Het loterijbriefje

Chapter 18

Chapter 183,806 wordsPublic domain

»Gij weet, niet waar? dat ik, zonder de tijdige tusschenkomst van Joël en Hulda Hansen, een jammerlijk uiteinde in den waterval van den Rjukan gevonden zou hebben...."

»Ja wel, mijnheer Hog."

»Het is de vraag, of zelfs mijn lijk in die verschrikkelijke kolk weergevonden zoude zijn!"

»Welk een ijselijke veronderstelling.... maar gelukkig...."

»Zonder hen zou ik thans het genoegen niet hebben u te zien, mijnheer Benett."

»Ja wel.... ja wel!.... Inderdaad die kloeke jongelieden verdienden wel, dat zij het groote lot wonnen."

»Dat is ook mijne meening," antwoordde Silvius Hog. »Maar, daar dat nu onmogelijk geworden is, zou ik gaarne hebben, dat mijne kleine Hulda niet naar Dal terugkeerde, zonder een geschenk.... eene herinnering...."

»Kijk, dat noem ik eerst eene goede gedachte, mijnheer Hog!"

»Dus zijt gij het met mij eens?"

»Voorzeker."

»Dan moet gij mij uit uwe rijkdommen iets helpen uitzoeken, dat een jong meisje bekoren kan."

»Volgaarne," antwoordde mijnheer Benett.

En hij geleidde professor Sylvius Hog naar dat gedeelte zijner magazijnen, waar het inheemsche goud- en zilverwerk uitgestald lag. Zou een Noorweegsch sieraad niet de liefste herinnering zijn, die zij uit Christiania en den alom beroemden bazaar van den heer Benett in haar bergland kon medebrengen?

Dat was ook de meening van professor Sylvius Hog, aan wien de gedienstige koopman zijn kostbaarsten voorraad vertoonde, voor wien hij al zijne kasten opende.

»Komaan, laat zien," zei de geleerde. »Maar, ge moet weten, dat ik geen kenner ben en mij dus geheel en al op uwen smaak moet verlaten, mijnheer Benett."

»Wij zullen dat wel samen vinden, mijnheer Hog."

»Denkt gij?"

»Voorzeker."

»Komaan, vooruit dan maar, man, de keuze zal waarlijk moeielijk zijn."

Er was dan ook een geheele voorraad van die Zweedsche en Noorweegsche juweelen, die van zeer kunstige bewerking zijn, en daardoor veel meer aan arbeidsloon, dan wel aan grondstof gekost hebben.

»Wat is dat daar?" vroeg de professor, terwijl hij op een voorwerp wees, dat nog al schitterde.

»Dat is een zwaar verguld zilveren ring, voorzien van beweegbare eikeltjes, die zooals gij hoort, aardig klingelen."

»Zeer fraai," zei Sylvius Hog, terwijl hij den ring aan zijn pink paste.

»Ja, zelfs voor dien pink is hij te nauw," bemerkte de koopman lachende.

»Dat moet ook," hernam de professor. »Of denkt gij, dat mijne kleine Hulda een manshand heeft?"

»Die meening zou ik niet durven koesteren."

»Om het even. Leg dezen ring maar vooreerst ter zijde, mijnheer Benett, en laat mij wat anders zien."

»Armbanden of kettingen, mijnheer Hog?"

»Zoo wat van alles, mijnheer Benett, als gij zoo vriendelijk wilt zijn. Zoo wat van alles. O!.... wat is dit hier?"

»Wat bedoelt gij?"

»Hier dit, mijnheer Benett."

»O, dat zijn sieraden, die paarsgewijze aan het keurslijf gedragen worden. Zijn ze niet fraai?"

»Zeer fraai."

»Let eens op het effect van dat gepolijst koper op dien grond van geplooid wollen stof. Dat is zeer smaakvol en is volstrekt niet duur."

»Ze zijn inderdaad bekoorlijk, mijnheer Benett. Leg die ook maar ter zijde."

»Goed, mijnheer Hog; maar ik moet u waarschuwen," vervolgde de koopman, »dat die sieraden uitsluitend tot den tooi eener bruid behooren... op den dag van haar huwelijk... en dat..."

