Chapter 19
»Dat is waarlijk een goed voorteeken voor dien Sandgoïst," merkte een der aanwezigen in de nabijheid van professor Sylvius Hog op. »Waarlijk, een goed voorteeken!"
»Ba!" antwoordde een ander, »het zou toch te verwonderen zijn, als het groote lot hem ten deel viel!"
»Accoord, maar...."
»Maar, wat?"
»Gij kunt niet ontkennen, dat hij een uitstekend nummer bezit, een uitstekend nummer!"
»Inderdaad, een uitstekend," antwoordde professor Sylvius Hog met een glimlach.
»Waarom, professor?" werd hem van alle kanten met den meesten aandrang gevraagd.
Zoo'n geleerde moest dat weten! Waartoe zou anders de wetenschap dienen!
»Vraag me dat niet, vrienden," antwoordde professor Sylvius Hog.
»Waarom niet, professor?"
»Omdat ik daarop geen antwoord zou weten te geven."
De nieuwsgierigen moesten zich daarmee tevreden stellen.
Toen begon de trekking van de tweede serie, die negen prijzen bevatte.
De aandacht werd hoe langer hoe meer gespannen. De een en negentigste prijs bedroeg toch reeds duizend mark! Eene heele som! De twee en negentigste bedroeg tweeduizend mark, de drie en negentigste drieduizend, en zoo voort tot de negen en negentigste prijs, die natuurlijk negenduizend mark gewin aanbracht.
De derde serie bestond, zooals men zich herinneren zal, uit een eenigen prijs, den hoogsten, dien van honderdduizend mark.
Het nummer 72521 won den prijs van vijfduizend mark.
Dat lot behoorde aan een braven zeeman, die in Christiania thuis behoorde. De man werd met warmte toegejuicht, en hoorde die toejuichingen met waardigheid aan.
Een ander nummer, 823752, won zesduizend mark.
Hoe groot was de blijdschap van onzen professor, toen Joël Hansen hem mededeelde, dat dit nummer toebehoorde aan de bekoorlijke Siegfrid te Bambel!
Daarna gebeurde er iets, dat het publiek in de grootste spanning bracht en tot velerlei gemompel aanleiding gaf. Toen men den zeven en negentigsten prijs trok, dien van zevenduizend mark, verkeerde men aanvankelijk in de meening, dat Sandgoïst althans voor dezen prijs door het lot begunstigd zoude worden.
Inderdaad, de twee eerste cijfers, die der duizendtallen en honderdtallen kwamen goed uit. Ook de beide andere cijfers werden uit hunne respectieve trommels getrokken, maar in omgekeerde orde, zoodat niet 9672, maar wel 9627 uitgekomen was. Het scheelde weinig niet waar, of het was het nummer van Ole Kamp. Toch was er nog altijd een verschil van vijf en veertig eenheden.
De twee volgende trekkingen brachten twee nummers te voorschijn, die zeer uiteenliepen.
Het waren de nummers 775 en 76287.
De trekking der prijzen van de tweede serie was daarmede afgeloopen. Gelukkig ook!
Want, nu bleef nog maar de laatste prijs, die van honderdduizend mark over.
De opgewondenheid der toeschouwers werd al grooter en grooter, en het zou zeer moeielijk zijn er eene beschrijving, ja zelfs een denkbeeld van te geven.
Door de geheele zaal werd een langdurig gemompel vernomen, dat zich tot op de binnenpleinen, ja zelfs tot op de straat verspreidde. Het kostte nog al tijd en moeite, voordat er eenige kalmte en stilte verkregen was.
Eindelijk gelukte dat toch. Het gedruisch verminderde langzamerhand en binnen betrekkelijk korten tijd heerschte er diepe stilte. Men had eene speld kunnen hooren vallen, zooals men gewoonlijk zegt.
