Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2

Chapter 9

Chapter 93,980 wordsPublic domain

't Was haar te moede als woonde zij haar eigen lijkdienst en begrafenis bij. O, die wettelijke verbintenis op het stadhuis, in die stoffige kamer der secretarie, waar dezelfde mannen die haar liefde-huwelijk met Alfons bezegeld hadden, nu met onaangename, zure gezichten van verveling en minachting ook haar tweede huwelijk met Smul voltrokken! Dat toonloos, onverschillig gezanik van woorden waar niemand naar luisterde, dat krassen van de pennen op 't papier, dat nauwelijks gebromd "proficiat" van de getuigen; en dan die koude, akelige borrels jenever in de koude ongezellige herbergkamer van 't gemeentehuis, o, wat was het alles hard, en kil, en akelig, en wat voelde zij nijpend al die hardheid, al die nauwelijks bedwongen minachting en vijandigheid om zich heen! En dan in de kerk, de leege, ijzige, sombere kerk, den misprijzenden blik van den pastoor, het valsch gezang van den koster op 't oxaal, en de strenge, korte bevelen van den kerkbaljuw die hen rechts of links duwde, die hen deed opstaan of deed zitten, die hen beval hoe ze zich houden moesten! Het kropte in haar keel, zij had het hardop kunnen uitsnikken en huilen; en meteen knaagde de wroeging aan haar hart, de wroeging over haar geschondene, plechtige belofte op Alfons' sterfbed!

En toen weer, na de kerkelijke plechtigheid, het slenteren in de herbergen, het drinken van borrels in den wrangen rook der pijpen, 't geraas der mannen onder elkaar en zij als vrouw alleen daarbij, gansch alleen, als verloren, zonder iemand die zich met haar bemoeide of naar haar omzag! Zij liep maar mee, als een die er niet bij behoorde en toen zij eindelijk naar de boerderij terugkeerden om te gaan eten, trok Smul voorop met de vier getuigen en kwam zij enkele passen achter, het hoofd gebukt en de oogen vol tranen, als hun slachtoffer.

Zij aten en dronken, Meleken, Vaprijsken en de kinderen mee aan tafel; en toen de maaltijd geëindigd was, trok zij weer haar gewone dagelijksche kleeren aan en waschte met het dienstmeisje de vaten om, terwijl Smul en de getuigen met koffie en borrels aan de kaarttafel zaten.

Toen ze naar hartelust gespeeld hadden gingen zij in de vroege schemering naar buiten en Smul liet hun de boerderij: de schuur, de stallen, de zwijnen, de koeien en de paarden zien. Hij haalde zelfs de merrie en het veulentje uit en liet ze aan den teugel door den boomgaard heen en weer draven, heel trotsch op de mooie beesten die voortaan de zijne waren.

Rozeke, door hun uitroepingen van bewondering gelokt, kwam even op den drempel kijken. Zij zag de schoone sterke merrie als 't ware hunkerend-hinnikend door Smul in toom gehouden, met gespitste ooren en wild-blikkerende oogen, naar de dolle sprongen kijken van het veulentje, dat door Vaprijsken bij den breidel heen en weer tusschen de boomen werd geloodst. Telkens draaide het hoofd der moeder met de wentelingen van het jong mee en Rozeke dacht opnieuw met tranen in de oogen aan Alfons, die voor het jong en vroolijk-huppelend beestje zijn doodelijke ziekte had opgedaan.--O, grijze, kille, droeve tweede-huwelijksdag! Een heel klein, donker vogeltje, nauwelijks zichtbaar in het naakt-twijgen-gewirwar van een appelboom, zong kort en fijn een doodweemoedig deuntje. 't Was als de stil-trillende klacht van een zwak-lijdend zieltje in de wijde, winter-eenzame verlatenheid. Zij huiverde en met een diepen zucht ging zij weer Meleken helpen omwasschen...