»Bij Sint Olaf! gij hebt gelijk, mijnheer Benett; gij hebt waarlijk gelijk."

»Daarom waarschuwde ik u, mijnheer Hog."

»Mijn arme, lieve Hulda! Ongelukkig is het Ole Kamp niet, die haar dat geschenk wil geven, maar ik; en ik kan haar zoo iets niet als bruid aanbieden!"

»Inderdaad, mijnheer Hog."

»Laat mij dus andere juweelen zien, die voor een jong meisje geschikt zijn."

»Hier hebt u zoo wat van alles, mijnheer Hog."

»Laat me dat kruis eens zien, mijnheer Benett."

»Dat is een kruis om aan een halssnoer te hangen."

»Dat dunkt me ook."

»Zie, het is met holle schijfjes versierd, die bij de geringste beweging van den hals rinkelen."

»Zeer fraai!.... Zeer fraai!.... Leg het ook op zij, mijnheer Benett. Als ik al uwe kasten zal bezichtigd hebben, zullen wij eene keus doen."

»Ja, maar...."

»Alweer een maar?"

»Zoo'n kruis wordt door de bruiden in Scandinavië gedragen, als zij naar de kerk gaan!...."

»Duivels!" zei professor Sylvius Hog lachende. »Ik moet bekennen, mijnheer Benett, dat ik geen gelukkige hand bij het uitzoeken van juweelen heb."

»Dat komt, mijnheer Hog, omdat ik zoo ruim van het artikel bruidsjuweelen voorzien ben. Die verkoop ik dan ook het meest. Dat uwe keus daarop valt, moet u dus niet verwonderen."

»Het verbaast me niet, mijnheer Benett; maar, het brengt mij in de war. Gij zult mijne keus moeten leiden."

»Welnu, houd u dan aan dien ring, dien gij mij het eerst hebt laten ter zijde leggen."

»Ja wel.... die vergulde ring.... Dat is goed.... Toch zou ik nog wel iets anders gewenscht hebben, dat... dat.... ja, hoe zal ik dat uitdrukken?.... dat meer.... tot versiering zou strekken."

»O, zoo! Is dat de quaestie? Dan moet ge deze plaat van draadzilver nemen. Zie, zij hangt aan vier kettinkjes, die zoo'n goed effect op den hals van een jong meisje maken! Ze is als bezaaid met fijne glaskralen en verder versierd met vergulde pijltjes en veelkleurige, geslepen kralen."

»Het is zeer fraai!"

»Het is een der schoonste voortbrengselen der Noorweegsche goudsmederij!"

»Zoo?" zei Sylvius Hog. »Het is een fraai sieraad; maar ik vrees een weinig opzichtig voor mijne bescheiden Hulda! Neen, dat niet... Ik zou de ronde plaatjes verkiezen, die gij mij straks hebt laten zien, en dat kruis, bestemd om aan een halssnoer te hangen. Zijn die dan werkelijk slechts geschikt voor bruidstooi, zoodat men ze een jong meisje niet zoude mogen aanbieden?"

»Mijnheer Hog," zei de heer Benett lachende, »op die vraag is onmogelijk een afdoend antwoord te geven, dunkt me; want de Storthing heeft daarop nog geen wet gemaakt!... Dat is ongetwijfeld eene leemte...."

»Ja wel, ja wel, mijnheer Benett, ik begrijp u; wij zullen mettertijd daarin voorzien," antwoordde Sylvius Hog, even hartelijk lachende. »Maar intusschen neem ik dat kruis en die andere sieraden... Want, alles wel beschouwd, is het toch mogelijk en zelfs te voorzien, dat mijne kleine Hulda den een of anderen dag zal trouwen. Zij bezit daartoe alle vereischten. Zij is goedaardig, en bovendien bekoorlijk en lieftallig, zoodat, volgens mij, de gelegenheid niet uitblijven zal, om die juweelen te kunnen gebruiken... Dat is dus afgesproken... ik houd die sieraden en neem ze mede."

