Chapter 15
Dienzelfden dag zocht de professor een onderhoud met vrouw Hansen, hoewel hij vooruit wist, dat het geen verandering in den staat van zaken zou kunnen brengen. Maar hij oordeelde dit onderhoud noodzakelijk. Hij bespeurde daarbij al ras, dat hij zich tegenover eene zeer practische vrouw bevond, die meer naar de eischen van het gezond verstand dan naar de ingevingen van het hart luisterde.
»Gij keurt dus af, wat ik gedaan heb, mijnheer Hog?" vroeg zij, nadat zij den professor had laten uitspreken.
»Zeker, vrouw Hansen."
»Als gij mij verwijt, dat ik mij op de onvoorzichtigste wijze in gevaarlijke, ja slechte zaken gestoken heb, dat ik daardoor het vermogen mijner kinderen verkwist heb, dan voorzeker hebt gij gelijk; maar...."
Sylvius Hog wilde haar hier in de rede vallen.
»Laat mij voortgaan, mijnheer," sprak zij bedaard.... »maar als gij mocht afkeuren, dat ik gepoogd heb mijn schuldbewijs terug te krijgen op de u bekende wijze, dan hebt gij het niet bij het rechte eind--wat hebt gij daarop te antwoorden?"
»Eerlijk bekend; niets, vrouw Hansen."
»Kon het bod van Sandgoïst ernstig van de hand gewezen worden, die toch, alles goed en wel beschouwd, een prijs van vijftienduizend mark betaald heeft voor den afstand van een loterijbriefje, welks waarde geen enkelen redelijken grond heeft. Ik vraag het u andermaal: moest dat bod geweigerd worden?"
»Ja en neen, vrouw Hansen."
»Het antwoord op mijne vraag kan niet ja _en_ neen zijn. Het moet _of_ ja _of_ neen zijn. En volgens mij moet het bepaald _neen_ luiden. Bij een anderen stand van zaken, als de toekomst zich niet zoo dreigend had laten aanzien,--wat door mijne schuld, helaas! niet het geval was--zou ik de weigering mijner dochter Hulda begrepen hebben!.... Ja.... ik zou begrepen hebben, dat zij het van Ole Kamp ontvangen loterijbriefje, tegen geen prijs, hoe groot ook, van de hand wilde doen...."
»Zeker...."
»Maar, nu wij gevaar liepen om binnen zeer korten tijd uit het huis gezet te worden, waarin mijn echtgenoot, de vader mijner kinderen, gestorven is, uit het huis, waarin die kinderen geboren zijn, neen, nu begreep ik die weigering niet en.... ik ga een stap verder; nu vond ik, dat aarzeling zelfs ongeoorloofd was. En ik ben er verzekerd van, Mijnheer Hog, dat gij niet anders zoudt gehandeld hebben!"
»Zeker, vrouw Hansen, zeker, zou ik anders gehandeld hebben!"
»Maar, wat zoudt gij dan gedaan hebben?"
»Ik zou eerder alles gepoogd, alles ondernomen hebben, dan dat ik dat loterijbriefje, hetwelk mijne dochter onder zoo bijzondere en buitengewone omstandigheden ontvangen had, afgestaan zou hebben."
»Gaven die bijzondere en buitengewone omstandigheden dan een grootere waarde aan dat loterijbriefje?"
»Dat weet gij noch ik. Dat weet niemand te zeggen."
»Nu, dat weet ik wel te zeggen, mijnheer Hog."
»Laat hooren, vrouw Hansen," zei professor Sylvius Hog met een goedaardigen, doch wel ietwat spotachtigen glimlach.
»Dat loterijbriefje mijnheer Hog, vertegenwoordigt slechts een nummer, dat negenhonderd negen en negentig duizend negenhonderd negen en negentig kansen heeft om een niet of een kleine prijs te geven."
»Ja, maar.... Luister dan toch!"
»Zoudt gij dat loterijbriefje nu meer waarde gaan toekennen," ging vrouw Hansen onverstoorbaar voort, »omdat het in eene flesch gevonden werd, die in zee opgevischt is?"
