Chapter 12
Aanvankelijk waren de aangeboden prijzen bescheiden en laag; maar zij stegen van dag tot dag. Het was dus te voorzien, dat naarmate de trekkingsdag naderde, de aanbiedingen al hooger en hooger zouden worden. Zooiets was inderdaad als onvermijdelijk te beschouwen.
De aanbiedingen kwamen niet alleen uit de Scandinavische streken, waar men zoo geneigd is te gelooven aan de tusschenkomst van bovenaardsche machten en wezens in de ondermaansche aangelegenheden, maar ook uit den vreemde, zelfs uit Frankrijk, waar men anders in zulke zaken uiterst sceptisch is.
Zelfs de Hollanders en de Engelschen, die anders nog al als zeer flegmatisch afgeschilderd worden, bemoeiden zich er mede; ja ook de Amerikanen, die gewoonlijk niet veel dollars overhebben voor dergelijke minder practische speculatiën.
Het aantal brieven, dat te Dal aangebracht werd, was aanzienlijk. Daarenboven verzuimden de dagbladen natuurlijk niet de verschillende aanbiedingen, die der familie Hansen gedaan werden te bespreken, waarbij ze niet weinig overdreven. Men kan zeggen, dat er een soort van beurs gehouden werd, waarvan de noteering natuurlijk varieerde, maar steeds hooger en hooger ging.
En inderdaad, men was er reeds toe gekomen, om voor dat loterijbriefje, waarvan de kans slechts als één tegen negenhonderd negen en negentig duizend, negenhonderd negen en negentig stond om den hoofdprijs van honderd duizend mark te winnen, verscheidene honderden mark te bieden. Dat was ongetwijfeld dwaas, maar over bijgeloof valt niet te redeneeren.
De gemoederen raakten dan ook al meer en meer opgewonden, de verbeelding speelde menigeen parten en de aangeboden prijs klom hooger en hooger en zou blijven klimmen, zooals spoedig genoeg bewezen werd.
Acht dagen na de gebeurtenis vermeldden de dagbladen, dat de koers van het loterijbiljet, duizend, vijftienhonderd, tweeduizend mark en meer bedroeg.
Een Engelschman, geboortig uit Manchester, had zelfs tot honderd vijftig pond sterling geboden, wat eene som van 3000 mark of van 1800 gulden in Nederlandsch geld vertegenwoordigde.
Een Amerikaan van Boston bood nog hooger en wilde voor het nummer van de loterij voor de scholen van Christiania de som van 1000 dollars, dus ruim vier duizend mark of twee duizend vijf honderd gulden betalen.
[Illustratie: Maar Hulda sloeg alle aanbiedingen van de hand. Blz. 130.]
Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat Hulda Hansen zich hoegenaamd niets om die hartstochtelijke speculatie van een deel van het publiek bekommerde. Van het meerendeel der brieven, die omtrent het bewuste loterijbriefje naar Dal verzonden waren, had zij geen kennis willen nemen.
Toch was professor Sylvius Hog van meening, dat zij zich op de hoogte moest houden van de voorstellen en aanbiedingen, die haar gedaan werden, daar Ole Kamp haar dat loterijbriefje met het nummer 9672 in vollen eigendom vermaakt had.
Maar Hulda sloeg alle aanbiedingen van de hand. Dat loterijbriefje vertegenwoordigde voor haar iets van veel meer waarde dan een hoop geld. Dat loterijbriefje was voor haar de laatste brief van haren bruidegom.
En nu moet men niet gelooven, dat het arme meisje daarbij bewogen werd door de nevengedachte dat zij een der hoofdprijzen der loterij zou kunnen winnen.
Neen; zij zag daarin slechts het laatste vaarwel van den armen schipbreukeling, eene reliquie, die zij zorgvuldig bewaren wilde.
Neen; zij dacht niet aan de kansen om een vermogen deelachtig te worden, dat de arme Ole Kamp niet meer met haar zou kunnen deelen!
