Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
Chapter 8
En intusschen verstreken de druk-bezette dagen, het oogenblik dat Smul zou weggaan naderde en hij kon maar niet vervangen worden. Rozeke was radeloos. Gansche nachten lag ze te peinzen en te zuchten, te zoeken naar een middel, om Smul, al was 't maar voor een heele korte poos, tot na den oogst-en-zaaitijd, op de boerderij te houden. Doch hij was niet te spreken noch te benaderen; als een stugge, nurksche bruut liep hij wenkbrauwfronzend heen en weer; werkend, etend, slapend, zonder nog naar iemand om te kijken, noch met iemand ook een enkel overbodig woord te wisselen.
Een nieuwe zondag kwam en dadelijk na 't ontbijt, toen hij klaar was met zijn werk in den stal, trok hij zijn beste kleeren aan en vertrok naar 't dorp. Tegen twaalf uur kwam hij niet terug om te eten. Zij wachtten even, maar toen hij daar om half-één nog niet was, at Rozeke zonder hem, met Meleken en met Vaprijsken.--Hij zal niet meer komen, dacht zij, hij zal zich nu elders verhuurd hebben; en 't kropte in haar keel, zij kon geen stukje doorslikken. Om twee uur kwam haar moeder. Deze moest wel bekennen dat ze nog maar steeds geen anderen knecht voor Rozeke gevonden had; maar dat kwam er niet op aan, beweerde zij: maandag over een week, denzelfden dag dat Smul vertrok, zou Dolf naar 't boerderijtje komen en er blijven tot zij iemand had. Slechts twee- of driemaal in de week zou hij voor een halven dag naar huis moeten terugkeeren, om er 't allerdringendste te helpen doen.
Rozeke voelde zich geenszins door deze belofte doelmatig geholpen noch getroost. Zij begreep best dat zoo'n halve maatregel tot niets zou dienen. Wat zij op de hoeve noodig had was een flinke, werkzame man, die er dag aan dag van den ochtend tot den avond was, de eerste op en de laatste naar bed, zooals Alfons gedaan had zoolang als hij maar kon en zooals Smul na hem ook had gedaan.
Toen moeder weer weg was dacht zij er lang over na en kwam tot de concluzie dat er voorloopig niets anders op te vinden was, dan zichzelve zoo spoedig en zoo goed mogelijk op de hoogte van alles wat de boerderij betrof te stellen. Waarom ook wist ze daar nog steeds zoo weinig van af? Waarom ging ze zoo goed als nooit naar den akker? Waarom kwam ze zoo zelden in de schuur en in de stallen? Andere boerinnen die, evenals zij, het ongeluk hadden gehad op jeugdigen leeftijd weduwe te worden, spanden zich in om desnoods alles zelf te beredderen. Zou zij dat dan ook niet kunnen? Zij schaamde zich over een tekortkoming aan plicht, die nauwelijks in de pas geleden smart van haar groot verlies eenige verontschuldiging kon vinden en nam het wilskrachtig besluit daar onverwijld volkomen verandering in te brengen. Het was juist stil en rustig met den zondag, het oogenblik was gunstig om al vast alles eens in oogenschouw te nemen. Vaprijsken was na 't middagdutje weer naar 't dorp gegaan en zou waarschijnlijk als naar gewoonte, eerst vrij laat in den avond terugkeeren; ook Smul zou zeker haar niet komen hinderen; wie wist ook of hij in 't geheel nog ooit terug kwam? en Meleken was thuis om op de kinderen te letten.
Zij zei aan 't dienstmeisje dat zij eens even rond ging loopen en trok meteen de velden in.