Is het te verwonderen, dat professor Sylvius Hog niet dadelijk met een antwoord klaar was? Hij vond er dan ook niets anders op dan de gevoelszijde van het vraagstuk te behandelen. »De toestand is thans deze," zei hij. »Ole Kamp heeft, toen hij op het punt was om schipbreuk te lijden, het eenige wat hij in deze wereld bezat, aan Hulda vermaakt. Hij heeft haar zelfs aanbevolen, om op den trekkingsdag bij het uitloten met dat briefje tegenwoordig te zijn; als namelijk een gelukkig toeval het haar in handen speelde. En.... thans bevindt zich dat loterijbriefje niet meer in het bezit van Hulda.... Hoe zal zij nu aan dien uitersten wil eens stervenden kunnen voldoen?"
»Wanneer Ole Kamp teruggekeerd was van zijne zeereis," antwoordde vrouw Hansen, »zou hij in de gegeven omstandigheden, niet geaarzeld hebben, om zijn loterijbriefje aan Sandgoïst af te staan."
»Dat is zeer goed mogelijk," hernam Sylvius Hog, »maar hij alleen was rechtens bevoegd die wijziging in zijne wilsbeschikking te maken."
»Tu, tu, tu! Hij is dood!"
»Maar, als hij eens niet dood was? Als hij nu eens niet bij die schipbreuk omgekomen was? De mogelijkheid bestaat toch, niet waar? En, wat zoudt gij ter uwer verdediging kunnen bijbrengen, wanneer Ole Kamp eens terugkwam.... morgen.... vandaag misschien?...."
»Ole Kamp zal niet terugkeeren," antwoordde vrouw Hansen met doffe stem. »Ole Kamp is dood, mijnheer Hog! God zij zijner ziel genadig! Hij is goed en wel dood!"
»Daar weet gij niets van, vrouw Hansen!" riep de professor met een nadruk uit, die eene waarlijk buitengewone overtuiging te kennen gaf.
Vrouw Hansen keek hem met ontzetting aan; maar zij waagde het niet een enkel woord in het midden te brengen.
»Zeer ernstige nasporingen zijn thans begonnen," ging professor Sylvius Hog voort, »om te onderzoeken of de een of ander van die schipbreuk gered is. Die nasporingen kunnen met welslagen bekroond worden...."
De waardin van de herberg te Dal glimlachte ongeloovig.
»Ik zeg u," zei de professor met overtuiging, »dat die nasporingen met welslagen kunnen bekroond worden, en.... dat nog wel vóór den trekkingsdag der loterij! Gij hebt dus het recht niet te verzekeren, dat Ole Kamp dood is, althans zoolang niet het werkelijk of vermoedelijk bewijs geleverd is, dat onze stuurman bij de ramp van de _Viken_ omgekomen is."
»Maar, waarom hebt gij uwe overtuiging niet aan mijne kinderen meegedeeld?" vroeg vrouw Hansen vrij sluw.
»Waarom?.... Wel, omdat ik hen geen hoop wil doen koesteren, die door bittere teleurstelling zoude kunnen gevolgd worden. Uwe kinderen hebben meer dan genoeg geleden! Maar, aan u, vrouw Hansen, deel ik mee wat ik denk. Dat Ole Kamp dood zoude zijn, neen! dat kan ik niet gelooven; dat wil ik niet gelooven!.... Neen! dat geloof ik niet!"
Op dat terrein, waarop de professor de quaestie heel handig verplaatst had, kon hem vrouw Hansen onmogelijk het hoofd bieden. Zij zweeg dan ook wijselijk. Daarenboven was zij als echte Noorweegsche, wel ietwat bijgeloovig, en angstig boog zij het hoofd, alsof Ole Kamp op het punt was vóór haar te verschijnen.
»In ieder geval, vrouw Hansen," hernam Sylvius Hog, »hadt gij, alvorens over het loterijbriefje van Hulda te beschikken, eene zeer eenvoudige zaak moeten doen, die gij nu nagelaten hebt."
»Wat dan, mijnheer Hog?"
»Gij hadt u eerst tot uwe vrienden moeten wenden, tot de vrienden van uwe familie!"