Was er iets aandoenlijkers, iets kieschers te bedenken dan die godsdienstige vereering van zijn nagedachtenis? Neen, niet waar? Dat zal men moeten bekennen.
Hierbij kwam nog, dat Sylvius Hog en Joël Hansen geen invloed op Hulda wilden uitoefenen, al meenden zij verplicht te zijn, haar met de vele en uiteenloopende aanbiedingen bekend te maken. Daarin kwamen beide mannen overeen, dat zij slechts aan de inspraak van haar hart gehoor moest geven. En de lezer weet, wat dat hart geantwoord had.
Daarenboven keurde Joël de gedragslijn zijner zuster volkomen goed. Ook volgens hem mocht het loterijbriefje van Ole Kamp, aan niemand, tegen welken prijs ook, overgedaan worden.
Sylvius Hog van zijn kant ging nog een stap verder. Hij keurde Hulda's gedrag niet alleen goed, maar hij wenschte haar zelfs geluk, dat zij het oor niet wilde leenen aan zulken handel.
»Wat zou dat voor een schouwspel zijn," zei hij, »als dat loterijbriefje, hier gekocht, daar verkocht, elders weer aangeboden en verder weer afgestaan werd; wanneer dat briefje van hand tot hand ging, als ware het bankpapier, totdat de trekkingsdag daar zou zijn, die er waarschijnlijk een vod van zoude maken."
Hulda rilde bij de gedachte aan zoo iets.
Maar Sylvius Hog ging zelfs nog verder.
Zou die geleerde, die professor bij geval bijgeloovig zijn? Neen, zeker niet. Maar wanneer Ole Kamp aanwezig geweest was, zou hij hem waarschijnlijk toegevoegd hebben:
»Bewaar dat loterijbriefje zorgvuldig, mijn jongen! Bewaar het goed! Men heeft het eerst uit zee opgevischt, daarna heeft men het bij u gebracht! Welnu.... het staat te bezien.... Men kan nooit weten.... Het zou kunnen.... Neen, gij moet het bewaren!"
En als Sylvius Hog, professor in de rechtswetenschappen, afgevaardigde van de Storthing, zoo dacht, is het dan te verwonderen, dat het gros van het publiek zoo dwaas was?
Neen, niet waar?
Niets was dan ook natuurlijker dan dat nummer 9672 opgeld deed, en dat de aanbiedingen voor het loterijbriefje al hooger en hooger werden.
In de herberg van Dal was er niemand, die tegen dat zoo eerbiedwaardig gevoel, onder welks invloed het jonge meisje handelde, protesteerde, behalve de moeder der beide jonge lieden.
Men hoorde vrouw Hansen soms pruttelen en verwijtingen uiten, vooral wanneer hare dochter Hulda afwezig was. Dat dit Joël veel verdriet veroorzaakte, is te begrijpen.
Zijn moeder zou zich niet--zoo dacht hij althans--tot pruttelen en verwijten blijven bepalen. Zij zou waarschijnlijk beproeven Hulda in geheim onder handen te nemen, om haar over te halen het oor aan de gedane aanbiedingen te leenen en het hoogste bod aan te nemen.
»Vijf duizend mark voor dat loterijbriefje," herhaalde zij voortdurend. »Vijf duizend mark zijn geboden. Waarachtig, dat is een mooi bod!"
Klaarblijkelijk zag vrouw Hansen niet of wilde ze niet zien, hoe kiesch en teerhartig die weigering harer dochter was. Zij had hare gedachten slechts op die, in hare oogen, zoo belangrijke som van vijfduizend mark gevestigd.
Een woord, een enkel woord van Hulda zou voldoende zijn om dat geld in huis te halen.
Zij geloofde bovendien niet aan de beweerde bovennatuurlijke waarde van dat loterijbriefje, hoewel zij eene Noorweegsche in hart en nieren was. En om nu die vijf duizend mark ten offer te brengen aan één millioenste kans er honderd duizend te winnen, dat was volgens haar te erg; dat kon in haar koud en positief brein geen ingang vinden.
