Chapter 10
Het lieve kind verkeerde in volslagen wanhoop, en Sylvius Hog meende op te merken, dat zij meermalen rood bekreten oogen had, als zij hem des morgens zijn ontbijt bracht.
»Wat zou er toch aan schelen?" vroeg hij zich dan ernstig af. »Is het een ramp, die men vreest en voor mij verbergt? Is het een familiegeheim, waarin een vreemdeling het recht niet heeft tusschenbeide te komen. Maar.... maar, ben ik dan nog niets meer dan een vreemdeling voor hen? Neen, niet waar? Dat moesten zij toch bedenken. Wat er evenwel van aan zij, als ik hun mijn aanstaand vertrek mededeel, zal men wellicht inzien en begrijpen, dat een waarachtig vriend hen gaat verlaten!"
En dienzelfden dag nam hij de eerste de beste gelegenheid te baat, om hun te zeggen:
»Vrienden, het oogenblik nadert, dat ik tot mijn groote spijt genoodzaakt zal zijn u te verlaten."
»Zoo gauw reeds, mijnheer Sylvius! Zou gauw reeds!" riep Joël uit met eene stem, trillende van aandoening, die hij onmogelijk kon bedwingen.
»Ja, vrienden, de tijd snelt gauw voorbij bij ulieden. Ik ben al zeventien dagen in Dal."
»Hoe.... reeds zeventien dagen?" vroeg Hulda.
»Ja, lief kind, reeds zeventien dagen, en.... het einde van mijne vacantie nadert! Ik heb waarlijk geen tijd meer te verliezen, als ik nog een uitstapje langs Drammen en Konsberg wil maken.... En...."
»Wat wildet gij zeggen, Mijnheer Sylvius?" vroeg Joël.
»Dat de Storthing niet in de noodzakelijkheid gekomen is, om mij als volksvertegenwoordiger te vervangen, is zij u beiden verschuldigd, en die vergadering zal, evenmin als ik, weten hoe zij u hare dankbaarheid zal kunnen betuigen...."
»O, mijnheer Sylvius, zwijg toch daarover," sprak Hulda geroerd, terwijl hare kleine hand eene beweging maakte, alsof zij hem den mond sluiten wilde.
»Ja wel, ja wel, dat is afgesproken, Hulda! Het is mij verboden daarover te spreken, niet waar?--hier althans...."
»Niet alleen hier, maar overal," antwoordde het jonge meisje.
»Nu goed, ik zal gehoorzamen. Ik ben mijn eigen baas niet en ben dus gehoorzaamheid verschuldigd. Maar, zouden Joël en gij mij niet een bezoek te Christiania kunnen brengen?"
»U bezoeken, mijnheer Sylvius?"
»Ja! mij bezoeken.... een paar dagen in mijne woning doorbrengen.... natuurlijk met vrouw Hansen. Dat spreekt vanzelf."
»Maar, als wij uit logeeren gaan, wie zal dan op de herberg passen gedurende onze afwezigheid?" vroeg Joël leukweg.
»Mij dunkt, dat er gedurende het koude seizoen, wanneer het tijdperk der uitstapjes geëindigd is, niemand in de herberg hoeft te zijn."
»Daar is wel iets van aan," zei Joël haperend.
»Welnu, dan zal ik u bij het begin van den herfst komen afhalen.... Rekent er dus op."
»Mijnheer Sylvius," zei Hulda, »dat zal bezwaarlijk gaan...."
»Dat zal integendeel zeer gemakkelijk gaan, lieve kinderen. Zegt nu geen neen! Ik zal dat antwoord niet aannemen en wil het derhalve niet hooren! O, als ik ulieden daarginds in mijn woning zal hebben, tusschen mijn oude Kaat en mijn ouden Fink zittende,.... dan zoudt gij er als mijne kinderen beschouwd worden, en dan zou ik u wel weten te noodzaken, mij te zeggen, wat ik voor u doen kan."
»Wat u voor ons doen kunt, mijnheer Sylvius?".... antwoordde Joël, terwijl hij aarzelend zijne zuster aankeek.
»Nu, kan ik wat voor u doen?" vroeg de professor.
[Illustratie: En wachtten hem in de nabijheid van de hut van den veerman. Blz. 102.]
