Chapter 14
»Voor den drommel, houd uw mond! Wees gerust, ik kom ter zake.... Ik heb eindelijk vernomen, dat aanbiedingen aan Hulda Hansen, zelfs zeer hooge aanbiedingen gedaan zijn..."
Hij zweeg weer een poos, en hernam toen:
»Is dat waar?"
Het antwoord op die vraag liet zich wachten.
»Ja!.... Dat is waar," zei Joël. »Wat verder?"
»Wat verder?...."
»Voor den duivel, ja, wat verder?"
»Luistert. Dat al die aanbiedingen op een dwazen grondslag steunen, is mijne innige overtuiging. Maar de geestdrift bestaat en zal nog aangroeien en dat te sterker, naarmate de trekkingsdag zal naderen. Zijt ge dat met mij eens of niet?...."
»Verder!.... verder!...." bromde Joël.
»Nu ben ik in de eerste plaats handelsman," ging Sandgoïst voort. »Waar wat te verdienen valt, ben ik bij. Er bestaat geene zaak--geene! hoort ge--die ik niet voor mijne rekening zou durven nemen. Altijd, wel te verstaan, als er wat aan te verdienen valt...."
»Ga dan toch voort!" riep Joël. »Waartoe die omhaal van woorden?"
»Daarom," vervolgde Sandgoïst tartend bedaard, »heb ik gisteren Drammen verlaten om mij naar Dal te begeven, met het doel, om met u over den afstand van dat loterijbriefje te onderhandelen en om vrouw Hansen te verzoeken mij de voorkeur boven alle mededingers te verleenen. Nu weet gij het!"
»Is dat alles?" vroeg Joël.
»Ja, dat is alles."
Hulda was reeds op het punt aan Sandgoïst hetzelfde antwoord te geven, als op al de andere aanbiedingen van dien aard, hoewel het voorstel haar niet rechtstreeks gedaan was. Joël voorkwam haar evenwel.
[Illustratie: Sandgoïst zat in den grooten leuningstoel. Blz. 150.]
»Voordat ik mijnheer Sandgoïst antwoord," zeide hij, »moet ik hem vragen, of hij wel weet, wie dat besproken loterijbriefje toebehoort?"
»Aan Hulda Hansen, naar ik meen."
»Welnu, dan zult gij ook aan Hulda Hansen de vraag moeten richten, of zij genegen is daarvan afstand te doen."
»Mijn zoon!...." riep vrouw Hansen uit.
»Laat mij voortgaan, moeder," hernam Joël. »Behoorde dat loterijbriefje niet wettig aan onzen neef, den stuurman Ole Kamp."
»Voorzeker," antwoordde Sandgoïst.
»En had Ole Kamp," vervolgde de jonge man, »het recht om dat briefje aan zijne bruid te vermaken?"
»Onbetwistbaar!" antwoordde Sandgoïst andermaal.
»Dan moet gij u, ik herhaal het, tot Hulda Hansen met uw verzoek wenden."
»Welnu, het zij zoo, vormelijke mijnheer," hernam Sandgoïst. »Ik vraag derhalve aan Hulda Hansen, om mij het loterijbriefje, dat het nummer 9672 voert, en afkomstig is van den stuurman Ole Kamp, die schipbreuk heeft geleden, af te staan."
»Mijnheer Sandgoïst," antwoordde het jonge meisje bedaard en op vasten toon, »vele aanbiedingen zijn mij reeds voor dat loterijbriefje gedaan, maar steeds tevergeefs. Ik zal u dan ook antwoorden, zooals ik tot heden geantwoord heb. Toen mijn verloofde dat briefje met zijn laatst vaarwel aan mij richtte, was zijne bedoeling, dat ik het zou houden, niet dat ik het zou verkoopen. Veroorloof mij dus, u als mijn onwrikbaar besluit mede te deelen, dat ik dat loterijbriefje, tegen geen prijs hoe groot ook, wil en zal afstaan. Verstaat gij?"
Hulda was bij die laatste woorden van haar stoel opgestaan om het vertrek te verlaten. Zij meende dat, na hetgeen zij gezegd had, het onderhoud door hare weigering als geëindigd kon beschouwd worden. Op een wenk van hare moeder bleef zij evenwel.