Toch mag--alle ziekelijke overdrijving ter zijde gesteld,--de volgende bewering niet onjuist genoemd worden, namelijk, dat, in zoo bijzondere omstandigheden als deze het geene daad van overleg kon genoemd worden om het zekere voor het onzekere te verwerpen. Maar het kan niet genoeg herhaald worden, dat stukje papier was voor Hulda Hansen geen loterijbriefje, geen middel om baatzuchtige gevoelens te bevredigen, het was de laatste brief van Ole Kamp, van den man, dien zij innig lief had gehad, en nog had, en haar hart zou gebroken zijn bij de gedachte alleen, dat zij dien brief uit hare handen zoude geven. Neen, neen! dat kon zij niet!
Intusschen toonde vrouw Hansen maar al te duidelijk, dat zij de handelwijze harer dochter in dezen grootelijks afkeurde. Men gevoelde, dat zich een groote bitterheid, eene innige gramschap in haar gemoed ophoopte. En inderdaad het was maar al te zeer te vreezen, dat zij den een of anderen dag van hare dochter Hulda zou vergen, dat deze op haar genomen besluit zou terugkomen. In dien zin had zij reeds tot Joël gesproken, die toen niet geschroomd had zonder aarzelen de partij zijner zuster te kiezen.
Sylvius Hog was natuurlijk op de hoogte van die omstandigheden gebracht geworden.
Helaas, de gemoedsstemming harer moeder was een verdriet te meer bij al de smarten van de arme Hulda, wat de goedhartige professor ten zeerste betreurde.
Soms maakte die omstandigheid het onderwerp van het gesprek tusschen hem en Joël uit.
»Heeft mijne zuster geen gelijk?" vroeg deze dan. »En handel ik niet goed als ik hare weigering, om het loterijbriefje van de hand te doen, goedkeur?"
»Voorzeker," antwoordde Sylvius Hog met overtuiging. »Maar toch valt er...."
»Wat wilt ge zeggen?"
»Toch valt, uit een financieel oogpunt beschouwd, niet te ontkennen, dat uwe moeder groot gelijk heeft."
»Dat mijne moeder gelijk heeft?"
»Zeker...."
»Dus gij zoudt Hulda aanraden?...."
»Volstrekt niet. Want niet alles is Goddank een rekenkunstig vraagstuk in deze wereld! Het twee en drie is vijf heeft niets te maken met hartzaken!"
Men had zich genoodzaakt gezien Hulda gedurende deze laatste weken ernstig gade te slaan. Zij ging zoodanig onder hare smart gebukt, dat haar gezondheid inderdaad ongerustheid begon in te boezemen. Gelukkig, dat goede verzorging en doelmatige verpleging niet ontbraken.
Sylvius Hog verzocht den beroemden geneesheer, Dr. Bock, een zijner talrijke vrienden, om terstond naar Dal te komen, ten einde de jeugdige zieke te zien. Hij kwam, maar had niets anders voor te schrijven dan rust voor het lichaam en kalmte voor het gemoed zoo dit laatste mogelijk was. Het eenige middel tot genezing zou evenwel de terugkeer van Ole Kamp geweest zijn, en.... over dat middel kon door geen menschelijk wezen beschikt worden, dat kon God alleen.
In ieder geval was Sylvius Hog niet karig met zijne troostredenen wanneer hij bij het jonge meisje gezeten was. Dan was hij onuitputtelijk in het vinden van woorden, die een troostrijk verschiet openden. En.... het merkwaardigste was, dat Sylvius Hog niet, hoe onwaarschijnlijk dit klinken moge, wanhoopte.
Dertien dagen waren reeds verloopen sedert het loterijbriefje, door het departement van Marine van Christiania naar Dal verzonden, daar ontvangen werd.
