Chapter 11
»Gij hebt gelijk, mijnheer Sylvius," zei Hulda; »maar...."
»Maar wat? Komaan, ik weet wat gij zeggen wilt. Als de _Viken_ schipbreuk had geleden tusschen IJsland en New-Found-land, dan zouden toch de talrijke vaartuigen, die dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan doorkruisen, wel eenig wrakstuk ontmoet hebben. Welnu, dat is niet geschied. Geen mast, geen steng, geen scheepsboord, geen kippenhok, geen potdeksel, geen watervat, geen sloep, geen roeiriem, niets, niets, is op dien zoo algemeen gevolgden weg door de visschersvaartuigen bij hunnen terugkeer gevonden! Toch moet gehandeld worden, toch moet getracht worden, meer afdoende inlichtingen in te winnen."
»Wat wilt gij daartoe doen, mijnheer Sylvius?" vroeg Joël Hansen.
»Luistert beiden: Wanneer wij gedurende deze week nog zonder tijding van de _Viken_ blijven, en geen brief van Ole Kamp ontvangen wordt, dan zal ik naar Christiania terugkeeren en mij tot het ministerie van Marine wenden, dat de noodige nasporingen zal laten doen, die, daar ben ik van overtuigd, wel tot ons aller genoegen zullen uitvallen!"
Hoeveel moeite de professor zich ook gaf, om overtuigend te spreken, Hulda en Joël gevoelden toch, dat hij, in weerwil van alles, niet meer zoo boud sprak als hij deed, voordat hij den brief uit Bergen ontvangen had.--Helaas, het moest erkend worden, dat die brief, hoe voorzichtig ook gesteld, weinig hoop overliet.
Inderdaad Sylvius Hog durfde geen toespeling op het aanstaande huwelijk van Hulda met Ole Kamp meer maken? En toch herhaalde hij voortdurend en met een kracht, waarvan de overtuiging als het ware opgedrongen werd:
»Neen! Het is niet mogelijk, dat Ole Kamp het huis van vrouw Hansen niet meer zou betreden! Neen, het is niet mogelijk dat Ole Kamp die lieve Hulda niet zou trouwen! Neen, nimmer zal ik aan zoo'n ongeluk gelooven!"
Dat was eene geheel persoonlijke overtuiging, die hij uit zijn karakter vol geestkracht putte. Die overtuiging lag in zijn aard, die zoo licht niet van streek te brengen was.
Maar, hoe zou hij haar door de anderen doen deelen? Hoe zou hij haar overplanten in de harten vooral van hen, die zoo onmiddellijk bij het lot van de _Viken_ betrokken waren?
Zoo spoedden evenwel nog eenige dagen somber en troosteloos voorbij.
Sylvius Hog was thans geheel en al genezen en deed om zijn been te oefenen, groote wandelingen in de omstreken. Hij noodzaakte Hulda en haren broeder, om hem te vergezellen, ten einde hen niet aan henzelven over te laten. Den eenen dag kuierden zij het Vestfjorddal op tot halfweg den waterval van den Rjukan. Den daarop volgenden gingen zij naar Moel en naar het Tinnermeer. Eens bleven zij zelfs volle vier en twintig uren uit. Zij hadden toen hun uitstapje tot Bambel uitgestrekt, waar professor Sylvius Hog kennis maakte met den pachter Helmboë en met diens dochter Siegfrid, die hare arme vriendin Hulda zoo hartelijk mogelijk ontving en haar met de meeste teederheid trachtte te troosten.
Ook daar stelde Sylvius Hog zich tot taak die brave lieden een weinig hoop in te boezemen. Hij had naar het departement van Marine te Christiania geschreven en ten antwoord gekregen, dat het gouvernement nasporingen omtrent de _Viken_ liet doen. O, men zou dat schip terugvinden! Ole Kamp zou wederkeeren. Dat kon iederen dag geschieden. Neen, het huwelijk zou geen zes weken vertraging ondergaan!