»Wat zou dat gegeven hebben?"
»Zij zouden niet geaarzeld hebben u te hulp te komen, hetzij door bij dien Sandgoïst borg voor de betaling te blijven, hetzij door u de noodige fondsen voor te schieten, om die schuldbekentenis af te lossen."
»Ik bezit geene vrienden, mijnheer Hog," antwoordde vrouw Hansen teneergeslagen, »aan wie ik zoo'n dienst had kunnen of durven vragen."
»Die bezit gij wel!"
»Daar twijfel ik aan!"
»Gij hebt er ten minste een, die niet geaarzeld en het uit dankbaarheid jegens uwe familie met genoegen gedaan zoude hebben."
»Wie is dat, als ik u bidden mag?"
»Wie dat is?"
»Ja, wie is dat. Ik verlang hem te kennen."
»Welnu, ik zal hem u noemen. Dat is professor Sylvius Hog, afgevaardigde bij de Storthing!"
Vrouw Hansen was zeer bewogen en daardoor niet in staat om te antwoorden. Zij kon niets anders doen dan het hoofd diep voor den professor buigen.
»Maar, wat gedaan is, is gedaan," vervolgde Sylvius Hog, »en daaraan valt ongelukkig niets te veranderen. Laten wij ons gesprek dus afbreken. Maar ik zal u zeer verplicht zijn, vrouw Hansen,--gij zult bovendien begrijpen, dat mijn verzoek in het belang uwer kinderen geschiedt,--als gij dit onderhoud, waarop ik niet meer terugkomen wil, voor Hulda en Joël geheim zult houden."
Beiden verlieten elkander.
De professor ging inmiddels zijn gewonen gang en deed dagelijks een flinke wandeling. Uren lang kuierde hij, nu eens met Joël, dan weer met Hulda, een anderen keer met beiden te zamen, in de omstreken van Dal rond. Was evenwel het jonge meisje van de partij, dan strekte men die wandelingen niet te ver uit, om haar niet te vermoeien.
In de herberg teruggekomen, hield hij zich dadelijk met zijn briefwisseling bezig. Hij schreef brief op brief naar Bergen en Christiania. Hij spoorde den ijver aan van allen, die medewerkten bij de nasporingen naar de _Viken_. Zijn geheele bestaan loste zich in die eene gedachte op:
»Ole Kamp moet weergevonden worden! Ole Kamp moet weergevonden worden!"
Hij achtte het zelfs noodig weer op reis te gaan, ongetwijfeld voor een doel, dat in nauw verband met die nasporingen stond, die van zooveel belang voor de familie Hansen waren. Maar, ouder gewoonte bewaarde hij een diep en onverbreekbaar stilzwijgen over hetgeen hij deed, en over hetgeen hij liet verrichten.
De geschokte gezondheid van Hulda Hansen herstelde langzaam. Het arme meisje leefde slechts in en door de herinnering aan Ole Kamp; terwijl de hoop, die, in weerwil van alles, haar nog niet geheel had begeven, van dag tot dag flauwer werd.
En toch had zij thans de twee wezens bij zich, die zij het meest liefhad op aarde, en waarvan de een niet ophield haar te troosten, op te beuren en aan te moedigen. Maar kon dat haar genoeg zijn?
Zou het niet noodig geweest zijn haar verstrooiing te verschaffen, wat het ook kosten mocht?
Maar, hoe het daarbij aan te leggen?
Hoe haar te ontrukken aan die gedachten, die hare geheele ziel vervulden, aan die herinneringen, die haar als met een ijzeren keten aan den schipbreukeling vastklonken?
Voorwaar, een moeilijke vraag, dat zal iedereen moeten erkennen.
[Illustratie: Sylvius Hog had dat treurige verhaal nauwlettend aangehoord. Blz. 163.]
Zoo bereikte men tusschen hoop en vrees den 12den Juli.
Over vier dagen zou de trekking plaats hebben van de loterij, die ten voordeele van de scholen te Christiania op touw gezet was.