De trekking van de loterij ten behoeve der scholen in de hoofdstad van Noorwegen zou met den meesten luister in een der ruimste zalen van Christiania plaats hebben.
Sylvius Hog ontving, juist in den ochtend van den 30sten Juni, een tweeden brief van het departement van Marine als antwoord op zijne dringend herhaalde verzoeken tot het doen van nasporingen. In dien brief werd hem aangeraden zich te verstaan met de maritime autoriteiten te Bergen en hem de vereischte volmacht verleend, om dadelijk de noodige nasporingen met behulp van staatsmiddelen te laten doen.
De professor wilde zich tegenover Hulda en Joël niets laten ontvallen, omtrent hetgeen hij wilde ondernemen. Hij vergenoegde zich derhalve, met hun zijn vertrek mede te deelen, waarvoor hij als reden opgaf dat hij eenige zaken af moest doen; hij voegde er bij dat zijne afwezigheid slechts weinige dagen zou duren.
»Mijnheer Sylvius!...." snikte het wanhopige meisje.
»Wat wilt gij zeggen, lieve Hulda?"
»O, ik smeek u verlaat ons toch niet!...."
»Ik u verlaten!.... U, die ik als mijne kinderen beschouw!... Hoe is het mogelijk?.... Hoe komt gij op die gedachte?...." riep Sylvius Hog uit.
Joël stelde voor hem te vergezellen. Maar, daar hij de beide kinderen zelfs niet wilde laten vermoeden, dat hij naar Bergen ging, veroorloofde hij den jongeling niet verder dan tot Moel met hem mede te gaan. Daarenboven meende hij, dat het niet goed zoude zijn, wanneer Hulda met hare moeder alleen bleef.
Het lieve kind was eenigen tijd bedlegerig geweest doch kon thans weer wat opzitten; maar zij was toch nog zoo zwak dat zij hare kamer moest houden. Haar broeder begreep dus dat hij haar niet mocht verlaten.
Het karretje stond tegen elf uur voor de deur der herberg. De professor nam er met Joël in plaats, nadat hij het jonge meisje tot afscheid de hand gedrukt had. Zij keek hen na en zag hen bij een kromming van den weg onder de groote beukeboomen, die op den oever der Maan-rivier stonden, verdwijnen.
Denzelfden avond was Joël te Dal terug.
XIII.
SYLVIUS HOG TE BERGEN.
Professor Sylvius Hog was dus naar Bergen vertrokken.
Zijn geestkracht, hoewel een oogenblik aan het wankelen gebracht, had wederom de bovenhand verkregen. Hij kon maar steeds niet aan den dood van Ole Kamp gelooven of aannemen, dat Hulda veroordeeld was om haren bruidegom niet weder te zien.
Neen! zoolang het feit hem niet werkelijk bewezen was, hield hij het voor valsch. En die overtuiging was, zooals men dat wel eens gemeenzaam uitdrukt hem te machtig.
Maar was hij dan in het bezit van de eene of andere aanwijzing, die hem de mogelijkheid voorspiegelde, dat zijn verrichtingen te Bergen met goed gevolg bekroond zouden worden?
Ja, hij had zulk een aanwijzing; maar zij was wel onbepaald, wel zwak, dat moest men erkennen.
Hij wist de dagteekening, waarop Ole Kamp, de stuurman van de _Viken_, het loterijbriefje in zee geworpen had. Hij kende daarenboven de dagteekening waarop, en de streek alwaar de flesch, waarin dat briefje besloten was geweest, opgevischt werd. Die tweede inlichting had hij uit den laatsten brief van het departement van Marine gekregen en het was juist die inlichting, welke hem had doen besluiten dadelijk naar Bergen te vertrekken, ten einde met de gebroeders Help en de ervarenste zeelieden van die havenplaats te beraadslagen. Misschien zou dat voldoende zijn om de nasporingen, die omtrent het lot van de _Viken_ gedaan zouden worden, met oordeel te doen plaats hebben.