Het was alsof de aanwezige menigte versteend was. Die kalmte was gedeeltelijk veroorzaakt door eene soort verstomming, zooals men wel eens gevoelt--wanneer wij hier die vergelijking bezigen mogen--als men bij voorbeeld een ter dood veroordeelde, op de plaats der terechtstelling ziet verschijnen.
Ditmaal echter was de patient--thans nog een onbekende--ter dood veroordeeld, maar wel gedoemd om honderdduizend mark te winnen, dus volstrekt niet om het hoofd te verliezen, tenzij de blijdschap hem de poets speelde om zijn hoofd op hol te brengen.
Joël Hansen keek met over de borst gekruiste armen en schier wezenloozen blik de bedrijvigheid aan. Van die geheele menigte was hij wellicht het minst opgewonden.
Hulda Hansen zat naast Sylvius Hog, maar scheen in zich zelve gekeerd. Het arme meisje dacht slechts aan haren ongelukkigen Ole Kamp. Zij zocht hem instinctmatig met den blik, alsof hij op het laatste oogenblik vóór haar zou moeten verschijnen. Dwaze gedachte, niet waar?
Wat professor Sylvius Hog betrof.... Hij.... maar het zou mij onmogelijk zijn eene beschrijving te geven van hetgeen in zijn binnenste omging.
»Thans zullen wij overgaan tot de trekking van den prijs van honderdduizend mark!" verkondigde de voorzitter plechtig.
Welk eene stem!
Zij scheen wel uil de ingewanden van dien deftigen persoon voort te komen.
Dat kwam wel een weinig daar vandaan, dat hij zelf houder was van verscheidene loten, welke nummers nog niet uitgetrokken waren, en zijn kans dus aanmerkelijk toegenomen was.
Hij gaf een wenk aan zijne beide assessoren.
Dezen brachten dien wenk over aan de kleine meisjes, bij de zes trommels gezeten.
De eerste dier geluksgodinnen trok een cijfer uit de linkertrommel en vertoonde het aan het publiek.
»Nul!" zei de voorzitter met luider stem.
»Nul!" herhaalde de assessor, die tot secretaris diende, terwijl hij het genoemde cijfer opschreef.
Die nul maakte niet veel effect; men scheen niets anders verwacht te hebben.
Het tweede meisje trok op hare beurt een cijfer uit de voor haar staande trommel en liet het ook aan het publiek zien.
»Nul!" zei andermaal de voorzitter met even luide stem.
»Nul!" herhaalde de secretaris en schreef die naast de eerstgenoemde.
Twee nullen reeds!
Dus het winnend lot zou geen honderdduizendtallen en geen tienduizendtallen bevatten! Dat was duidelijk.
Men maakte de opmerking, dat de kansen aanmerkelijk vermeerderd waren voor al de nummers, voorkomende tusschen één en negen duizend negenhonderd negen en negentig.
En het briefje van Ole Kamp voerde, zooals men weet, het getal 9672.
Het ontging de algemeene aandacht niet dat Sylvius Hog onrustig begon te worden. Hij schoof op zijn stoel heen en weer en was zoo bleek, alsof hij een aanval van zeeziekte had.
Het derde meisje trok een cijfer en hief het ten aanschouwe van allen in de hoogte.
»Negen!" kondigde de voorzitter met zijne eentonige stem aan.
»Negen!" herhaalde de secretaris even onverstoorbaar. »Negen!"
Negen!.... Dat was het eerste cijfer van het loterijbriefje van Ole Kamp!
Het vierde meisje volbracht haren plicht. Zij stak hare hand in de trommel, en....
»Zes!" riep de voorzitter uit. »Zes!"
»Zes," herhaalde zijn echo punctueel en schreef dat cijfer op de vierde plaats op.
En inderdaad het was eene zes, die het meisje aan aller blikken vertoonde. De verschillende oogen keken scherp, en het arme kind voelde zich bevreesd. Het scheen haar dat evenveel geladen pistolen op haar gericht waren.
De kans van winnen was nu van één tegen honderd voor al de nummers, begrepen tusschen één en negen en negentig, en met zes en negentig hondertallen beginnende.