»Broeder!...." zei Hulda, die de gedachte van Joël geraden had.
»Nu, spreek dan, jongenlief, spreek dan," zei Sylvius ongeduldig.
»Welnu, mijnheer Sylvius, gij zoudt ons eene zeer groote eer bewijzen en tevens een zeer groot genoegen kunnen doen."
»Maar, hoe dan?"
»Dat zou zijn...."
»Wat dan?.... Wat dan?" vroeg Sylvius Hog ongeduldig.
»Dat zou zijn door tegenwoordig te wezen bij het huwelijk van...."
»Bij welk huwelijk? Bij het uwe? Maar, sakkerloot, spreek dan toch!"
»Bij het huwelijk van mijn zuster Hulda...."
»Bij het huwelijk van uwe zuster!" riep Sylvius Hog uit. »Hoe.... mijne lieve, kleine Hulda gaat trouwen?...."
»Ja, mijnheer Sylvius."
»En daar weet ik niets van!.... En daar heeft zij mij niets van gezegd!...."
»O, mijnheer Sylvius!" riep het jonge meisje blozende en met tranen in de oogen.
»Dat, dat vind ik te geheimzinnig!" ...
»Maar, mijnheer Sylvius!" ...
»En wanneer zal dat huwelijk plaats hebben?"
»Als het God believen zal Ole Kamp, haren verloofde, herwaarts terug te voeren," antwoordde Joël.
»En waar zit die thans?"
»Ja, dat weet de hemel!"
XI.
NASPORINGEN.
Toen verhaalde Joël het gebeurde met Ole Kamp.
Sylvius Hog werd door dat verhaal, waarnaar hij met de meeste aandacht geluisterd had, zeer bewogen.
Hij wist thans alles. Hij had den laatsten brief gelezen, die de terugkomst van Ole Kamp aankondigde. En... Ole Kamp was niet teruggekomen!
Welk een ongerustheid, welk een angst moest dat aan de familie Hansen veroorzaken.
»En ik, die meende, dat ik bij volmaakt gelukkige lieden verblijf hield!" dacht hij.
Evenwel, alles goed en wel bekeken, kwam het hem voor dat zuster en broeder nog niet de hoop behoefden te verliezen. Door dat tellen van de Mei- en Junidagen, had hunne verbeeldingskracht den toestand verergerd. Het was eigenlijk, alsof zij die dagen tweemaal geteld hadden.
De professor wilde hun zijn redenen meedeelen. Geen redenen, zoo maar ten behoeve der zaak uitgedacht, om die twee kinderen gerust te stellen, maar zeer ernstige, zeer aanneembare, die het uitblijven van de _Viken_ voldoende zouden verklaren.
Toch was er een ernstige uitdrukking op zijn gelaat.
De droefheid van Hulda had diepen indruk op hem gemaakt.
»Luistert, kinderen," sprak hij. »Gaat naast mij zitten, en laten wij samen praten."
Hulda en Joël Hansen namen naast Sylvius Hog plaats. Hij greep hun beider handen en keek hen vertrouwelijk aan.
»Wat zoudt gij ons kunnen zeggen, mijnheer Sylvius?" vroeg Hulda, wier hart door droefheid overstelpt was.
»Ja, Mijnheer, wat kunt gij ons te zeggen hebben?" vroeg Joël op zijne beurt.
»Wat ik u te zeggen heb, beste vrienden," hernam professor Sylvius Hog, »zal aan den eisch der rede getoetst kunnen worden. Luistert! Ik heb zooeven ernstig nagedacht over hetgeen Joël mij verhaald heeft. Welnu het komt mij voor, dat uwe ongerustheid tamelijk overdreven is...."
»Meent ge, Mijnheer?"
»Zeker, mijne waarde vrienden. Niet, dat ik u met gezochte redenen zou willen geruststellen. Maar...."
»Neen, dat begrijpen wij. Maar, wat?"
»Maar, voor alles moeten wij de zaken uit hun waar oogpunt beschouwen."
»Helaas, mijnheer Sylvius," antwoordde Hulda. »Ik vrees, dat het ware oogpunt is: dat mijn arme Ole Kamp met de _Viken_ vergaan is.... O, God!... O, God!" ...