»Goed, mijnheer Hog."

»De rekening zult gij wel zenden, niet waar, mijnheer Benett?"

»Wees onbezorgd."

»Zal ik het genoegen hebben, u bij de trekking der loterij te zien?" vroeg de professor.

»Zeker."

»Ik geloof, dat het zeer belangrijk zal zijn."

»Daar ben ik van overtuigd."

»Dus tot straks, mijnheer Benett."

»Tot straks, mijnheer Hog."

»Kijk," zei de professor, terwijl hij zich over een der glazen kasten boog. »Kijk, welke mooie ringen! Die had ik nog niet gezien."

»O, wat die betreft, daar kunt u niets mee doen, mijnheer Hog."

»En waarom niet, als ik u vragen mag?"

»Omdat het trouwringen zijn, die door den predikant bij de huwelijksplechtigheid aan den vinger van bruid en bruidegom gestoken worden...."

»Waarlijk?.... Kijk, kijk!... Toch neem ik ze.... men kan niet weten... Tot straks, mijnheer Benett, tot straks! Ik moet maken dat ik wegkom."

»Tot straks! Uw dienaar, mijnheer Hog!" zei de handelsman buigende.

Sylvius Hog stapte heen--en wel met een lichten, vluggen pas, als een twintigjarige--en begaf zich naar het _Noorder Hotel_.

Toen hij dat hotel binnentrad, bemerkte hij de woorden: _Fiat Lux!_ die op een der matglazen van een glaslantaarn gegrift waren.

»Waarachtig," zei hij in zich zelven, »dat latijn spreekt van pas! Ja, inderdaad! _Fiat Lux... Fiat Lux!..._ Er zij licht!"

Hij klom spoedig de trap op.

Hulda was op hare kamer. Zij zat bij het raam en wachtte. Toen professor Sylvius Hog aan de deur klopte, deed zij dadelijk open.

»O, mijnheer Sylvius, zijt gij daar?" riep het jonge meisje verheugd uit.

»Ja, hier ben ik! Hier ben ik! Maar, lieve Hulda, laat die plichtplegingen nu achterwege. Het ontbijt staat klaar, en ik voeg er bij, dat ik een honger als een wolf heb. Maar... Waar is Joël?"

»In de leeskamer."

»Zoo?... Dan ga ik hem daar halen. Gij, lief kind, komt zeker dadelijk beneden, niet waar?"

»Ja, mijnheer Sylvius."

»Laat ons niet te lang wachten."

Sylvius Hog verliet Hulda's kamer en begaf zich naar Joël Hansen, dien hij met de wanhoop in het hart en het hoofd in de hand in de leeskamer vond zitten.

De arme jongen toonde hem het nummer van het _Morgenblad_, dat hij zooeven gelezen had. Het telegram van den gezagvoerder der _Telegraaf_ liet geen twijfel meer bestaan omtrent het vergaan van de _Viken_. Neen, volgens dat bericht was niemand aan den dood ontkomen.

»Gij hebt het toch niet aan Hulda laten lezen?" vroeg de professor haastig.

»Neen, mijnheer Sylvius."

»Dan is het goed," antwoordde deze bedaard.

»Het is beter die tijding nog geheim voor haar te houden," vervolgde Joël zeer bedrukt en terneergeslagen. »Zij zal haar vroeg genoeg vernemen, niet waar?"

»Zeker, mijn jongen; gij hebt goedgedaan met uwe zuster die tijding niet mee te deelen.... Kom, laten wij gaan ontbijten. Dat is het beste, wat wij doen kunnen."

Een oogenblik later was ons drietal aan eene afzonderlijke tafel gezeten. En, in weerwil van de verpletterende tijding, die hij zooeven gelezen had, verorberde professor Sylvius Hog zijn ontbijt met grooten eetlust.

En waarachtig, daar was wel reden toe.