De menigte was verstomd! Alle harten bonsden.
Zou dan toch het loterijbriefje van Ole Kamp die som van honderdduizend mark in den zak van Sandgoïst, van dien ellendeling tooveren?
Waarlijk, zoo iets zou aan een rechtvaardig God doen twijfelen!
Dat kon niet!... Dat mocht niet!
Zoo waren aller gedachten!
Het vijfde meisje stak op hare beurt de hand in de voor haar staande trommel en trok het vijfde cijfer.
Alle oogen keken, alle harten klopten, allen hijgden naar adem....
»Zeven!" zei de voorzitter met eene zoozeer van aandoening gesmoorde stem, dat zij zelfs op de eerste rijen stoelen niet gehoord werd.
Maar al hoorde men niet, men zag toch, en de secretaris herhaalde op duidelijken toon:
»Zeven!"
Bovendien lieten de vijf kleine meisjes de door haar getrokken cijfers aan het publiek zien.
00967
Nu was de kans van winnen nog enger begrensd.
Zij lag thans tusschen de nummers 9670 en 9679; ze stond dus als één tegen tien.
[Illustratie: Toen Hulda de kleine kerk van Hitterdal voorbijreed. Blz. 224.]
De spanning van de menigte was ten top gestegen.
Sylvius Hog was opgesprongen, en had de hand van Hulda Hansen gegrepen.
Aller blikken waren op het arme meisje gericht.
Zou zij dan, toen zij de laatste gedachtenis van haren bruidegom voor de schuldbekentenis harer moeder ten offer bracht, ook het vermogen, dat Ole Kamp voor haar en zich zelven gedroomd had, uit hare handen gegeven hebben?
Vreeselijk oogenblik!
Het zesde meisje had eenige moeite om hare hand in de voor haar staande trommel te brengen. Geen wonder, de kleine beefde als een riet.
Maar eindelijk verscheen het cijfer voor aller oogen.
»Twee!" riep de voorzitter uit.
En hij viel buiten zich zelf van ontroering in zijn stoel neer.
»Twee!" herhaalde de secretaris.
»Negen duizend zes honderd twee en zeventig!" riep de andere assessor met luide stem uit, terwijl hij op de cijfers wees die de kleine meisjes vertoonden.
En ja, daar stond:
=9672=
Dat was het nummer van Ole Kamp. Het nummer op het loterijbriefje, dat de Oceaan geweigerd had te verzwelgen. Het nummer van het briefje, dat zoo wonderbaarlijk opgevischt was.
Maar.... dat loterijbriefje bevond zich thans--iedereen wist het, en ook hoe het verkregen was--in handen van dien Sandgoïst, in handen van dien aarts-woekeraar!
Eene diepe stilte heerschte in de zaal en op de binnenpleinen van het Universiteitsgebouw, waar zeker eene uitbarsting van toejuichingen zoude gehoord zijn, als dat loterijbriefje zich steeds in het bezit van Hulda had bevonden.
Wat ging er thans in het brein van het arme meisje om?
En, wat in dat van haren broeder?
En zou die afschuwelijke Sandgoïst thans, met zijn zoo fielterig verkregen loterijbriefje in de hand, te voorschijn treden, om er het bedrag van te ontvangen?
Vreeselijke spanning, niet alleen voor Hulda en Joël Hansen, maar ook voor het geheele publiek!
»Nummer negenduizend zes honderd twee en zeventig heeft het groote lot van honderd duizend mark gewonnen!" herhaalde de assessor plechtig. »Wie is de houder van dat briefje?"
Alles was stil in de zaal. Men durfde ternauwernood ademhalen.
»Sandgoïst!" mompelden eenige stemmen met onmiskenbaren afschuw.
»Nummer negenduizend zeshonderd twee en zeventig heeft het groote lot van honderdduizend mark gewonnen!" herhaalde de assessor ten tweeden male....
