Het loterijbriefje

Chapter 16

Chapter 163,641 wordsPublic domain

Het vaartuig lag, zooals wij weten, gereed. Alle drie namen daarin plaats en gingen op de groene bladeren zitten, die bij den achtersteven opgehoopt waren. De beide varenslieden grepen de riemen en staken van wal, terwijl Joël de stuurpen ter hand genomen had.

Naarmate men zich van den oever verwijdert, schijnt het Tinnermeer zich af te ronden naar den kant van Haekenoës, een kleine gaard uit drie of vier huizen bestaande, die op dit rotsachtige voorgebergte gebouwd zijn, dat door den smallen fjord bespoeld wordt, waarin de Maan-rivier uitwatert.

Bij den aanvang der reis was het meer nog door hooge en steil opwaarts rijzende oevers dicht omgeven, maar naarmate het ranke vaartuig onder de krachtig gehanteerde roeiriemen voortvloog, weken de bergen achterwaarts, welker hoogte men eerst kon beoordeelen, als de kleine schuit, aan een watervogel gelijk, langs hunnen voet voorbijgleed.

Hier en daar verhieven zich boven de watervlakte eenige eilanden of eilandjes, nu eens steenachtig en dor, dan weer met het levendigst groen prijkend. Nu en dan ontwaarde men op die eilanden hutten van visschers en van houthakkers.

Op de oppervlakte van het meer dreven boomstammen, die niet bekapt, en nog niet van schors of spint ontdaan waren; verder stukken van balken en houtdeelen, die van de naburige houtzaagmolens--een hoofdindustrie van Noorwegen--afkomstig waren.

[Illustratie: Het meer spreidde zich in dit ochtenduur in al zijne heerlijkheid voor onze reizigers uit. Blz. 173.]

Sylvius Hog scheen in eene stemming te zijn tot gekscheren; die boomstammen en balken gaven hem de snakerij in den mond:

»Als het waar is, wat onze Scandinavische dichters beweren," zei hij met een glimlach, »dat de meren de oogen van Noorwegen zijn; dan moet toch erkend worden, dat Noorwegen meer dan één balk in de oogen heeft, en de Bijbelsche gelijkenis schijnt wel voor ons land vervaardigd te zijn."

Het was ongeveer drie uur toen het lichte vaartuig van boomschors te Tinoset aankwam.

Tinoset is slechts een eenvoudig gehucht, waar niet veel comfort te vinden is. Dat kon Sylvius Hog evenwel niets schelen, daar het niet in zijn plan lag, om daar, al was het ook maar een uur, te vertoeven.

Zooals Sylvius Hog aan Joël gezegd had, stond een rijtuig op den oever te wachten.

Daar hij sedert geruimen tijd tot die reis besloten was, had hij bijtijds zijne voorzorgsmaatregelen getroffen.

Hij had den heer Benett te Christiania verzocht, om hem de middelen te verschaffen, zijne reis zonder vermoeienis en vertraging te kunnen voortzetten. Deze was niet in gebreke gebleven, om aan dat verzoek te voldoen.

Daarom stond dan ook op den bepaalden dag te Tinoset eene oude gemakkelijke kales klaar, welker bergplaatsen behoorlijk van etenswaren voorzien waren.

De slotsom was dus, dat niet alleen het vervoer over den geheelen afstand tot Christiania behoorlijk verzekerd, maar dat ook in de mondbehoeften voorzien was, wat de reizigers van de noodzakelijkheid onthief hunne toevlucht te moeten nemen tot de half bebroede eieren, de zure melk en de Spartaansche ratjetoe van de bevolking der Telemarksche gewesten.

Tinoset is aan het zuidelijk uiteinde van het Tinnermeer gelegen.

Niet ver van dat plaatsje stort zich de Maan-rivier met een prachtigen waterval in het benedendal, waar de bruisende en schuimende bergstroom eindelijk tot kalmte komt en rustig tusschen de regelmatige oevers voortstroomt.

De paarden, van de naaste wisselplaats aangebracht, waren reeds aangespannen, en weldra had het oude, gemakkelijke rijtuig de richting naar Bambel ingeslagen.

In dat tijdvak was dit de eenige manier om door Noorwegen, in het algemeen, en door de Telemarksche streken in het bijzonder te reizen. Die wijze van vervoer was niet van bekoorlijkheden ontbloot, en wij zijn zeker niet ver van de waarheid, als wij beweren, dat de echte toeristen, in de waggons van den pas aangelegden spoorweg gezeten, van harte het verdwijnen der nationale karretjes, en der gemakkelijkste kalessen, als die van den heer Benett, betreuren!