Eene beweging van wrevelige teleurstelling was aan vrouw Hansen ontsnapt, terwijl de rimpels op het voorhoofd van Sandgoïst duidelijk toonden, dat het in zijn binnenste begon te koken.
»Ja, blijf, Hulda," zei hij. »Dat is uw laatste woord niet, hoop ik. En als ik verder aandring, dan geschiedt dat.... omdat ik het recht meen te hebben dat te doen...."
»Wat?" riep Joël. »Het recht!...."
»Laat mijnheer spreken," zei Hulda waardig.
»Ik denk ten naasten bij," ging Sandgoïst onverstoorbaar voort, »dat ik mij niet duidelijk uitgedrukt heb, of dat gijlieden mij verkeerd verstaan hebt...."
»Dat is niet wel mogelijk!" viel Joël hem in de rede.
»Maar laat mijnheer toch vervolgen, broeder," vermaande Hulda.
»Zeker is het," hernam Sandgoïst, »dat de kansen van dat loterijbriefje niet vermeerderd zijn, doordat de hand van een schipbreukeling het in eene flesch gedaan heeft, die in zee geworpen en op het goede oogenblik opgevischt werd. Maar, met de menigte valt niet te redeneeren. Het staat vast, dat op dit oogenblik zeer veel personen verlangen eigenaar van dat loterijbriefje te worden..."
»Dat is mogelijk," zei Hulda, »maar...."
»Op uwe beurt, zuster," hernam Joël, »laat mijnheer uitspreken."
»Er zijn u verscheidene aanbiedingen gedaan, er zullen u nog meer gedaan worden," vervolgde Sandgoïst. »Ik herhaal, dat ik daarin eene handelstransactie zie, en het is dan ook eene handelstransactie, die ik u voorstel."
»Gij zult eenige moeite hebben, mijnheer Sandgoïst," antwoordde Joël op spotachtigen toon, »om met mijne zuster tot overeenstemming te geraken."
»Waarom dat?"
»Omdat, terwijl gij van handelstransactiën spreekt, de geheele geschiedenis voor haar eene gevoelszaak is."
»Dat klinkt alles heel mooi, jonge man!" antwoordde Sandgoïst, »maar als ik u de zaak zal uiteengezet hebben, zult gij inzien, dat de afstand van dat loterijbriefje niet alleen voor mij, maar ook voor haar eene voordeelige zaak is. En... ik voeg er bij..."
»Wat?"
»Eene even voordeelige zaak voor vrouw Hansen, die er in het bijzonder in betrokken is."
Hulda en Joël wisselden een blik met elkander, die zeggen wilde:
»Zouden wij thans vernemen, wat moeder ons tot heden verborgen heeft?"
»En," hernam Sandgoïst.
»Wat hebt gij ons nog meer te zeggen?" vroeg Joël schier beangst.
»Ik zal er niet op staan, dat loterijbriefje over te nemen voor denzelfden prijs, dien het Ole Kamp gekost heeft. Neen!.... Te recht of ten onrechte, dwaas of verstandig, dat stukje papier vertegenwoordigt thans eene zekere handelswaarde."
»O, mijnheer Sandgoïst!..." riep Hulda.
»Ik ben dan ook bereid," ging hij voort, »om een zeker offer te brengen, ten einde er bezitter van te worden."
»Men heeft u reeds gezegd," antwoordde Joël, »dat Hulda aanbiedingen van de hand gewezen heeft, die alles te boven gaan, wat gij zoudt kunnen geven."
»Zoo, waarlijk!" riep Sandgoïst uit. »Aanbiedingen, die te boven gaan, wat ik zou kunnen geven! Ei! Ei! Wat weet gij daarvan, mijn jonge vriend?"
»En al biedt ge ook schatten, mijne zuster weigert ze; en...."
»En, wat?...."
»En ik keur hare weigering goed!"
»Zoo, zoo!"
»Bevalt u dat niet?"
»Het mocht wat! Maar wij moeten duidelijk spreken. Met wien heb ik hier te doen?"
»Wat bedoelt gij met die vraag?"