De hartelijke man scheen zoo overtuigd, dat zijne verzekeringen eenigermate veld wonnen, hoewel zijne argumenten inderdaad geen steek hielden en alles behalve afdoende waren.
Het bezoek aan de familie Helmboë deed de beide kinderen van vrouw Hansen goed. Toen zij weer thuis kwamen, waren zij kalmer dan toen zij Dal verlieten.
Het was inmiddels de 15de Juni geworden.
De _Viken_ was thans reeds een maand over haren tijd uitgebleven. Daar het toch, alles wel beschouwd, den betrekkelijk korten overtocht van New-Found-Land naar Noorwegen gold, kwam die vertraging iedereen, zelfs voor een zeilvaartuig, uiterst lang, ja te lang voor.
Hulda leefde in den waren zin des woords niet meer. Dat laat zich trouwens wel denken.
En professor Sylvius Hog zelf bezweek bijna tegenover die twee rampzalige wezens onder de taak, die hij zich had opgelegd, om hen een weinig hoop te doen blijven voeden.
Hulda en Joël verlieten ten laatste den drempel van het woonhuis niet meer, om naar den kant van Moel of van den Rjukanfos te kijken. Het is waar, dat Ole Kamp van den kant van Bergen moest komen: maar het kon toch ook mogelijk zijn, dat hij van den kant van Christiania kwam, wanneer namelijk de bestemming van de _Viken_ gewijzigd was. Het geratel der wielen van een karretje, dat onder de boomen gehoord werd, een kreet, die in de lucht weerklok; de schaduw van een mensch, bij de bocht van den weg waargenomen, waren voldoende om hun hart onstuimig te doen kloppen; maar helaas, telkens tevergeefs!
De bewoners van Dal keken van hunnen kant ook uit. Zij gingen den postbode een eind te gemoet, zoowel stroomop- als stroomafwaarts van de Maan-rivier. Allen stelden belang zoowel in de familie, welke in de geheele streek bemind was, als in Ole Kamp, die als een kind van het Telemarksche beschouwd werd.
Maar er kwam geen brief, noch van Bergen, noch van Christiania, die eenig bericht van den afwezige bracht.
Den 16den alweer geene tijding!
Sylvius Hog hield het niet langer uit. Hij kon geen oogenblik meer stil zitten. Hij begreep, dat er iets gedaan moest worden.
Hij kondigde dan ook aan, dat hij, wanneer den volgenden dag geene tijding ontvangen was, naar Christiania zou reizen, om zich te overtuigen dat de nasporingen met den noodigen ijver en de vereischte nauwgezetheid geschiedden. Zeker zou het hem zeer doen, Hulda en Joël in deze omstandigheden te verlaten. Maar het moest en hij verzekerde, dat hij terugkeeren zou, wanneer hij die taak volbracht had.
Van den 17den--waarlijk wel de treurigste dag--was al weer een groot gedeelte verloopen. Het had van af het krieken van den dag niet opgehouden met regenen. De wind huilde door de takken van het geboomte. Hevige vlagen beukten met kracht de vensters aan den kant der Maan-rivier.
Het was zeven uur in den avond. Het middagmaal was stilzwijgend verorberd, alsof men in een sterfhuis was. Sylvius Hog had er niet in kunnen slagen het gesprek gaande te houden. De woorden zoowel als de gedachten ontbraken hem.
Wat zou hij hebben kunnen zeggen, wat niet reeds honderd malen gezegd was?
Hij gevoelde, dat dit voortdurend uitblijven zijne argumenten van voorheen van onwaarde maakte.
»Ik vertrek morgen naar Christiania, Joël," zeide hij. »Zorg, dat ik een karretje heb. Gij moet mij tot Moel begeleiden, waarna gij dadelijk naar Dal kunt terugkeeren."
