Chapter 13
Deze hoorde hem met de meeste belangstelling aan en was den professor geen enkele maal in de rede gevallen, toen deze zijn verhaal aldus eindigde:
»Eén punt is er dus, dat geen twijfel toelaat, namelijk, dat op den 3den Juni laatstleden het loterijbriefje gevonden is tweehonderd mijlen ten zuidwesten van IJsland, ongeveer een maand, nadat de _Viken_ het anker gelicht en Saint Pierre-Miquelon verlaten had, om naar Europa te stevenen."
»En....?" vroeg mijnheer Help Junior aarzelend.
»En, wat?"
»Weet gij niets meer?"
»Neen, waarde Help."
»Dat is niet veel, zult ge moeten erkennen."
»Accoord! Maar, als men de ervarenste zeelieden van Bergen raadpleegt, hen die de bedoelde streken veelvuldig bevaren hebben, die de daar heerschende winden, maar vooral de verschillende stroomingen kennen, zou het dan niet mogelijk zijn den weg, door de flesch afgelegd, op de kaart aan te duiden? Wanneer men dan hare snelheid natuurlijk bij gissing berekende en het tijdstip in aanmerking nam, waarop zij opgevischt was, zou het dan onmogelijk zijn het punt aan te geven, waar Ole Kamp haar te water wierp, met andere woorden de plek, waar de schipbreuk plaats gevonden heeft?"
De heer Help Junior schudde het hoofd op alles behalve goedkeurende manier.
Volgens hem kon een stelsel van nasporingen, dat op zulke onbeduidende aanwijzingen gegrond werd, en waarbij nog zoo ontelbaar vele oorzaken van vergissingen konden komen, slechts tot teleurstellingen leiden. De scheepsreeder was een kalm, koelbloedig en practisch mensch en meende, dat het zijn plicht was zijne zienswijze aan professor Sylvius Hog mede te deelen.
»Gij hebt wellicht gelijk, vriend Help," antwoordde deze. »Maar het is nog geene reden om den moed te laten zinken, dat we alleen onzekere gegevens hebben. Ik ben er op gesteld, dat alles beproefd wordt in het belang van die arme menschen, aan wie ik het leven verschuldigd ben. Ja, als het moest, zou ik geen oogenblik aarzelen, alles wat ik bezit op te offeren, om den stuurman Ole Kamp weer te vinden en hem in de armen zijner bruid, in de armen van Hulda Hansen terug te voeren!"
Natuurlijk bleef Sylvius Hog niet in gebreke zijn wedervaren bij den waterval van Rjukanfos in al zijn bijzonderheden te verhalen. Hij deelde zijn vriend mee hoe die wakkere, onversaagde Joël en zijn niet minder moedige zuster Hulda hun leven hadden gewaagd, om hem te hulp te komen, en hoe hij zonder hunne tusschenkomst niet het genoegen zou gesmaakt hebben, de gast van zijn vriend Help te zijn.
Maar zooals reeds gezegd is, vriend Help was er de persoon niet naar, om zich door droombeelden te laten meesleepen. Hij was er evenwel niet tegen, dat men zelfs het schijnbaar nuttelooze, het onmogelijke beproefde, als het een quaestie van menschlievendheid gold. Hij eindigde dan ook met alles goed te keuren, wat professor Sylvius Hog zou willen ondernemen.
»Vriend Sylvius,"... begon hij.
»Wat wilt ge zeggen? Komaan spreek," moedigde de professor hem aan.
»Vriend Sylvius, ik zal u, zooveel in mijn vermogen is, helpen. Ja, gij hebt gelijk! Zoolang er ook maar een flauwe kans bestaat, om den een of anderen ongelukkige op te sporen, aan de schipbreuk van de _Viken_ ontkomen, en vooral dien flinken Ole Kamp, wiens bruid u het leven gered heeft, mogen wij haar niet verwaarloozen."
»Neen, Help, dat mogen wij niet."
»En al was die kans nog zoo gering...."