»Kom, kom, nu geen dwaze gedachten!"
»Ik zal hem nimmer meer terugzien!" kreet het jonge meisje snikkend.
»Zuster! Zusterlief!" riep Joël haar troostend toe. »Wees toch in Godsnaam kalm en luister naar mijnheer Sylvius...."
»En laten wij vooral onze bedaardheid niet verliezen, kinderen. Kom, laten wij de zaak van nabij bekijken. Wanneer, zegt gij, werd Ole Kamp te Bergen terugverwacht?"
»Zoo tusschen den 15den en den 20sten Mei," antwoordde Hulda, steeds schreiende.
»Ja, tusschen den 15den en den 20sten," herhaalde Joël, »althans afgaande op zijn brief."
»En wij hebben reeds den 9den Juni!"
»Dat geeft dus een te laat van twintig dagen, gerekend naar den uitersten datum, die voor den terugkeer der _Viken_ gesteld werd. Ik moet bekennen, dat zoo'n uitblijven iets begint te beteekenen. Evenwel..."
»Wat wilt gij zeggen, Mijnheer?"
»Evenwel moet men van een zeilschip niet dezelfde nauwkeurigheid verwachten als, van een stoomvaartuig. Dat vat gij toch, Hulda?"
»Dat heb ik haar al zoo dikwijls herhaald, en dat herhaal ik haar nog dagelijks," zei Joël.
»En daar doet gij wel aan, Joël," hernam Sylvius Hog. »Bovendien is het niet onmogelijk dat de _Viken_ een oud zeeschip is, dat zeer slecht zeilt, zooals de meeste schepen, die op New-Found-Land varen; waarbij nog komt, dat het bij terugkeer zeer zwaar geladen zal geweest zijn. Kan dat zoo niet zijn?"
Beide jongelieden antwoordden niet. Hun stilzwijgen kon voor eene toestemming gelden.
»Bovendien," ging Sylvius Hog voort, »is het weer in de laatste weken zeer stormachtig geweest. Misschien heeft het vaartuig van Ole Kamp niet op het aangeduide tijdstip zee kunnen kiezen. En die veronderstelling is mogelijk. Welnu, in dat geval is eene vertraging van acht dagen voldoende om het uitblijven der _Viken_ te verklaren, alsook dat gij geen lateren brief hebt kunnen ontvangen."
»Maar, gelooft gij aan die mogelijkheid, Mijnheer?" vroeg Hulda, die aandachtig geluisterd had.
»Alles wat ik u zeg, lieve meid, is het resultaat van ernstige overdenkingen. Daarenboven is het ook mogelijk, dat de gegeven instructiën de _Viken_ eene zekere vrijheid verleenden, om hare lading naar eenige andere havenplaats te vervoeren, overeenkomstig de eischen van vraag en aanbod."
»O, dat zou Ole Kamp mij zeker geschreven hebben," antwoordde Hulda, die dit niet durfde hopen.
»Wie kan bewijzen, dat hij niet geschreven heeft?" vroeg de professor.
»Ja, niemand."
»En heeft hij geschreven, dan is het niet de _Viken_, die te laat is; maar wel de postboot van Amerika."
»Meent gij?"
»Zeker, meen ik dat. Verondersteld, dat het schip van Ole Kamp naar de een of andere havenplaats der Vereenigde Staten gezeild is, dan ligt toch daarin de verklaring, dat geen enkele zijner brieven in Europa is aangekomen."
»Naar eene havenplaats der Vereenigde Staten...., mijnheer Sylvius?"
»Ja, zeker. Zoo iets gebeurt ongetwijfeld meer."
»Ja wel, maar..."
»En dan is de brief misschien te laat in de bus gedaan, zoodat men de gelegenheid heeft laten voorbijgaan en de vrienden in Europa voor zeer langen tijd van tijdingen verstoken zijn!"
»Dat is zoo; maar...."
»In ieder geval bestaat er een eenvoudig middel om eenig bericht te erlangen."
»En dat is, Mijnheer Sylvius?"
»Inlichtingen bij de reeders van het schip te vragen."
»Dat is waar."
»Kent gij ze?"
»Ja," antwoordde Joël. »Het zijn de Gebroeders Help te Bergen."
