Het loterijbriefje

Chapter 17

Chapter 173,735 wordsPublic domain

En inderdaad, die Christiania-fjord, de grootste zeeboezem in 't zuiden van Noorwegen, is omgeven door bevallige en zeer vruchtbare kusten, die tot de vier ambten van het baljuwschap Christiania behooren. De fjord strekt zich uit van het zuiden naar het noorden over een vollen breedtegraad, van Hvaloer (walvischeiland) ten oosten en Tjömö ten westen, tot aan Christiania, vanwaar hij langs het boschrijke en bergachtige schiereiland Näsodden loopt. In het zuidelijk gedeelte, heeft hij eene aanmerkelijke breedte (15 Ned. mijlen en meer). Daar liggen ook eenige eilanden. Nadat hij den Drammerfjord, 22 Ned. mijlen lang, noordwestwaarts heeft gezonden, vernauwt hij zich bij Dröbak, om vervolgens nabij de Noorweegsche hoofdplaats nogmaals een wijd bekken, een ware binnenzee, met talrijke eilanden te vormen. De scheepvaart op dezen boezem is zeer aanzienlijk en wordt door elf vuurtorens beveiligd.

Om tot Christiania terug te keeren, moet nog vermeld worden, dat met betrekking tot den handel de hoofdplaats van Noorwegen na Gothenburg, Drontheim en Bergen de belangrijkste stad des lands is. In de veilige en ruime haven, die echter drie of vier maanden van het jaar wegens het ijs ontoegankelijk is, liepen in den laatsten tijd jaarlijks 16 à 1700 schepen binnen, terwijl er ongeveer evenveel uitzeilden. Onder de uitvoerartikelen behooren in de eerste plaats hout, voorts lijnkoeken, metalen, huiden, enz. Is het ijs in het voorjaar in het achterste gedeelte van den fjord hinderlijk, dan nemen de schepen hunne lading bij Ringene in, eene kwartmijl van de stad, of anders bij Dröbak.

Ook de binnenlandsche handel van Christiania is aanzienlijk en strekt zich uit over de ambten Aggerhuus, Hedemarken en Christiansand, die te zamen omstreeks 350.000 inwoners tellen.

De omstreken van Christiania zijn schilderachtig. Boven het kalme bekken van den fjord, die in 't zuiden tusschen blauwe eilandjes verdwijnt, verheffen zich de kusten, getooid nu eens met bevallige buitenverblijven en pachthoeven, dan weer met altijd groene wouden, die ook hoogerop de bergtoppen kronen.

De voormalige vesting Aggerhuus, voorheen zich verheffende op een steil rotsgevaarte, is in 1815 gesloopt. Later werd er weer een vesting opgericht, die thans tot tuighuis dient. Oude linden, met breede kruinen, beveiligen de meeste woningen tegen de stralen der zon, en op een schiereiland tegenover de stad prijkt het nieuwe paleis Oscarhull. Heerlijk is vooral het vergezicht van den Egerberg ten oosten van Christiania. De stad met haren omtrek, hare wateren en eilanden gelijkt op een Italiaansch landschap en vormt de bekoorlijkste streek van Noord-Europa.

Het klimaat te Christiania is zeer gezond. Niet ver van die hoofdplaats, bij het meer Tyrifjord ligt het fraaie keteldal Rüigerige, waarin verscheidene meren zijn; terwijl ook Krochleven door beminnaars van natuurschoon druk bezocht wordt.

Na die uitweiding over Noorwegens hoofdplaats, kunnen wij ons verhaal hervatten.

Sylvius Hog was dus eindelijk te Christiania teruggekeerd. Die terugkomst geschiedde, wel is waar, onder omstandigheden, die hij onmogelijk had kunnen voorzien, en vóór het einde zijner reis.