»Ja, mijnheer Sylvius," antwoordde Joël, »maar wenscht gij niet, dat ik u nog verder begeleiden zal?"
»Neen," zei de professor.
»Niet? Ik meen toch...."
Hij ging niet verder. Sylvius Hog wees naar Hulda en beduidde den broeder met een gebaar, dat hij zoo spoedig mogelijk bij zijne zuster terug moest zijn.
Op dit oogenblik werd een geluid, nog slechts weinig hoorbaar, op den weg naar Moel vernomen. Allen luisterden met inspanning.
Weldra was er geen twijfel meer, het was het geratel van een karretje, dat snel, zeer snel naar den kant van Dal kwam aanrollen.
Zou dat een reiziger zijn, die misschien den nacht in de herberg wilde doorbrengen?
Dat was niet waarschijnlijk, want zeer zelden kwamen de toeristen in deze bergstreek zoo laat aan.
Hulda was opgestaan en beefde over haar geheele lichaam.
Joël trad naar de deur, opende haar en trad naar buiten.
Het geluid werd duidelijker, men hoorde nu den hoefslag van een paard en het geknars der raderen van een karretje. Maar het geweld van den wind was zoo hevig, dat Joël verplicht was de deur te sluiten.
Sylvius Hog stapte het vertrek zenuwachtig op en neer.
Joël en Hulda zaten naast elkander.
Het karretje kon toen niet verder dan een twintig passen van het huis verwijderd zijn.
Zou het stilhouden, of.... voorbijrijden?
Ieders hart klopte bijna hoorbaar.
Het karretje stond stil. Men hoorde iemand roepen....
Het was niet de stem van Ole Kamp!
Bijna op hetzelfde oogenblik werd op de deur geklopt.
Joël stond op en opende haar.
Een man stond op den drempel.
»Is mijnheer Sylvius Hog hier?" vroeg hij.
»Hier ben ik," antwoordde de professor, terwijl hij naar voren kwam.
»Zijt gij Sylvius Hog?"
»Ja, maar wie zijt gij?"
»Een renbode, die u door den directeur van het departement van Marine toegezonden wordt."
»Een renbode?"
»Ja, mijnheer Sylvius Hog."
»En hebt gij een brief voor mij?"
»Hier is hij, mijnheer."
»Geef hier."
De man reikte een kolossale enveloppe over, die met een groot officieel lak gesloten was.
Sylvius Hog nam den brief aan, maar aarzelde het zegel te verbreken.
Hulda had de kracht niet meer om overeind te blijven zitten. Haar broeder ondersteunde haar op haren stoel. Geen van beiden durfde den professor aansporen den brief te openen.
Eindelijk scheurde deze den omslag, haalde den brief er uit, en las het navolgende:
»Mijnheer de professor,
»Ik zend u hierbij in antwoord op uw laatste schrijven een document, dat op den 3den Juni in volle zee door een Deensch schip opgevischt werd. Ongelukkiglijk laat dat stuk geen twijfel meer over omtrent het rampzalig lot van de _Viken_...."
Sylvius Hog nam den tijd niet meer om den brief ten einde te lezen. Hij ontvouwde het document en bekeek het.... Het was een loterijbriefje, dat het nummer 9672 voerde.
Op de keerzijde daarvan stonden de navolgende regels, die, hoewel door het zeewater half uitgevlakt, toch nog te lezen waren
»den 3den Mei.
»Waardste Hulda!
»De _Viken_ gaat zinken!... Ik bezit nog slechts dit loterijbriefje, dat mijn geheel vermogen vertegenwoordigt!... Ik vertrouw het aan God toe, om het u te doen geworden!... En daar ik er niet zal kunnen zijn, verzoek ik u de trekking bij te wonen!... Ontvang het met mijne laatste gedachten aan u! Hulda, lieve Hulda, vergeet mij in uwe gebeden niet!.... Vaarwel, geliefde bruid, vaarwel!....
Ole Kamp."