»Al was ze niet grooter dan één tegen honderdduizend!" riep de professor uit, »dan moeten wij ze nog wagen!"
»Heden nog zal ik de beste zeelieden van geheel Bergen op mijn kantoor te zamen roepen."
»Goed zoo!"
»Ik zal mij tot hen wenden, die in de omstreken van IJsland en New-Found-Land gevaren hebben...."
»Die zijn er genoeg in Bergen, geloof ik...."
»En ik zal hun vragen wat zij ons aanraden te doen...."
»Hun raad zullen wij nauwkeurig opvolgen, niet waar?" antwoordde professor Sylvius Hog met zijne aanstekelijke geestdrift. »Ik heb den steun van het gouvernement. Ik ben gemachtigd om een van de rijksstoombooten te laten uitstevenen, om de _Viken_ op te sporen, en ik reken er op, dat niemand aarzelen zal tot zoo'n onderneming mede te werken. Ik althans heb er alles voor over!"
»Ik ga dadelijk naar het havenkantoor," zei de heer Help Junior.
»Zal ik met u medegaan?"
»Dat is onnoodig. Gij zult wel vermoeid zijn...."
»Ik?.... Gij spot!"
»Volstrekt niet."
»Ik?.... Vermoeid?.... Op mijn leeftijd!"
»Om het even. Neem rust, waarde en steeds jeugdige Sylvius. Neem zoo gemakkelijk mogelijk plaats en wacht mij."
Denzelfden dag had er eene vergadering van scheepskapiteins der koopvaardijvloot, van visschers in de bedoelde streken, van loodsen enz. in de woning der Gebroeders Help plaats. Daar bevonden zich vele zeelieden, die nog steeds voeren; ook waren er eenigen, die reeds bejaard waren en er het varen reeds lang aan hadden gegeven.
Professor Sylvius Hog begon dadelijk allen op de hoogte van den toestand te brengen.
Hij deelde hun mede, op welken datum--den 3den Mei--het loterijbriefje door Ole Kamp in zee was geworpen, en op welken datum--den 3den Juni--de Deensche gezagvoerder het opgevischt had. Hij vertelde hun, waar dat geschied was, namelijk: tweehonderd mijlen ten zuidwesten van IJsland.
Het gesprek, dat zich nu ontspon, werd zeer gerekt, maar was dan ook uiterst ernstig en zeer belangrijk.
Geen der aanwezige zeelieden was onbekend met dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan, begrepen tusschen New-Found-Land, IJsland en Noorwegen, en evenmin met de stroomingen, die daar heerschen, en die alleen den sleutel konden geven tot de oplossing van het raadsel.
Nu stond het onwrikbaar vast, dat gedurende den tijd, begrepen tusschen het oogenblik dat de _Viken_ het anker te Saint Pierre-Miquelon gelicht had en onder zeil gegaan was, en dat de flesch door het Deensche vaartuig was opgevischt, onafgebroken windvlagen, zelfs stormen uit het zuidoosten dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan beroerd hadden. Ongetwijfeld was aan een dezer stormen de schipbreuk van de _Viken_ toe te schrijven. Waarschijnlijk had het ontredderde vaartuig niet kunnen bijleggen en voor den wind moeten lenzen. Nu beginnen in het seizoen der lenteëvening de ijsschotsen en ijsbergen uit de Poolzeeën naar den Atlantischen Oceaan af te drijven. Het was dus mogelijk, dat een botsing plaats had gehad, waarbij de _Viken_ tegen een van die drijvende klippen, die zoo moeielijk te mijden zijn, verbrijzeld was geworden.
Nam men nu die veronderstelling aan, dan was het toch mogelijk, dat de bemanning zich althans gedeeltelijk op een van die ijsvelden gered had, zelfs dat zij gelegenheid had gehad eene zekere hoeveelheid levensmiddelen daarop over te brengen.
Wanneer dat zoo was, dan was de ijsschots met haren kostbaren last door de zuidoostenwinden naar het noordwesten gedreven geworden en kon het dus als mogelijk aangenomen worden, dat de geredde schipbreukelingen de gelegenheid gevonden hadden, op het eene of andere punt van de Groenlandsche kust aan wal te komen.