»Heb ik met u of met Hulda Hansen, uwe zuster, te doen?"
»Met Hulda Hansen, natuurlijk, maar mijne zuster en ik denken in deze zaak eenstemmig. Als gij dat niet weet, mijnheer Sandgoïst, verneem het dan thans!"
Sandgoïst trok, zonder zich in het minst uit het veld te laten slaan, minachtend de schouders op.
Daarna hernam hij als iemand, die overtuigd is van de kracht zijner bewijsgronden:
»Toen ik van eene som sprak in ruil voor dat loterijbriefje, had ik moet zeggen, dat ik zulke voordeelige voorstellen te doen heb, dat Hulda die in het belang harer familie niet mag verwerpen."
»Waarlijk?"
Hulda en Joël keken hunne moeder aan. Die stond daar, met neergeslagen blik, de armen over elkander, aan een marmeren beeld gelijk.
»En nu, mijn jongen," ging Sandgoïst tergend voort, »laat mij u nu op mijne beurt zeggen, dat ik niet naar Dal gekomen ben, om uwe zuster te verzoeken mij dat loterijbriefje af te staan...."
»Niet?"
»Neen! Duizend duivels, neen!"
»Maar, wat vraagt gij dan?"
»Ik vraag niet!...."
»Niet?"
»Neen, ik eisch!.... ik wil!...."
»Wat durft ge zeggen!"
»Ja, ik eisch!.... ik wil dat loterijbriefje!"
»En welk recht hebt gij," riep Joël Hansen vertoornd uit, »gij, die voor ons een vreemdeling zijt, zoo boud te spreken in het huis mijner moeder?"
»Het recht dat ieder man heeft," antwoordde Sandgoïst, »om te spreken, wanneer hij verkiest en zooals hem behaagt, als hij zich in zijn eigen huis bevindt!"
»In zijn eigen huis, ellendeling!"
Joël, diep verontwaardigd, trad driftig op Sandgoïst toe, die, hoewel niet licht bevreesd te maken, toch uit den leuningstoel opgesprongen was en daarachter een schuilplaats gezocht had. Maar Hulda hield haren broeder tegen; terwijl vrouw Hansen, het gelaat in de handen verborgen, naar het andere einde van de zaal geweken was.
»Broeder Joël...." zei het jonge meisje. »Broeder, zie eens!"
Joël bleef plotseling staan. Een blik op zijne moeder had zijne woede als het ware verlamd.
Alles, haar snikken, haar wegkruipen, hare geheele houding in één woord duidde aan, hoezeer vrouw Hansen zich in de macht van dien ellendeling gevoelde.
Toen deze Joëls aarzeling ontwaarde, ging hij weer onbeschaamd in den leuningstoel zitten.
»Ja, in zijn eigen huis!" riep hij nog dreigender uit.
»Pas op!" prevelde Joël. »Terg mij niet!"
»Sedert den dood van haren man heeft vrouw Hansen zeer gevaarlijke speculatiën gewaagd, die alle mislukt zijn. Zij heeft daardoor het kleine vermogen, dat uw vader bij zijn dood nagelaten heeft, verloren. Toen heeft ze bij een bankier te Christiania geld gaan leenen, om haren hartstocht bot te vieren. Er rustte geen zegen op hare pogingen. Toen zij geen kans meer zag op een andere wijze aan geld te komen, bood zij dit huis tot onderpand voor eene som van vijftien duizend mark aan, die haar tegen een deugdelijk schuldbewijs uitbetaald werden. Dat schuldbewijs heb ik, Sandgoïst, van haren geldschieter overgenomen. Dit huis zal dus het mijne zijn en dat nog wel binnen zeer korten tijd, als ik op den vervaldag niet betaald word."
»En wanneer is die vervaldag?" vroeg Joël.
»Op den 20sten Juli, dus over achttien dagen," antwoordde Sandgoïst. »En dien dag, of u dat al dan niet zal aanstaan, zal ik hier te huis zijn!"
»Op dien dag zult gij hier eerst te huis wezen, wanneer gij vóór dien tijd niet afbetaald zult zijn!" riep Joël in de hevigste gemoedsbeweging uit. »Ik verbied u te spreken, zooals gij in tegenwoordigheid van mijne moeder en zuster deedt!"