XII.
HET LOTERIJBRIEFJE.
Dat was dus het geheim van den jeugdigen zeeman!
Dat was dan die kans, waarop hij vast rekende, om een vermogen aan zijne bruid te kunnen brengen!
Een loterijbriefje, dat hij voor zijn vertrek van Bergen gekocht had!....
En op het oogenblik dat de _Viken_ ging zinken, had hij het, met een laatst vaarwel aan Hulda, in eene flesch gesloten en in zee geworpen!
Sylvius Hog wist ditmaal geen woorden te vinden.
[Illustratie: Siegfrid, die haren arme vriendin Hulda zoo hartelijk mogelijk ontving. Blz. 117.]
Hij bekeek beurtelings den brief.... en het document.... Dan weer het document.... dan weer den brief.
Hij sprak niet meer. Wat zou hij bovendien hebben kunnen zeggen? Welke twijfel kon thans nog omtrent het rampzalig lot van de _Viken_ bestaan? omtrent den vreeselijken dood van allen, die het vaartuig naar Noorwegen terugvoerde?
Hulda had, terwijl Sylvius Hog den brief las, zich tegen den doodsangst, die haar dreigde te overmeesteren, verzet, maar, na de laatste woorden van het briefje van Ole Kamp, viel zij bewusteloos in de armen van Joël. Men moest haar toen naar hare kamer dragen, waar hare moeder haar verzorgde en verpleegde.
Toen zij bijgekomen was, verlangde zij alleen gelaten te worden, en knielde bij haar bed om te bidden voor de ziel van den armen Ole Kamp.
Vrouw Hansen was intusschen naar de groote kamer teruggekeerd. Eerst deed zij eenige schreden, alsof zij op professor Silvius wilde toetreden en hem wilde spreken. Plotseling scheen zij zich te bezinnen, keerde om, ging naar de trap, klom die op, en verdween.
Joël was, nadat hij zijne zuster naar hare kamer had helpen brengen, de deur uitgegaan. Hij kon geen adem meer halen in het huis, dat zoo door het ongeluk bezocht was. Hij had lucht noodig; hij moest te midden van den storm zijn en bleef dan ook een groot gedeelte van den nacht aan de oevers van de Maan-rivier rondzwerven.
Sylvius Hog was thans geheel alleen. In het eerste oogenblik gevoelde hij zich, alsof hij door een bliksemstraal getroffen was. Maar hij herkreeg toch spoedig zijne gewone geestkracht. Nadat hij het vertrek een paar malen op en neer was gestapt, luisterde hij of hij ook eenig geroep van het jonge meisje vernam.... Neen.... alles was stil. Hij ging toen bij de tafel zitten en liet zijne gedachten en overpeinzingen den vrijen loop.
»Hulda," prevelde hij. »Hulda haren bruidegom niet meer weerzien!.... Is dan toch zoo'n ongeluk mogelijk?.... Neen, neen, dat kan niet!.... Bij die gedachte komt alles in opstand in mijn gemoed!.... De _Viken_ is gezonken, nu ja, het zij zoo! maar is dat dan een onwraakbaar en onomstootelijk bewijs van het verdrinken van Ole Kamp? Dat, dat weiger ik te gelooven! Bij alle gevallen van zeeramp, van schipbreuk, kan alleen de tijd het afdoend bewijs leveren, dat niemand het ongeluk heeft kunnen overleven. Ja, zeker, ik twijfel, ik wil nog steeds twijfelen, al mochten Joël en Hulda, al mocht ook de geheele wereld dien twijfel niet met mij deelen! Daar de _Viken_ door de golven verzwolgen is, daar zij als het ware onder zeil gezonken is, ligt daarin de gereede verklaring, waarom geen enkel wrakstuk van het verongelukte schip op de oppervlakte der zee aangetroffen is. Neen, niets dan die flesch, waarin de arme Ole Kamp in den uitersten nood zijne laatste gedachte en daarmede zijne eenige bezitting op deze wereld, heeft gesloten."
