitterende Telemarksche bruidskrans een stralenkrans als aan eene heilige zal verleenen. Nogmaals vaarwel, waarde Hulda, vaarwel!
»Uw liefhebbende bruidegom OLE KAMP."
II.
DE HERBERG VAN VROUW HANSEN.
Dal is een onaanzienlijk plaatsje en bestaat slechts uit eenige huizen, waarvan sommige langs den weg, die niet meer dan een voetpad genoemd mag worden, geschaard staan; terwijl de andere op de naburige berghellingen en nokken verrijzen. Zij staan alle met hun voorgevel naar het Vestfjorddal gekeerd, met hun achtergevel naar de heuvelenrij, die ten noorden den gezichteinder afsluit en aan welker voet de rivier de Maan stroomt. Het geheel van die gebouwen bij elkander beschouwd, zoude een der gewone gaards, zooals zij in dat land aangetroffen worden, vormen, wanneer het onder het bestuur van één landeigenaar of van een algemeenen pachter gestaan had. Maar kan de plaats geen aanspraak maken op den naam van gehucht, dan toch op dien van vlek. Eene kleine kapel, die in 1855 gebouwd werd en waarvan de gevel van vensters met kleine glasruiten voorzien is, verheft zijn kleinen vierkanten toren, die evenals het geheele gebouw uit een houten getimmerte bestaat, boven de loofkruinen der boomen. Hier en daar zijn over de beekjes, die zich naar de rivier spoeden, overlaten in ruitvormige bouworde, welker tusschenvakken met bemoste steenen aangevuld zijn, aangebracht. Iets verder wordt het geknars vernomen van een zeer oorspronkelijken houtzaagmolen, die door woeste bergstroomen in beweging gesteld wordt en een rad bezigt om de zaag op en neer te bewegen en een tweede om den te bewerken balk vooruit te brengen.
Op een korten afstand gezien, is het alsof èn de kapel, èn de houtzaagmolen, èn de huizen, èn de hutten, in een dicht waas gehuld zijn door het sombere groen der dennen en het nog minder levendige der berkeboomen, die zich, hetzij alleen staande, hetzij in groepen, van af de kronkelende oevers der Maan tot nabij de toppen van de hooge bergen van het Telemarksche op de hellingen verheffen. Het is alsof een groene wand dat bekken omgeeft, die de meest uiteenloopende schakeeringen vertoont.
Zoo is het vlek Dal, frisch en vroolijk met zijne schilderachtige woningen, welker buitengevels meestal met zachte kleuren prijken, zooals lichtgroen of zacht rose, maar waaronder er ook zijn, die met schelle kleuren, zooals met schitterend geel of vuurrood beschilderd zijn. De daken bestaan gewoonlijk uit berkenschors, en zijn met groene zoden belegd. Deze worden tegen den herfst behoorlijk gemaaid, en zijn in den regel met natuurlijke bloemen beplant, wat den prettigen en bevalligen aanblik nog verhoogt.
Dat alles stelt een heerlijk geheel daar, hetwelk het plaatsje tot een der bekoorlijkste plekken der aarde maakt. Om de lezers nu verder behoorlijk op de hoogte te brengen, moeten wij nog mededeelen, dat Dal in het Telemarksche gelegen is, dat het Telemarksche een onderdeel van Noorwegen uitmaakt en dat Noorwegen het Noordsche Zwitserland is, Zwitserland verrijkt met ettelijke duizenden fjords, die de zee veroorloven om diep het land in te dringen, aan den voet der bergen te komen brullen en breken, wanneer de westerstormen ontketend zijn en den Atlantischen Oceaan in beroering brengen.