Daar lagen ze, de schoone landouwen van vruchtbaarheid, in groote, vierkante of langwerpige partijen verdeeld: de naakte, hier en daar reeds omgeploegde stoppelvelden van de afgemaaide rogge, met de lange, lange rijen overeind-gekruiste schoven als omstrengelde gestalten in roerlooze aanbidding en liefde; de rijpende havervelden met hun miljoenen en miljoenen neerhangende klokjes, als zooveel stil-harmonisch klingelende, gouden belletjes; de goudgele tarwevelden, strak en statig opgerezen in stevige halmen, met de gesloten weelde van al hun rechtopstaande, nog gesloten aren. En daartusschen strekten zich in zacht geflonker, als groote tapijten van deftigen rijkdom, de malsche velden van roze-of-paarsbloeiende klaver en de fleurige aardappelakkers uit, forsch opgewassen in hun donker groen met overal de witte en lichtlila trosjes van hun bloementooisel, als ontelbare levende en rustende vlinders, stil-genietend van hun vrede in den zacht-dalenden avondglans. Het was alles zoo rijk en zoo heerlijk; de verre boomen die den horizon omlijstten stonden daar zoo kalm en zoo sterk en zoo prachtig; de hemel was zoo blauw, de zomervogels zongen zoo verrukkelijk, zoo zeker van hun veiligheid in 't milde van de lange schoone dagen; en zij genoot van alles met een zachten wellust, vaag-bedwelmd door de aromas die alom uit de eerste, teere avondnevelen opstegen, en met een zweem van dankbare wroeging dacht ze hoe ze toch al die weelde aan hem die nu vertrekken ging te danken had. Maar zij dacht ook met weemoedvolle teederheid aan Alfons, die niets van al dat mooie had mogen zien; en zij bedwong, bijna met een gevoel van zelfverwijt, haar vluchtige weeke stemming. Zij keerde naar de boerderij terug, om ook daar, als een moedige en verantwoordelijke meesteres, alles eens van dichtbij na te gaan.
Zij drong, onopgemerkt, langs achter in de stallen. Zij vond het beter dat Meleken er haar niet zag binnen gaan. De koeien, die heel den ochtend in de wei gegraasd hadden, stonden of lagen nu rustig op een versch strooleger in hun hokken te herkauwen; het jong goed: de runders en de kalveren liep in afzonderlijke hokken los en kwam nieuwsgierig naar Rozeke kijken; en in het varkenshok lag de dikke zeug wellustig met gesloten oogen in een hoek te kreunen en te knorren, omringd door al haar wroetelende jongen, als door een krioelend troepje van spiernaakte, roze menschenkinderen, die af en toe met schrille gilletjes elkaar verdrongen om te zuigen. Alles was goed in orde in den koestal; het rook er frisch naar versche melk en muskus; Vaprijsken, die anders al niet veel verstand van boeren had, mocht wel trotsch zijn op zijn werk: hij was een uitmuntende stalknecht.
Door een binnendeur kwam zij van den zoet naar melk en muskus geurenden koestal in den paardenstal, waar het, zonder overgang, scherp rook naar ammoniak. De zware bruine merrie lag er kalm uitgestrekt, als een moegesjouwd mensch die van zijn zondagsrust geniet; en Rozeke bewonderde haar schoone groote oogen, groen-glanzend in de halve duisternis, terwijl het beest vreedzaam 't hoofd tot haar omkeerde. 't Was zulk een trouw, goed paard, dat reeds zooveel voor haar gewerkt had, en Rozeke boog zich even en klopte verteederd-streelend op de forsche, dofglimmende schoft. De merrie maakte een beweging of zij op wou staan.
"Nien nien, blijf gij moar liggen, blijf gij moar rusten, mijn bieste," sprak Rozeke de merrie aan, als sprak zij tot een mensch, die haar begrijpen kon; en zij haastte zich weg bij het veulentje, dat als een ongeduldig, speelziek kind, trippelend achter de ijzeren staven van zijn krib op haar te wachten stond. Het speet haar dat zij niet een klontje suiker meegenomen had om het te trakteeren; maar zij vond gelukkig in een hoek een worteltje en gaf het hem. Het jolig beestje knabbelde er op en speelde er mee met schuimend op en neer flappenden mond, maar liet het eindelijk glippen en maakte daarbij, kopje neer en staartje omhoog, hinnekend een dollen krommen sprong, als een grappige kwajongen die gaat tuimelparten spelen. De oude merrie hinnikte eventjes, als een bezorgde goede moeder, en lachend verliet Rozeke den paardenstal en kwam door een tweede deur in de schuur.
Daar was het stil en schemerig in 't hooge ruim onder de ribbehouten en de pannen die fijne streepjes licht doorlieten, stil als onder de hooge, stille bogen en gewelven van een kerk. Het rook er zoeterig naar verschgedorscht graan, naar hooi en stroo en droge klaver; en groote hoopen bundels en schoven lagen te allen kant op elkaar gestapeld, als een dicht ineengepakte rijkdom van alles wat den ganschen zomer zoo welig in blonde en gouden heerlijkheid op 't vruchtbaar veld gegroeid en gebloeid had. Al de geuren van de lieve landelijke kruidjes en de wilde bloempjes hadden er iets van hun aroma nagelaten; en Rozeke voelde er, in onbewust genieten, de zoet-streelende bedwelming van, toen zij plotseling, door een vreemden terugsprong der gedachte, zich weer in verbeelding midden in 't vertrapte koren zag, naast den wagen met de weggeholde paarden, heesch-gillend en worstelend tegen Smul, die haar wilde overweldigen. Zij zag en zij voelde 't als 't ware nog gebeuren; zij stond, als op een werkelijkheid, op de akelige herinnering harer verbeelding te staren, zij werd er haast benauwd en bang onder en schreed zuchtend met gebogen hoofd weer naar de tusschendeur om weg te gaan, toen eensklaps op den drempel van die deur een donkere gestalte vóór haar oprees.