Het was een heerlijk ontbijt, dat, het aantal gerechten in aanmerking genomen, wel voor een diner kon doorgaan. Dat de lezer zelf oordeele:

Vooreerst werd een koude biersoep opgedragen, waarin citroenschijfjes en stukjes kaneel dreven, terwijl ze met fijngestampte beschuit bestrooid was. Verder versche zalm, die met eene witte, zoete saus toebereid was; vervolgens gebraden kalfsvleesch, dan een heerlijk stuk roastbief, waarbij een sterk gepeperde en gekruide sla behoorde, eindelijk vanille-ijs, confituren van aardappelen, frambozen, kersen en hazelnoten, terwijl men daarbij een glas uitmuntenden St. Julien te drinken kreeg, die rechtstreeks uit Frankrijk kwam.

»Heerlijk!..... heerlijk!....." riep telkenmale Sylvius Hog, waarbij hij als een ware lekkerbek de lippen likte. »Heerlijk!.... men zou meenen in de herberg van vrouw Hansen te Dal aan tafel te zijn!"

Het scheelde weinig, of hij had zich de vingers afgelikt. Hij bedacht zich bijtijds.

»Heerlijk!.... heerlijk!...." herhaalde hij voortdurend.

En daar hij zijn mond te veel te doen gaf, om dien verder nog iets op te dragen, glimlachte hij met zijne goedige oogen, als namelijk oogen glimlachen kunnen.

Helaas, Joël en Hulda waren niet in staat zijn voorbeeld te volgen. Al hadden zij het gewild, dan nog zouden zij het niet vermocht hebben. Het arme meisje at zelfs zeer weinig.

Toen het ontbijt afgeloopen was, zei de professor tot hen:

»Lieve kinderen, gij hebt bepaald ongelijk gehad, door dit ontbijt niet alle eer aan te doen. Inderdaad, de keuken van het _Noorder Hotel_ laat niets te wenschen over. Maar, ik kon u niet dwingen. En alles wel beschouwd, nu gij niet ontbeten hebt, zult gij straks des te beter dineeren...."

»O, mijnheer Sylvius!" riepen de beide jongelieden.

»En, ik weet niet, of ik u hedenavond zal kunnen bijhouden...."

»Mijnheer Sylvius!" zei Joël verwijtend.

»Kom, het is tijd om van tafel op te staan."

De professor had zijn stoel reeds weggeschoven. Hij greep zijn hoed, dien Joël hem aanreikte, en wilde naar buiten treden, toen Hulda hem weerhield.

»Mijnheer Sylvius," zei zij, »staat gij er nog op, dat ik u vergezel?"

»Om bij de trekking der loterij tegenwoordig te zijn?"

»Ja."

»Zeker, lieve meid, sta ik daar op, en dat nog wel zeer sterk!"

»Het zal een moeielijke zaak voor mij zijn!"

»Ja, dat erken ik."

»Kunt gij mij daarvan niet ontslaan?"

»Volstrekt niet, waarde Hulda!"

»Waarom niet?" vroeg het jonge meisje snikkende.

»Omdat Ole Kamp gewild heeft, dat gij bij de trekking tegenwoordig zoudt zijn! En.... Hulda, gij moet den wil van Ole Kamp eerbiedigen!"

Die laatste volzin kwam zoo dikwijls in den mond van den professor, dat die woorden als het ware een refrein begonnen te worden.

XIX.

DE LOTERIJTREKKING.

Welk een saamgepakte menigte in de groote zaal der Universiteit te Christiania, waar de trekking der loterij zou plaats hebben!

Maar, niet alleen die zaal was volgepropt, ook de binnenplaatsen waren vol menschen. Welke zaal ter wereld had zoo'n menigte kunnen bevatten?

Zelfs de naburige straten stonden vol, want ook de binnenplaatsen der Universiteit waren te klein geweest om al de nieuwsgierigen te bevatten.

Waarlijk op dien zondag, dien 15den Juli, zou men die Noren, nu zoo opgewonden, niet voor een kalm, flegmatisch volk uitgekreten hebben, zooals gewoonlijk geschiedt.

Maar, waardoor werd die opgewondenheid dan toch veroorzaakt?

Sproot zij voort uit de belangstelling, welke deze trekking opwekte?