De mannen liepen slenterend verder. Zij wandelden om de akkers heen en kwamen ergens voor een landelijk herbergje, waar zij binnen traden en weer aan 't drinken en kaartspelen gingen.--'t Werd avond, vroege, droeve winteravond; 't werd nacht, kille, nevelige winternacht.--Nog steeds was hij met de mannen uit.--Opnieuw kwam Rozeke huiverend op den drempel staan en keek en luisterde. Alles was stil en eenzaam in den omtrek. De mist sijpelde met zacht geruisch in trage dikke tranen, uit de boomentwijgen in het natte gras; en verder hoorde zij niets dan den langzamen, doffen kadansslag van een enkelen laten dorschvlegel, ergens in een schuur.

Zij ging weer binnen en legde zich te bed. De kinderen en Meleken waren reeds slapen gegaan....

Laat in den nacht kwam hij terug. Zij hoorde van verre zijn struikelende voetstappen en rilde van afkeer en angst.--Hij opende de deur en deed ze weer op 't nachtslot. Heel eventjes bromde daarbuiten de waakhond.

Toen kwam hij op de kamer waar zij lag en kleedde zich sprakeloos uit.--Zij rilde, rilde ... Zwaar zwoegde zijn adem in een benauwende lucht van tabak en drank die om hem heen walmde.

Toen kwam hij bij haar....

Dat was het einde van den eersten dag van Rozeke van Dalens tweede huwelijk....

* * * * *

XL.

Voortaan was Rozeke's leven afgesloten in een nauw-beperkten kring, waarin zij zelve haast geen verandering meer verwachtte. In vroeger jaren had ze geleefd in hoop, in vrees, in afwachting van zij wist niet wat al komende of mogelijke gebeurtenissen: nu scheen haar alles vast vooruit geregeld, alsof het al jaren en jaren te voren onwederroepelijk aldus voorspeld en geschikt was.

Vanaf het eerste oogenblik stelde hij zich tyranisch aan als eenig opperhoofd en baas en zij werd dadelijk als een tweede dienstmeid, te nauwernood verheven boven deze welke er reeds was. Hij was vertoornd op haar ouders, die zich tegen haar huwelijk met hem gekant hadden en verbood haar nog ooit een voet over hun drempel te zetten, noch iemand van haar familie bij zich aan huis te ontvangen. Hij vroeg haar den sleutel van de geldkast en nooit meer zag zij hem terug. Wanneer ze geld noodig had moest ze 't hèm voortaan vragen.

Kort was hij met haar in zijn woorden en deze klonken steeds als bevelen. Nooit noemde hij haar bij den naam. Hij riep haar, als een knecht of meid, met een "hè!" of een "hier!" zooals men tegen een hond spreekt; en, als ze 't niet dadelijk hoorde of begreep, vloekte hij op haar.

Zijn leven was dag aan dag 't zelfde: om half vijf op en dadelijk naar den stal, terwijl zij, gedwongen gelijk met hem op te staan, in de keuken 't vuur aanmaakte en de koffie maalde. Meleken was toen ook reeds op en molk de koeien; Vaprijsken gaf het voeder aan de beesten.--Even na vijf uur kwam hij terug in huis, ging sprakeloos aan tafel zitten, liet zich door Rozeke bedienen, slikte gulzig twee tarwe-boterhammen in en slurpte twee groote koppen koffie leeg. Dan stak hij zijn pijp op, ging weer naar den stal, haalde met het eerste daglicht paard en kar uit en reed weg naar den akker.

Om acht uur of half negen was hij op de boerderij terug. Zijn tweede ontbijt stond klaar: een dikke snee spek op een stuk roggebrood, naast een glas bier. Haastig gebruikte hij dat alles en als hij eenigszins goed ter sprake was, wisselde hij met haar enkele woorden, steeds kort van toon, zonder haar aan te kijken en steeds uitsluitend zakelijk. De kinderen waren dan op en kwamen hem "goên dag" wenschen, hem "voader" noemend, zooals Rozeke het hun geleerd had. Hij mompelde een "goên dag" terug, maar zonder ze ooit aan te halen of er verder eenige notitie van te nemen. Hij stond op, stak een pijp aan en ging weer naar 't veld, waar hij tot twaalf uur bleef.