"Och Hier, och God!" schrikte zij wild terug.
't Was Smul!--Hij stond daar, roerloos, stomverbaasd haar op die plaats te vinden, aarzelend om verder naar haar toe te komen of te spreken, alsof hij in het schemerig halfduister nog twijfelde wie hij wel vóór zich had. Eerst na een poos herkende hij haar duidelijk, trad op haar af, vroeg haar, kortaf, met schorre stem:
"Wat komt-e gij hier doen?"
"Ik ... ik ... ik kwam e-kier kijken," stotterde zij. Het nevelde vóór haar oogen, het suisde in haar ooren, zij wist niet wat ze zei of deed; ze schreed werktuigelijk als in een droom, naar hem toe zonder hem te zien, zonder hem te hooren, zoekend, als een gevangene, als een blinde naar de deur, om weg te komen.--Zij strekte hare handen uit, struikelde en viel tegen hem aan; en plotseling voelde zij zich als 't ware platgedrukt tusschen twee machtigknellende armen, terwijl een mond, met een ruige snor, die walgelijk naar tabak en drank rook, zich bijna bijtend op haar lippen perste.
"Ivo! los!--Voader! moeder!" kreet zij heesch, zoo hard zij kon.
Maar zij kon niets, zij reutelde en stikte, haar hoofd kromp achterover, in haar nek, tot op haar rug, als zou het afbreken of barsten; en plotseling stortte zij met hem in de schuifelende korenschoven neer.--'t Was als een moord; zij zag noch hoorde meer; zij slaakte geen enkelen kreet, geen enkele zucht: zij lag als dood, in onmacht op de garven....
XXXVII.
Toen ze weer tot haar zelve kwam had ze den indruk of er eensklaps iets met ruw geweld diep uit haar binnenste was weggerukt.--Hij was verdwenen, zij stond alleen in de schemerige schuur en 't leek alles zoo vreemd: zij schreide noch klaagde noch voelde zich boos; zij had alleen maar dat zonderling, onbegrijpelijk gevoel of heel haar leven plotseling was omgekeerd, of alles wat ze tot nog toe goed had gekend en liefgehad, opeens heel verre van haar was verwijderd, terwijl alles wat zij als het vreemde en ongekende vreesde, als door een donderslag in haar was neergesmakt. Haar ouders, haar kinderen, de teere nagedachtenis en haar belofte aan Alfons, haar broeders en haar zuster, de jonge barones en de baron, alles, àlles wat zij kende en liefhad, tot zelfs haar buren en bedienden, tot zelfs de menschen uit haar vroeger leven die zij nu en dan slechts eens terugzag; en ook de onbezielde dingen van haar dagelijks bestaan: haar beesten, haar landerijen, de boomgaard, het huisje, alles leefde nog een laatste oogenblik met pijlsnelle intensiteit voor haar geschokten geest op en zonk toen weg in 't niet, om plaats te maken voor de stormkomst van den woesteling-alleenheerscher, die eensklaps als het ware uit den grond gerezen was en zonder een woord, enkel door zijn bruut-geweld van aanrander, allen en alles om haar heen weg- en stukgeslagen en haar zelve als een nietig, weerloos slachtoffer in zijn bezit genomen had.
Als in een droom stapte zij uit de schuur, wonder kalm, maar voorgevoelend dat de schok in al zijn hevigheid eerst later zijn vernielingskracht zou botvieren, kwam buiten in de heldere werkelijkheid van 't zonnelicht, ging machinaal weer in het woonhuis. Wat was het alles vreemd en toch zoo dood gewoon! Wat voelde ze zich onverschillig-kalm en nuchter! Waarom huilde en raasde ze niet? Waarom holde ze den misdadiger niet schreeuwend na? Waarom troepte ze de heele buurt niet samen om hem daar ter plaatse dood te steenigen?--Neen, niets.--Zij sprak gewoon met Meleken die met haar kinderen speelde; zij keek hoe laat het was; zij liep even in haar kamer en kwam er dadelijk weer uit, zonder te weten wat zij er gaan doen was.