Het bleef stil.
»En wie is er de houder van?" ging dat commissielid onverstoorbaar voort.
»Ik! ik!" riep eene stem achter in de zaal.... »Hier is de houder!"
Wat!... Was die stem van den woekeraar van Drammen? Niet mogelijk!
Neen! dat was zijne stem niet.
Hulda was bij het hooren van die woorden opgesprongen, en keek... keek...
Neen, het was Sandgoïst niet!--Het was een jonge man, die daar uit de menigte te voorschijn trad, een jonge man met bleek gelaat, dat evenals zijn geheele persoon aanduidde dat hij veel, zeer veel geleden had, maar die toch in levenden lijve aanwezig was.
Hulda vloog op hem aan. Zij stiet een kreet uit, die door alle aanwezigen gehoord werd. Daarop zakte zij ineen.
Maar de jonge man had zich door de menigte baan gebroken. Hij ving haar in zijne armen op.
»Hulda!... Hulda!..." kreet hij in vervoering.
»Ole Kamp!" snikte het jonge meisje...
Ja, het was Ole Kamp, in wiens armen zij lag!
XX.
SCHIPBREUK EN REDDING.
BESLUIT.
Ja, het was Ole Kamp!
Ole Kamp, als door een wonder aan de schipbreuk van de _Viken_ ontkomen!
Dat hij door het adviesvaartuig de _Telegraaf_ niet naar Europa teruggevoerd was, sproot alleen daaruit voort, dat de schipbreukeling niet meer ter plaatse aanwezig was, toen de boot daar aankwam.
En dat hij er niet meer was, had eenvoudig tot reden, dat hij zich toen reeds aan boord van het schip bevond, dat hem naar Christiania, naar het vaderland zoude terugvoeren.
Ziedaar, wat professor Sylvius Hog vertelde.
Ziedaar, wat hij aan iedereen herhaalde, die hem maar aanhooren wilde.
En ieder hoorde hem aan, zooals de lezer zal begrijpen.
De professor sprak als een overwinnaar. En zijne buurlieden herhaalden, wat hij verteld had, aan de verder afstaanden, aan hen die het geluk niet hadden zich in zijne nabijheid te bevinden.
En zoo ging het verhaal van groep tot groep voort, totdat het de menigte, die buiten op het binnenplein en op de straat opgehoopt stond bereikt had.
Geheel Christiania wist weinige oogenblikken later alles: dat Ole Kamp, de schipbreukeling van de _Viken_ was teruggekomen en dat hij den grooten prijs in de loterij ten voordeele van de scholen gewonnen had.
Het was waarlijk wel noodig, dat professor Sylvius Hog die heele geschiedenis vertelde; want Ole Kamp had dat onmogelijk kunnen doen, om de eenvoudige reden dat Joël hem terwijl Hulda langzamerhand bijkwam, tot stikkens toe aan zijn krachtige borst klemde.
»Hulda!.... beste Hulda!.... Ja ik ben het!.... ik, Ole Kamp!.... Ja, ik.... uw bruidegom, en.... weldra uw echtgenoot!...."
»Ja zeker, weldra!" riep professor Sylvius Hog uit. »Morgen reeds, kinderen, morgen!"
»Morgen reeds?" vroeg Joël Hansen verbaasd.
»Ja, morgen reeds!" hernam de professor. »Heden avond nog vertrekken wij naar Dal."
»Kan dat, mijnheer Sylvius?"
»Het moet, beste Joël! En.... luister... of en wanneer zoo iets ooit gezien is, weet ik niet: maar gij zult een professor in de rechtswetenschappen, een afgevaardigde bij de Storthing op de bruiloft zien dansen als den best uit de kluiten geschoten lummel van geheel Telemarken!"
Allen, die deze betuiging hoorden, klapten in de handen van de pret.
Maar, hoe had professor Sylvius Hog het wedervaren van Ole Kamp vernomen?