Welnu, wat zou dat? Hij zou die reis een ander jaar vervolgen en haar dan ten einde brengen. Thans wilde hij zich alleen met Hulda en Joël Hansen bezighouden. Dat hij hen niet bij zich aan huis had laten afstappen, had daarin zijne oorzaak alleen, dat hij geen kamers gereed had om die jongelieden te huisvesten. Voorzeker zouden de oude Fink en de bejaarde Kaatje hen uitstekend ontvangen hebben! Maar er was geen tijd geweest, om iets in orde te maken. Daarom had professor Sylvius Hog hen naar het _Noorder Hotel_ gebracht, waar hij hen bijzonder aanbevolen had. En men begrijpt dat eene aanbeveling van professor Sylvius Hog, afgevaardigde bij de Storthing, geen onbeduidende zaak was.

Maar, terwijl de professor zorgde en vergde, dat men dezelfde oplettendheden aan zijne beschermelingen als aan hem zelven zoude bewijzen, had hij toch de voorzorg gebruikt om hunne namen te verzwijgen.

Het incognito bewaren, vooreerst geheel onbekend blijven, scheen hem door de voorzichtigheid geboden, ten aanzien van Joël maar vooral ten opzichte van Hulda Hansen. Men weet aan welke geruchten en praatjes het arme meisje ter prooi was geweest.

Wanneer andermaal de algemeene nieuwsgierigheid op haar gevestigd werd, zou haar dat zeker hinderen, en zou dat niet medewerken, om haar verblijf te Christiania te veraangenamen.

Het was dus maar beter, dat niemand met hare aankomst in de hoofdstad bekend werd.

Men had met elkander afgesproken, dat Sylvius Hog den volgenden ochtend broeder en zuster niet vóór het ontbijt zou weerzien, dus niet vóór elf uren. Hij kon dus tusschen elf en twaalf verwacht worden.

De professor had inderdaad verscheidene zaken te regelen, die voorzeker den geheelen ochtend zouden vergen. Maar hij zou de jongelieden dadelijk gaan opzoeken, als hij daarmede klaar was. Hij zou hen dan niet meer verlaten, maar bij hen blijven, tot het oogenblik, dat die loterijtrekking zoude geschieden, welke tegen drie uren plaats moest hebben.

Toen Joël wakker was en zich gekleed had, ging hij zijne zuster Hulda opzoeken, die hem kant en klaar op hare kamer zat te wachten. Ten einde haar eenige afleiding te bezorgen, voor de droefgeestige gedachten, die haar brein vervulden, en welke dien dag nog menigvuldiger en bitterder dan anders waren, stelde hij haar voor eene wandeling te maken en die tot het uur van 't ontbijt uit te strekken. Hulda nam, om haren broeder te believen, dat voorstel aan, en beiden trokken op goed geluk--want geen hunner wist den weg--de stad in.

In tegenstelling met hetgeen in andere Noorsche steden op de zondagen geschiedt, waarop het aantal wandelaars zeer beperkt is, bewoog zich eene groote menigte door de straten der hoofdstad.

De stedelingen hadden niet alleen de stad niet verlaten, zooals zij des Zondags gewoon waren, om buiten verademing van hun arbeid en inspanning te zoeken; maar men zag ook de landlieden en de dorpelingen uit den omtrek naar de stad toestroomen. De spoorweg van het Mjösermeer, die het voornaamste middel van verkeer van Christiania met de omstreken vormt, had extra treinen moeten laten rijden, om de menigte naar de stad te vervoeren.

Wat was er toch gaande?

Voorzeker was er iets op til, dat de belangstelling van die menigte opwekte.

En inderdaad, dat was ook zoo. Al die van buiten komende, al die wandelende personen in de straten van Christiania waren evenveel nieuwsgierigen en vooral belangstellenden in de zoo populaire loterij ten voordeele van de scholen der hoofdstad.

Er drentelde dus, zooals gezegd is, een groote menigte door de straten van Christiania; geheele familiën zag men daar; zelfs de bevolking van geheele dorpen, allen gekomen met de geheime hoop, geene vergeefsche reis gemaakt te hebben.

Men moet niet vergeten, dat een vol millioen loterijbriefjes was geplaatst geworden. En al zou men slechts een of tweehonderd mark winnen, hoe tevreden over het lot zouden die brave lieden naar hunne nederige soeters of naar hunne bescheidene gaards terugkeeren!