»Wat, de Gebroeders Help van Bergen?" riep Sylvius Hog verrast uit.
»Ja."
»De Gebroeders Help Junior," vroeg de professor.
»Ja."
»Wel, die ken ik ook. De jongste, Help Junior, zooals hij genoemd wordt, hoewel hij van mijn leeftijd is, behoort tot mijne goede vrienden. Wij hebben te Christiania dikwijls te zamen gedineerd. De gebroeders Help! Wel, kinderen, van hen zal ik alles te weten komen, wat zij omtrent de _Viken_ vernomen hebben. Ik zal hun dadelijk schrijven, en als zulks noodig is, zal ik hen gaan opzoeken."
»O, wat zijt gij goed, mijnheer Sylvius!" riepen Hulda en Joël tegelijkertijd. »Wij danken u wel."
»O, bedankt mij niet, als je blieft. Ik verbied het u uitdrukkelijk. Zegt, heb ik ulieden bedankt, voor hetgeen gij daarginds voor mij gedaan hebt?.... Wat drommel, ik vind gelegenheid, om u een kleinen dienst te bewijzen.... en daar maakt gij zulken ophef van!"
»Maar gij spraakt er van, dat gij naar Christiania wildet terugkeeren," merkte Joël Hansen op.
»Welnu, ik zal eerst naar Bergen vertrekken, als dat noodig zal zijn."
»Gij wildet ons evenwel spoedig verlaten, mijnheer Sylvius," hernam Hulda.
»Welnu, ik zal u niet verlaten, lieve meid. Ik ben geheel vrij, om te doen en te laten, wat ik verkies, zou ik zeggen. En zoolang die zaak niet in het reine gebracht is, zal ik...., tenzij gij mij de deur uitjaagt."
»Wat zegt gij daar?"
»Wat ik daar zeg?.... Dat ik veel lust heb, om te Dal te blijven, totdat Ole Kamp teruggekeerd is. Ik ben benieuwd om dien aanstaande van mijne kleine Hulda te zien! Het moet een wakkere borst zijn--zoo'n slag als Joël. Is het zoo niet?"
»Ja, geheel en al!...." antwoordde Hulda.
»Daar was ik overtuigd van," riep de professor uit, die in zijne nopjes scheen.
Ongetwijfeld was die opgeruimdheid slechts comediespel.
»Ole Kamp gelijkt op Ole Kamp, mijnheer Sylvius," zei Joël ernstig, »en dat is voldoende, om een goed hart te bezitten en een eerlijke kerel te zijn."
»Dat is mogelijk, wakkere Joël; maar wat gij daar zegt, wakkert mijn verlangen nog aan, om hem te zien. En let op, dat zal niet lang meer duren."
»God geve het, mijnheer!" zei Hulda.
»Er is iets dat mij toefluistert: de _Viken_ zal weldra wederkeeren!"
»De Heer verhoore u!"
»En waarom zou hij mij niet verhooren? Hij hoort en ziet alles.... Ja, ik wil de bruiloft van Hulda bijwonen, daar ik toch reeds genoodigd ben."
»Maar, zult gij kunnen?"
»De Storthing zal genoodzaakt zijn mijn verlof met eenige weken te verlengen. Dat verlof zou onbepaald verlengd zijn, als gij mij in dien verwenschten waterval te Rjukanfos had laten vallen, wat ik trouwens door mijne onvoorzichtigheid ten volle verdiend had."
»Mijnheer Sylvius," zei Joël, »wat doet het iemand goed u zoo te hooren spreken, en hoe edel handelt gij tegenover ons. Waarlijk er zijn nog goede menschen op aarde!"
»Hebt gij daaraan getwijfeld? Maar, intusschen is hetgeen ik voor u doen wil, bij lange na niet te vergelijken met hetgeen gijlieden voor mij gedaan hebt; en waarlijk, ik weet niet hoe...."
»Neen, als 't u belieft, mijnheer Sylvius,.... kom niet meer op die gebeurtenis terug!"