Het Telemarksche is gelegen in dat gedeelte van de onmetelijke retortkolf, die Noorwegen tusschen de steden Bergen en Christiania vormt. Dat Baljuwschap, hetwelk een onderdeel van de provincie Batsberg is, bezit bergen en gletschers evenals Zwitserland; maar, daarom is het Zwitserland nog niet. Het heeft grootsche watervallen evenals Noord-Amerika; maar, daarom is het Noord-Amerika nog niet. Het kan op landschappen wijzen met geschilderde huizen en met bewoners, die van optochten houden in veelkleurige kleederdrachten, behoorende tot eene vroegere eeuw, evenals de inboorlingen van Nederland; maar, daarom is het Nederland nog niet. Het Telemarksche is meer en beter dan dat alles. Het is het Telemarksche, dat wil zeggen: eene wellicht eenige landstreek door de natuurlijke schoonheden, welke zij omvat. De schrijver dezer vertelling heeft het genoegen gehad haar te bezoeken. Hij heeft haar doorreisd, gezeten in een karretje, getrokken door paarden, die aan de bespanningsplaatsen verwisseld werden, wanneer er namelijk voorhanden waren. Hij heeft er zoo'n bekoorlijken en dichterlijken indruk van gekregen, de herinnering aan die lieve landstreek is hem zoo dierbaar geworden en zoo levendig bijgebleven, dat hij alles er voor geven wilde, wanneer hij dit verhaal met die herinnering als het ware kon doorweven.
In het jaar 1862, waarin deze geschiedenis plaats vond, werd Noorwegen nog niet doorsneden door de spoorbaan, die den reiziger thans veroorlooft om van Stockholm over Christiania naar Drontheim te stoomen. Thans bestaat er als het ware een onmetelijke rail-band, die de beide Scandinavische landen vereenigt, die daarom nog niet zeer geneigd zijn, om een gemeenschappelijk staatkundig leven te aanvaarden. Te veel uiteenloopende belangen scheiden die beide rijken, die toch eene geografische eenheid uitmaken.
Maar al reist de toerist ook sneller, gezeten in den waggon van die spoorbaan, dan wanneer hij van zoo'n karretje gebruik maakt, zoo moet als betreurenswaardige tegenstelling daarvan erkend worden, dat hij niets meer van de oorspronkelijke schoonheden van het land ontwaart. Hij mist het gezicht bij den doortocht van het zonderlinge kanaal van Gotha, in het Zuiden van Zweden gelegen, en waarop de stoombooten, van sluis tot sluis in de schutkolken opgeheven wordende, eene hoogte van driehonderd voeten overschrijden. Hij kan ophouden noch bij de watervallen van Trolletann, noch te Drammen, noch te Kongsberg, in één woord bij geen enkel der bewonderenswaardige natuurtafereelen van het Telemarksche. Het reizen met de spoorbaan geschiedt vlugger en gemakkelijker, maar heeft daardoor in Noorwegen evenals overal elders al zijn dichterlijkheid verloren.
In die dagen bestond de spoorwegbaan nog slechts op papier. Er moesten zeker nog ongeveer een twintigtal jaren voorbijsnellen, voordat men het Scandinavische rijk van de eene kuststreek naar de andere in veertig uren zou kunnen doortrekken, en voordat men naar de Noord-Kaap zou kunnen gaan, alwaar retourbiljetten voor het Beereneiland en voor Spitsbergen zouden kunnen genomen worden, met eene waarschijnlijke vertakking in de toekomst naar Nova Zembla.
Nu was Dal in die dagen--en het is te hopen, dat het dit nog lang moge blijven!--het centraalpunt, hetwelk de vreemde en Scandinavische toeristen aantrok. Deze laatsten bestonden voornamelijk uit studenten van Christiania. Vandaar konden zij uitstapjes maken door de geheele streek van het Telemarksche en het Hardangersche gebergte. Vandaar konden zij langs de vallei van het Vestfjorddal, tusschen de meren Mjös en Tin door, zich naar de bewonderenswaardige watervallen van de Rjukan begeven.
Het valt niet te ontkennen, dat er slechts ééne herberg in het vlek bestond, maar zij was wel de aantrekkelijkste, de best ingerichte die men wenschen kon, en ook wel de belangrijkste, daar zij vier vertrekken--bedenkt eens--ter beschikking van de reizigers had. En dat was, in één woord gezegd: de herberg van vrouw Hansen.