En er was een prijs van honderd duizend mark, zonder de andere te rekenen, waaronder een van tien duizend, een van zes duizend, een paar van vijf duizend, en ettelijke van duizend mark waren!

Toen Joël en Hulda Hansen het _Noorder Hotel_ verlaten hadden, daalden zij naar de kaden af, die zich rondom het oostelijk gedeelte der baai uitstrekten. Hier was niet zulk een toevloed van volk, tenzij men een blik wilde werpen in de herbergen,--in de vergunnings-kapelletjes, zou men in ons Nederland zeggen,--waar het bier en de brandewijn met volle glazen veroberd werden, om de dorstige kelen te laven.

Terwijl broeder en zuster zoo in de morgenuren wandelden langs de opeengestapelde vaten, de ontelbare kisten, van alle streken van den aardbol afkomstig, en langs de schepen, die aan de kaden vastgemeerd, of in de baai voor anker lagen, waren het vooral de vaartuigen, die in het bijzonder hunne aandacht boeiden.

Zou er onder al die bodems geen enkele zijn, die te Bergen tehuis behoorde, te Bergen, waar de arme _Viken_ niet zou wederkeeren?

Dat was de vraag, die telkens in 't hoofd dier beide beminnelijke menschen opkwam.

»Ole!.... mijn arme Ole Kamp!...." prevelde Hulda Hansen, schier onhoorbaar zacht.

Maar Joël had die verzuchting gehoord. Het oor hoort scherp, wanneer het hen geldt, die men liefheeft.

Hij troonde zijne zuster dan ook mede, ver van de baai, ver van de haven, ver van die kaden. Hij geleidde haar naar de wijken der bovenstad.

Daar in die straten, op die pleinen drong uit de groepen, die zich allerwege gevormd hadden, maar evenals zij voortwandelden, menige uitdrukking tot hen door, welke hen aanging.

Zoo zeide de een:

»Ja, ik verzeker u, dat men reeds tienduizend mark voor dat nummer 9672 geboden heeft."

»Tienduizend mark!.... Het mocht wat!...." hernam een ander.

»Ja, tienduizend mark!.... Gelooft gij mij niet?" vroeg de eerste ietwat gebelgd.

»Zeker!.... maar ik heb van twintigduizend mark hooren spreken, en zelfs van meer!"

»Twintigduizend mark?"

»En meer!"

»Het is een heele som, dat moet gij bekennen."

»Ja, waarlijk eene heele som."

»En geboden, waarvoor?"

»Voor een nummer, dat mijns inziens niet meer kans heeft dan elk ander."

»Voor een dwaalbegrip!"

»Voor eene bijgeloovigheid!"

»Alsof de aanraking van de stervende hand van Ole Kamp dat loterijbriefje meer geluk zoude aanbrengen!"

»En toch heeft Van der Bilt...."

»Van der Bilt?"

»Ja, de rijke Van der Bilt van New-York dertigduizend mark geboden!"

»Is hij bezeten?"

»En de heeren Baring van Londen zijn tot veertigduizend mark gegaan!"

»Och, kom! Ongeloofelijk!"

»De heeren Rotschild van Parijs hebben zestigduizend mark geboden!"

»Zestigduizend mark voor een loterijbriefje. Het is waarlijk al te dwaas!"

»Het is niet dwaas!"

»Niet?"

»Neen! Denkt ge dan, dat die heeren niet weten, wat zij doen?"

»Die zijn slimmer dan wij!"

»Zoudt gij zestigduizend mark voor dat loterijbriefje geven?"

»Ik niet!"

»Ziet ge wel! Dus de heeren Rotschild zijn niet zoo slim als gij!"

»Oho! niet zoo boud! Als ik geen zestigduizend mark geef, dan beduidt dat eenvoudig dat ik ze niet heb."

Men ziet het, ook in het hooge Noorden kan overdrijving heerschen, wanneer de hartstochten der menigte in beweging gebracht zijn. Als dat zoo voortging, dan voorwaar zouden de aanbiedingen voor dat nummer 9672, vóór het trekkingsuur het bedrag van het hoogste lot overschreden hebben.