Het zal wel niet behoeven vermeld te worden dat Joël Hansen dit gedeelte van het baljuwschap, dat hij zoo dikwijls tusschen Dal en Bambel doorgetrokken was, door en door kende.

Het was ongeveer acht uur des avonds, toen Sylvius Hog met zijne reisgenooten in dat kleine gehucht aankwam.

Men verwachtte hen daar niet; maar toch bleef pachter Helmboë niet in gebreke hen hartelijk te ontvangen. De lieve Siegfrid omhelsde hare vriendin innig en vond dat de arme Hulda er zeer bleek uitzag. Nu, dat was na zooveel doorgestaan leed niet te verwonderen.

De beide jonge meisjes zonderden zich een oogenblik af om hun leed in elkanders boezem te ontlasten.

»Laat je toch niet door het verdriet ternederslaan, beste Hulda," zei Siegfrid.

»O, kon ik nog maar eenige hoop koesteren," snikte Hulda aan de borst van hare vriendin.

»Ik heb de hoop geenszins verloren," hernam deze troostrijk en opbeurend.

»Kon ik dat ook maar zeggen!" was de wanhoopskreet van de arme Hulda.

»Waarom den moed verliezen? Is het niet mogelijk, dat gij den armen Ole Kamp wederziet? Wij hebben uit de dagbladen vernomen, dat men moeite doet om de _Viken_ op te sporen. O, wees verzekerd, die pogingen zullen met welslagen bekroond worden...."

»Denkt ge?" riep Hulda in tranen badende uit.

»Zeker denk ik het, en dat denkt mijnheer Sylvius ook," vervolgde Siegfrid. »Zie, ik ben overtuigd, dat die nog hoopt.... Hulda.... beste Hulda!... ik smeek je.... wanhoop niet!"

Wat had Hulda bij die troostredenen anders kunnen doen dan weenen; terwijl Siegfrid haar aan het hart drukte.

O, welke vreugde zou in de woning van den pachter Helmboë, bij die brave, eenvoudige en goede lieden geheerscht hebben, als er in hun kleine wereld reden tot vreugde bestaan had!

»Dus gij gaat rechtstreeks naar....? mijnheer Sylvius," vroeg pachter Helmboë.

»Naar Christiania, mijn goede man," antwoordde de professor.

»Waarom?"

»Hoe kunt gij dat nog vragen, zeg?"

»Om bij de trekking van de loterij tegenwoordig te zijn?"

»Zeker."

»Maar, vergeef mij, waartoe moet dat toch in godsnaam dienen?"

»Waartoe dat dienen moet?.... Begrijpt gij dat niet?"

»Neen, zeker niet, daar het loterijbriefje van Ole Kamp zich thans in handen van dien ellendeling, dien Sandgoïst bevindt. Het gaan naar Christiania is dus overbodig."

»Het was de wil van Ole Kamp!" antwoordde Sylvius Hog, »en diens wil moet geëerbiedigd worden."

»Daar is wel iets van aan."

»Niet iets, maar dat behoort de geheele beweegreden te zijn, pachter Helmboë."

»Misschien hebt gij gelijk, mijnheer Sylvius," antwoordde de pachter.

En van gesprek veranderende, vervolgde hij:

»Men vertelt, dat die woekeraar van Drammen geen kooper gevonden heeft voor dat loterijbriefje, dat hij toch zoo duur betaald heeft."

»Ja, dat vertelt men, mijnheer Helmboë."

»Mooi zoo!"

»Wat bedoelt gij met dat mooi zoo?" vroeg de professor.

»Wel, dat die afschuwelijke kerel niets anders gekregen heeft dan zijn verdiende loon.... Die schurk!.... Ja, die schurk! mijnheer Hog.... mij dunkt dat hij heeft wat hem toekomt."

»Ja, dat is waar, mijnheer Helmboë!"

Men moest natuurlijk op de pachthoeve het avondeten gebruiken. Daar was niets aan te doen.

Noch Siegfrid, noch haar vader zouden hunne vrienden hebben laten vertrekken, zonder dat zij die uitnoodiging aangenomen hadden. Maar men mocht niet te lang blijven; wilde men gedurende den nacht de uur inhalen, die de omweg naar Bambel had doen verloren gaan.