Het was dus in die richting en in die streken, dat de nasporingen moesten geschieden.
Zoo luidde het antwoord, dat met eenparige stemmen door die zeelieden uitgebracht werd op de verschillende vragen, door professor Sylvius Hog geopperd.
Er bestond bij niemand twijfel, dat op de aangegeven wijze te werk moest gegaan worden.
Maar.... wat zou er anders dan wrakstukken weergevonden worden, als de _Viken_ inderdaad tegen een drijvenden ijsberg gebonsd had? Zou men in dat geval durven hopen, dat enkelen zich hadden kunnen redden?
Het antwoord daarop moest voorzeker meer dan twijfelachtig luiden.
Toen de professor die twee vragen bepaald en stellig deed, bemerkte hij dra, dat de meest bevoegden niet konden of wilden antwoorden.
Dat was evenwel geen reden, om niet te handelen,--daarin stemden allen overeen,--maar dan moesten de nasporingen dadelijk beginnen. Er mocht geen tijd verloren gaan.
Te Bergen zijn gewoonlijk eenige vaartuigen aanwezig, die deel uitmaken van de Noorweegsche rijksvloot.
Tot die havenplaats behoort een der drie snelvarende stoomschepen, die den dienst langs de geheele westkust waarnemen, waarbij zij de havens en reeden van Drontheim, Finmark, Hammerfest, en de Noordkaap aandoen. Gelukkig lag dat stoomschip toen in de baai voor anker.
Nadat hij een proces-verbaal opgemaakt had, dat een beknopt overzicht leverde van de meeningen der zeelieden, die bij Help Junior vergaderd waren, begaf professor Hog zich dadelijk aan boord van het gouvernements-stoomschip _Telegraaf_ en overhandigde den bevelhebber van dien bodem de schriftelijke opdracht, die hij van het gouvernement had weten te bekomen.
Die bevelhebber ontving den professor met de meeste heuschheid en verzekerde hem, dat hij van zijne zijde de ijverigste medewerking te verwachten had. Hij had die zeeën veelvuldig bevaren op de lange en gevaarlijke tochten, die de visschers van Bergen, van de Loffoden en van Finmarken zoover van hun vaderland doen afdwalen, soms zelfs tot bij de vischgronden van IJsland of van New-Found-Land. Hij was dus door zijne speciale bekendheid met dit gedeelte van het vraagstuk, in het bijzonder in staat nuttig te zijn bij de menschlievende taak, die ondernomen moest worden en beloofde dan ook, dat hij er zich geheel en al aan zou wijden.
Wat het proces-verbaal betrof, dat hem professor Silvius Hog overreikte, en waarin het vermoedelijke punt, waar de schipbreuk plaats gehad zoude hebben, aangegeven was, daarmede kon hij zich ten volle vereenigen en nam dan ook de eindbeslissingen daarvan als de zijne aan.
Men moest gaan zoeken in dat gedeelte van de Noordelijke IJszee, dat tusschen IJsland en Groenland begrepen is. Als er nog schipbreukelingen of wrakstukken van de _Viken_ over waren, dan zouden zij daar te vinden zijn. Als de gezagvoerder van de _Telegraaf_ daar niet slaagde, dan zou hij zijn nasporingen tot de naburige streken uitstrekken en er niet tegen opzien om de geheele oostkust van de Baffinsbaai te doorzoeken.
»Ik ben tot vertrek gereed, mijnheer Hog," besloot de gezagvoerder. »Ik heb steenkolen en levensmiddelen ingenomen, mijne bemanning is aan boord, en ik kan heden nog uitstoomen."
»Ik dank u, commandant," antwoordde de professor, »ik ben getroffen door de uitmuntende ontvangst, die gij mij bereid hebt. Maar vergun mij nog eene vraag?"
»Geheel tot uw dienst, mijnheer Hog," hernam de bevelhebber met een beleefde buiging.