Maar, al konden die nieuwtjes-uitkramers tot geen overeenkomst geraken omtrent de aanbiedingen, die aan Hulda Hansen gedaan waren, de menigte was het toch volmaakt eens in hare meening omtrent den woekeraar van Drammen.

»Wat een vervloekte fielt! die Sandgoïst!"

»Juist gezegd: een fielt! een schoft!"

»Geen medelijden met die brave bergbewoners te hebben! Het is schandelijk, niet waar?"

»O, die kerel is in het geheele Telemarksche bekend als de bonte hond!"

»Het is zijn eerste schelmstuk niet, weest daarvan verzekerd!"

»Hij heeft nog vele andere zonden op zijn kerfstok."

[Illustratie: Eensklaps verbleekte zijn gelaat; zijn blik verduisterde. Blz. 196.]

»Dat wil ik wel gelooven."

»Intusschen vertelt men...."

»Wat? Zeg op."

»Dat hem, sedert hij het loterijbriefje van Ole Kamp in zijn bezit heeft, geen enkel bod gedaan is."

»Hij heeft er toch een flinken prijs voor betaald, niet waar?"

»Ja, vijftien duizend mark."

»En?...."

»En, nu wil er niemand meer aan."

»Dat verwondert mij niets."

»Mij wel. Is de waarde van dat loterijbriefje inmiddels veranderd?"

»Heeft het minder kans?"

»Luistert!"

»Wij luisteren."

»Dat loterijbriefje was goed...."

»_Was_ goed!.... Waarom niet _is_ goed?"

»Het was goed, toen het in handen van Hulda Hansen was!"

»Ja.... zoo beschouwd...."

»En thans in handen van dien Sandgoïst, is het niets meer waard!"

»Het is minder waard dan ieder ander nummer."

»Hij heeft het met zijn vuile handen bezoedeld!"

»Hij heeft de kans doen keeren!"

»Hij heeft het geluk verjaagd!"

»Dat is best!"

»Ik mag lijden, dat hij met zijn schandelijk verworven loterijbriefje blijft zitten!"

»En dat hij de vijftien duizend mark moge kwijt zijn, die hij er voor betaald heeft!"

»Maar...."

»Maar wat?"

»Als die fielt in weerwil van uwe voorspellingen eens het groote lot won?"

»O,.... niet mogelijk!"

»Dat zou eene onbillijkheid van het lot zijn."

»In ieder geval raad ik hem niet bij de trekking tegenwoordig te zijn."

»Waarom niet?"

»Hij kon er wel eens slecht afkomen."

»Zoudt gij dat denken?"

»Ja, want de menigte is zeer verstoord op hem. Zij zou hem wel eens wat hard kunnen aanpakken."

Zoo waren de praatjes, die onder het volk de ronde deden. Neen, de openbare meening was Sandgoïst niet gunstig. Maar de lezer weet het reeds. Er bestond geen gevaar, dat die woekeraar mishandeld zoude worden. Uit voorzichtigheid, of door eene andere beweegreden gedreven, had hij besloten de trekking niet bij te wonen. Hij had zelfs, zooals wij gezien hebben, daags te voren Drammen niet verlaten en was ook blijkbaar niet voornemens dat te doen, daar hij toen dood bedaard op de stoep zijner woning zijne pijp stond te rooken.

Hulda was door al die gesprekken zeer bewogen. Joël, die haren arm, op den zijnen geleund, voelde sidderen, trachtte zooveel mogelijk ruimbaan te maken. Hij wenschte niets meer van die zaak te vernemen. Hij vreesde daarenboven door den een of ander herkend te worden. Dan zouden zij door al die onbekende vrienden, die zij onder de menigte bezaten, toegejuicht zijn geworden.

Zij maakten dus voort en dwaalden verder de stad in, die hen zonder einde scheen.

Heimelijk hoopten zij professor Sylvius Hog op hunne wandeling te ontmoeten.