De paarden werden dan ook van de nabijzijnde wisselplaats tegen negen uur voorgebracht en door een der arbeiders van de gaard voor de kales gespannen.

»Bij mijn volgend bezoek, waarde heer Helmboë," zei Sylvius Hog tot den pachter, »zal ik zes uren aan tafel blijven, als gij zulks mocht verlangen, dat beloof ik u."

»Goed zoo," antwoordde de pachter. »Maar tusschen zes uren en den korten tijd, dien gij thans bij ons doorbrengt, is een zeer groot verschil, mijnheer Sylvius. Dat ziet ge toch in!"

»Zeker. Maar heden ben ik genoodzaakt u de vergunning te vragen, het nagerecht te vervangen door een vriendschappelijken handdruk, aan mij en Joël, en door een hartelijken kus van Siegfrid aan mijne kleine Hulda."

»Gij wilt dus niet langer bij ons vertoeven, mijnheer Sylvius?" vroeg de pachter.

»Wij willen wel, maar kunnen onmogelijk!" antwoordde de professor, die zich geweld moest aandoen, om zich uit dien hartelijken kring los te rukken. »Wij kunnen onmogelijk, mijnheer Helmboë!"

Men drukte elkander de hand, men kuste elkaar, zooals Sylvius Hog verzocht had, en toen was het oogenblik van vertrek daar. Of Joël zijn deel van de liefkoozingen van Siegfrid kreeg, zouden wij niet met zekerheid kunnen zeggen. Dát kunnen wij betuigen, dat Hulda door de pachtersdochter met kussen overladen werd.

Op de breedte, waarop Noorwegen gelegen is, zou de avondschemering nog verscheidene uren duren. De gezichteinder bleef dan ook nog geruimen tijd zichtbaar, na den ondergang der zon.

De weg, die van Bambel over Hitterdal naar Konsberg voert, is zeer fraai en loopt door bergachtig terrein. Nu eens gaat hij steil omhoog, om later weer des te dieper te dalen; dan weer slingert hij zich om de toppen, of voert dwars over de nokken. Voor een deel volgt hij den oever van het Folmeer en voert zoo door het zuidelijk gedeelte van de Telemarksche bergstreken. Destijds vormde hij de eenige verbinding tusschen de dorpen, gehuchten, vlekken en gaards van dat woeste bergland. Het was een verrukkelijke rit voor onze drie reizigers, en het was wezenlijk jammer, dat zij zich niet in eene vroolijker stemming bevonden, om er des te beter de bekoorlijkheid van te genieten.

Een uur na hun vertrek van Bambel kregen de reizigers het klokketorentje van Hitterdal in het gezicht. Zij zouden in dat gehucht evenwel niet stilhouden. Toch waren zij in staat de kerk te bewonderen. Het is een zeer oud en tevens zeer zonderling gebouw, met eenige rijen tinnen boven elkaar, zonder dat op de regelmatigheid der lijnen acht geslagen is. Het geheele gebouw is in hout opgetrokken, van de muren af, die van op elkander gestapelde balken en gezwaluwstaarte planken vervaardigd zijn, tot de uiterste punt van het hoogste ronde torentje van dit gevaarte. Het geheel geleek veel op eene opeenhooping van peperbussen, en was, naar het schijnt, een eerwaardig monument uit de dertiende eeuw, dat door de kenners van Scandinavische bouwkunde zeer geroemd werd.

Toen spreidde de nacht langzaam haar sluier over het aardrijk uit.

Het was evenwel een van die nachten, die als doortrokken blijven van het laatste licht der avondschemering, dat zich tegen één uur na middernacht vermengen gaat met het eerste schijnsel van den rijzenden dageraad.

Joël, op de voorbank van de oude kales gezeten, was in overpeinzingen verzonken. Ook Hulda zat stilzwijgend in een der hoeken van het rijtuig gedoken. De professor wisselde eenige woorden met den koetsier, om hem aan te sporen zijne paarden aan te zetten.

Daarna vernam men niets anders meer dan het geklingel der bellen van de paarden, het geklap der zweep van den postiljon, en het geknars der wielen op het grint van den soms zeer hobbeligen weg.

Men reed den geheelen nacht door zonder van paarden te verwisselen.

Het was gelukkig onnoodig te Listhüs op te houden. Dat was een zeer onaanzienlijk vlek, dat te midden van een kring van bergen, dicht met dennen begroeid, verscholen lag. Die bergkring werd weer door een anderen omgeven, die slechts uit naakte rotswanden bestond.