»Kunt gij mij zeggen, hoeveel tijd er noodig zal zijn, om de Groenlandsche wateren te bereiken?"
»Mijn vaartuig loopt tien mijlen in de wacht."
»Tien mijlen.... in de wacht?"
»Ja, professor, geografische mijlen, van vijftien op een graad en gelijkstaande met drie Engelsche mijlen."
»O, zoo!"
»Mijn vaartuig loopt dus tien mijlen. En daar de afstand van Bergen naar Groenland ongeveer twintig graden bedraagt, denk ik Groenland binnen een vijftal dagen te bereiken."
»Zet er zooveel mogelijk haast achter, commandant," hernam de professor. »Als eenige schipbreukelingen aan de ramp hebben kunnen ontkomen, dan verkeeren zij zeker reeds sedert twee maanden in de grootste ellende en sterven schier van honger op de een of andere afgelegen kust."
»Ik zal geen oogenblik laten verloren gaan, professor. Heden nog zal ik van het intreden der eb gebruik maken, om zee te kiezen, en ik zal steeds zoo hard mogelijk laten stoomen."
»Goed zoo, ik dank u bij voorbaat."
»En zoodra ik in het bezit van de een of andere aanwijzing geraak, zal ik het departement van Marine te Christiania per telegraaf uit New-Found-Land daarvan verwittigen."
»Welnu, commandant, vertrek dan," antwoordde professor Sylvius Hog, »en God geve, dat gij moogt slagen!"
»Amen!" zei de gezagvoerder aangedaan.
De _Telegraaf_ koos denzelfden dag zee en werd bij haar vertrek met hoera's van de geheele bevolking van Bergen begroet.
[Illustratie: Professor Sylvius Hog begon dadelijk allen op de hoogte van den toestand te brengen. Blz. 142.]
Men zag het schip niet zonder aandoening in de krommingen van het vaarwater wenden en draaien, en daarna achter de laatste eilandjes van den fjord verdwijnen.
Bij dien tocht, dien hij het stoomschip _Telegraaf_ opgedragen had, bepaalden zich de pogingen van professor Sylvius Hog niet.
Volgens hem kon veel meer gedaan worden. Andere schepen b. v. konden ook trachten een spoor van de _Viken_ te ontdekken. Zou het niet mogelijk zijn een soort van edelen wedijver tusschen de handelsvaartuigen, de visschersschuiten, de joëgts of andere schepen in het leven te roepen. Wanneer die hunne hulp verleenden, terwijl zij in de omstreken van de Far-öer of van IJsland stevenden, zou er zeer veel gewonnen zijn. Ongetwijfeld! Een premie van twee duizend mark werd dan ook in naam van het gouvernement uitgeloofd aan ieder vaartuig, dat eenig bericht omtrent het vergane schip kon mededeelen en van vijf duizend mark aan hem, die een der schipbreukelingen in het vaderland terugbracht.
Zoo besteedde professor Sylvius Hog de beide dagen, die hij te Bergen doorbracht.
Hij deed alles wat mogelijk was, om die nasporingen te doen slagen, en hij werd daarbij behoorlijk door zijn vriend, den heer Help Junior, en ook door de verschillende autoriteiten gesteund.
De heer Help wenschte den professor nog eenigen tijd als gast bij zich te behouden. Maar deze bedankte beleefd nog langer in die stad te blijven. Hij verlangde om weer bij Hulda en Joël te zijn, daar hij reeds vreesde, hen te lang aan zich zelven overgelaten te hebben.
De heer Help Junior beloofde hem evenwel elk bericht omtrent de _Viken_ dadelijk naar Dal te seinen.
De professor wilde in dat geval zelf de familie Hansen de tijding, hetzij goed of kwaad, mededeelen.
Op den morgen van den 4den scheepte Sylvius Hog zich, na afscheid van zijn vriend Help Junior genomen te hebben, op de _Run_ in om den Hardanger fjord over te steken. Zoo hij geen tegenspoed had, hoopte hij op den avond van den 8sten in het Telemarksche terug te zijn.
XIV.