Zeer eenvoudig door den laatsten brief, dien hij van het Departement van Marine te Dal ontvangen had.
Dat schrijven--het laatste, hetwelk hij ontvangen en waarover hij niemand gesproken had--bevatte een tweede, dat van Christiansand gedagteekend was. In dien brief las hij het volgende:
[Illustratie: Wat was Hulda mooi met haar stralende bruidskroon. Blz. 224.]
»De Deensche brik _Genius_, gezagvoerder Kroman, is te Christiansand aangekomen. Dat vaartuig heeft hen aan boord, die aan de schipbreuk der _Viken_ ontkomen zijn, onder anderen ook den jeugdigen stuurman Ole Kamp. Binnen drie dagen zal hij te Christiania zijn."
De brief van het Departement van Marine vulde dat bericht aan met de mededeeling, dat de schipbreukelingen zoozeer geleden hadden, dat zij nog in een staat van groote zwakheid verkeerden. Daarom had professor Sylvius Hog dien terugkeer van den bruidegom van Hulda Hansen voor het lieve meisje geheim gehouden. Zoolang hij den stuurman Ole Kamp niet gezien had, wenschte hij het stilzwijgen te bewaren. In zijn antwoord op die brieven had hij dan ook stipte geheimhouding over dien terugkeer aanbevolen. En, wij hebben gezien, dat aan dien wensch getrouw gevolg was gegeven. Niemand had iets betrekkelijk de zaak vernomen.
En dat het adviesvaartuig _Telegraaf_ geen der geredden van de schipbreuk, zelfs geen enkel wrakstuk van de _Viken_ had kunnen opsporen, daarvan lagen de redenen als het ware voor de hand.
Het vaartuig, dat gedurende een vreeselijk onweder gedeeltelijk ontmast was geworden, was genoodzaakt geweest voor den storm te lenzen. Wij weten, dat die storm uit het zuidoosten woei, zoodat het schip naar het noordwesten gedreven werd. Zoo naderde het IJsland tot op ongeveer tweehonderd mijlen.
In den nacht van den 3den op den 4den Mei, die zich door hevige stormvlagen kenmerkte--stootte het vaartuig tegen een van die onmetelijke ijsbergen, die uit de zeeën, welke Groenland omringen, onder den invloed van de Poolstroomingen naar het zuiden afdreven. De botsing was zoo verschrikkelijk, dat het te voorzien was, dat de _Viken_ binnen vijf minuten zoude zinken.
Het was gedurende dit korte tijdsbestek, dat de stuurman Ole Kamp de bekende weinige regels geschreven had. Op het bewuste loterijbriefje had hij een laatst vaarwel aan zijne bruid gekrabbeld, daarna had hij dat stukje papier in eene flesch gesloten en die in zee geworpen.
Het grootste gedeelte van de bemanning der _Viken_ was omgekomen bij den vreeselijken schok. Onder hen bevond zich ook de gezagvoerder van het vaartuig. Alleen Ole Kamp en vier zijner makkers waren er in geslaagd op een stuk van den ijsberg te springen, juist op het oogenblik dat de _Viken_ in de diepte zonk. Maar.... hun dood zou slechts uitgesteld, hun lijden slechts verlengd zijn geworden, als de woeste windvlagen de ijsbank niet naar het noordwesten gedreven hadden.
Twee dagen later werden de vijf geredde schipbreukelingen, uitgeput van honger en gebrek, op de zuidelijke kust van Groenland geworpen, een woeste streek, waar zij geheel aan Gods genade overgeleverd waren, daar er weinig of geen voedingsmiddelen werden aangetroffen.
Zoo men hen niet binnen weinige dagen te hulp gekomen ware, dan zouden zij ook daar den dood gevonden hebben. Hoe zouden zij de noodige kracht gehad hebben, om de visschers-nederzettingen of de Deensche vestigingen in de Baffinsbaai op de tegenovergelegen kust van Groenland te bereiken?....