Het zal wel niet behoeven vermeld te worden, dat de handelsspeculatie, door Sandgoïst ondernomen, ter kennisse van het publiek gebracht was. Door de bemoeiingen van dien woekeraar hadden de dagbladen aangekondigd, dat »het beroemd en door de Voorzienigheid tot een gelukkig lot bestempeld loterijbriefje", dat het nummer 9672 voerde, thans in handen was van mijnheer Sandgoïst te Drammen, en dat dit loterijbriefje, hetwelk in het openbaar zou verkocht worden, aan den meestbiedende zou worden toegewezen.
Ook meldden de dagbladen dat de heer Sandgoïst van Drammen, om eigenaar van gezegd briefje te worden, er toe had moeten overgaan het zeer duur aan Hulda Hansen te betalen.
Iedereen begrijpt, dat die advertentie wel geschikt was om het jonge meisje aanmerkelijk in de algemeene achting te doen dalen.
Wat!... Hulda Hansen had zich door een hooge som laten bekoren en was er toe overgegaan, om het briefje van den schipbreukeling, de laatste gedachte van Ole Kamp, haren bruidegom, te verkoopen:
Zij had munt geslagen uit dat aandenken!
Maar een dagbladartikel, dat op het juiste oogenblik in het »Morgenblad" verscheen en door alle overige dagbladen overgenomen werd, stelde de lezers weldra op de hoogte van hetgeen voorgevallen was. Spoedig wist iedereen van welken aard de tusschenkomst van Sandgoïst geweest was, en op welke wijze het loterijbriefje in zijne handen geraakt was.
Toen werd de woekeraar van Drammen het voorwerp der algemeene verontwaardiging. Toen verhief zich een kreet tegen dien schuldeischer zonder hart, die er niet voor teruggedeinsd was om de rampen der familie Hansen ten zijnen voordeele te gebruiken.
En, nu de openbare meening behoorlijk ingelicht was, werden, alsof er eene samenspanning, een algemeene overeenkomst, eene soort verstandhouding bestond, de aanbiedingen aan Hulda Hansen voor het loterijbriefje gedaan, niet herhaald bij den nieuwen eigenaar. Het scheen, alsof dat briefje de vroegere bovennatuurlijke waarde niet meer bezat, en dat dit veroorzaakt werd door de besmetting, die het door de aanraking van de hand des woekeraars ondergaan had.
Sandgoïst had dus eene zeer slechte speculatie ondernomen, en het liet zich aanzien, dat het beroemde nummer 9672 voor zijne rekening zoude blijven.
Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat Hulda en zelfs Joël volstrekt niet op de hoogte waren van hetgeen geschreven en verteld werd. Gelukkig, niet waar?
Het zou hun toch zeer pijnlijk gevallen zijn, hunne namen gemengd te zien in eene zaak, die in handen van den woekeraar alleen een handelsspeculatie geworden was.
In den avond van den 12den Juli kwam er een brief, gericht aan het adres van professor Sylvius Hog.
Die brief, door het Ministerie van Marine afgezonden, bevatte een anderen, die van Christiansand gedagteekend was.
Christiansand is eene kleine havenplaats, aan den ingang van de baai van Christiania gelegen.
Die brief meldde waarschijnlijk niets bijzonders aan Sylvius Hog; want hij stak hem met de grootste onverschilligheid in den zak en sprak er noch tegen Hulda, noch tegen Joël over.
Maar toen hij zich later in den avond naar zijne kamer begaf, voegde hij aan zijn hartelijk »goedenavond" nog toe:
»Denkt er om, kinderen dat over drie dagen de loterij te Christiania getrokken wordt."
»Wat zou dat, mijnheer Sylvius?" vroeg Joël.
»Gij gaat er toch stellig heen, niet waar?"
»Waartoe zou dat dienen, mijnheer Sylvius?" vroeg Hulda, op hare beurt hem met verwondering aanziende.
»Mij dunkt," hernam de professor, »dat zulks moet geschieden. Ole Kamp heeft den wensch te kennen gegeven, dat gij bij de trekking tegenwoordig zoudt zijn...."
»Maar...." wilde Joël tegenwerpen.