Sylvius Hog stond daar met het loterijbriefje in de hand. Hij bekeek het.... hij betastte het.... hij keerde dat papier om en om, waarop de arme zeeman vol hoop een grootsch gebouw van nog grootscher verwachtingen gegrondvest had.
Maar al dat bekijken, betasten, en om en om draaien gaf hem niets.
De professor wilde het reepje papier evenwel nog nader onderzoeken. Dat lag in zijn aard.
Hij stond evenwel eerst op om aan de deur van het vertrek te gaan luisteren of het rampzalige meisje hare moeder of haren broeder soms riep.
Toen hij niets vernam, dat de akelige stilte in huis zou kunnen verstoren, nam hij weer plaats en bekeek het papiertje.
Het was een lot, uitgegeven ten voordeele van de scholen te Christiania. Die loten waren destijds zeer gewild in geheel Noorwegen. De hoofdprijs bedroeg honderdduizend mark, gelijkstaande met zestigduizend gulden van onze Nederlandsche munt. Het gezamenlijk bedrag der overige winnende nummers bedroeg negentigduizend mark. Het aantal der aan de trekking deelnemende nummers, die ten tijde van ons verhaal alle geplaatst waren, bedroeg een millioen.
Het briefje van Ole Kamp droeg het nummer 9672.
Maar of dat nummer goed of slecht, een winst- of verliesnummer was, en of de jeugdige zeeman eenige reden had om er vertrouwen in te stellen, dit alles kon buiten beschouwing blijven, daar hij bij de trekking niet aanwezig zoude zijn. Die trekking zou op den 15den Juli aanstaande plaats hebben, dus na een tijdsverloop van acht en twintig dagen. Het is waar, dat Hulda Hansen zich volgens zijn laatste aanwijzing in zijne plaats moest aanmelden en voor zijn persoon moest optreden.
Sylvius Hog schudde het hoofd; want dat alles gaf niet veel. Hij herlas evenwel, bij het licht zijner kaars, de weinige regels, die op de rugzijde van het biljet geschreven waren, met de grootste aandacht, alsof hij daarin een verborgen zin wilde ontdekken.
Al dadelijk merkte hij op dat die regels met inkt en niet met potlood geschreven waren.
Het was daarenboven duidelijk, dat de hand van Ole Kamp niet gebeefd had, toen hij schreef. Dat was een bewijs dat de stuurman van de _Viken_ zijne koelbloedigheid bij de schipbreuk bewaard had.
Hij bevond zich dus in den gunstigsten toestand om over een reddingsmiddel na te denken, om de eene of andere gelegenheid tot redding aan te grijpen, b.v. een roeiriem, eene drijvende plank, wanneer ten minste niet alles in de kolk medegesleept was, die het vaartuig verzwolg.
Het kon door een dier stormen medegesleurd zijn, waaraan niemand en niets weerstand kon bieden en misschien op die wijze buiten den koers geraakt zijn, terwijl het dichte wolkendak den stuurman belet had eenig bestek, door het nemen van zonshoogte, op te maken en hij dus onmogelijk weten kon, waar hij zich bevond.
Het was dus waarschijnlijk, dat men nimmer te weten zoude komen in welk gedeelte van den Noorder-Atlantischen Oceaan de _Viken_ vergaan was, of dit in de nabijheid van New-Found-Land dan wel van IJsland geschied was, of wel op den weg tusschen laatstgenoemd eiland en de plaats der bestemming, Bergen in Noorwegen.
Dat was eene omstandigheid, die alle hoop moest doen vervliegen, zelfs bij Sylvius Hog, die niet wanhopen wilde.
Met eene aanwijzing, hoe onbepaald en nevelachtig ook, had men nasporingen kunnen ondernemen. Men had een vaartuig naar de plek van de ramp kunnen afzenden; misschien had men enkele herkenbare overblijfselen, wrakstukken ontdekt.