Dit gebeurde evenwel niet. Wel drong nu en dan een volzin tot hen door, die aanduidde, dat zijne terugkomst te Christiania voor het publiek niet verborgen was gebleven. Men had hem reeds in den vroegen morgen haastig, en alsof hij het buitengewoon druk had, zien voortstappen. Eenige bekenden hadden hem aangesproken, maar hij had geen tijd gehad om hen te woord te staan.

Nu eens was hij in de nabijheid der haven, dan weer in de nabijheid van het Departement van Marine gezien.

Joël had wel aan den eersten den besten voorbijganger kunnen vragen, waar professor Sylvius Hog woonde. Iedereen zou zich beijverd hebben hem terecht te wijzen, ja zelfs hem naar diens woning te begeleiden. Maar hij vroeg dat niet. Hij vreesde onbescheiden jegens dien goeden vriend te zijn. Daarenboven had men afgesproken om in het _Noorder Hotel_ te zamen te komen, daaraan wenschte hij zich te houden. En dat zou zeker het beste zijn, wat hem te doen stond.

Omstreeks half elf begon Hulda zich zeer vermoeid te gevoelen en verzocht haren broeder dan ook, haar naar het hotel terug te brengen. Het arme meisje was eigenlijk meer uitgeput door de aandoeningen, opgewekt door al die gesprekken, die zij willens of onwillens had moeten aanhooren, dan door de lichamelijke vermoeidheid, veroorzaakt door die kleine wandeling.

Als flinke bergbewoonster had zij wel andere vermoeienissen getrotseerd!

Zij keerden dus naar het _Noorder Hotel_ terug.

Daar gekomen, ging Hulda naar hare kamer, om gelaat en handen te verfrisschen en de komst van professor Sylvius Hog af te wachten.

Wat Joël Hansen betrof, hij begaf zich naar de leeskamer van het hotel, die in het benedengedeelte, gelijkvloers, gelegen was. Daar trachtte hij den tijd te verdrijven, door werktuiglijk de dagbladen van Christiania te doorloopen.

Eensklaps verbleekte zijn gelaat; zijn blik verduisterde, en het blad, dat hij in de hand hield, ontviel aan zijn bevende vingeren....

In een nummer van het _Morgenblad_ had hij onder de _zeetijdingen_ het navolgende telegrafische bericht gelezen, dat van New-Found-Land overgeseind was:

»Het adviesvaartuig, de _Telegraaf_, op de vermoedelijke plaats van de schipbreuk der _Viken_ gekomen, heeft geen enkel spoor ontdekt. Hare nasporingen op de Groenlandsche kust zijn ook zonder gevolg gebleven.

»Men kan thans als zeker aannemen, dat de _Viken_ met man en muis vergaan is, en dat niemand der bemanning den dood is ontkomen."

XVIII.

SYLVIUS HOG IN DE WEER.

»Goedenmorgen! mijnheer Benett!"

»Goedenmorgen, professor!"

»Het is mij steeds een waar genoegen, u de hand te kunnen drukken, mijnheer Benett!"

»En het is mij steeds eene eer; wees daarvan overtuigd, mijnheer Hog!"

»Eer, genoegen; genoegen, eer!" antwoordde de professor opgeruimd. »Dat is volgens mij volkomen hetzelfde."

»Ik zie dat uwe reis door Midden-Noorwegen gelukkig afgeloopen is."

»Het mocht wat!" antwoordde de professor.

»Wat bedoelt gij?"

»Mijne reis is niet afgeloopen."

»Gij gaat haar dus vervolgen?"

»Neen, althans dit jaar niet."

»O, ja, zij is slechts afgebroken. Daaraan dacht ik niet."

»Juist, ziet ge.... Die zaak van dat loterijbriefje...."

»Dat was mij door het hoofd gegaan, mijnheer Hog."

»Maar mij niet, mijnheer Benett," antwoordde Sylvius Hog met een opgeruimden glimlach.

»En hoe maken het die brave lieden te Dal, met wie gij kennis hebt aangeknoopt?"

»Zeer goed, mijnheer Benett, ik dank u voor uwe belangstelling. Inderdaad, het zijn brave lieden in den volsten zin des woords!"

»Volgens de mededeelingen in de dagbladen zijn zij evenwel zeer te beklagen."