HET LOTERIJBRIEFJE AFGESTAAN.
Dienzelfden dag, waarop professor Sylvius Hog Bergen verlaten had, was eene gewichtige gebeurtenis in de herberg van Dal voorgevallen.
Nadat de professor vertrokken was, scheen het huis uitgestorven te zijn. Het was alsof die goede genius van Hulda en Joël Hansen met de laatste hoop ook al de levendigheid der familie had medegevoerd.
Het was, alsof hij bij zijn vertrek een sterfhuis achtergelaten had.
Daarenboven verscheen er gedurende die twee dagen geen enkele toerist te Dal. Dat was niet ongelukkig: want daardoor ontbrak aan Joël Hansen de gelegenheid om afwezig te zijn en kon hij bij zijne zuster Hulda blijven. Hij zou zich toch zeer angstig gevoeld hebben, als hij haar in de gegeven omstandigheden alleen had moeten laten.
En met recht. Want vrouw Hansen werd inderdaad al meer en meer beheerscht door hare geheime onrust. Zij scheen geheel en al vreemd te zijn geworden aan alles, wat hare kinderen betrof. Zij had zelfs geen gedachte meer voor de schipbreuk der _Viken_. Zij bleef geheele dagen in hare kamer en vertoonde zich alleen bij de maaltijden. En als zij dan het woord richtte, hetzij tot Hulda, hetzij tot Joël, was het slechts, om hen met direkte of indirecte verwijtingen te overstelpen, betreffende het loterijbriefje, dat zij tot geen prijs, hoe groot ook, wilden afstaan.
Hierbij moet vermeld worden, dat de aanbiedingen voor dat loterijbriefje niet opgehouden hadden. Van alle kanten, uit alle werelddeelen waren zij ingekomen. Het was, alsof een besmettelijke waanzin sommige breinen bevangen hadden. Het scheen wel dat op dit loterijbriefje het groote lot van honderdduizend mark moest vallen. Het was, alsof in die loterij slechts een enkel nummer bestond, en dat dit nummer het bekende 9672 was!
En inmiddels duurde de wedstrijd tusschen den Engelschman van Manchester en den Amerikaan van Boston steeds voort. De Engelschman was er in geslaagd het bod van den Amerikaan met eenige ponden te overtreffen. Maar op zijn beurt werd hij weer met eenige honderden dollars voorbijgestreefd. Het laatste bod bedroeg achtduizend mark. Men kon dit slechts aan eene soort van verstandsverbijstering toeschrijven, tenzij men in dien wedstrijd een nationale wedijver tusschen Amerika en Groot-Brittanje mocht willen zien. Maar hoe het ook zij, Hulda sloeg alle aanbiedingen, hoe voordeelig ook, van de hand, wat de bitterste verwijtingen van den kant harer moeder uitlokte.
»En als ik u nu eens gelastte dat loterijbriefje af te staan!" zeide zij op zekeren dag tegen hare dochter. »Ja, als ik u dat nu eens gelastte, wat zoudt gij dan doen?"
»Dat zult gij niet doen, moeder!" kreet het meisje, dat zich aan den twijfel, in die woorden heerschende, vastklemde. »Dat zult gij niet doen, moeder."
»Maar, als ik het nu eens deed?"
»Dan zoudt gij mij wanhopig maken, moeder," antwoordde Hulda, »want ik zou genoodzaakt zijn het te weigeren."
»Het te weigeren, Hulda?"
»Helaas, ja, moeder!"
»En als het dan eens moest?"
»Wat zou ons kunnen dwingen, moeder?" vroeg Joël.
Vrouw Hansen antwoordde niet, maar zij was bleek geworden, toen haar die vraag zoo bepaald gesteld werd. Zij trok zich in hare kamer terug, terwijl zij bij het heengaan onverstaanbare woorden mompelde.
»Er is iets ernstigs aan de hand," zei Joël tot zijne zuster.
»Dat vrees ik ook," antwoordde deze.
»Het kan niets anders zijn dan die zaak met Sandgoïst."