»Integendeel, beste vrienden, ik wil er op terugkomen! Had ik mij zelf bij den Maristiaan-pas kunnen redden? Heb ik mijn leven daar gewaagd? Ben ik het geweest, die mij naar de herberg te Dal vervoerd heeft? Heb ik mij zelven verzorgd, verpleegd en genezen zonder de hulp der Geneeskundige faculteit? Antwoordt daarop!.... Welnu, ik ben zoo koppig als een karrepaard. Ik heb mij in het hoofd gezet, om bij het huwelijk van Hulda Hansen met Ole Kamp tegenwoordig te zijn, en.... bij Sint Olaf, ik zal er bij tegenwoordig zijn; rekent daarop!"
Het vertrouwen is besmettelijk. Hoe had men weerstand kunnen bieden aan dat van Sylvius Hog? Dat zag de looze vos wel in, toen een flauw glimlachje om de lippen van Hulda speelde. Zij trachtte hem te gelooven; zij snakte naar hoop.
Sylvius Hog ging bemoedigend voort:
»Gij moogt dus niet uit het oog verliezen, dat de tijd vleugelen heeft en derhalve voortspoedt. Begin dus met de toebereidselen tot het huwelijk."
»Daar ben ik reeds mee begonnen, mijnheer Sylvius," antwoordde Hulda, »al sedert drie weken."
»Best, ga er maar mee voort."
»Voortgaan!...." antwoordde Joël, »alles is klaar!"
»Wat? Alles? Het bruidskleed, het keurs met de zilveren haken, de gordel met de hangers?"
»Ja, zelfs de hangers."
»En de bruidskrans, die u als eene heilige zal tooien, lieve, kleine Hulda?"
»Ja, mijnheer Sylvius."
»Komaan, dat is goed. Maar...."
»Maar wat, mijnheer Sylvius, zouden wij iets vergeten hebben?"
»Zijn de uitnoodigingen geschied?"
»Alle," antwoordde Joël, »zelfs die, welke ons het meest aan het hart ligt, namelijk de uwe."
»En, is de bruidsjuffer gekozen?"
»Ja, zeker!"
»Gij weet, dat moet de braafste en zedigste zijn van al jonge meisjes van het Telemarksche?"
»Ja, en zij is bovendien ook de schoonste," antwoordde Joël, »daar het mejuffrouw Siegfrid Helmboë van Bambel is. Ja, zij is de schoonste!"
»Kijk mij dien lummel eens aan! Op welken toon zegt hij dat!" merkte de professor schalksch op, »en hoe hij daarbij bloost als een jonge meid. Kijk, kijk! Zou mejuffrouw Siegfrid Helmboë van Bambel bij toeval het lot beschoren zijn vrouw Joël Hansen van Dal te worden?"
»Ja, mijnheer Sylvius," antwoordde Hulda. »Siegfrid, die mijne beste vriendin is!"
»Mooi zoo! Nog eene bruiloft in het verschiet," riep Sylvius Hog uit. »En ik ben er zeker van, dat ik ook op die zal genoodigd worden. En ik zal er niet aan kunnen ontkomen, ik zal haar moeten bijwonen! Ik zal waarlijk mijn ontslag als afgevaardigde van de Storthing moeten nemen; want ik zal geen tijd meer vinden om zitting te nemen."
»Ja, dat zal moeten gebeuren," zei Joël, hartelijk lachende. »Ik zie er anders geen gat in."
»Ja wel, spot er maar mede. Maar om het even, ik zal getuige bij uwe bruiloft zijn, mijn wakkere Joël, natuurlijk na het eerst bij die van uw zuster geweest te zijn, als gij dat namelijk goedvindt...."
»O, mijnheer Sylvius...." zei Joël. »Kunt gij daaraan waarlijk twijfelen?"
»Neen, dat doe ik niet. Maar, alles wel beschouwd doet gij met mij alles wat gij wilt, of beter gezegd, alles wat ik wil. Kom, geef mij een zoen, kleine Hulda! En gij een flinken handdruk, mijn wakkere jongen. En dan ga ik aan mijn vriend Help Junior te Bergen schrijven."
Broeder en zuster verlieten de kamer gelijkvloers, die de professor voor eenigen tijd wilde huren, en gingen weer aan hunne bezigheden met een eenigszins verlicht gemoed en een weinig hoop in het hart.
Sylvius Hog bevond zich toen alleen.