Of vond zij haren oorsprong in de buitengewone warmte, welke dien dag in Noorwegens hoofdstad heerschte?

Maar om het even, wat er ook de oorzaak van mocht zijn, zooveel was zeker, dat het veelvuldig, ja overdadig gebruik van »multers", eene zeer verfrisschende vrucht, die in Scandinavië overvloedig voorkomt en verorberd wordt, niet in staat was die opgewondenheid te doen verkoelen.

De trekking der loterij zou ten drie ure precies beginnen. Geen minuut later.

Er waren honderd prijzen te winnen. Deze waren in drie seriën afgedeeld, namelijk: de eerste serie, bestaande uit negentig prijzen van honderd tot duizend mark, tot een gezamenlijk bedrag van vijf en veertig duizend mark; de tweede serie, bestaande uit negen prijzen van duizend tot negen duizend mark, en de derde serie bestaande uit een eenigen prijs, namelijk dien van honderd duizend mark.

In tegenstelling van hetgeen gewoonlijk bij loterijen van dien aard geschiedt, was het groote effect, het knal-effect zouden wij haast zeggen, voor het einde bewaard. De hoogste prijs zou niet aan het eerst uitgetrokken nummer toegewezen worden, maar aan het laatste, namelijk aan het honderdste.

Daaruit zou eene opeenvolging van indrukken, ontroeringen, hartkloppingen ontstaan die al sterker en sterker zouden worden, naarmate de trekking vorderde.

Het spreekt vanzelf, dat ieder nummer, waarop een prijs gevallen was, geen tweeden meer kon verkrijgen. Mocht zoo'n nummer voor de tweede maal uit de bus komen, dan was het natuurlijk nietig.

Dat alles wist het publiek. Dat behoefde niet meer verkondigd te worden. Men had nu slechts te wachten op het bepaalde uur. Maar om de verveling ondertusschen te verdrijven en den tijd te dooden, werd er gepraat. En zooals licht te begrijpen is, liep het gesprek hoofdzakelijk over Hulda Hansen en over haar wedervaren.

Waarlijk als zij nog in het bezit van het loterijbriefje van Ole Kamp ware geweest, dan zou een ieder, na zich zelven eerst het groote lot toegewenscht te hebben, den tweeden prijs aan haar hebben toegedacht.

Het scheen, dat op dat oogenblik reeds verscheidene personen kennis droegen van het telegram, door het _Morgenblad_ in zijn laatste nummer verspreid. Men sprak er met zijn buurlieden over, en weldra wist de geheele verzamelde menigte, dat de nasporingen van het adviesvaartuig de _Telegraaf_ tot geene uitkomst hadden geleid.

Men moest dus de poging opgeven, om, al ware het ook maar een wrakstuk van de _Viken_, weer te vinden!

De geheele bemanning scheen bij het zinken van het vaartuig omgekomen!

De arme Hulda zou dus haren bruidegom niet weerzien! De uitspraak van het noodlot was onherroepelijk.

Een gerucht leidde een oogenblik de algemeene aandacht af. Er werd namelijk verteld, dat de woekeraar Sandgoïst er toe overgegaan was Drammen te verlaten, en zelfs beweerden ettelijken der aanwezigen hem in de straten van Christiania gezien en ontmoet te hebben.

Zou hij het dan toch gewaagd hebben, hierheen te komen? Zou hij in de zaal durven verschijnen?

[Illustratie: Het nummer 9627. Blz. 214.]

Als dat waar was, dan zou die fielt er niet gemakkelijk afkomen.

[Illustratie: Daarop zakte zij ineen. Blz. 219.]

Hij!... zou hij bij de trekking tegenwoordig zijn!.... dat was zoo onwaarschijnlijk, dat het niet mogelijk scheen.

Laten wij er evenwel dadelijk bijvoegen, dat het gerucht slechts een praatje was. Baas Sandgoïst was kalm en voorzichtig te Drammen gebleven. Dat daarvoor goede redenen bestonden, zal de lezer later wel merken.

Omstreeks kwart voor tweeën, begon er eene zekere beweging onder de volksmenigte te ontstaan.