»Waarlijk, zeer te beklagen."

»Dat is te bejammeren, mijnheer Hog."

»Zelden heb ik het noodlot zoo hardnekkig arme lieden zien vervolgen!"

»Inderdaad, mijnheer Hog. Eerst die schipbreuk van de _Viken_!"

»Juist, mijnheer Benett."

»En toen die afschuwelijke afzetterij van dien Sandgoïst, van dien woekeraar!"

»Inderdaad!"

»En toch, volgens mijne meening, mijnheer Hog, heeft Hulda Hansen goedgedaan door dat loterijbriefje tegen het schuldbewijs harer moeder in te wisselen."

»Vindt gij?"

»Ja, zeker!"

»En, waarom dat, mijnheer Benett?"

»Wel, mij dunkt, dat vijftien duizend mark wel opwegen tegen de kleine kans iets te zullen trekken," antwoordde de heer Benett lachende.

»Wat zal ik u daarop antwoorden, mijnheer Benett," hernam Sylvius Hog. »Gij redeneert als een bij uitstek practisch mensch, als een degelijk handelaar! Beschouwt men de zaak evenwel uit een ander oogpunt, dan verandert zij geheel en al van aanzien. Dan wordt zij eene gevoelszaak, en.... dat zult gij mij gewonnen geven: het gevoel laat zich niet door cijfers beheerschen."

»Dat is juist, mijnheer Hog; maar veroorloof mij als mijne meening te verkondigen, dat uwe beschermelinge zonder dien Sandgoïst haar gevoel duur te staan gekomen zou zijn."

»Welke zekerheid hebt gij daaromtrent?"

»Maar bedenk dan toch, mijnheer Hog...."

»Wat moet ik bedenken?"

»Welke waarde vertegenwoordigt dat loterijbriefje?"

»Ik moet erkennen weinig."

»Een enkele gelukkige kans tegenover negenhonderd negen en negentig duizend negenhonderd negen en negentig andere."

»Inderdaad, op een millioen slechts één gunstige kans!"

»Dat is weinig, mijnheer Hog, zeer weinig...."

»Gij hebt gelijk, het is zeer weinig!"

»De reactie is dan ook reeds ingetreden. Na de opgewondenheid der eerste dagen is de geestdrift werkelijk bekoeld. En die Sandgoïst, die dat briefje slechts afgedwongen heeft, om er de aandacht op gevestigd te houden."

»Dat is zoo, mijnheer Benett!"

»Maar, als die woekeraar nu eens het groote lot won! Alles is mogelijk, niet waar? Dat zou een schandaal zijn."

»Inderdaad, een schandaal, mijnheer Benett. Het woord is niet te sterk. Een waar schandaal!"

»Men ziet zoo iets wel meer gebeuren."

»Och, kom!"

»Daar hebt gij bij voorbeeld...."

Terwijl die heeren zoo spraken, en de heer Benett voorbeelden aanhaalde om aan te duiden dat het den ongerechten in dit ondermaansche veelal zeer naar den vleesche gaat, wandelden zij in de magazijnen van dien heer rond, die den fraaisten bazaar van de geheele hoofdstad, ja van het geheele koninkrijk Noorwegen vormden.

Wat trof men al niet in dien bazaar aan?

Reiswagens, karretjes bij dozijnen, kisten met verduurzaamde levensmiddelen, manden met wijn, kruidenierswaren, gemaakte kleederen en andere benoodigdheden voor de toeristen en ook voor de berggidsen, die hen zouden geleiden. De gidsen zelfs werden geleverd, onverschillig werwaarts de reis zou voeren, naar de uiterste gehuchten van Finmarken, naar Lapland of naar de Noordpool.

Maar, dat was niet alles.

De beoefenaars van natuurlijke historie vonden bij den heer Benett verschillende specimens van steensoorten, metalen, ertsen enz., die de bodem van Noorwegen bevat. Ook de verschillende vogel- en insectensoorten, het kruipend gedierte en de verdere fauna van het rijk, werden daar, natuurlijk in opgezette specimens, aangetroffen.--En wat vooral niet vergeten mag worden, is dat nergens in het geheele rijk zulk eene uitstalling van juweelen en snuisterijen, door de Noorweegsche nijverheid vervaardigd, te vinden was als daar in die glazen kasten.