»Hij verbiedt mij!...." grijnsde Sandgoïst tartend. »En zijne moeder verbiedt die mij ook?...."
»Maar spreek dan toch, moeder!" zei Joël, die op vrouw Hansen toetrad en hare handen van haar gelaat poogde te verwijderen.
»Joël!.... broeder!...." riep Hulda. »Heb toch medelijden met haar.... ik smeek u.... wees toch kalm!"
Vrouw Hansen stond daar nog altijd met gebogen hoofd. Zij durfde haren zoon niet aanzien.
Het was maar al te waar, dat zij eenige jaren na den dood van haren echtgenoot het gewaagd had, haar vermogen door zeer gevaarlijke speculatiën te vermeerderen. Het weinige geld, waarover zij beschikken kon, was spoedig verdwenen. Weldra had zij hare toevlucht moeten nemen tot verderfelijke leeningen. En eindelijk was zij er toe gekomen eene schuldbekentenis te onderteekenen, waarbij haar huis tot onderpand diende. En dat schuldbewijs was thans in handen van dien Sandgoïst van Drammen gekomen.
Die Sandgoïst was een man zonder hart, een bekende woekeraar, die door het geheele land berucht was en door iedereen verfoeid werd.
Vrouw Hansen had hem slechts eenmaal in haar leven gezien, namelijk den dag, toen hij naar Dal gekomen was, om de waarde der herberg te schatten.
Dat was dus het geheim, hetwelk zoo zwaar op die arme vrouw gedrukt had!
Daarin lag dus de reden harer eenzelvigheid, harer geheimhouding, harer afzondering, alsof zij zich voor hare kinderen had willen verbergen!
Daarom eindelijk had zij nimmer over hare zaken willen spreken met hen, wier toekomst zij zoo lichtzinnig in de waagschaal gesteld had!
Hulda durfde nauwelijks hare gedachten laten gaan over hetgeen zij gehoord had.
Ja, die Sandgoïst had wel de macht om zijn wil op te dringen.
Dat loterijbriefje, hetwelk hij heden wilde bezitten zou over veertien dagen geene waarde meer hebben, en.... wanneer zij het hem niet afstond, dan zou dat de ondergang harer familie zijn. Gaf zij niet toe, dan werd het huis, de aloude herberg van Dal verkocht. Dan zou de familie Hansen zonder huisvesting, zonder hulpmiddelen zijn.... Dat was dan de armoede en de ellende in alle hare naakte verschrikkelijkheid.
Hulda durfde Joël niet aanzien.
Maar, de jonge man, door drift vervoerd, wilde niets hooren van de dreigende toekomst. Hij zag slechts Sandgoïst voor zich, en als die man zich nog langer zou verstouten, om eene taal te voeren, zooals hij daar straks in zijne tegenwoordigheid had doen hooren, dan zou hij, de zoon der verdrukte weduwe, zijn toorn niet meer kunnen onderdrukken....
Sandgoïst evenwel, begrijpende dat hij meester van den toestand en dus van het geheele terrein was, werd hoe langer hoe meer verhard, terwijl zijn taal nog onbeschofter klonk.
»Ik wil dat loterijbriefje hebben, en ik zal het hebben! Hoort ge?" riep hij uit. »In ruil daarvoor bied ik een prijs, die wel aanneembaar zal zijn. Ik zal namelijk den vervaldag van den schuldbrief, door vrouw Hansen onderteekend, verschuiven, al was het voor een jaar.... al was het voor twee jaren! Het is mij om het even. Dat Hulda slechts den datum bepale!"
Het arme meisje stond daar met beklemd hart en zou geen enkel woord hebben kunnen uitbrengen. Haar broeder antwoordde evenwel in hare plaats:
»Mijne zuster wil het briefje van Ole Kamp niet verkoopen. In weerwil van uw opdringen en bedreigen weigert zij uw aanbod. Hebt ge verstaan?"
»Ja, zeker. Dat was duidelijk genoeg!"
»Welnu, maak dan dat ge de deur uitkomt!"
»De deur uit?" riep Sandgoïst verbaasd uit.