En toch! Wie weet of niet een of meer der overblijvenden van de bemanning er in geslaagd waren 't een of ander punt van de eilanden der Noordelijke IJszee te bereiken, waar zij zich waarschijnlijk nu bevonden geheel hulpeloos, in de volslagen onmogelijkheid om naar hun vaderland terug te keeren.
IJselijke mogelijkheid, voorwaar!
Het geloof aan die mogelijkheid, sloop het brein van Sylvius Hog binnen, nestelde zich daarin onwrikbaar vast en maakte zich van alle zijne gedachten meester.
Maar dat geloof rustte op zulk een zwakken grond, dat Hulda en Joël zich niet zouden laten overtuigen en professor Sylvius Hog was er voor teruggedeinsd hun er over te spreken, daar hij bovendien bevreesd was, dat op de voorspiegeling van mogelijke redding, een te bittere teleurstelling zou volgen, die het reeds geleden verdriet nog met nieuw zoude vermeerderen.
[Illustratie: Ontvang het met mijn laatste gedachte aan u! Blz. 120.]
»En toch," zoo zette hij zijne alleenspraak voort, »al levert dat loterijbriefje geen enkele aanwijzing op, die te gebruiken is, het is toch bekend in welke streken de flesch is opgevischt. In den brief van den directeur van het departement van Marine staat daarvan niets; maar het is onmogelijk dat men aan het departement dienaangaande onkundig zoude zijn. Die aanwijzing zal zeker niet geweigerd worden en zou wellicht te gebruiken zijn. En als men dan de richting der stroomingen en der winden, in verband met den vermoedelijken datum van de schipbreuk naging, zou het dan niet mogelijk zijn?..."
»Ja, zou het dan niet mogelijk zijn?" riep hij ten toppunt van overspanning uit.
»Om kort te gaan," vervolgde hij, »ik zal nog eens schrijven... men moet de nasporingen verdubbelen en er haast mee maken, al bestaan er nog zoo weinig kansen voor het welslagen. Neen, neen! ik zal nimmer die arme Hulda aan haar lot overlaten! Neen, ik zal nooit ophouden met mijne nasporingen; ik zal nimmer aan den dood van Ole Kamp, haren bruidegom, gelooven, tenzij men mij het onwraakbaar bewijs van zijn overlijden voor oogen legt."
Zoo redeneerde professor Sylvius Hog, en zoo trachtte hij zijn hoop levendig te houden.
Maar tevens vormde hij het vaste voornemen om nimmer over de nasporingen die hij in het werk wilde stellen, over de pogingen, die onder zijn invloed van alle kanten aangewend zouden worden te spreken.
Noch Hulda, noch haar broeder Joël kwamen derhalve te weten, dat hij naar Christiania geschreven had.
Verder besloot hij zijn vertrek, dat op den volgenden ochtend vastgesteld was, voor een onbepaalden tijd uit te stellen. Of beter gezegd, hij wilde wel over eenige dagen vertrekken, maar alleen om zich dan naar Bergen te begeven. Daar zou hij van de heeren Gebroeders Help alles vernemen, wat op de _Viken_ betrekking had. Hij wilde daar in persoon den raad en het gevoelen van de ervarensten zeelieden inwinnen, en zoodoende kon hij den aard en de wijze van de verdere nasporingen, die verricht moesten worden, vaststellen.
Intusschen hadden, na de inlichtingen door het departement van Marine verstrekt, de dagbladen van Christiania, daarna die van Noorwegen, van Zweden, van Engeland en eindelijk die van Europa en van de geheele beschaafde wereld zich de zaak van het loterijbriefje, dat nu een gewichtig document geworden was, aangetrokken. Er was iets aandoenlijks in dat laatste geschenk van den bruidegom aan zijne bruid. De openbare meening werd er door bewogen en niet zonder reden, zooals de lezer beseffen kan.