Langs de rooskleurige gevels, door een degelijk fondament van graniet voor het vocht van den bodem beveiligd, waren banken aangebracht. De balken en de vuren planken, die de muuromwanding uitmaakten, waren door den tijd zoo hard geworden, dat het staal eener bijlsnede er op omkrulde. De ruimte tusschen die nauwelijks vierkant bekapte balken, die horizontaals gewijs, den een op den anderen gestapeld waren, was dichtgemaakt of gebreeuwd met mos, vermengd met klei, zoodat zelfs de hevigste slagregen door de reten onmogelijk kon binnendringen.
Boven de vertrekken waren de plafonds in zwarte en roode tinten geschilderd, die bij de zachtere minder vroolijke kleuren der omwandingen vriendelijk afstaken. In een hoek van de zaal stond een groote cirkelvormige kachel, waarvan de pijp in den schoorsteen der keuken verliep. Hier prijkte de uurwerkkast, welks kunstig gemaakte wijzers over een geëmailleerde wijzerplaat voortgleden, terwijl de slinger iedere seconde zijn eentonig tik, tak, tik, tak liet vernemen. Daartegenover stond eene oude schrijftafel met oud geboend snijwerk versierd, daarnaast een zwaren massieven drievoet, die in ijzerkleur geschilderd was. Op een hoekplankje prijkte de traditioneele kandelaar van gebakken aardewerk, die in een drie-armige candelaber verandert, wanneer men hem omkeert. De fraaiste meubels van het geheele huis versierden deze zaal. Eene berkenhouten tafel met sierlijk gebeeldhouwd voetstuk; eene linnenkast met sluitwerk, dat geschiedkundige tafereelen voorstelde, en waarin de fraaie kleederen voor de zon- en feestdagen bestemd, gerangschikt lagen; een groote leuningstoel, hard en stijf als eene kerkbank; de stoelen in geschilderd hout; een boerachtig spinnewiel, in groene tinten opgeschilderd, die helder afstaken bij de roode japonnetjes der spinsters. Verder hier en daar een pot om de boter te bewaren, de tabakspot en de snuifrasp van gesneden been. Eindelijk bevond zich boven de deur, die toegang naar de keuken verleende, eene breede plankenstelling, waarop eene menigte koperen en tinnen keukengereedschappen, alsmede schotels en borden, zoowel van porselein en aardewerk als van hout, alle met levendige kleuren versierd, vroolijk ten toon gesteld waren. Verder bevonden zich daar ook nog op, een kleine ronde slijpsteen, die half verscholen lag in zijn overtrek, dat wel ietwat op een slakkenhuisje geleek, en een oude beker, die wel voor kelk had kunnen dienen. En welke liefelijke en leerrijke omwandingen omvatte die zaal. Zij bestonden uit gespannen tapijtwerk op linnen, dat onderwerpen uit den Bijbel voorstelde, die met de levendigste kleuren voorgesteld, maar daarom niet minder verdienstelijk waren.
De kamers, voor de reizigers bestemd, waren wel is waar eenvoudiger, maar boden toch ook alle gemakken aan. Zij waren ook netjes gemeubeld en blonken van zindelijkheid. Aan de vensters prijkten behalve heldere gordijnen ook festoenen van frisch groen, hetwelk van het zodendak afdaalde. De bedden met hunne sneeuwwitte lakens en hun verhemelte, waarop texten uit het Oude Testament met gele letters op een rooden grond gesteld waren, bestonden uit matrassen, die een frisch weefsel van »akloeda" tot beddetijk hadden.
Wij mogen ook niet vergeten, dat de vloerplanken, zoowel van de groote zaal als van de kamers gelijkvloers en op de eerste verdieping, bezaaid waren met kleine takjes van berken, dennen en jeneverboomen, welker bladeren het huis met hunne frissche en opwekkende geuren vervulden.