Die heer is dan ook eene ware voorzienigheid voor de toeristen, die verlangend zijn die fraaie en schilderachtige Scandinavische streken te bezoeken.

Volgens ieders oordeel was mijnheer Benett zulk een onmisbaar man, dat Christiania zonder hem niet zoude kunnen bestaan.

»Maar, mijnheer Hog, als ik u vragen mag," vervolgde de geachte handelaar, »hebt gij het rijtuig behoorlijk aangetroffen, waar ook weer?...."

»Te Tinoset, mijnheer Benett."

»Juist, te Tinoset, waar gij mij verzocht hadt, het te zenden."

»Maar, mijnheer Benett, welke vraag! Toen ik u dat rijtuig bestelde, was ik verzekerd, dat het op het bepaalde uur te Tinoset zoude aanwezig zijn."

»Gij vleit mij, mijnheer Hog."

»Volstrekt niet, mijnheer Benett."

»Maar...."

»Maar, wat?"

»Gij schreeft mij, dat gij met u drieën zoudt komen."

»Zeker, met ons drieën!"

»En die andere twee...."

»Zijn gisteravond in volmaakten welstand aangekomen."

»Zoo, zoo!"

»Ik heb ze in het _Noorder Hotel_ onder dak gebracht."

»Dat is wel het beste hotel van Christiania, mijnheer Hog."

»Dat geloof ik ook, mijnheer Benett. Welnu, zij wachten mij thans daar, waar ik hen straks ga opzoeken. Zij zijn vreemd in de hoofdplaats."

»Vreemd in de hoofdplaats, mijnheer Hog."

»Ja, mijnheer Benett."

»Zijn het dan.... de jongelieden van Dal?"

»Goed geraden, mijnheer Benett! Zij zijn het.... maar, mondje dicht, als je blieft. Ik verlang, dat hunne tegenwoordigheid nog niet bekend worde!"

»Arm meisje!"

»Ja, zeker, arm meisje!"

»Zij zal wel veel geleden hebben."

»Dat heeft zij, mijnheer Benett."

»En is het nu op uw verlangen, dat zij de trekking der loterij komt bijwonen?"

»Waarom die vraag?"

»Omdat zij niet meer in het bezit van het loterijbriefje is, dat haar verloofde haar vermaakt heeft?"

»Ik heb dat verlangen niet te kennen gegeven, maar Ole Kamp, mijnheer Benett, en aan u, evenals aan alle anderen, die mij daarnaar vroegen, antwoord ik: Men moet den laatsten wil van stervenden steeds uitvoeren."

»Goed gezegd, professor."

»Is dat uwe meening?"

»Ja, en alles wat gij doet, is steeds welgedaan, mijnheer Hog."

»Gaat ge mij nu complimenten maken, mijnheer Benett?"

»Volstrekt geen complimenten, mijnheer Hog; in weerwil van uwe bescheidenheid moet erkend worden, dat het zeer gelukkig voor de familie Hansen is, dat zij u op haar pad ontmoet heeft!...."

»Ba! Meent ge?....Ik ben van oordeel, dat het voor mij nog gelukkiger geweest is, dat ik hen op mijn levenspad ontmoet heb. Dat is de rollen omkeeren."

»Ik bemerk, dat uw hart nog niets veranderd is, mijnheer Hog."

»Vindt ge?"

»Zeker."

»Daar men toch een hart moet hebben, is het maar 't best, als het op de rechte plaats is, niet waar?"

Hoe innemend was de glimlach, waarvan Sylvius Hog dat antwoord aan den handelaar vergezeld deed gaan!

»En nu, mijnheer Benett," hernam hij, »geloof niet, dat ik hier gekomen ben om loftuitingen aan te hooren."

»Daar ben ik overtuigd van."

»Neen, mijne komst heeft een geheel ander doel, mijnheer Benett."

»Ik ben tot uwen dienst."