Dan zat hij met Rozeke en de kinderen, met Meleken en Vaprijsken aan de gemeenschappelijke tafel. Hij maakte als de anderen zijn kruisteeken, bad en at, praatte soms even over weer en landbouwaangelegenheden, stond gelijk met de anderen op en was weer met hen weg, tot 's avonds. Dan weer het eten, de pijp, een kort gepraat, en vroeg naar bed.

's Zondags zond hij Rozeke naar de vroegmis en zelf ging hij later naar de hoogmis. Daarna liep hij enkele herbergen af waar hij borrels dronk en kaart speelde. Met hoogrood gezicht en waterige oogen kwam hij tegen twaalf uur terug. Hij zag er altijd woedend uit en zijn adem stonk naar jenever. Hij slikte als een dier zijn eten in, sprak meestal met niemand een woord en ging dadelijk na den eten een paar uur op zijn bed liggen. Tusschen drie en vier was hij weer op de been, slurpte koffie, ging even naar zijn stallen en dan verder, zonder Rozeke te waarschuwen, naar de kleine herbergjes van het gehucht, waar hij tot laat in den avond bleef drinken en spelen.

Den ganschen nacht lag hij dan als een dier aan haar zijde te snurken.

* * * * *

XLI.

Zij voelde zich niet bepaald ongelukkig. Zooals hij was, zoo had zij het van hem verwacht. Dat was zijn aard. Toch schrikte zij haast van zijn ruwe onverschilligheid, toen zij hem op een ochtend mededeelde, dat zij weer zou moeder worden. Hij trok zijn schouders op, alsof het hem niet schelen kon. "Heu! doar 'n es nie aan te doene," antwoordde hij kortaf en ging zonder meer, als elken dag, naar zijn gewone bezigheid. Maar dien zelfden middag greep een heftige scène plaats en, voor het eerst sinds hun huwelijk, voelde zij opnieuw haar vroegeren angst voor hem. Dat was terwille van Vaprijsken. Hij had het al lang op 't aardige knechtje gemunt, daar stak nog steeds een oude wrok achter; en nu had Vaprijsken 't een of ander durven antwoorden op een aanmerking die Smul hem maakte. Op staanden voet had deze Vaprijsken den dienst opgezegd en daarop hadden zij hevig gekeven en elkaar de ergste scheldwoorden naar 't hoofd gegooid. Rozeke was in 't midden gekomen, had gepoogd de beide mannen te bedaren, had Vaprijsken excuses doen maken en ook Smul tot verzoening aangemaand; maar de woesteling was eensklaps als razend op haar afgevlogen en had haar vloekend met slagen bedreigd, waarop Rozeke sidderend van angst in huis was weggevlucht. Tusschen Smul en Vaprijsken was het toen tot een bepaald gevecht gekomen; het knechtje ging reeds met pak en zak denzelfden avond weg; en Smul, niet wetend meer op wie zijn razernij te koelen, was woedend en scheldend weer op haar afgekomen en had, met de beide vuisten voor 't gezicht, gedreigd haar plat te slaan, indien ze zich nog ooit met zijn zaken durfde bemoeien.

Die slagen, de ruwe mishandeling, die zij wist en voelde toch te zullen en te moeten komen, vielen dan ook eindelijk, op een zondagmiddag, toen hij, als naar gewoonte half dronken, van het dorp terugkwam. Het ging kort, ruw en vlug, als een weerlicht.