Zou er eene bekoorlijker posada in Italië of eene verlokkender fonda in Spanje te bedenken zijn?
Neen, waarlijk niet. En wat ook niet te versmaden was, de toeloop van Engelsche toeristen had er--althans in dien tijd--de prijzen nog niet zoodanig doen stijgen, als dat in Zwitserland het geval is.
Te Dal heerschte toen nog niet het pond sterling, het gouden pond, dat zoo spoedig de beurs des reizigers ontglipt. Neen, het grootste muntstuk was en is er nog de speciedaalder. Die is van zilver en heeft eene ietwat grootere waarde dan de Nederlandsche rijksdaalder. Maar het meest komen in aanmerking de onderdeelen van die munt, te weten de mark, die eene waarde vertegenwoordigt van een halven gulden en de koperen schelling, die niet met den Engelschen schelling mag verward worden; want vertegenwoordigt deze laatste eene waarde van zestig centen, gene staat slechts met een halven stuiver van onze munt gelijk. Ook werd er nog niet de pedante banknoot aangetroffen, waarvan de toeristen zoo veel gebruik en misbruik maken. Thans zijn er witte bankbiljetten van één, blauwe van vijf, gele van tien, groene van vijftig en roode van honderd speciedaalders in omloop. Bestonden er twee soorten meer, dan ware er een regenboog van te vervaardigen!
[Illustratie: Van een zeer oorspronkelijken houtzaagmolen. Blz. 12.]
Verder--wat in die gastvrije woning niet te versmaden was--moest, in tegenstelling van hetgeen elders in die Noordsche streken op te merken viel,--de voeding goed genoemd worden. En inderdaad het Telemarksche gewest rechtvaardigt volkomen zijne beruchtheid op dat gebied en zijn naam van Karnemelkland. In de bergkloven van Tiness, van Listhüs, van Tinoset en zoovele andere wordt nimmer brood aangetroffen of, bestaat het er, dan is het zoo slecht, dat het iederen vreemdeling geraden is, het te laten staan. Het is niet meer dan een haverkoek, die »flatbröd" geheeten wordt. Het is kurkdroog, zwartachtig en hard als een keisteen, in één woord een ruwe koek, die vervaardigd is van de binnenschors van den berk, die met mossoorten of met fijn gehakt stroo gemengd is. Zelden treft men in die streek eieren aan, tenzij de kippen acht dagen te voren gelegd hebben. Daarentegen heeft men overvloed van middelmatig bier, van zoete of zure karnemelk, en soms een weinig koffie, die evenwel zoo dik is, dat zij eerder op overgehaald roet gelijkt dan wel op het heerlijke aftreksel van de producten van Mokka, van Java, van Sumatra, van Bourbon of van Rio Nunez.
Bij vrouw Hansen waren daarentegen kelder en dispens behoorlijk voorzien. Wat kon ook zelfs de meest eischende toerist meer verlangen? Versche of wel gezouten of gerookte zalm, zoetwatervisschen uit de bergstroomen van het Telemarksche, die overheerlijk genoemd kunnen worden, gevogelte dat noch te taai, noch te mager was, eieren, goede versche eieren bij alle gerechten en sausen, fijne gebakjes van rogge- of gerstemeel, heerlijke vruchten, waaronder voornamelijk geurige aardbeien, heerlijk brood, lekker bier en flesschen met ouden Saint Julien, die tot in die verre streken den roem van den Franschen wijn staande hielden. Inderdaad, het was om van te watertanden.
De roep over de herberg te Dal was dan ook algemeen in die Noordsche streken.
Men kon dat daarenboven zien in het vreemdelingenboek met zijne geelgeworden bladen, waarin de reizigers gaarne naast hunnen naam een tevredenheidsbetuiging voor vrouw Hansen stelden. Voor het meerendeel waren dat Zweden of Noren van al de punten van Scandinavië daarheen getrokken.