»Zeker, de deur uit!"
»De deur uit!"
»En spoedig ook, als gij niet wilt, dat ik u op minder aangename wijze een handje help!"
»De deur uit! Welnu, neen! Ik ga niet. Ik lach om uwe bedreigingen."
»Pas op, Sandgoïst!"
»Tu, tu, tu," antwoordde deze. »Als het bod niet hoog genoeg is, zal ik er wat bij doen. Ja, als gij mij dat loterijbriefje afstaat, bied ik u.... bied ik u...."
De man stotterde van opgewondenheid, waarlijk het verlangen om dat loterijbriefje te bezitten, moest wel groot zijn, hij moest wel degelijk overtuigd zijn, dat het hem winst zou opbrengen, dat hij zich zoover liet vervoeren. Hij ging bij de tafel zitten, waarop zich papier, pen en inkt bevonden, krabbelde een poos, en zei toen:
»Ziedaar wat ik bied!"
Het was de volle quitantie voor de som, die vrouw Hansen indertijd geleend had, en waarvoor zij het huis te Dal zoo onvoorzichtig verpand had.
Vrouw Hansen vouwde de handen samen, boog het hoofd diep ter aarde en keek hare dochter Hulda smeekend aan. Maar deze aarzelde en wist niet waartoe te besluiten.
»En nu," riep Sandgoïst uit, »dat loterijbriefje, waar is het? Ik wil het hebben! Ha, ik wil..... het heden nog hebben... wat zeg ik? heden.... neen, dadelijk... Ik verlaat Dal niet zonder.... Hulda.... hoort ge?.... ik wil het hebben en zal het hebben!"
Sandgoïst naderde het arme meisje, alsof hij haar kleederen onderzoeken, alsof hij haar betasten wilde, om haar het loterijbriefje van Ole Kamp te ontrukken....
Dat was meer dan Joël in de gegeven omstandigheden verdragen kon, vooral toen hij zijne zuster Hulda hoorde roepen: »Joël!... Broeder!...."
»Zult gij het huis verlaten?" vroeg hij knarsetandende.
En toen Sandgoïst hardnekkig weigerde heen te gaan, zou hij hem zeker bij den kraag gepakt hebben, om hem buiten de deur te zetten, toen Hulda tusschenbeide trad.
»Hier, moeder, is het loterijbriefje!" zei ze.
Vrouw Hansen greep gretig het briefje, en terwijl zij het overhaast tegen de quitantie van Sandgoïst verruilde, viel Hulda schier in zwijm op den leuningstoel neer.
»Hulda!.... Hulda...." riep Joël uit. »Zuster! Sla toch uw oogen op.... O God! wat hebt gij gedaan?"
»Wat zij gedaan heeft?" antwoordde vrouw Hansen vrij heftig. »Wat zij gedaan heeft?.... Ja, zeker, ik ben zeer schuldig, dat beken ik! In het belang mijner kinderen heb ik het goed, hun door hun vader nagelaten, trachten te vermeerderen! Daarvoor heb ik hun geheele toekomst op het spel gezet! Ik heb ellende over dit huis gebracht!.... Maar Hulda heeft ons allen gered!.... Ziedaar, wat zij gedaan heeft!.... Zoudt gij haar dat willen verwijten?.... Neen, neen, dat mag niet.... Ik zeg haar daarvoor dank!.... Heb dank, Hulda, heb dank!...."
En de moeder wierp zich snikkende in de armen harer dochter, die haar in weerwil harer droefheid de handen met kinderlijke liefde kuste.
Sandgoïst keek dat tooneel met de grootste kalmte aan. Hij grinnikte van genoegen en betastte slechts zijn loterijbriefje met innig welgevallen.
Toen Joël, een oogenblik door de woorden zijner moeder afgeleid, hem nog ontwaarde, riep hij woedend uit:
»Gij... nog hier!... De deur uit, ellendeling!"
En toen deze volstrekt geen haast maakte, stapte hij op hem toe, greep hem bij de schouders, tilde hem op en wierp hem in weerwil van zijn tegenspartelen en van zijn geschreeuw, hardhandig de deur uit.
Dat had een kwartier vroeger moeten geschieden.
XV.