Het eten was een ietsje aangebrand; hij had een paar happen geproefd en daarbij een vies gezicht getrokken, en plotseling gaf hij, met een krakenden vloek, een dreunenden vuistslag op de tafel en keilde zijn bord met eten tot scherven op den vloer.

--Gie leulijke sloeber!" riep zij instinctmatig, verschrikt opspringend, in onbedwingbaar-losbarstende verontwaardiging.

Maar zij stond nog niet geheel overeind of een baldadige vuistslag in 't gezicht smakte haar met een noodkreet op den grond.

De kinderen gilden schril, het dienstmeisje schreeuwde om hulp. Kamiel, de pas nieuw gehuurde knecht, een flinke, blonde jongen, sterk als een reus, greep Smul midden in de lenden vast en hield hem tegen, uit al zijn kracht.

Rozeke had zich opgericht. Zij hield de linkerhand op haar mond gedrukt, die bloedde. Zij huilde niet, maar de oogen flikkerden vreemd in haar doodsbleek gelaat.

"Kom," zei zij met inspanning, tot haar luid-schreeuwende kinderen. Zij nam het kleintje, dat pas loopen kon, bij de hand en door 't oudste gevolgd klom zij rennend de drie steenen treden van de voute-kamer op en sloot de deur achter zich met den grendel.

Razend, vloekend, scheldend, met purper gezicht en fonkelende oogen, poogde Smul zich intusschen vruchteloos uit des knechts omstrengeling los te worstelen.

"Loat mij los, Kamiel! loat mij nondedzju los, of 'k schup ou euk van 't hof, lijk Vaprijs!" riep hij knarsetandend. "Loat mij los, zeg ik ou, da 'k heur de kop in sloa!"

Maar Kamiel, reuzensterk, hield hem hoe langer hoe steviger gekneld en hijgde, bedarend-kalm:

"Nie nie, boas, ge'n meug niet, 't zoe ou spijten! 't zoe ou spijten! Ge moet wachten,... wachten ... tot da ou keleire veurbij es!"

Eerst toen Smul wat tot bedaren was gekomen en ophield met schelden en vloeken liet hij hem los. Meleken, bevend en nog snikkend, kwam hem vragen of hij iets anders wilde eten.

"Nien ik, nondedzju! Eet zelf uldere smeirige kost op!" brulde hij haar in 't gezicht.--En plotseling was hij weg, woest stappend uit het huis en naar het hek, den landweg op, naar de herbergjes van het gehucht, om nog meer te drinken.

* * * * *

XLII.

Vanaf dat oogenblik kwam er een schielijke omwenteling in Rozeke's gemoed. Haar vroegere angst voor hem veranderde eensklaps in haat, en die haat gaf haar een geheime kracht, waardoor haar vrees nog steeds verminderde.--Hij had haar nu eenmaal mishandeld en hij zou haar zeker nog meer mishandelen, haar en wellicht ook haar kinderen; het was geen onbekende dreiging meer, die haar als een voortdurend-onheilspellend raadsel boven 't hoofd hing: de slag had haar getroffen als een bliksemstraal, maar nu wist zij wat haar verder ook te wachten stond en nu kon zij middelen beramen om zich te verdedigen.

Hij sloeg opnieuw, weer op een zondag, voor een beuzelarij, toen hij dronken uit het dorp terugkwam. Hij sloeg, de kinderen huilden, Kamiel en Meleken vlogen haar te hulp; en zij, in hoog-zwangeren toestand op den grond gesmakt, keek hem met groote, sombere oogen aan en zei geen woord noch slaakte een kreet.--Alleen haar oogen, haar starre, sombere oogen spraken, alsof zij hem doorpriemen wilden met de ongezegde woorden die zich plotseling in haar brein vastspijkerden: "Ik wenschte dat ge dood waart!"