»Hij beval het u uitdrukkelijk aan in de laatste regels, die hij schreef...."
»Ja wel, dat is waar; maar...."
»Volgens mijne meening," ging professor Sylvius Hog onverstoorbaar voort, »zal de laatste wil van onzen armen Ole Kamp gehoorzaamd moeten worden."
»Maar, professor...."
»Spreek op, Joël. Wat hebt gij nog te zeggen?" vroeg Sylvius Hog.
»Maar.... Hulda heeft dat loterijbriefje niet meer!"
»Welnu?"
»En, wie weet in welke handen het geraakt is?"
»Om 't even!" riep de professor uit.
»Wat, om het even? Wat bedoelt gij, mijnheer Sylvius?"
»Ik verzoek u, ik eisch desnoods van u, dat gij beiden mij naar Christiania vergezelt!"
»Als gij dat wilt...."
»Zeker, wil ik het!"
»Nu, dan zal het gebeuren," antwoordde het jonge meisje.
»Luister, waarde Hulda. Eigenlijk ben ik het niet, die hier wil...."
»Maar, wie dan, mijnheer Sylvius?"
»Ole Kamp wil het," antwoordde de professor. »En Ole Kamp moet gij gehoorzamen."
»Zuster," zei Joël Hansen, »mijnheer Sylvius heeft gelijk. Ja, het moet."
En zich tot den professor wendende, ging hij voort:
»Wanneer denkt gij te vertrekken, mijnheer Sylvius? Ik doe die vraag, om alles in gereedheid te kunnen brengen."
»Wat in gereedheid brengen?" zei de professor. »Weest niet ongerust. Ik heb voor alles gezorgd!"
»Voor alles?"
»Ja!"
»Maar dan dienen wij toch op de hoogte van het tijdstip van vertrek gebracht te worden voor onze zaken, mijnheer Sylvius," drong Joël andermaal aan.
»Welnu, wees dan morgenochtend bij het krieken van den dag gereed!" zei Sylvius Hog.
»Morgen bij het krieken van den dag?"
»Ja, morgen bij het krieken van den dag. En dat Sint Olaf ons in zijne bescherming neme!"
»Dat Sint Olaf ons in zijne bescherming neme!" herhaalde Hulda, terwijl ze bij die aanroeping de handen vouwde.
»Dat Sint Olaf ons in zijne bescherming neme!" zei ook Joël op plechtigen toon.
»En laat ons nu voortmaken, broeder," zei Hulda gejaagd. »Wij hebben geen oogenblik te verliezen, als wij met onze toebereidselen gereed willen zijn."
XVI.
NAAR CHRISTIANIA.
Den volgenden morgen reden professor Sylvius Hog en Hulda Hansen, naast elkander in het bont beschilderde karretje van baas Lengling gezeten, het dorp uit. Zooals men weet, was er geen plaats voor drie personen. Joël stapte dan ook als een flinke kerel, naast het paard, dat in stevigen stap tusschen de boomen van het voertuig voortliep en vroolijk met het hoofd schudde.
Wel is waar bedroeg de afstand tusschen Dal en Moel veertien kilometer, maar dat was voor iemand als onzen flinken berggids niet de moeite waard.
Het karretje reed dus door dat overheerlijke Vestfjorddal en hield daarbij gestadig den linkeroever van de Maan-rivier, waarlangs de weg heenliep. Het dal was vrij smal en dicht beschaduwd. Door duizenden beekjes werd het besproeid, die over scherpe hellingen voortstroomden, waarbij allerwege kleine watervallen gevormd werden, die van verschillende soms aanmerkelijke hoogten neervielen en, onder de zonnestralen, in al de kleuren van den regenboog schitterend, een overheerlijk gezicht opleverden.
Bij iedere buiging van dien kronkelenden weg, kreeg men den top van den Goustaberg, die door twee schitterend witte sneeuwvlekken aangeduid werd, in het oog, om hem een oogenblik daarna weer te zien verdwijnen.
Het uitspansel was helder, het weer prachtig. De lucht was niet al te frisch en de zon niet al te warm. In één woord het was een weer, alsof het voor zoo'n tocht gemaakt was.