"Smul es thuis, weet ge 't, bezinne? 'K hè hem doar op 't hof zien leupen," hoorde zij het meisje eensklaps zeggen. En zonder de minste moeite wist Rozeke zich te beheerschen terwijl ze doodkalm: antwoordde:
"Joa, 'k hè hem euk gezien. Hij es zeker zat?"
"'K en weet 't nie, bezinne; hij 'n ziet er toch moar oardig uit. As hij om eten komt 'k zal 't hem toch wel moete geven?"
Zij keek het meisje aan, roerloos en stom een oogenblik, als was het haar niet mogelijk die eenvoudige woorden te begrijpen.
"Wat dijnkt ou, bezinne?" herhaalde 't meisje bedeesd.
"Ach joa g'e-woar," antwoordde zij eindelijk, als uit een droom ontwakend; "hij zal nou woarschijnlijk wel honger hèn; hij...." Zij beet op haar lippen en staarde opnieuw, sprakeloos, als verwilderd, 't meisje aan.
"Wil ik 't hem goan vroagen, bezinne?"
"Joa joa, zeker, goa moar."
Meleken liep naar buiten en Rozeke bleef even met haar kinderen alleen. Hilairken waggelde op zijn kromme beenen over den vloer; Marietje in haar stoeltje sloeg halsstarrig met een stokje op de houten armleuning.
"Oeder, Eleken wig," kwam Hilairken naar haar toe; en hij poogde op haar schoot te klauteren.
Zij schrikte hevig, als onder een plotse pijnsteek, bij de zachte aanraking der kleine handjes. Heftig schoof zij haar stoel achteruit en strekte, als 't ware verdedigend, haar beide handen vóór zich uit, terwijl zij riep met heesche stem:
"Nie nie kind, nie nie kind, ge 'n meug niet; moeder es steit, moeder es vuil!"
Het dienstmeisje kwam weer in huis:
"Hij es bezig in de peirstal, bezinne en hij zegt dat hij gienen tijd 'n hèt om te komen eten. Hij vroagt of 'k hem doar 'n stik breud en 'n glas bier wille brijngen."
"Brijng het hem," zei Rozeke.
"'n Stik roggen-breud mee 'n schel heufvlakke, bezinne?"
"Joa, 't es goed."
Meleken ging in den kelder, kwam met een vol glas bier, met het roggebrood en de schotel hoofdkaas weer boven. Zij sneed een dikke homp van 't brood, legde een zware plak hoofdkaas er boven. Roerloos en zwijgend zag Rozeke er haar mee weggaan naar de stallen, als met het eten voor een beest.
"Oeder, 'k moe euk 'n stik heufvlak hèn," kwam Hilairken zaniken.
Werktuigelijk stond zij op, ging naar de schotel, sneed er een plakje af en gaf het aan den bengel.
Marietje, in haar stoeltje, zat met juichende armen te slaan, opgewonden zwoeg-ademend, de groote, blauwe, hunkerende oogen op de hoofdkaasschotel. Zij wilde ook een stukje en Rozeke gaf het haar en weer ging ze roerloos-stom vóór 't venster zitten, als op een vreemde plaats waar niets meer van haar was en waar zij ook geen mensen meer kende.
* * * * *
XXXVIII.
Eenige dagen verliepen. Weer ging het leven zijn gewonen gang op 't boerderijtje, alsof er niets gebeurd was. Maar die gewoonheid was slechts een bedriegelijke schijn; de groote slag had in de diepte alles omgewoeld en 't was of allen op de hoeve er iets van voelden zonder het nog te begrijpen. Het bleef vaststaan dat Smul den volgenden zaterdag weg zou gaan; eenieder wist het, 't was of het reeds gebeurd zou zijn, maar niemand sprak er nu meer over; en Smul zelf, steeds in zijn halsstarrig zwijgen teruggetrokken, werkte en sjouwde, maaide, ploegde, zaaide en egde, als een die er in 't geheel niet aan denkt om te vertrekken, als een die niet gemist kan worden. Hij zaaide in vruchtbaren akker het zaad van de komende oogsten en zij allen, die hem zagen werken, voelden nu instinctmatig de onwaarschijnlijkheid, ja, de onmogelijkheid van zijn vertrek.