SYLVIUS HOG IN TWEESTRIJD.
Daags daarna keerde professor Sylvius Hog in het late avonduur te Dal terug.
[Illustratie: Maar Hulda hield haar broeder tegen. Blz. 157.]
Hij vertelde aan niemand iets van zijne reis, en niemand wist ook dat hij naar Bergen geweest was.
Zoolang de begonnen nasporingen tot geen resultaat geleid hadden, wilde hij ze voor de familie Hansen geheim houden. Brieven of telegrammen, hetzij van Bergen, hetzij van Christiania hem toegezonden, moesten hem dan ook persoonlijk in de herberg van Dal ter hand gesteld worden, waar hij de dingen, die komen zouden, wilde afwachten.
Hoopte hij steeds?
Ja zeker! maar waarheid is 't, dat die hoop geen enkelen redelijken grondslag bezat, en dat zij slechts als voorgevoel--zeker iets zeldzaams bij een professor--in zijn hart aanwezig was.
Zoodra hij terug was, kostte het Sylvius Hog niet veel moeite, om te bespeuren, dat er gedurende zijne afwezigheid gewichtige dingen voorgevallen waren. Zoowel Joëls uiterlijk als dat van Hulda gaven te kennen, dat het tusschen moeder en kinderen tot eene verklaring gekomen was.
Zou de familie Hansen weer een ongeluk getroffen hebben?
Die gedachte alleen bedroefde en verontrustte Sylvius Hog reeds. Hij gevoelde voor dien broeder en die zuster zulk eene innige, vaderlijke toegenegenheid, dat zij hem niet dierbaarder hadden kunnen zijn, als zij zijne eigen kinderen geweest waren!
Hoezeer had hij hen gedurende zijne korte afwezigheid gemist!--en hoezeer hadden zij waarschijnlijk naar hem verlangd!
»Zij zullen wel aan het praten geraken," mompelde hij in zich zelven. »Zij moeten mij alles meedeelen! Behoor ik dan niet inderdaad tot de familie?"
Ja, Sylvius Hog meende het recht te bezitten, om te weten wat er in het hart zijner jeugdige vrienden omging, waarom Joël en Hulda Hansen er ongelukkiger uitzagen dan voor zijn vertrek naar Bergen.
Hij zou het weldra vernemen.
Waarlijk de beide jongelieden wenschten niets liever dan den waardigen man, dien zij met kinderlijke genegenheid beminden, in den arm te nemen en hun vertrouwen te schenken. Maar schuchter wachtten zij het oogenblik af dat hij hen zoude ondervragen.
Zij hadden zich sedert twee dagen zoo verlaten gevoeld, vooral omdat de professor hun niet medegedeeld had, waarheen hij reisde!
Nimmer hadden hun de uren zoolang toegeschenen!
Voor hen kon die afwezigheid geen betrekking op nasporingen naar de _Viken_ hebben, en het kwam niet bij hen op, dat Sylvius Hog het doel van die reis voor hen geheim hield, om hun eene latere teleurstelling, wanneer de pogingen mislukten, te besparen.
En nu... nu... hoe zoude thans zijne tegenwoordigheid gewaardeerd worden, hoe dierbaar zou zij hun zijn!
O, zij hadden zoo groote behoefte, om zich onder zijne bescherming te stellen, om zijne raadgevingen in te winnen, om zijne steeds hartelijke en geruststellende stem te vernemen!
Maar zouden zij hem alles durven mededeelen wat tusschen hen en den woekeraar van Drammen voorgevallen was? Zouden zij durven belijden, op welke onverantwoordelijke wijze vrouw Hansen, hunne moeder toch, met hunne belangen, met hunne toekomst omgesprongen had?
Wat zal Sylvius Hog gaan denken, als hij vernemen zal, dat het loterijbriefje van Ole Kamp zich niet meer in handen van Hulda bevindt?
Wat, wanneer hij vernemen zal, dat vrouw Hansen het gebruikt heeft, om eene schuldbekentenis bij haren onverbiddelijken schuldeischer in te lossen?
De arme kinderen aarzelden. Toch zou de professor alles vernemen.