Men reed ook Tiness voorbij, eene kleine, schilderachtig gelegen gaard, waar eenige huisjes op steenen pilaren gebouwd zijn.

De kales rolde met snelheid voort en liet daarbij een piepend geluid van slecht gesmeerde raderen en strak gespannen veeren hooren. De koetsier mende zijne paarden goed. Er was geene aanmerking te maken. Het was een goedhartige, bejaarde kerel, die op den bok half ingedut was, zonder evenwel te verzuimen de paarden te laten voelen, dat hij de teugels steeds in handen had.

Van tijd tot tijd gaf hij werktuiglijk een tikje met de zweep, en altijd gold dit het vandehandsche paard, daar dit zijn buurman toebehoorde, terwijl het andere zijn eigendom was. In Noorwegen geldt evenals overal de spreuk: het hemd zit nader dan de rok.

Sylvius Hog opende tegen vijf uur in den ochtend de oogen, rekte zich eens uit en snoof met een zekeren wellust de heerlijke geuren op, die allerwege door de nabijzijnde dennenbosschen verspreid werden.

Men kwam weldra te Konsberg aan.

Het rijtuig reed de brug over, die de Laagen overspande, en hield, na de kerk voorbijgereden te zijn, op den anderen oever stil, niet ver van den waterval van Larbrö.

»Vrienden," zei professor Sylvius Hog, »volgens mijne meening, zullen wij hier alleen verspannen. Dunkt u niet?"

»Zooals gij goedvindt, mijnheer Sylvius," antwoordde Joël Hansen.

Hulda knikte toestemmend.

»Het is nog te vroeg, om te ontbijten," ging Sylvius voort.

»Vooruit dan maar!" zei Joël.

»Wij zullen evenwel te Drammen langer pleisteren," vervolgde de professor. »Daar zullen wij een stevig maal gebruiken, ten einde spaarzaam met den mondvoorraad van den heer Benett te kunnen omgaan."

Volgens die afspraak vergenoegden de professor en Joël Hansen zich met het verorberen van een glaasje brandewijn in het Mynhotel te Konsberg. Toen de verspanning een kwartier later geschied was, verliet men dat plaatsje in vollen draf.

Al dadelijk bij het verlaten van de stad moesten de paarden het zware rijtuig tegen een steilen weg, die in den rotsachtigen bergwand uitgehouwen was, optrekken. Een oogenblik konden de reizigers de gebouwen der zilvermijnen van Konsberg, donker tegen den helderen achtergrond ontwaren. Daarna werd de gezichteinder door uitgebreide dennenbosschen beperkt, die zooveel schaduw gaven, dat het schier duister op den weg was, terwijl de dampkring daarbij heerlijk frisch was. Geen wonder, geen enkele zonnestraal vermocht dat dichte naaldloofdak te doordringen.

In de houten stad Hangsund kreeg de kales een nieuw span paarden, en daarna werd de reis weer voortgezet.

Men trof nu op de wegen tolafsluitingen aan, waarvan de boom niet dan tegen betaling van vijf of zes shillings geopend werd.

De landstreek, die men doorreed, was zeer welvarend. Vruchtboomen, die veel op treurwilgen geleken, zoozeer waren hunne takken door de vruchten gebogen, kwamen overvloedig voor. Bij de nadering van Drammen evenwel, werd het dal weer bergachtig.

Het was ongeveer middag, toen men de stad Drammen, met haar twee lange straten en haar bont geverfde huizen in het gezicht kreeg. Zij ligt aan den Dramsfjord, een der westelijke neven-inhammen van den fjord van Christiania en bezit eene druk bezochte haven, waar de houtvlotten slechts weinig ruimte overlaten voor de koopvaardijschepen, die daar de producten der Noorsche nijverheid komen innemen.

Bij Drammen stort zich de korte maar waterrijke Drams-Elf in den Drams-fjord.

De stad is door twee rivierarmen, die evenwel overbrugd zijn, in drie deelen gescheiden, welke Bragernäs, Stromsö en Tangen heeten. Zij telt ruim 20.000 inwoners en is de hoofplaats van het Noorweegsch ambt of baljuwschap Böskerüd. Men vindt er bierbrouwerijen, tabaksfabrieken, leerlooierijen enz. Wat haar houthandel betreft, kan zij als de voornaamste haven van Noorwegen beschouwd worden. Vooral drijft zij een levendigen handel met Nederland. Hare eigene vloot telde op het einde van het jaar 1880 niet minder dan 315 schepen.