»Die arme meid!" prevelde hij. »Ja, ik heb hare droefheid voor een oogenblik het spoor bijster gemaakt!.... Ik heb haar eenige kalmte bezorgd!.... Maar het schip is te lang uitgebleven, en de oceaan is in die streken zeer ontstuimig geweest gedurende dit seizoen!.... Als de _Viken_ eens vergaan was!.... Als Ole Kamp niet meer terugkwam!.... Dat zou vreeselijk zijn!"
Een oogenblik later zat professor Sylvius Hog aan de reeders te Bergen te schrijven.
Hij vroeg in zijn brief de meest omstandige inlichtingen omtrent alles, wat de _Viken_ en haren tocht ter vischvangst betrof. Hij wenschte voornamelijk te weten of eenige voorziene of onvoorziene omstandigheid het schip soms had kunnen noodzaken een andere haven op te zoeken.
Hij schreef, dat hij er veel belang in stelde, zoo spoedig mogelijk te weten te komen, waaraan de handelaars en de zeelieden het lange uitblijven toeschreven, en hoe zij het verklaarden.
Hij verzocht ten slotte aan zijn vriend Help Junior, nauwkeurige inlichtingen in te winnen en hem per omgaande post te antwoorden.
In dien zoo dringenden brief stond ook te lezen, waarom Sylvius Hog zooveel belang in den jeugdigen stuurman van de _Viken_ stelde, welken dienst hij aan diens bruid verschuldigd was, en welke vreugde het zoowel hem als zijn omgeving zoude veroorzaken, wanneer hij de kinderen van vrouw Hansen eenige hoop zou kunnen geven.
Toen de brief gereed was, bracht Joël hem dadelijk naar de post te Moel. Vandaar zou dat schrijven daags daarna vertrekken. Den 11den Juni zou het te Bergen zijn. Dus op den 12den des avonds of op den 13den des voormiddags op zijn laatst, zou de heer Help Junior kunnen geschreven hebben. Die berekening was nauwkeurig. Daar ontbrak niets aan.
Drie dagen op dat antwoord te moeten wachten!
O, wat schenen zij lang!
[Illustratie: Een oogenblik later zat professor Sylvius Hog aan de reeders te Bergen te schrijven. Blz. 112.]
Met tal van geruststellende woorden, van opbeurende redeneeringen gelukte het den professor evenwel dat wachten minder pijnlijk te maken. Nu hij Hulda's geheim kende, had hij steeds een aangewezen onderwerp voor een gesprek bij de hand, en nog wel een prettig onderwerp, dat moet de lezer erkennen!
Welk een troost was het daarenboven voor Joël Hansen en zijne zuster, steeds over den afwezige te kunnen spreken.
»Thans behoor ik zoo wat tot de familie," zei Silvius Hog. »Ja, waarlijk, zoo iets als een oom, die van Amerika of van elders uit de lucht is komen vallen."
En, daar hij nu toch tot de familie behoorde, mocht men geene geheimen voor hem hebben, niet waar?
De stand van zaken of liever de verhouding tusschen de beide kinderen en hunne moeder was door hem niet onopgemerkt gebleven. De terughoudendheid, die vrouw Hansen tegenover hen meende in acht te moeten nemen, moest volgens hem eene andere oorzaak hebben dan de ongerustheid, waarin allen ten gevolge van het uitblijven van Ole Kamp verkeerden. Hij meende dus gerechtigd te zijn, Joël daarover te spreken. Maar deze wist hem inderdaad geen uitsluitsel te geven. Toen wilde hij vrouw Hansen daarover polsen, maar hij vond haar zoo gesloten, dat hij de poging opgeven moest, om haar hare geheimen te ontfutselen.
De toekomst zou ze hem waarschijnlijk ontsluieren. Alleen daarop hoopte hij.
Zooals Sylvius Hog voorzien had, kwam het antwoord van den heer Help Junior in den voormiddag van den 13den te Dal aan. Joël was den postbode reeds voor het krieken van den dag te gemoet gewandeld. Hij was het dus, die den brief aan den professor, welke zich met vrouw Hansen en hare dochter Hulda in de groote zaal bevond, overhandigde.
Er heerschte een bange stilte.