De overtocht naar Bergen geschiedde zeer voorspoedig en in de kortst mogelijke tijdsruimte.
Sylvius Hog zond bij aankomst te Moel zijn metgezel met het karretje terug. Daar nam hij plaats in een van die vaartuigen, van berkenschors vervaardigd, die de gemeenschap op het Tinnermeer onderhouden. Te Tinoset huurde hij andermaal een karretje, en in stede van zuidwaarts, naar den kant van Bambel, te rijden, volgde hij de wegen van het Hardangsche, teneinde de golf van dien naam langs het kortste pad te bereiken.
Vandaar kon hij aan boord van de »_Run_", eene kleine stoomboot, die den dienst op de golf verrichtte, naar den mond van dien zeeboezem vertrekken. Eindelijk na een waren doolhof of liever een netwerk van fjords doorgestevend en de overgroote menigte eilanden, waarmede het Noorweegsche kustland als het ware bezaaid is, langs gevaren te zijn, kwam hij op den tweeden Juli, bij het aanbreken van den dag te Bergen aan en ging daar aan wal.
Deze oude stad, die door de beide fjords van Sogna en Hardanger, bespoeld wordt, ligt in eene prachtige landstreek, die op Zwitserland zal gelijken, wanneer eenmaal een kunstmatige zeearm de wateren van de Middellandsche zee aan den voet van den Simplon of den Sint-Gothard zal voeren.
Eene laan van hooge esscheboomen voert naar de eerste woningen van Bergen. De huizen met de puntige gevels, glinsteren van witheid en reinheid, als waren het Arabische villa's, en zijn opgehoopt in dien ongelijkzijdigen driehoek, die de veertigduizend bewoners van die bevallige stad bevat.
Hare kerkgebouwen dagteekenen van de XIIde eeuw. Haar hooge kathedraal steekt boven alle gebouwen uit en strekt den zeevaarder, die van uit den oceaan landwaarts stevent, tot een veilig baken naar de haven.
Bergen is de voornaamste handelsstad van Noorwegen, evenals Amsterdam de aanzienlijkste handelsplaats van Nederland, en Antwerpen die van België is. Zij is dat, niettegenstaande zij van de gewone middelen van verkeer verstoken is, en ver van een groot bevolkingscentrum ligt, namelijk van de twee andere steden van het rijk, Christiania en Drontheim, die eigenlijk, uit een staatkundig oogpunt beschouwd, den eersten en tweeden rang innemen.
Bergen, in het ambt Soendre-Bergenhuus gelegen, verrijst op een voorgebergte, dat aan drie kanten door diep ingesneden fjorden omgeven is. Het voorgebergte zelf hangt door eene smalle landtong met de Hardanger fjelds samen, die in de nabijheid van de stad eene hoogte van 700 meter bereiken. Bergen is door hooge muren en forten tegen vijandelijke aanrandingen beveiligd en verheft zich amphitheatersgewijze boven hare veilige haven, die in de lage terreinen door weilanden, tuinen en buitenverblijven, maar verderop door kale en woeste rotsgevaarten omgeven is. De stad bestaat uit drie deelen en heeft zeer nauwe straten. De meeste huizen zijn van hout. Zij bevat zes pleinen, een kathedraal en zeven andere kerken, verder een museum, vijf openbare boekerijen, een gymnasium, eene zeevaartschool, een schouwburg en drie hospitalen. De stad ligt nog al beschermd tegen noordenwinden, waardoor de luchtgesteldheid betrekkelijk zacht mag genoemd worden. Er valt te Bergen evenwel zeer veel regen.
Het aantal inwoners bedraagt ongeveer 42.000, die een belangrijken handel, vooral in houtwaren, haring, stokvisch en levertraan drijven. Men treft er ook eenige fabrieken en scheepstimmerwerven aan.
De zeevaart bloeit er. Ruim 240 schepen hooren er te huis, terwijl er 's jaars meer dan duizend de haven binnenvallen.