En Rozeke liep als versuft in huis en op haar erf rond. Het was zoo vreemd in haar, zij leed maar niet, zij was nog steeds niet boos, niet verontwaardigd, er bleef iets dofs in haar, iets dofs en zwaks, dat alle kracht van opstand in haar verlamde, dat alle smart en wroering doodde, iets dat haar onverschillig en gevoelloos maakte voor het akelige dat gebeurd was en voor 't akelige dat haar nog te wachten stond. Het leek wel of ze zich nog maar geen juiste rekenschap van de gebeurtenis kon geven; het was te ruw, te overweldigend geweest; er was te veel gebeurd in een te korten tijd; zij twijfelde, zij sufte, 't was als een nachtmerrie geweest; en nu wist ze ook niet meer hoe met hem te handelen en kon ook niet begrijpen noch voorzien wat nu verder zou geschieden.
Maar de tijd ging en de werkelijkheid naderde, de onoverkomelijke werkelijkheid, die hen fataal opnieuw tegenover elkaar zou stellen; want zij moest wel met hem afrekenen, zij moest met hem nog spreken, het was niet mogelijk dat hij zoo opeens van haar zou weggaan, zonder dat nog iets gezegd werd, zonder dat nog iets,--zij wist niet wat--gebeurde.
't Was vrijdag-avond. Den volgenden dag liep zijn tijd ten einde. Rozeke was radeloos. Hij zei steeds niets, nam hoegenaamd geen notitie meer van haar, maar maakte ook geen de minste toebereidselen voor zijn vertrek. Hoe moest dat eindigen? Wat was hij van plan?
De kinderen sliepen. Meleken en Vaprijsken waren ook reeds naar bed. Smul zelf was reeds lang naar zijn paardenstal terug en Rozeke zat nog alleen in de keuken te suffen en te peinzen. Al haar vroeger leed kwam kwellend weer in haar op; het welde langzaam op, als uit een diepe, diepe bron, het eene na het andere, o, reeds zooveel! Voor 't eerst sinds al die laatste dagen leefde de herinnering aan Alfons intens weer in haar ziel; en 't was alsof de bron van al haar droefheid zich van lieverlede tot een zee van smart uitbreidde, waarin zij dreef en worstelde, gelijk een hopelooze drenkelinge zonder reddingsboei. Alles, o, àlles had ze met hem verloren. Hij was haar liefde en levenslicht geweest en nu het voor altijd was uitgedoofd, zwierf zij in duisteren nacht als een verdwaalde rond. Zij was te zwak als vrouw alleen, zij voelde alles, alles haar ontglippen; een vrouw alleen was niets, zij hoefde hulp en steun, of moest ten ondergaan. En die steun had ze niet, zag ze niet, vond ze niet, nergens. Haar ouders konden haar maar niet doelmatig helpen; haar geliefde bescherm-vriendin, de jonge barones, zag ze den laatsten tijd niet meer; alles verliet haar, alles vergat haar; zij schudde 't zwakke hoofd en strekte verdwaald-zoekend haar bange sidderende handen uit en sloot ze weer, met leege, vruchtelooze grepen in elkaar.--Haar hoofd zakte in haar handen en zij snikte, snikte....
Eensklaps ging de voordeur open en stond Smul vóór haar. Met een schorren angstkreet sprong zij op:
"Wa komt-e gij hier doen? Zij-je gij nog noar ou bedde niet?"
Hij zag bleek en was gejaagd. Hij schudde 't hoofd en zij zag zijn keel even zenuwachtig hikken. Star en stijf, als in verwildering, keken zijn koude, grijze oogen haar aan.
"Nien ik," antwoordde hij heesch. "'K hè espres gewacht tot da g' alliene woart.'K moe ou spreken; 'k moe ou nog wa vroagen."
"Watte? wa es 't?" riep ze kortaf, doodsbleek, de lippen bevend, de beide handen aan de leuning van een stoel geklemd, het gansche lichaam als tot zelfverdediging gespannen en gestramd.
"Of ge nou mee mij wilt treiwen?" vroeg hij dof.
"Nien ik! nien ik! nien ik!" kreet zij schor, in strak-gespannen houding.
Een korte vlam van toorn schoot uit zijn barsche oogen. Hij grijnslachte; maar eensklaps kalm:
"'t Es goed; betoal mij dan.--'K goa morgen wig."