De Engelschen verschijnen er evenwel ook reeds in grooten getale en een hunner, die gedurende een uur op den Goustaberg geduldig had zitten wachten, totdat diens top van de morgennevelen bevrijd zoude zijn, had met de gewone Britsche opgeblazenheid op een der bladzijden geschreven:
_»Patientia omnia vincit" of: het geduld overwint alles._ Geduld gedurende een uur! Het was om te lachen.
Ook hadden ettelijke Franschen daarin hunne naamteekening gezet. Een hunner, dien het beter is maar niet te noemen, veroorloofde zich achter zijn naam te zetten:
_»Nous n'avons qu'à nous louer de la reception qu'on nous a »fait" dans cette auberge!"_
Wij zullen dien man niet hard vallen om de taalfout, waaraan hij zich schuldig maakte. De volzin duidt op meer dankbaarheid dan wel op volledige kennis der Fransche taal. Maar in weerwil daarvan is hij eene goede getuigenis voor vrouw Hansen en voor hare dochter, de bekoorlijke Hulda van het Vestfjorddal.
III.
EEN NOORWEEGSCH HUISGEZIN.
Zonder heel ver in de ethnologische wetenschappen te zijn doorgedrongen, kan de lezer toch op gezag van verscheidene geleerden aannemen, dat er een soort van bloedverwantschap bestaat tusschen de familiën der Engelsche aristocratie en de oude familiën van het Scandinavische koninkrijk. Talrijke bewijzen worden daarvoor in de namen der oude geslachten, die in beide landen nagenoeg gelijk zijn, aangetroffen.
En toch bestaat er in werkelijkheid geene aristocratie in Noorwegen.
Maar, al is er de democratie ook overheerschend, zoo belet zij niet, dat de bevolking dezer streken in hooge mate aristocratisch gestemd is. Allen zijn op den top der maatschappelijke ladder, niet op de laagste sport aan elkander gelijk. Tot in de nederigste hutten wordt een geslachtsboom aangetroffen, die volstrekt niet ontaard is, al heeft hij ook zijne wortels in plebeïschen grond geschoten. Daar treft men gekartelde blazoenen aan, afkomstig van adellijke familiën uit de feodale tijden, waarvan die eenvoudige boeren afstammen. Nergens anders ter wereld wordt zoo iets inderdaad aangetroffen.
Zoo was het ook met de Hansens te Dal gesteld. Ongetwijfeld stamden zij af van die pairs van Engeland, welker waardigheid ten gevolge van de overweldiging van Rollo van Normandië in het leven geroepen werd. En al waren ook hun maatschappelijke beteekenis en hun rijkdommen in den loop der tijden verloren gegaan, zoo is toch bij die afstammelingen de eigenaardige fierheid, of beter gezegd de persoonlijke waardigheid, die in alle maatschappelijke toestanden op hare plaats, maar veelal verdwenen is, ongekrenkt overgebleven.
Wat kwam het er bovendien op aan? Al bezat Harald Hansen ook hoogadellijke voorouders, dat belette volstrekt niet, dat hij herbergier te Dal was. Het huis, hetwelk hij bewoonde, had hij van zijn vader en zijn grootvader geërfd. Deze beiden hadden hetzelfde beroep als hij uitgeoefend. Na zijn dood had zijne echtgenoote de zaak aangehouden en behartigde zij haar op eene zoodanige wijze, dat zij de openbare achting genoot en ook verdiende.
Had Harald in die betrekking van herbergier eenig vermogen gewonnen? Dat wist niemand. Zooveel was evenwel zeker, dat hij aan zijn zoon Joël en aan zijne dochter Hulda eene vrij goede opvoeding had kunnen geven, zonder dat de eerste tijd van hun leven hun te zwaar was gevallen. En zelfs had hij een zoon van de zuster zijner echtgenoote, den reeds genoemden Ole Kamp, sedert zijne prilste jeugd tot zich genomen en had hem met dezelfde zorg opgevoed als zijne eigene kinderen. Die wees zou zonder zijn oom Harald een dier kleine ongelukkige wezens geweest zijn, die slechts op de wereld verschijnen om haar dadelijk te verlaten. Niet ten onrechte legde Ole Kamp voor zijne pleegouders eene dankbaarheid aan den dag, die veel van kinderlijke liefde getuigde. Niets kon den band, die hem aan de familie Hansen hechtte, verbreken. Zijn huwelijk met Hulda zou hem nog inniger strengelen en hem onverbreekbaar voor het leven doen zijn.