Ja, zij wenschte naar zijn dood! Dat werd haar eenige hoop, haar eenige troost, de eenige sterke kracht van heel haar verder leven. Zij hoopte en verlangde er geduldig naar, zooals anderen verlangen naar iets zachts en teeders, dat slechts door heel veel moeite, na langen tijd en groote opofferingen kan verdiend en verkregen worden. Het werd haar geloof en haar steun, haar vaste zekerheid waarop zij bouwen kon, omdat zij instinctmatig voorgevoelde dat het vroeg of laat toch zou gebeuren; 't werd als de stille, door haar alleen gekende lofzang der verlossing; als de geheime, in ondertoon gehouden rythme van al de innigste gevoelens en verlangens van haar gruwelijk verwoest bestaan.--En niet alleen meer als hij haar mishandelde, maar voortdurend, zonder dat er iets gebeurde: wanneer hij met zijn ruwe stem haar over onverschillige dingen toesprak; wanneer hij zat te eten of te drinken; wanneer hij zelfs eenvoudig in of uit het huis ging zonder iets te doen of iets te zeggen; voortdurend ruischte dof en somber in haar binnenste de halsstarrige rythme: "Ik wenschte dat ge dood waart!"--Zij werd met die gedachte wakker en zij sliep er mee in. En soms droomde zij 's nachts dat hij naast haar dood lag. Zij werd half wakker in haar droomen, haar hart joeg snel, zij voelde zijn onbeweeglijk-uitgestrekt lichaam aan haar zijde en de illuzie groeide tot werkelijkheid. Hij was dood en zij was verlost; zij strekte bevend hare hand uit en betastte hem... maar hij bewoog en knorde in zijn slaap; en zij gruwde en huiverde, omdat haar hoop slechts een bedriegelijke schijn was en zij hem nog steeds levend voelde.

Haar derde kind kwam ter wereld: een jongetje, ellendig klein schepseltje met stokkerige, schrale beentjes en een misvormd hoofd. De dokter verborg haar niet dat het erg zwakjes was en slechts met heel veel zorg en moeite in het leven zou te houden zijn. Rozeke weende. Waarom was het ook maar niet dadelijk bij zijn geboorte gestorven?

Smul nam heelemaal geen notitie van haar in die dagen. Hij liet haar maar liggen en zag ook naar zijn ellendig kind nauwelijks om. Een baker was aan huis en Rozeke, Smuls verbod trotseerend, zond Meleken naar haar ouders om hen te laten weten dat het kind geboren was en te vragen of ze niet eens kwamen zien. Maar zij wilden of durfden niet komen en Meleken bracht de boodschap terug dat niemand van haar huis zich wagen zou. "Ware hij maar dood, dan zouden ze wel komen", dacht Rozeke. En zij besloot zelve weer naar hen toe te gaan, wat er ook gebeuren mocht, zoodra als zij er toe in staat zou zijn. Dit vast besluit gaf haar nieuwen moed en sterkte.

Toen het kind een veertien dagen oud en Rozeke weer op de been was, kwam de jonge barones haar eens bezoeken. Gedurende maanden, sinds haar tweede huwelijk, dat koelheid en vervreemding tusschen haar had te weeg gebracht, had Rozeke de lieve, zachte bescherm-vriendin van vroeger niet teruggezien; en nu schrikte zij haast van haar verschijning. Haar gezicht was mager en betrokken, haar vroeger zoo frissche, levende gelaatskleur had een doodsche gele tint gekregen en grijze zilverdraden mengden zich reeds in de donkere haren. Haar oogen stonden dof en ernstig onder gepijnigd-saâmgetrokken wenkbrauwen; zij was geheel in 't zwart gekleed, als rouwde zij, gelijk dien droeven najaarsmiddag, jaren geleden, toen Rozeke haar in 't kasteel was gaan bezoeken; en Rozeke kreeg plotseling in haar geest de sombere visie van een lijk behangen met een zwart doodsgewaad en zilveren franjes.--Want zij wist het wel, helaas! zooals eenieder nu in 't dorp: de barones was ongelukkig in haar huwelijk en leefde, feitelijk van haar man gescheiden, met haar zoontje bij haar ouders op 't kasteel.