Het knakte haar plotseling neer als onder een slag. Haar weigering, haar stugge opstand waren niets dan een instinctieve opbruising geweest; zij bezat de kalme kracht van een vast beredeneerd besluit niet meer: en alles was nu weer zoo diep verward in haar, onder het onverwachte van zijn komst en van zijn woorden: zij wist niet eens meer wat ze 't meest verlangen of het innigst vreezen moest: zijn blijven of zijn heengaan. Haar gelaatstrekken verwrongen zich en zij begon te schreien; zij antwoordde slap en zuchtend: "'t es goed, 'k zal om ou geld goan," en als in een droom nam ze 't lampje van de tafel en ging er mee in de kamer waar haar geld was, zonder zelfs te denken dat zij hem in de duisternis van de keuken alleen liet.
Zij dacht er eerst aan toen ze reeds binnen in de kamer was en keerde zich haastig en plotseling om. Zij wilde een kaars van boven de kast nemen en plaatste de lamp even op 't schoorsteenblad, toen hij haar eensklaps, als een roofdier op de teenen kwam nagehold, de lamp uitblies en in een woeste pranging haar omknelde.
Zij slaakte een gil, maar kort; hij drukte haar de handen op den mond en kreet dof:
"Zwijgt, of ik vermeurd ou!"
Zij viel in onmacht, zijlings tegen 't bed, dat vaag-wit schemerde in een hoek.
Hij knarsetandde, grinnekend als een sater, van woest genot en wraak....
XXXIX.
Een der laatste dagen van December, toen al het graan der komende oogsten was gezaaid en reeds in fijne groene stengeltjes uit den grauwen, natvruchtbaren bodem begon op te kijken; toen 't wijde, doodsche veld onder mistig-grijze schemerlucht in killen wintersluimer lag, met zwarte en bonte benden kraaien, die er in loom-tragen vleugelslag, als sombere boden van droefheid en rouw, schor-krassend overheen vlogen; toen al het vee weer in de stallen was en ook de kouwelijke menschen rustend na de zomerdrukte in hun dichtgesloten huisjes bij het haardvuur zaten, waarvan de schoorsteenen alom over het land den lichten grijzen rook ten grijzen hemel deden kronkelen... op een van die natte, ijzige, triestige winterdagen, greep het huwelijk: het droevig tweede huwelijk van Rozeke van Dalen met Smul plaats. Wat was het toch alles anders geworden dan zij vroeger had gedacht? Waar was de blijde zomeravond waarop zij van haar huwelijksreis met Alfons uit de stad terugkwam? Waar waren de bloemen? waar was het meisje dat haar een gedichtje voorlas? waar waren de vroolijk-joelende feestvierders om het rood-oplaaiend vuur?--Nu waren zij alleen, geheel en gansch alleen met hun vier vreemde, ergens uit de buurt gevraagde getuigen. Geen enkel familielid; geen enkele vriend! Haar ouders, broers en zusters waren allen onverzoenlijk boos op haar geworden; en ook de jonge barones had haar beschermende hand van haar afgewend. Op een middag was zij op het hoevetje gekomen en had aan Rozeke gevraagd: "het is niet waar toch, Rozeke, wat ik heb hooren zeggen, dat ge met zoo'n vent zult gaan hertrouwen!" en toen Rozeke, in tranen, haar gezegd had dat het wèl gebeuren zou en haar verteld had hoe 't gekomen was, en waarom het nu niet anders kon meer; toen was de barones eerst in verontwaardiging uitgebarsten en had gezegd dat zoo'n schurk bij de politie diende aangeklaagd; maar eindelijk was haar toorn veranderd in medelijden, en vol teleurstelling en leed had ze zuchtend haar schouders opgehaald en was vertrokken. Zij zelve was nu niet gelukkig meer. In 't dorp werd er veel over gefluisterd en Rozeke had het ook gehoord: haar man liep openlijk met andere vrouwen; de oude baron en barones wilden hem op het kasteel niet meer ontvangen en er werd reeds van scheiding gesproken. Overal zag Rozeke rouw en droefheid om zich heen. Zij was zoo jong nog, pas zes en twintig geworden en al het lieve en frissche van haar leven was reeds uitgebloeid of doodgeknakt. Alfons gestorven, haar ouders boos, haar zachte, lieflijke bescherm-vriendin diep ongelukkig en van haar vervreemd; en nu dat somber tweede huwelijk van geweld en dwang, van woeste aanranding en van verkrachting, dat huwelijk waar zij van walgde, maar dat zij aanging uit nood, uit broodnood, voor haar en voor 't bestaan van hare kinderen!