Toen was het, dat de brik _Genius_, die ook door de stormen van haar koers geraakt was, daar voorbijvoer.
De schipbreukelingen gaven noodseinen, die gelukkig opgemerkt werden. Eene sloep stevende naar de kust, nam de ongelukkigen op en bracht hen aan boord.
Zij waren gered!
Intusschen werd de _Genius_ door tegenwinden opgehouden. Daardoor ontstond een groote vertraging, die de reis uitermate rekte. Want eigenlijk is de overtocht van Groenland naar Noorwegen betrekkelijk kort.
Vandaar dan ook, dat dit vaartuig eerst den 12den Juli Christiansand en in den ochtend van den 15den Christiania bereikte.
Dien morgen was professor Sylvius Hog aan boord gegaan.
Daar had hij stuurman Ole Kamp nog zeer zwak aangetroffen. Deze vertelde hem toen alles, wat er voorgevallen was, sedert hij zijn laatsten brief, gedagteekend van Saint Pierre-Miquelon geschreven had....
Daarna had hij hem naar zijne woning laten vervoeren, terwijl hij de bemanning van de _Genius_ verzocht om de redding der schipbreukelingen, gedurende eenige uren slechts, geheim te houden. Dit geschiedde....
En de lezer weet het overige.
Professor Sylvius Hog sprak toen met Ole Kamp af, dat hij bij de trekking tegenwoordig zoude zijn.
Maar, zou hij daartoe kracht genoeg bezitten?
Ja, zeker! De krachten zouden den jongen borst niet ontbreken! Want, zou Hulda daar niet tegenwoordig zijn?
Maar 't was de vraag, of de trekking nog wel eenig belang voor hem opleverde.
»Ja! ongetwijfeld!" antwoordde de professor. »Ja, honderdmaal ja! duizendmaal ja! Ze was van zeer groot belang voor hem en zijne bruid!"
Inderdaad, de waardige professor was er in geslaagd het loterijbriefje van Ole Kamp machtig te worden. Hij had het voor denzelfden prijs van den woekeraar Sandgoïst teruggekocht, dien deze aan vrouw Hansen had betaald.
En de ellendeling had zich nog gelukkig geacht, toen hij het briefje voor die som van vijftienduizend mark van de hand kon doen. De doodsangst had hem bekropen, toen, nadat hij eigenaar van dat lot geworden was, geen verdere aanbiedingen gedaan waren, ondanks zijne advertentiën in de dagbladen en in weerwil van andere aankondigingen.
»Mijn wakkere Ole," had Sylvius Hog tot den jeugdigen stuurman gezegd, toen hij hem het loterijbriefje ter hand stelde, »het was niet de kans op het winnen van een hoogen prijs, iets dat zeer onwaarschijnlijk is, die ik aan Hulda wilde teruggeven, maar wel het laatst vaarwel, dat gij aan haar richttet, toen gij op het punt waart te vergaan, om voor den rechterstoel van den Almachtige te verschijnen."
Welnu, men moet erkennen, dat professor Silvius Hog daarmede een goeden inval had gehad, een beteren althans dan die Sandgoïst, die veel lust had zich het hoofd tegen een muur te verbrijzelen, toen hij den uitslag van de trekking vernam.
Er waren thans honderdduizend mark in de herberg van Dal gekomen!
Ja honderdduizend mark, goed geteld; want zooals de lezer wel begrijpen zal, had professor Sylvius Hog nimmer de vijftienduizend mark willen terugontvangen, die hij voor het loterijbriefje van Ole Kamp uitgegeven had.
Dat was de bruidschat van Hulda, en de edele man gevoelde zich zeer gelukkig, dat hij deze som aan het lieve meisje, zijne redster kon aanbieden!
Misschien zal het wel verwondering baren, dat dit nummer 9672, waarop de algemeene aandacht zoozeer gevestigd was geweest, juist met het groote lot begunstigd werd.