* * * * *
Een kwartier van de stad vindt men op het eilandje Fidje de uitspanningsplaats Nydgaden. Oudheidkundigen beweren, dat daar Harald Harfagar, de eerste koning van Noorwegen zijn verblijf zou gehouden hebben. De stad Bergen is in 1070 gesticht; en de Hanzeatische factorij in 1412 opgericht en in 1445 door Christoffel III bevestigd, matigde zich een onbeperkt gezag aan over de burgers; zoodat hare bewindhebbers in 1455 den gouverneur, den bisschop en zestig andere personen ter dood lieten brengen. Maar in 1460 werd aan die macht perk en paal gesteld. De stad, van hout gebouwd, is meermalen eene prooi der vlammen geworden, de laatste keeren in 1756 en 1771. Het oude slot Bergenhuus was tot aan de unie van Kalmar de zetel van de Noorweegsche koningen en dient thans tot verblijfplaats van den militairen bevelhebber, tot wapenmagazijn en tot gevangenis.
In iedere andere omstandigheid zou professor Sylvius Hog de begeerte niet hebben kunnen onderdrukken om die provinciehoofdstad, die door haar uiterlijk en de zeden en gewoonten harer inwoners meer een Nederlandsch dan wel een Noorweegsche karakter bezit, te bestudeeren. Die studie toch maakte deel uit van zijn ontworpen reisplan. Maar, sedert het ongeval, hem op den Maristiaan-pas overkomen, sedert zijne aankomst en zijn verblijf te Dal, had dat reisplan aanzienlijke wijzigingen ondergaan.
Sylvius Hog was niet meer de toerist-afgevaardigde, die zoowel uit een staatkundig als uit een handels-oogpunt, het land, dat hij vertegenwoordigde, nauwkeurig wenschte te leeren kennen. Neen, het was de gast van de familie Hansen, de man, die aan Hulda en Joël veel verplichting had en de belangen van die kinderen vóór alles wilde bevorderen. Het was de schuldenaar die, ongeacht den prijs, dien het hem kosten mocht, zijne rekening wilde vereffenen.
»En," dacht hij, »wat ik voor hen wil beproeven, is in vergelijking van wat zij voor mij verricht hebben, waarlijk zeer weinig te noemen."
[Illustratie: En zette Sylvius Hog voet op de Vischmarktkade. Blz. 137.]
Te Bergen aangekomen, liep de _Run_ de haven binnen, en zette Sylvius Hog voet aan wal op de Vischmarktkade, aan den achterkant van het bekken gelegen. Hij begaf zich dadelijk naar de wijk Tijske Bodron, waar de Heer Help Junior, vennoot van de firma Gebroeders Help, woonde. Het regende natuurlijk.
Ik zeg _natuurlijk_, omdat te Bergen het jaar op driehonderd zestig regendagen gesteld wordt. Dus maar vijf of bij schrikkeljaren zes dagen droog weer.
Maar men zou niet licht een drooger en beter beschut huis gevonden hebben, dan de gastvrije woning van den heer Help Junior.
En de ontvangst, die Sylvius Hog daar ten deel viel kon nergens vriendelijker, hartelijker en beter gemeend geweest zijn. Zijn vriend legde als het ware beslag op zijn persoon, alsof hij een coli van onschatbare waarde bemachtigd had, dat hij als handelaar in consignatie opnam, zorgvuldig in zijne magazijnen bewaarde en niet zou afgeven dan tegen een wettig ontvangbewijs.
Professor Sylvius Hog maakte den heer Help Junior bekend met het doel zijner reis. Hij sprak terstond over de _Viken_ en vroeg hem of er sedert zijn laatsten brief geen tijdingen gekomen waren? Meenden de ervaren zeelieden van de plaats dat het schip met man en muis vergaan was? En had die schipbreuk, die toch zoovele familiën te Bergen in den rouw dompelde, de autoriteiten niet aangespoord een onderzoek in te stellen?