Het oudst bestaande dagblad van Noorwegen, het _Morgenblad_ was het eerste, waarin het verhaal van de schipbreuk der _Viken_ en van het wedervaren van Ole Kamp verscheen. Van de zeven en dertig overige dagbladen, die toen ter tijd in het koninkrijk verschenen was geen enkel in gebreke gebleven dat verhaal over te nemen en er eenige weemoedige beschouwingen aan vast te knoopen. Het _Illustreret Nyhedsblad_ gaf eene met de grootst mogelijke dichterlijke vrijheid ontworpen schets van de vermoedelijke schipbreuk ten beste. Men zag daarop de _Viken_ met gebroken masten en de zeilen aan flarden, terwijl de verschansing gedeeltelijk weggeslagen was, het schip door den stormwind plat op zijde was geworpen, en het water met kracht door de weggeslagen luiken in het volkslogies stroomde. In één woord het schip op het punt van in de diepte weg te zinken. Op die teekening stond Ole Kamp op de voorplecht en had juist de flesch te water gelaten; terwijl zijn blik te kennen gaf, dat hij met eene laatste gedachte aan Hulda zijne ziel Gode aanbeval. Op den allegorischen achtergrond van die teekening bracht een aanrollende golf die flesch te midden van nevel en schuim aan de voeten van de jeugdige bruid en rolde daarop naar zee terug. De geheele teekening was omgeven door de omlijsting van het loterijbriefje, terwijl het nummer 9672 helder tegen den donkeren achtergrond afstak. Het was ongetwijfeld een naïf ontworpen schets, die evenwel een groot succes zou hebben in die streken, waar de legenden der Obdinen en der Valkyriën nog oppermachtig heerschen.
Daarna werd die geheele geschiedenis overgenomen en gecommenteerd in Frankrijk, Engeland, Nederland, Duitschland, in één woord in alle landen, welker bevolking zich op de zeevaart toelegt, tot zelfs in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika toe.
Met de namen van Hulda Hansen en Ole Kamp werd de geheele geschiedenis door pen en teekenstift verbreid. Het jeugdig Noorweegsch boerinnetje uit het onbeduidend gehucht Dal had, zonder dat zij zulks wist, het privilege de openbare meening in vuur en vlam te zetten. De arme meid kon niet gissen, hoe bekend haar naam geworden was. Maar, al was zij er ook mede bekend gemaakt, dan zou dat zelfs haar geen afleiding bezorgd hebben voor de droefheid, die haar beheerschte. Dat kon niets ter wereld doen! Daartoe was inderdaad alles onvermogend!
En nu zal de lezer na het voorafgaande, zich niet verbazen over de uitwerking, die deze gebeurtenis op de twee halfronden der aarde teweegbracht, een uitwerking, die daaruit zeer verklaarbaar is, dat 's menschen geaardheid hem gaarne geloof doet slaan aan bovennatuurlijke zaken, en dat wie eenmaal op die helling geraakt, schier niet meer te weerhouden is. Dat loterijbriefje onder de medegedeelde omstandigheden opgevischt, dat briefje met nummer 9672, hetwelk als het ware door de bestiering der Voorzienigheid aan de golven ontrukt werd, dat moest immers wel een gelukkig loterijbriefje zijn. Het scheen tot winnen voorbeschikt te zijn. Was het niet tusschen de duizenden andere aangewezen om den hoofdprijs van honderd duizend mark te winnen? Vertegenwoordigde het geen vermogen? Het vermogen, waarop Ole Kamp zoo vaak gerekend had! Dat was de gedachtengang, die het brein van velen bezighield.
Men moet er dan ook niet verwonderd over wezen, dat schier van alle kanten zeer ernstige voorstellen te Dal aankwamen om het loterijbriefje te koopen, natuurlijk als Hulda Hansen er zich van wilde ontdoen.