Het was in het oog loopend dat het gelaat van professor Sylvius Hog, sedert hij de herberg van Dal verlaten had, meer kalmte uitdrukte. Waarschijnlijk deed hij zich een weinig geweld aan--althans zoo dachten de jongelieden--opdat die reis ten minste eene uitspanning, eene verstrooiing voor Hulda en Joël zou wezen.
Twee en een half uur--niet meer--waren noodig om Moel, aan het uiteinde van het Tinnermeer gelegen, te bereiken. Daar moest het karretje halt houden, tenzij het de eigenschappen van een vlot had bezeten.
Want op dat punt van het fraaie dal begint de eigenlijk gezegde meeren-weg.
Daar bevindt zich wat men noemt een »vandskyde", dat wil zeggen eene wisselplaats. Daar vindt men eindelijk van die lichte en ranke vaartuigen, die de gemeenschap over het meer onderhouden, zoowel over zijne lengte als over zijne breedte.
Het karretje stond bij de kleine kerk van het gehucht stil, welk gebouw zich aan den voet van een waterval van ruim vijfhonderd voet verhief.
Die waterval, waarvan slechts een vijfde gedeelte te zien is, stort zich met woest geweld in de eene of andere sombere bergspleet, voordat zijne wateren het meer bereiken.
Twee schuitenvoerders stonden op de uiterste punt van den rotsachtigen oever gereed. Hun vaartuig, van beukenschors vervaardigd en klaar voor den overtocht, was zoo rank, dat het voor de daarin zittenden zeer gevaarlijk was zich van het eene boord naar het andere over te buigen.
Het meer spreidde in dit ochtenduur al zijne schoonheid voor onze reizigers ten toon. De zon stond nog niet heel hoog; maar toch had zij kracht genoeg bezeten om de dampen te verdrijven. Men zou onmogelijk een fraaieren zomerdag hebben kunnen wenschen.
»Zijt gij niet te zeer vermoeid, mijn wakkere Joël?" vroeg professor Sylvius Hog, toen hij uit het karretje gestegen was. »Waarlijk, gij hebt uwe beenen moeten reppen."
»Neen, mijnheer Sylvius, ik ben niets moe," antwoordde de jeugdige berggids. »Wat heeft zoo'n wandeling te beteekenen voor mij, die aan lange omzwervingen door het Telemarksche gewoon ben?"
»Dat is zoo.--Maar ik was toch een weinig bezorgd."
»O, voor hem behoeft gij niet bezorgd te zijn, wanneer het op loopen aankomt," zei Hulda lachend.
»Des te beter!" antwoordde de professor. »Maar Joël, zeg mij eens...."
»Wat verlangt gij te weten, mijnheer Sylvius?"
»Kent gij den naasten weg van Moel naar Christiania?"
»Uitstekend, mijnheer Sylvius," antwoordde Joël Hansen.
»Welnu, laat eens hooren."
»Hoe bedoelt gij?"
»Geef mij de verschillende plaatsen op, die langs den weg liggen."
»Als wij aan het uiteinde van het meer, te Tinoset, aangekomen zullen zijn, dan.... maar.... zie, ik weet niet...."
»Wat weet gij niet?" vroeg Sylvius Hog lachende. »Zijt gij nu al de kluts kwijt, en kunt gij mij al de tweede plaats niet opgeven? Dat is wat moois!"
»Neen, dat is het niet."
»Welnu, wat bedoelt gij dan?"
»Ik weet niet, of wij te Tinoset een karretje zullen vinden, mijnheer Sylvius."
»Waarom niet, vriend Joël?" vroeg professor Sylvius Hog met een glimlach.
»Omdat wij verzuimd hebben een paar »forbuds" (jeugdige boodschaploopers) vooruit te zenden, om van onze komst aan de wisselplaats kennis te geven."
»Denkt gij dat dit hinderen zal?"
»Zoo doet men steeds in dit land, mijnheer Sylvius, om geene teleurstelling te ondervinden."
»Gij meent dus?...."
»Ik vrees, dat wij geen paard en geen karretje zullen vinden, wat onze reis zeer zal vertragen."