Gaarne erkennen wij, dat dit wel geschikt was om de verbazing op te wekken. Maar daarom was het niet onmogelijk. En dat het mogelijk was, is door het gebeurde bewezen.
Professor Sylvius Hog, Ole Kamp, Hulda en Joël Hansen verlieten dienzelfden avond Christiania. Natuurlijk koos men andermaal den weg over Bambel; want Joël moest toch aan de lieve Siegfrid het bedrag van den prijs overhandigen, dien zij in de loterij gewonnen had.
Toen Hulda de kleine kerk van Hitterdal voorbijreed, herinnerde zij zich de treurige en sombere gedachten, die haar brein twee dagen vroeger hadden beziggehouden en gekweld. Thans was alles geheel anders, de aanwezigheid van Ole Kamp verdreef alle droefgeestigheid en tooverde een vroolijken glimlach op het lieve gelaat.
Bij Sint Olaf! Wat was Hulda mooi met haar stralende bruidskroon, toen zij vier dagen later de kleine kapel van Dal aan den arm van Ole Kamp, haren echtgenoot verliet!
[Illustratie: Hij opende het bal met zijne lieve Hulda. Blz. 226.]
En dan, welk een prachtig feest! Het werd langen tijd daarna nog aangehaald en besproken door het geheele Telemarksche bergland!
En welk een vroolijke stemming, zoowel bij de bruid als bij Siegfrid, de bruidsjuffer, bij haren vader, pachter Helmboë, bij Joël Hansen, haar aanstaande en ook bij vrouw Hansen, die, gelukkig voor haar, van haren kwelgeest Sandgoïst voor goed verlost was!
Misschien zal een nieuwsgierige lezer vragen of onder al die vrienden, al die genoodigden, ook de Heeren Gebroeders Help van Bergen en anderen overgekomen waren, om getuigen van het geluk der jonggehuwden te zijn, of om Sylvius Hog, professor in de rechtswetenschappen en afgevaardigde bij de Storthing, te zien dansen?
Een moeielijk te beantwoorden vraag!
Zooveel is zeker dat de edele professor met opgewektheid danste. Hij opende het bal met zijne lieve Hulda en besloot de danspartij met de bekoorlijke Siegfrid.
Hij vertrok den volgenden dag van Dal, onder hoera's van al de bewoners van het Vestfjorddal. Hij vertrok, maar niet zonder aan Joël Hansen plechtig beloofd te hebben, dat hij terug zoude komen, om de viering van het huwelijk van den jeugdigen berggids bij te wonen, dat, natuurlijk tot groote blijdschap van de belanghebbenden, eenige weken later voltrokken zoude worden.
De professor hield stipt woord.
Ditmaal opende hij het bal met de bekoorlijke Siegfrid en besloot de danspartij met zijne lieve Hulda.
Daarna danste Sylvius Hog niet meer.
Het geluk scheen nu voor goed gevestigd in dat gezin, hetwelk in de laatste maanden zoo zwaar beproefd was geworden. Dat alles was wel een weinig het werk van professor Sylvius Hog. Hij wilde het evenwel nooit erkennen, maar herhaalde steeds:
»Ja wel, praat maar toe! Ik ben nog steeds de schuldenaar van de kinderen van vrouw Hansen. Waar zou ik mij thans zonder hen bevinden? Mijn lijk in den waterval van den Rjukan, of in de Maan-Elf, of in een der meren gedreven, aan vraatzuchtige visschen ter prooi! Nogmaals, ik ben hun het leven verschuldigd, dat is zeker!"
Wat het bekende loterijbriefje betreft, dat was na de trekking aan Ole Kamp teruggegeven. Thans prijkt het in de groote zaal van de herberg te Dal op de eereplaats, in eene kleine houten lijst gevat. Maar men ziet niet den kant van het biljet, waarop het nummer 9672 te lezen staat, maar wel de keerzijde, waarop de schipbreukeling Ole Kamp zijn laatste vaarwel aan zijne bruid Hulda Hansen geschreven had.
EINDE.