Het rijtuig hield voor het _Hotel van Scandinavië_ stil. De eigenaar van die inrichting, een gewichtig persoon met sneeuwwitten baard en deftig uiterlijk, verscheen op den drempel der deur.

Met die slimheid, die de hotelhouders van de heele wereld kenmerkt, zei hij:

»De heeren en de jonge dame wenschen zeker te ontbijten."

»Juist geraden," antwoordde de professor. »Bezorg ons dus maar dadelijk iets te eten."

»Gij zult onmiddellijk bediend worden."

»Dat hopen wij."

De man hield woord. Het ontbijt stond weldra op tafel en verdiende allen lof. Onder andere werd een visch, afkomstig uit den fjord, voorgediend, die heerlijk met bergkruiden toebereid was, en waarvan professor Sylvius Hog dan ook met veel smaak at.

Men kuierde de stad eens rond en bewonderde den diep ingesneden fjord en de bruggen, die over de beide armen der Drams-Elf voerden.

Tegen twee uur stond het rijtuig, met versche paarden bespannen, voor het _Hotel van Scandinavië_ gereed.

Men vertrok en moest daarbij geheel Drammen in de breedte doorrijden.

Terwijl men voorbij een huis kwam, laag van verdieping en van een weinig aanlokkelijk voorkomen, dat zeer afstak bij de naburige, vroolijke woningen, die volgens 's lands gebruik met levendige kleuren geverfd waren, riep Joël Hansen op eens, met een uitdrukking van afschuw op het gelaat:

»Sandgoïst!"

»Waar?" vroeg professor Sylvius Hog.

»Daar!... daar, mijnheer Sylvius!" zei Joël, terwijl hij den schurk met den vinger aanwees.

»Zoo, zoo!" zei de professor. »Is dat die mijnheer Sandgoïst?"

»Ja, mijnheer Sylvius."

»Drommels, die kerel heeft volstrekt geen aantrekkelijk gezicht. Wat denkt mijne kleine Hulda er van?"

Het jonge meisje antwoordde niet, maar draaide den kerel met eene beweging van afschuw den rug toe.

Ja, het was Sandgoïst, die daar op zijn stoep een lange Goudsche pijp stond te rooken.

Herkende hij Joël Hansen, die, voor ieder zichtbaar, op de voorbank van het rijtuig zat? Wie zal het kunnen zeggen? Waarschijnlijk niet; want het rijtuig reed met snelheid tusschen opgestapelde balken en planken door.

Buiten de stad gekomen, volgde men een weg, ter weerszijden met sorbeboomen beplant, die met hunne koraalvormige vruchten een liefelijk gezicht opleverden.

Vervolgens sloeg de kales een weg in, die door een dicht woud van pijnboomen voerde. Dat bosch strekte zich uit langs het »Paradijsdal," een prachtig, golvend terrein, dat zich tot aan den verren gezichteinder trapsgewijze verhief.

Een menigte heuvels vertoonden zich aan het oog, prijkende met een villa of een gaard.

[Illustratie: Volgens de bevelen van professor Sylvius Hog hield zij voor het _Noorder Hotel_ stil. Blz. 186.]

Toen de avond begon te vallen, rolde het rijtuig de vlakte in, die de nabijheid der zee aanduidde, waarbij zij langs uitgestrekte weilanden en groote pachthoeven, met hunne rood geverfde huizen reden, die scherp tegen het donkergroen der boomen afstaken.

Eindelijk bereikten onze reizigers den fjord zelf, waaraan Christiania, de hoofdplaats des rijks gelegen is.

Die fjord is door schilderachtige heuvels omgeven, waarin eene menigte kreken en kleine havens door de natuur gevormd zijn, terwijl tot ver in de golf de houten piers uitsteken, waaraan de vaartuigen van de baai en de kleine stoombootjes komen aanleggen.

Het was ongeveer elf uur des avonds, en de laatste lichtstralen van de avondschemering waren reeds aan den horizon verdwenen, toen de ouderwetsche kales, niet zonder veel geraas de stad binnen en de reeds eenzame staten zoo vlug mogelijk doorreed.

Volgens de bevelen van professor Sylvius Hog hield zij voor het _Noorder Hotel_ stil.

Daar stapten Hulda en Joël Hansen af. Er waren kamers voor hen besproken. Toen zij bezit genomen hadden van die vertrekken, zeide professor Sylvius Hog hen goedennacht en reed naar zijn oude woning, waar zijne oude dienstbode Kaatje en zijn nog oudere knecht Fink hem met ongeduld wachtten.