De oorzaak daarvan was professor Sylvius Hog, die aan de buitendeur van het Universiteitsgebouw verscheen. Iedereen wist, hoezeer hij in die geheele zaak betrokken was, en hoe hij, uit dankbaarheid voor zijne redding door de kinderen van vrouw Hansen, alles in het werk gesteld had, om hen te helpen.

Men maakte dadelijk plaats voor den professor. Een vleiend gemompel werd vernomen, dat door professor Sylvius Hog met vriendelijke knikjes beantwoord werd. Het gemompel hield aan, werd al sterker en sterker en ging eindelijk in een uitbundig gejuich over.

Maar.... maar.... de professor was niet alleen.

Zij, die het dichtst in de nabijheid waren, weken terug, om nog meer plaats te maken, en toen zag men, dat hij een jong meisje aan den arm had, terwijl een jonge man hen op de hielen volgde.

Een jeugdig meisje en een jonge man! Was het niet mogelijk, dat....?

Wel zeker, was dat mogelijk!... Het was zelfs waarschijnlijk!.... Zoo dacht een ieder.

Het scheen wel dat die menigte een electrischen schok had gekregen. Hetzelfde woord drong zich op aller lippen.

»Hulda!.... Hulda Hansen!..." riepen honderden, duizenden stemmen.

Eigenlijk ontsnapte die naam aller lippen.

»Hulda!.... Hulda Hansen!...."

Ja, het was Hulda Hansen, die daar het Universiteitsgebouw was binnengetreden.

Het arme meisje kon van aandoening niet overeind blijven. Zij zou gevallen zijn, als Sylvius Hog haar niet met krachtigen arm ondersteund had. Ja, dat deed de waardige professor. Hij ondersteunde de heldin van dit feest, die evenwel haren Ole Kamp daarbij miste!

Och, hoeveel liever zou zij in hare kleine bescheidene kamer te Dal zijn gebleven!

O, hoe gaarne zou zij zich aan al die nieuwsgierige blikken, die toch zoo goedig en trouwhartig op haar gevestigd waren, hebben willen onttrekken. Maar Sylvius Hog had gewenscht, dat zij hierheen kwam, en zij was gekomen.

»Plaats! Plaats!" riep men van alle kanten.

En men drong naar alle zijden, om voor professor Sylvius Hog, voor Hulda en Joël ruimte te maken.

Hoeveel handen strekten zich niet uit, om de hunne aan te raken, om die met warmte te drukken!

Hoeveel welwillende en troostrijke woorden vernamen zij in het voorbijgaan.

Sylvius Hog kon niet nalaten bij al die bewijzen van belangstelling goedkeurend te knikken.

»Ja," riep hij uit. »Zij is het vrienden!.... Ja, dat is de kleine Hulda, die ik van Dal hierheen gevoerd heb!"

En zich omkeerende, ging hij voort.

»En dat is Joël, haar kloeke broeder!"

De toejuichingen namen schier geen einde.

De professor maakte van een oogenblik van kalmte gebruik, om de menigte lachend toe te roepen:

»Pas dan toch op, en drukt mijne beschermelingen niet dood!"

En terwijl Joël al die handdrukken krachtig beantwoordde, werden de minder geharde handen van den professor schier verbrijzeld. Zijn oogen schitterden, hoewel er een traan van aandoening in parelde. Maar.... opmerkenswaardig verschijnsel voor de gezichtkundigen--die tranen schenen lichtgevend te zijn.

Ons drietal had een groot kwartier noodig, om het binnenplein der Universiteit door te worstelen, teneinde de groote zaal te kunnen bereiken en daar plaats te nemen op de stoelen, die door de zorgen van den professor voor hen bewaard waren.

Eindelijk gelukte dat toch, hoewel niet zonder moeite, en weldra zat Sylvius Hog tusschen Hulda en Joël. Tegen halfdrie ging eene deur open achter een verhevenheid, die in de zaal gemaakt was. De voorzitter der loterij-commissie verscheen waardig, ernstig, en met dat gebiedend uiterlijk, die bijzondere houding van het hoofd, eigen aan iedereen, die tot het aanvaarden van een presidentszetel geroepen is. Twee assessoren volgden hem met niet minder ernstige gezichten.