De barones keek naar 't ellendig wichtje in de wieg en zuchtte. Toen vroeg ze plotseling, met somber-saâmgetrokken wenkbrauwen:

"Is het waar, Rozeke, dat hij u slaat en mishandelt?"

Een hooge kleur schoot plotseling, als een gloed van vuur, over Rozeke's ingevallen wangen en met een uitdrukking van schrik in de oogen staarde zij haar vriendin strak aan.

"Joa 't," zuchtte zij dof.

De barones had een gebaar van verontwaardiging en opstand.

"De schurk! Waarom laat gij u van hem niet scheiden!" riep zij.

Rozeke aarzelde, bevend, de oogen vol tranen, niet wetend wat geantwoord.--Scheiden!--daar had ze niet eens aan gedacht, daar dachten menschen van haar stand niet aan.

"Dàt zal ik niet dulden. Waar is hij? Ik wil hem spreken?" riep de barones gebiedend opstaande.

Vol angst was Rozeke ook plotseling opgestaan.--"O, mevreiwe!" kreet zij. En zij wilde zeggen: "doe 't niet; hij zal mij doodslaan!"... Doch iets sterker dan haar schrik weerhield haar, smoorde de woorden in haar keel.

"Hij es op 't land, mevreiwe," zei ze werktuigelijk, met toonlooze stem.

"Zeg aan 't meiske dat zij hem onmiddellijk naar hier doet komen," beval de barones.

Meleken werd naar 't veld gezonden en na een poosje keerde Smul met haar terug.

"Loat ons alliene," zei Rozeke tot het meisje.

Meleken ging weg.--Smul stond vóór zijn jonge meesteres, den blik valsch en wantrouwend, de pet tusschen zijn grove duimen, wel voelend dat er onraad was.

"Wat beteekent dat, Smul! Waarom mishandelt gij uw vrouw?" vroeg de barones, abrupt--hoogmoedig en minachtend, met gefronste wenkbrauwen op hem neerziende.

Hij stond daar en wist niet wat te antwoorden. Hij keek even op naar Rozeke, met rechten, starren, kouden blik, een blik die haar deed ijzen; en dan ook even naar de barones, kort en schichtig, terwijl zijn lippen bewogen als om iets te zeggen dat er maar niet uit wilde.

"Welnu?" drong zij ongeduldig, stampvoetend aan.

"Da 'k zegge, mevreiwe, dat er in all' huishoûens al wel e-kier wa scheelt," antwoordde hij eindelijk, met inspanning.

De jonge barones kon haar toorn en minachting moeielijk bedwingen. Haar bovenlip krulde zich even in uiterst misprijzen op en zij zei, koel en dreigend:

"Gij zijt een schurk en uw plaats is niet hier maar in de gevangenis. Met ruw geweld hebt gij uwe vrouw tegen wil en dank genomen, en nu durft gij haar nog slaan.--Dit is de eerste en de allerlaatste keer, dat ik u waarschuw. Als ik nog eenmaal hoor dat gij haar mishandelt zult gij niet met haar, maar met mij af te rekenen hebben.--Begrepen? Allez!" En met een gebiedend handgebaar, wees zij hem als een hond naar de deur.

Hij zei geen woord meer en keek haar ook niet eens meer aan. Geen spier bewoog zich op zijn barsch gelaat. Alleen op Rozeke vestigde hij nog even dien harden, kouden, stalen blik van haat die haar deed huiveren. Hij keerde zich om en stapte naar de deur.

"G'hebt mij goed verstaan, niet waar, Smul?" riep de barones, hem nog eens uit de hoogte na.

Hij bromde iets onverstaanbaars en was weg. Met geweld sloeg hij de deur dicht; en buiten, vóór het raampje, zagen zij hem, als uit minachting, naar het huis toe spuwen.