Hulda was doodsbleek en zou geen woord hebben kunnen spreken, zoo bonsde haar hart van aandoening.
Zij had de hand haars broeders gegrepen, die even aangedaan was als zij.
Silvius Hog opende den brief en las hem voor.
Tot zijne en tot aller groote droefheid, bevatte dat antwoord van den heer Help Junior niets anders dan zeer onbepaalde aanwijzingen, en de professor kon zijne teleurstelling niet verbergen tegenover de jongelieden, die hem met tranen in de oogen aanhoorden.
De _Viken_ had inderdaad Saint Pierre-Miquelon verlaten op den door Ole Kamp in diens laatsten brief genoemden dag. Dat was ontwijfelbaar. Men had dat op de stelligste wijze van andere vaartuigen vernomen, die na het vertrek van de _Viken_ New-Found-Land verlaten hadden en sedert te Bergen aangekomen waren. Die vaartuigen hadden het schip onderweg niet ontmoet. Maar zij ook hadden in de omstreken van IJsland zeer veel slecht weder aangetroffen. Zij hadden zich evenwel weten te redden. Waarom zou de _Viken_ daarin ook niet geslaagd zijn? Misschien was dat vaartuig genoodzaakt geweest de een of andere noodhaven aan te doen. Het was daarenboven een zeer stevig schip, waarover de gezagvoerder Frikel van Hammerfest, een oude, ervaren zeerob, het bevel voerde, terwijl de bemanning uit een dozijn stevige matrozen bestond, die als ervaren zeelieden bekend stonden en voor geen klein geruchtje vervaard waren. Toch vond men dit lange uitblijven onrustbarend, en, zoo er nog eenige dagen zonder tijding voorbijgingen, mocht de vrees gewettigd heeten, dat de _Viken_ met man en muis vergaan was.
De heer Help Junior betreurde het zeer, dat hij niet in de gelegenheid was betere berichten omtrent den jeugdigen bloedverwant der familie Hansen te geven. Hij schreef over Ole Kamp als over een uitmuntenden man, die ieders sympathie, dus ook die van zijn vriend Sylvius Hog waardig was.
De reeder eindigde zijn brief met den professor zijne hartelijke vriendschap te betuigen, waarbij hij de groeten zijner familie voegde. Ten slotte beloofde hij dat hij hun ieder bericht, hetwelk van de _Viken_, om het even van welke haven in Noorwegen, mocht inkomen, dadelijk en onverwijld zoude toezenden en onderteekende zich als zijn innig toegenegene
_»Gebroeders Help."_
Hulda, die eene onmacht nabij was, had zich, terwijl Sylvius Hog den brief voorlas, op een stoel laten neervallen. Zij snikte en kon geen woord uiten, toen hij met de voorlezing klaar was.
Joël had, met over de borst gekruiste armen, stilzwijgend en met gebogen hoofd geluisterd, zonder dat hij zijne zuster daarbij had durven aankijken.
Vrouw Hansen was, toen de brief ten einde was, naar hare kamer gegaan.
Zij zag er uit, alsof zij dat ongeluk en nog vele andere verwacht had.
Professor Silvius Hog wenkte Hulda en haren broeder om nader te treden.
Hij praatte nog met hen over Ole Kamp en vertelde hun alles, wat zijne levendige verbeelding min of meer aantrekkelijks scheppen kon, en hij sprak daarbij met eene overtuiging, die op zijn minst zonderling genoemd mocht worden, na den brief van den heer Help Junior.
»Neen," zeide hij, »ik heb er een voorgevoel van. Wij behoeven nog niet te wanhopen!"
En toen legde hij uit, dat zich menig voorbeeld had voorgedaan van een dusdanig lang uitblijven bij langdurige zeereizen in die streken. Ja, daar viel inderdaad niet aan te twijfelen! En wat zou dan dat lange uitblijven? Was de _Viken_ niet een stevig schip, dat goed gecommandeerd werd, eene flinke bemanning had en dus in oneindig beter omstandigheden verkeerde, dan die andere vaartuigen, die in de haven teruggekeerd waren.
Dat alles viel niet te betwisten, niet waar?
»Laten wij dan de hoop niet laten varen, lieve kinderen," vervolgde hij, »laat ons geduldig wachten!"