»Hoe zou men dat kunnen," antwoordde de heer Help Junior op de laatste vraag, »men weet immers niet waar de schipbreuk plaats heeft gehad?"
»Toegegeven, waarde Help," hernam de professor, »maar juist omdat men dat niet weet, moet men trachten het te weten te komen, dunkt mij."
»Het te weten te komen?"
»Ja, zeker."
»Maar, hoe?"
»Al is men ook onbekend met de plaats waar de _Viken_ gezonken is, dan weet men toch waar het loterijbriefje door het Deensche schip opgevischt werd. Dat is eene belangrijke aanwijzing dunkt mij; en het zou eene laakbare nalatigheid zijn die te veronachtzamen. Vindt ge ook niet?"
»Voorzeker."
»Dus...."
»Maar waar is dat briefje gevonden, professor?"
»Luister, waarde Help!"
Sylvius Hog deelde den reeder toen de laatste berichten mede, die hij iets vóór zijn vertrek van Dal van het departement van Marine ontvangen had. Ook gaf hij hem kennis van de volmacht der Regeering en van de wijze, waarop hij die wilde gebruiken.
De flesch, die het loterijbriefje van den stuurman Ole Kamp bevat had, was op den 3den Juni des namiddags door de brikgoelet _Christian_, kapitein Mosselman van Elseneur, gevonden, tweehonderd mijlen ten zuidwesten van IJsland; terwijl de wind toen uit het zuidoosten blies.
Kapitein Mosselman had, zooals zijn plicht hem gebood, dadelijk den inhoud van dat briefje onderzocht. Hij moest dat doen om te weten te komen of de schipbreukelingen der _Viken_ nog te helpen waren. Maar de weinige regels, die op de keerzijde van het loterijbriefje geschreven waren, duidden met zekerheid aan, dat hier hulp te laat kwam. Er was toch volstrekt niet gemeld, waar de schipbreuk had plaats gehad, en bijgevolg kon de _Christian_ onmogelijk naar de plek van de ramp stevenen.
Het was een brave, eerlijke kerel, die kapitein Mosselman!
Misschien zou een ander minder rechtschapen man dat loterijbriefje gehouden hebben.
Hij daarentegen had slechts eene gedachte, namelijk dat briefje aan haar te doen toekomen aan wie het behoorde, aan wie het toegedacht was. Derhalve zou hij het in de eerste de beste havenplaats, die hij zou aandoen, verzenden aan Hulda Hansen te Dal. Dat opschrift was voldoende, eene omschrijving kon overbodig geacht worden.
Toen hij evenwel te Kopenhagen binnengeloopen was, dacht kapitein Mosselman bij zich zelven, dat het toch beter was, het loterijbriefje aan de Deensche autoriteiten af te geven, dan het rechtstreeks aan de geadresseerde te zenden. Dat was zekerder, meer volgens de regels. Zoo deed hij dus, en het departement van Marine te Kopenhagen stelde zich dadelijk met dat te Christiania in verbinding.
Op dat tijdstip had men reeds bij laatstgenoemd departement de eerste brieven van professor Sylvius Hog ontvangen, die nauwkeurige berichten omtrent de _Viken_ verzocht. Het was algemeen bekend, welk belang hij in de familie Hansen stelde. Men wist, dat hij nog eenigen tijd te Dal zou vertoeven, en daar werd hem het loterijbriefje, dat door den Deenschen gezagvoerder opgevischt was, toegezonden, opdat hij het Hulda Hansen ter hand kon stellen.
En van dat oogenblik af had die gebeurtenis de openbare meening, zooals men weet, zeer beziggehouden, en was de ontroering vooral opgewekt door de aandoenlijke bijzonderheden, die door de dagbladen der beide halfronden medegedeeld waren.
Ziedaar, wat professor Sylvius Hog zoo beknopt mogelijk aan zijn vriend den heer Help Junior mededeelde.