"Voortaan zal hij zich wel in acht nemen," meende de barones.--En zij bleef nog een poosje, in gedrukte stemming, met Rozeke praten.

Nauwelijks was zij vertrokken of Smul kwam met vluggen, vastberaden pas, over den boomgaard aangestapt. Rozeke beefde. "Zou hij nu reeds durven...?" Zij riep angstig Meleken uit het achterhuis en beval het meisje dringend met de kinderen bij haar te blijven.

Daarbuiten hoorde zij zijn ruwe stem, roepend naar Kamiel, die in de schuur aan 't dorschen was.

"Kamiel, goa ne kier seffens mee mijn kopplementen bij boer Lauwe om zijn sjeeze vroagen en brijng ze mee."

"Wa goat hij doen?" vroeg Rozeke zich angstig af.

De jonge knecht liet zijn dorschvlegel vallen en liep haastig door het hek, terwijl Smul naar het woonhuis toe kwam.

"Och Hiere," dacht Rozeke doodsbleek en bevend, nu zal hij mij slaan, mij doodslaan." Zij deed Hilairken en Marietje in een hoek achter 't tafeltje zitten en klampte haar rechterhand aan de wieg van het kleintje, terwijl zij met de linker instinctmatig Melekens schort vastgreep.

Maar hij kwam binnen en zonder haar zelfs aan te zien noch een woord te spreken, ging hij naar hun slaapkamer, waarvan hij met een bruusken ruk de deur achter zich toeknakte. Roerloos en zwijgend stonden de vrouwen te beven.

Zij hoorden dat hij zich aan het verkleeden was; zij hoorden gerinkel van geld.

--Wa peinste gij? woar zoedt hij noartoe goan? wa goat hij doen?" fluisterde zij tot het dienstmeisje.

Meleken trok de schouders op. Hoe kon ze 't gissen?

Rozeke voelde haar angst wat verminderen; opnieuw kwam moed en weerstandskracht in haar. Zij keek even om naar Hilairken en Marietje, die zich doodstil, met groote, bange oogen in hun hoekje hielden, vaag-bewust dat gevaar hen dreigde.

Na enkele minuten ging de deur weer open en Smul verliet de kamer, op zijn zondagsch gekleed, 't gezicht vuurrood en woest-vertoornd. Maar nogmaals sprak hij geen woord, noch richtte zelfs een blik naar haar; in een ruk was hij buiten en liep naar de stallen, terwijl Kamiel, als een paard tusschen 't lemoen loopende, met boer Lauwe's sjees door het hek kwam.

Hij volgde Smul in den paardenstal en samen haalden zij de merrie eruit en spanden in. Ruw trok hij 't goede beest bij den breidel, deed het achterwaarts in de door Kamiel opgetilde draagboomen steigeren; en plotseling, zonder eenige reden, begon hij op de merrie te vloeken en te schoppen, dat zij er van trappelde en hinnikte en wreede oogen van verwildering openspalkte.

Met star-sombere blikken van schrik en haat zag Rozeke roerloos door 't venster toe. "Het arme beest krijgt in mijn plaats de schoppen en de slagen," dacht zij. En eensklaps kwamen dikke tranen in haar oogen en haar lippen trilden, terwijl de diepe stem van haar innigste wezen verontwaardigd beefde:

--O gie sloeber! gie sloeber! 'K weinschte da ge deud woart!"

Het paard was aangespannen. Hij wipte in de sjees en onder kletsende zweepslagen joeg hij van 't erf, zóó wild, zóó ruw, dat het rijtuig tegen een der stijlen van het hek aanbonsde en bijna kantelde. Als in een helsche vlucht zag Rozeke het in den modderweg verdwijnen. Kamiel stond het even, als van schrik geslagen, na te staren en keerde eindelijk hoofdschuddend in de schuur terug.