»Ja, broeder. Wij moeten op dreigende verwikkelingen voor de toekomst bedacht zijn."
»Arme Hulda! worden wij door het leed, dat wij sedert een paar weken te dragen hebben, nog niet genoeg beproefd? Welke ramp dreigt ons nog?"
»O, wat blijft mijnheer Sylvius Hog lang weg!" zei Hulda. »Als hij zich hier bevindt, ben ik te moede, alsof ik minder wanhopig ben."
»En toch...."
Joël aarzelde, om het vertrouwen zijner zuster te schokken.
»Maar wat?" vroeg zij. »Gij zeidet: en toch...."
»En toch, wat zou hij voor ons kunnen uitrichten?"
Ja, op die vraag was geen antwoord te geven.
Maar, wat bestond er toch in het verleden van vrouw Hansen, dat zij aan hare kinderen niet wilde, niet durfde toevertrouwen?
Was het kwalijk begrepen eigenliefde, die haar belette hen deelgenooten te maken van de oorzaak harer onrust?
Had zij zich zelve verwijtingen te doen?
En dan die dwang, die zij met betrekking tot het loterijbriefje op hare dochter poogde uit te oefenen? Dat briefje kwam toch van Ole Kamp, en die omstandigheid verleende er eene zoo groote waarde aan, dat zij het voor geen geld wilde afstaan.
Hoe kwam zij er toe, zoo begeerig te zijn dat geld machtig te worden?
Hulda en Joël zouden het weldra vernemen.
Op den 4den Juli had Joël des ochtends zijne zuster begeleid naar de kleine kapel, waar Hulda dagelijks heenging, om voor den rampzaligen schipbreukeling te bidden.
Hij bleef wachten gedurende dat gebed, om haar naar huis terug te brengen.
Dien dag bespeurden beiden op de wandeling naar huis in de verte onder de schaduw der boomen vrouw Hansen, die haastig voorstapte en zich naar de herberg begaf.
[Illustratie: Op den morgen van den 4den scheepte Sylvius Hog zich op de _Run_ in. Blz. 146.]
Zij was niet alleen. Een man begeleidde haar, een man, die heftig tot haar scheen te spreken en haar dreigde; althans, van verre gezien, waren zijne gebaren gebiedend.
Hulda en haar broeder waren eensklaps blijven staan.
»Wie kan die man zijn?" vroeg Joël.
»Ik weet het niet," antwoordde Hulda.
Maar, bij het geven van dat antwoord, trad het jonge meisje eenige schreden vooruit.
»Ik herken hem," zeide zij eensklaps.
»Herkent ge hem?"
»Ja."
»Wie is het dan?"
»Wel, het is die Sandgoïst!"
»Sandgoïst van Drammen?"
»Ja!"
»Diezelfde kerel, die eens gedurende mijne afwezigheid te Dal is gekomen?...."
»Ja dezelfde!"
»En die zich als heer en meester aanstelde, alsof hij rechten kon doen gelden op moeder... op ons misschien?"
»Dezelfde, broeder!"
»Wat zou hij hier komen doen?"
»Ongetwijfeld zijne rechten komen opeischen."
»Zijne rechten!.... Maar welke rechten?"
»Dat weet ik niet."
»O, ditmaal zal en moet ik weten, wat die man in zijn schild voert, wat hij hier komt doen!"
»Bedaar, broeder, bedaar!"
Maar Joël had moeite om bedaard te blijven. Hij verborg zich evenwel met zijne zuster achter de boomen.
Eenige oogenblikken later bereikten vrouw Hansen en Sandgoïst de deur der herberg. Hij trad het eerst den drempel over en achter vrouw Hansen viel de deur dicht.
Beiden namen plaats in de groote zaal.
Toen naderden Joël en Hulda het huis, waarin de knorrige stem van Sandgoïst vernomen werd.
Zij bleven staan en luisterden.
Juist sprak vrouw Hansen, maar met eene smeekende stem.
»Kom, laat ons naar binnen gaan," zei Joël.