Wie geraakte het eerst aan het praten? Had Sylvius Hog de mededeeling uitgelokt? Of hadden Joël of Hulda het eerst den mond geopend, om de reeks van gebeurtenissen te beginnen? Wie zou het met volkomen zekerheid weten te zeggen? Zooveel is onbetwistbaar, dat de professor weldra op de hoogte van den stand van zaken was. Hij wist nu in welke verlegenheid vrouw Hansen en hare beide kinderen verkeerd hadden! Over veertien dagen zou de onmeedoogende woekeraar de ongelukkigen uit de herberg van Dal verjaagd hebben, als de schuld niet door den afstand van het loterijbriefje ware gedelgd geworden.
Sylvius Hog had dat treurige verhaal, dat hem door Joël Hansen in tegenwoordigheid zijner zuster Hulda gedaan was, nauwlettend aangehoord:
»Gij hadt dat loterijbriefje niet uit uwe handen moeten geven!" riep hij in de eerste opwelling zijner verontwaardiging uit: »Neen, dat hadt gij niet moeten doen!"
»Maar,.... kon ik dat weigeren, mijnheer Sylvius?" vroeg het jonge meisje met diep bewogen stem. »Zeg kon ik dat?"
De professor scheen na te denken, hij antwoordde althans niet terstond.
»Geloof mij, mijnheer Sylvius, dat kon, dat mocht ik niet," ging Hulda voort.
»Gij hebt gelijk!.... Neen, dat mocht gij niet!.... Dat begrijp ik maar al te goed!.... En toch!...."
»Wat wilt gij zeggen?"
»Niets! Niets!.... O, als ik hier was geweest!"
Wat zou de waardige professor wel gedaan hebben, als hij aanwezig was geweest? Dat verzweeg hij voorzichtig; hij hernam met koortsachtige haast:
»Ja, waarde Hulda, ja Joël! Alles wel beschouwd, hebt gij gedaan, wat gij doen moest, hebt gij uwen plicht gedaan! Maar wat mij woedend maakt, is, dat het die inhalige Sandgoïst zal zijn, die met de bijgeloovige opgewondenheid van het publiek zijn voordeel zal doen! Nu men aan dat loterijbriefje van den armen Ole Kamp eene bovennatuurlijke waarde hecht, zal hij die gaan exploiteeren!"
»Natuurlijk," zei Joël, »tenzij hij het briefje voor zich wenscht te behouden."
»En toch," ging de professor voort, »is het dwaas, ja belachelijk, te gelooven, dat dit nummer 9672 noodzakelijk door het lot begunstigd zal worden."
»Maar, wat zoudt gij gedaan hebben, mijnheer Sylvius?" vroeg Hulda vertrouwelijk.
»Ik zou waarschijnlijk geweigerd hebben dat loterijbriefje af te staan."
»Ook onder dezelfde omstandigheden?" vroeg Hulda dringend.
»Ja, ook onder dezelfde omstandigheden!" antwoordde Sylvius Hog. »Toen gij, lieve Hulda, geweigerd hadt, dat loterijbriefje aan Sandgoïst af te staan, had gij het niet aan uwe moeder moeten geven."
De jongelieden wisten niet wat te antwoorden.
Toen zij het loterijbriefje aan hare moeder overreikte, gehoorzaamde Hulda aan een innerlijk gevoel, dat men niet kon afkeuren. Het offer, dat zij gebracht had, was niet het offer van de min of meer onzekere of liever wisselvallige kansen, die dat briefje bij de trekking der loterij te Christiania zoude aanbieden; neen, zij had het offer van den geschreven laatsten wil van Ole Kamp gebracht; zij had van de laatste herinnering aan haren bruidegom, van het laatste stuk, dat hij aangeraakt had, afstand gedaan.
Maar wat er thans aan te doen? Gedane zaken hebben geen keer in dit ondermaansche. Sandgoïst was bezitter van het bewuste loterijbriefje. Daarop kon niet meer teruggekomen worden. Het behoorde hem toe; hij zou het den meestbiedende verkoopen; de woekeraar zou munt slaan uit dat hartroerend afscheid door den schipbreukeling aan zijne bruid gericht!
Sylvius Hog kon er geen vrede mee hebben!