Harald was ongeveer achttien maanden geleden gestorven. Behalve de herberg te Dal, liet hij aan zijne weduwe nog eene kleine soeter in het gebergte na. Wat in Noorwegen soeter genoemd wordt, is eene soort pachthoeve, die eenzaam gelegen is. De opbrengst daarvan is in den regel middelmatig, namelijk wanneer zoo'n soeter iets opbrengt, wat niet altijd het geval is. Nu kwam er nog bij, dat de laatste jaren niet gunstig geweest waren. Alles had geleden, zelfs de weidevelden. Men had in het voorjaar nachtvorsten gehad, of zooals de Noorweegsche boer ze noemt, ijzeren nachten, waardoor ten gevolge van den killen wind, die dan heerscht en de ijslaag, waarmede alles overtogen wordt, de kiemkracht van het plantenrijk tot in het diepste van den teelgrond vernietigd wordt. Bij zulke omstandigheden zijn de landlieden van de Telemarksche en van de Hardangersche streken er ellendig aan toe.
Intusschen, hoewel vrouw Hansen volkomen op de hoogte van haren toestand moest zijn, had zij daarover tegen niemand ooit een woord gerept, zelfs tegen hare kinderen niet. Zij bezat een koelbloedige geaardheid en was de stilzwijgendheid in persoon. Haar gebrek aan mededeelzaamheid bedroefde Hulda en Joël zeer. Maar ten gevolge van den eerbied voor het hoofd des huisgezins, die in de noordelijke landen bij de kinderen als ingeboren is, betrachtten zij eene soort van terughoudendheid, die hen toch pijnlijk was.
Daarbij kwam nog dat vrouw Hansen ongaarne hulp of raad vroeg, daar zij zich als echte Noorweegsche van de onfeilbaarheid van haar oordeel overtuigd hield.
[Illustratie: Vrouw Hansen was toen vijftig jaren oud. Blz. 21.]
Vrouw Hansen was toen vijftig jaren oud. De ouderdom had wel hare haren doen grijzen, maar had hare hooge gestalte niet kunnen buigen en had ook niet de levendigheid van den blik harer oogen, die donkerblauw waren, kunnen verminderen. Dat heldere azuur was ook in het oog harer dochter Hulda te ontwaren. De huid der bejaarde vrouw had slechts de tint aangenomen van oud archiefpapier en hier en daar werd een rimpel op haar voorhoofd zichtbaar.
De »madame", zooals men zich in de Scandinavische streken uitdrukt, was steeds gekleed in een zwarte wollen japon, van dikke plooien voorzien. Dat was het rouwgewaad, hetwelk zij sedert den dood van haren Harald niet afgelegd had. Door de armopeningen van het bruine keurslijf werden de mouwen van het hemd, van ongebleekt katoen vervaardigd, zichtbaar. Een halsdoek van donkere kleur, was kruiselings vastgeknoopt op de borst, daarenboven nog bedekt met het bovengedeelte van een boezelaar, die van achteren door breede haken vastgemaakt was. Haar hoofd was steeds gedekt met eene zijden muts, waaronder eene soort neepjeskap, die door de mode langzamerhand verdrongen wordt. Steeds zat die goede vrouw in haar houten leuningstoel recht als eene kaars en verliet haar spinnewiel niet, dan om haar pijpje van berkenschors op te steken, en haar hoofd met eene lichte wolk van tabaksrook te omhullen.
Het huis zou waarlijk zonder de aanwezigheid der twee kinderen een zeer droevig aanzien gehad hebben.