Daarop zag men zes kleine meisjes binnentreden, met blond haar, blauwe oogen, en ietwat roode handen.

Voorzeker de handen der onschuld, die de nummers der loterij zouden trekken.

Die zes meisjes waren daarenboven met veelkleurige linten versierd; terwijl zij een krans op het hoofd en een ruiker op de borst droegen.

Die komst werd met een zeker gemompel begroet, dat vooreerst het genoegen van de menigte moest te kennen geven bij het zien van de directeuren der loterij van Christiania, maar ook als een blijk van ongeduld was te beschouwen, omdat men hen zoolang had laten wachten. Intusschen namen de drie directeuren op de verhevenheid, daarvoor bestemd, plaats.

Hierboven werd gezegd, dat er zes meisjes waren. Zij stonden bij de zes bussen of trommels, die op eene tafel geplaatst waren, en waaruit bij elke trekking zes nummers te voorschijn gebracht moesten worden.

Die zes trommels bevatten ieder de tien nommers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 0, die de eenheden, tientallen, honderdtallen, duizendtallen, tienduizendtallen en honderdduizendtallen van een millioen vertegenwoordigden. Het is waar de loterij bestond uit een millioen loten, toch was er geen zevende trommel, maar bij dat stelsel van trekking, was men overeengekomen, dan wanneer de zes nullen tegelijk getrokken werden, die dat getal millioen zouden aanduiden, wat de kansen voor al de nummers volkomen gelijkmaakte.

Bovendien was bepaald, dat de nummers achtereenvolgens uit de trommels te voorschijn zou worden gehaald, te beginnen bij die, welke ter linkerzijde van het publiek stond. Het winnende getal zou zoo onder het oog der toeschouwers gevormd worden, eerst door het cijfer der honderdduizendtallen, daarna door dat der tienduizendtallen enz. tot dat der eenheden.

Ten gevolge van die regeling, zou, zooals de lezer wel denken kan, de spanning der menigte al meer en meer toenemen. Ieder zou toch, bij het te voorschijn brengen van een cijfer, zijne kansen zien toenemen of verdwijnen.

Klokslag drie uur maakte de voorzitter der loterij-commissie een gebaar met de hand, sloeg met een houten hamer op de tafel en verklaarde de zitting geopend.

Een gemompel, dat zeker eenige minuten duurde, volgde op die verklaring. Daarop werd het stil.

Toen stond de voorzitter der loterij-commissie op. Hij scheen zeer bewogen en sprak met haperende stem een kleine gelegenheidsrede uit waarin hij scheen te betreuren, dat niet voor ieder lot een groote prijs had kunnen bestemd worden. Hij wees op de onmogelijkheid van zoo iets en eindigde zijn improvisatie met een gelukwensch voor alle aanwezigen, zelfs voor de niet-spelers incluis.

Daarna gaf hij bevel om tot de trekking der eerste serie van prijzen over te gaan.

Deze bevatte, zooals men weet negentig prijzen, zoodat de trekking daarvan nog al tijd vorderde.

De zes kleine meisjes begonnen dus hun werk en deden dat met eene schier automatische regelmatigheid, zonder dat evenwel daardoor het geduld van het publiek uitgeput werd. Het is waar, de belangrijkheid en de waarde der te trekken prijzen rezen bij iedere trekking. In dezelfde verhouding klom ook de opgewondenheid der menigte en niemand dacht er aan, om vóór den afloop zijne plaats te verlaten. Zelfs zij bleven, wier nummers reeds uitgekomen waren, en die dus volgens de gemaakte bepalingen geen kans meer hadden.

Een uur ongeveer ging voorbij, zonder dat er iets bijzonders voorviel.

Men had trouwens de opmerking reeds gemaakt, dat nummer 9672 nog niet uitgekomen, of, beter gezegd, nog niet gevormd was. Dan zou natuurlijk aan dat lot de kans op het winnen van den prijs van honderdduizend mark ontnomen zijn.