»Nu, maak je maar geen zorg, mijn jongen," sprak de professor geruststellend. »Ik heb het geval voorzien."
»Gij, mijnheer Sylvius?"
»Ja, ik; en ik heb mijne maatregelen genomen. Daarom wil ik u wel mededeelen, dat het mijn plan volstrekt niet is, om u den weg van Dal naar Christiania te voet te doen afleggen."
»Als dat moet evenwel...." zei Joël.
»Dat weet ik wel. Maar het zal niet moeten. Daarvoor heb ik gezorgd. Wees daaromtrent gerust."
»Ik dank u, mijnheer Sylvius."
»Geen dank, mijn jongen. Maar, wij dwalen af. Laat ons bij uwe opnoeming van de verschillende plaatsen blijven."
»Juist, mijnheer Sylvius."
»Zeg mij dus, hoe gij de reis zoudt doen, waarde Joël."
»Welnu, wanneer wij te Tinoset zullen aangekomen zijn, zullen wij langs het meer Fol rijden en daarbij de plaatsjes Vik en Bolkesjö doortrekken. Daarna zullen wij Möse bereiken, vervolgens Konsberg en Hangsund en eindelijk Drammen. Wanneer wij dag en nacht doorreizen, is het niet onmogelijk, dat wij morgen in den namiddag te Christiania zullen aankomen."
»Best, Joël," antwoordde de professor. »Ik zie, dat gij het land kent, en ik geloof, dat wij eene aangename reis zullen maken. Denkt gij ook niet?"
»Zeker, mijnheer Sylvius.... Daarenboven is het de kortste weg, dien ik u opgegeven heb."
»Zoo, Joël," ging de professor glimlachende voort. »Maar ik geef de brui van dien kortsten weg, begrijpt gij?"
De jonkman keek hem ietwat bedremmeld aan, maar antwoordde niet.
»Ik weet een anderen weg," vervolgde Sylvius Hog, »die de reis slechts met ettelijke uren zal verlengen. En dien weg kent gij ook, mijn jongen, hoewel gij er niet van spreekt."
»Welke dan, mijnheer?"
»Houd u nu niet zoo dom, vriend Joël."
»Neen, waarlijk, ik vat niet welken weg gij bedoelt."
»Wel ik bedoel dien, welke door Bambel voert!"
»Door Bambel?"
»Ja, door Bambel.--Stel u nu toch zoo onnoozel niet aan, mijn jongen."
»Waarlijk, ik...."
»Door Bambel waar een zekere pachter Helmboë woont! Vat gij mij nu?"
Joël was rood van verlegenheid geworden. Hij wist niet wat te antwoorden.
»Door Bambel, waar ook de dochter van dien pachter woont. De lieve Siegfrid. Heet zij niet zoo?"
»Mijnheer Sylvius!...."
»Kijk me dien lummel eens blozen!" gierde professor Sylvius Hog uit van de pret.
»Maak hem toch niet zoo verlegen, mijnheer Sylvius," smeekte Hulda met een flauwen glimlach.
»Nu, mij wel.--Maar wij zullen den laatsten weg nemen. Wat denkt gij er van, Joël?"
Deze grinnikte van genoegen en knikte toestemmend, terwijl hij den professor zijne hand toestak.
»Welnu, dan zullen wij in plaats van langs de noordzijde, langs de zuidzijde van het meer Fol rijden, en.... zoo kunnen wij ook Konsberg bereiken, niet waar Joël?"
»Evengoed, mijnheer Sylvius, zoo niet beter," antwoordde de jeugdige berggids.
»Welnu, dan is alles in orde! Vooruit dan maar!"
»Ik dank u voor mijn broeder, mijnheer Sylvius," zei Hulda Hansen door zooveel goedheid des harten bewogen.
»En voor u ook, hoop ik, kleine Hulda," hernam de professor; »ik verbeeld mij, dat het u ook wel eenig genoegen zal doen uwe lieve vriendin Siegfrid weer te zien. Vergis ik mij soms?"
»Volstrekt niet, mijnheer."
»Welnu, dan andermaal: vooruit!"