En beiden, Hulda het hart vol weemoed, Joël bevende van ongeduld maar ook van toorn, traden de groote zaal binnen en sloten de deur zorgvuldig achter zich.
Sandgoïst zat in den grooten leuningstoel. Hij stond niet op, toen hij broeder en zuster bemerkte. Hij vergenoegde zich met het hoofd naar hen toe te keeren en hen over zijn bril heen aan te gluren.
»Dat is de bekoorlijke Hulda, als ik mij niet bedrieg," zei hij.
De toon zijner stem klonk Joël onaangemaan in de ooren.
Vrouw Hansen stond bij het binnenkomen harer kinderen in eene nederige houding, die bovendien getuigde van vrees, voor dien man. Zij richtte zich evenwel dadelijk op en scheen door hunne komst zeer gedwarsboomd te zijn.
»En dat is zeker haar broeder?" ging Sandgoïst voort.
»Ja, ik ben haar broeder," zei Joël kortaf.
»Wat moet gij hier?" vroeg hij barsch, tot op twee passen van den leuningstoel genaderd.
Sandgoïst wierp hem een vertoornden blik toe en zonder op te staan, antwoordde hij met harde en boosaardig klinkende stem:
»Dat zal ik u mededeelen, jongmensch! Inderdaad, gij komt als geroepen. Ik was verlangend u te zien, en als uwe zuster een verstandig meisje is, zullen wij elkander wel verstaan en begrijpen. Maar komaan, ga zitten en gij ook, jonge dochter."
Sandgoïst noodigde hen uit om plaats te nemen, alsof hij in die woning te Dal baas was. Joël kon niet nalaten er een woordje van te zeggen.
»He, he!" antwoordde Sandgoïst. »Hindert u dat? Drommels, ik geloof dat die jongen niet gemakkelijk is."
»Neen, niet gemakkelijk, zooals gij zeer juist zegt," hernam Joël. »Onthoud, dat ik iemand ben, die slechts beleefdheden aanneem van hen, die het recht hebben ze te bewijzen!"
»Joël," riep vrouw Hansen uit.
»Broeder!.... broeder!" kreet Hulda, wier smeekende blik Joël tot zelfbeheersching aanmaande.
»Kan ik thans spreken?" vroeg Sandgoïst.
Vrouw Hansen keek hare kinderen even aan, daarna knikte zij toestemmend. Dat was het eenige antwoord, dat op de vraag gegeven werd. Maar, het scheen dat die knik voldoende was.
»Hoort dan wat ik u te zeggen heb," ging de indringer voort, »en luistert alle drie aandachtig; want ik houd er niet van mijne woorden te herhalen!"
Dat alles werd gezegd op den toon van iemand, die het recht meent te hebben, zijnen wil aan zijne toehoorders op te dringen.
»Luistert gij?" vroeg hij.
Noch Joël, noch zijne zuster Hulda antwoordden. De moeder alleen knikte.
»Door de dagbladen," ging Sandgoïst voort, »heb ik het wedervaren van een zekeren Ole Kamp, een jeugdig zeeman van Bergen vernomen, alsook die zotte geschiedenis van het loterijbriefje, dat hij aan zijne bruid Hulda toezond op het oogenblik toen de _Viken_ zonk...."
Hulda opende den mond, alsof zij spreken wilde.
»Laat mij voortgaan," zei de bullebak. »Ik heb ook vernomen, dat het publiek, dat wil zeggen de domme massa aan dat loterijbriefje eene bovennatuurlijke waarde hecht, die geput wordt uit de omstandigheden, waarin het gevonden en in uwe handen geraakt is...."
»Ter zake!... ter zake!...." riep Joël ontstuimig.
»Geduld! Geduld, jonge man!" ging Sandgoïst tartend langzaam voort. »Geduld!.... en hoor verder. Ik heb ook vernomen, dat aan dat loterijbriefje eene bijzondere waarde gehecht wordt met betrekking tot de kansen in de aanstaande trekking...."
»Ter zake!...." herhaalde Joël al meer en meer ongeduldig.