XVII.

CHRISTIANIA.

Christiania,--eene groote stad voor Noorwegen--zou slechts eene kleine plaats in Engeland of Frankrijk zijn.

Als zij niet veelvuldig door brand geteisterd was geworden, zou zij zich thans nog vertoonen, zooals zij gedurende de middeleeuwen gebouwd werd.

In haar tegenwoordige gedaante dagteekent zij eerst van het jaar 1624, op welk tijdstip zij door koning Christiaan IV, een der roemrijkste koningen van Denemarken, waarmede destijds Noorwegen en Zweden vereenigd waren, gesticht werd. Vroeger heette zij Opsölö, maar toen werd zij Christiania genoemd naar haren koninklijken stichter.

Christiania is eene stad, die ongeveer 125.000 inwoners telt, dus in grootte met het Nederlandsche 's Gravenhage gelijkstaat. Zij is zeer regelmatig gebouwd en heeft breede, rechte straten, die evenwel een ietwat stijf voorkomen hebben. Zij is op een hoogte van ruim 40 Meter aan den Christianiafjord opgetrokken, wordt door de Agger-Elf doorsneden, en bestaat uit de wijken: Peperoiken, Hammersborg, Vaterland, Groenland, Leret en Opsölö. Deze laatste is de oudste wijk en heeft dan ook als zoodanig den alouden naam behouden. Daar stond weleer het residentieslot der oude koningen van Noorwegen, dat door koning Harald Hardrade in het jaar 1060 gesticht werd.

In datzelfde Opsölö verheffen zich het paleis der voormalige bisschoppen, een armenhuis, een krankzinnigengesticht en een tuchthuis.

De huizen zijn van wit trachiet of rooden baksteen opgetrokken. In de oude stad komen negen straten in één middelpunt samen; en de breede Karl Johan's Gaade, die naar het fraaie, met een witten voorgevel versierde koninklijk paleis (Kongesbollig) voert, zou geen enkele Europeesche hoofdstad tot oneer verstrekken.

Het koninklijk paleis Oscarslot, een groot, vierkant gebouw, in Jonischen stijl, verrijst te midden van een groot park, dat zeer fraai aangelegd is.

Tot de merkwaardigste gebouwen behooren verder de Beurs, het Vergaderingspaleis en de Storthing (Vertegenwoordiging), het Regeeringsgebouw, de Schouwburg en de Dom.

Op het marktplein bevindt zich eene overdekte hal. Verder heeft men te Christiania: de universiteit Fredericia, welke 600 à 700 studenten telt, die door 30 hoogleeraren onderwezen worden. Daarbij heeft men een museum, een kabinet van natuurlijke historie, eene boekerij en eene sterrenwacht.

Hier en daar worden ook eenige kerken aangetroffen, die voor het uitwendige niets merkwaardigs aanbieden, terwijl hare kunstschatten van zoo weinig beteekenis zijn, dat zij de aandacht der godvruchtigen wel niet afleiden zullen.

Overigens vertoont Christiania niets bijzonders. Wat evenwel zonder voorbehoud moet bewonderd worden, is de ligging der stad te midden van een kring van bergen, die alle een verschillenden aanblik opleveren, en haar als met eene prachtige lijst omgeven. Bijna waterpas in hare nieuwe en rijke wijken, verheft zij zich tot eene soort van Kasbah in het armere gedeelte, dat met onregelmatig gebouwde woningen bedekt is, waarin eene schamele bevolking een nooddruftig bestaan vindt. Deze bewoont wel geen houten huizen meer, daar het bouwen met die grondstof verboden is, maar dan toch woningen van baksteen, waarvan de schrille kleuren het oog pijnlijk aandoen.

Dat woord Kasbah, ontleend aan de bouworde der Afrikaansche steden, moet den lezer niet doen denken, dat het bij de beschrijving eener Europeesche stad in het hooge noorden niet past. Vertoont Christiania in de nabijheid harer haven niet wijken als die van Tunis, van Marocco, van Algiers? En al ontmoet men er geen Tunesiërs, Maroccanen of Algerijnen, toch verschilt de vlottende bevolking niet veel van hen. Christiania is een schilderachtige stad, evenals alle plaatsen, die door de zee bespoeld worden, en zich tegen een achtergrond van groene heuvels verheffen. Men kan haren fjord met de baai van Napels vergelijken.