Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2

Chapter 6

Chapter 64,067 wordsPublic domain

Op een namiddag had hij nog pas even zijn kinderen bij zich gehad: Hilairken, die met kromme beenen door de kamer waggelde en reeds "oader, oader" brabbelen kon; en ook het kleintje, dat met een "suiker-tjoeseken" in den blaasjesmond op Rozeke's arm zat. Hij had gevraagd hoe laat het was en waarom Smul nog niet met 't veuleken bij 't raam gekomen was; en Rozeke, even verwonderd, had hem geantwoord dat het zes ure was en dat Smul, als naar gewoonte, immers tusschen twaalf en één gekomen was; en daarop had hij zachtjes geglimlacht en geknikt dat hij 't zich nu herinnerde; en rustig was hij weer met dichte oogen op zijn rug gaan liggen, toen Rozeke, die even uit de kamer was geweest, om 't kleintje aan het Geluw Meuleken te overhandigen, bij 't weer binnenkomen door de vreemde uitdrukking van zijn gelaat getroffen werd. Zij kwam bij 't bed en in de vage schemering van den grijzen, vroeg-invallenden avond, boog ze zich dicht over hem neer. Zoo bleef ze staan, een heele poos, onbewegelijk, met aandachtig starende oogen.--Hij ademde; zij hoorde hem ademen, heel zacht.... Toen kwam het haar plotseling voor alsof hij niet meer ademde.--In absolute roerloosheid en stilte lag hij daar en in die doodsche stilte spreidden zich wijd van angst haar oogen open. Maar opnieuw hoorde zij eensklaps zacht zijn adem en ook zij verademde diep. Toen hield het plotseling weer op: de volstrekte, doodsche onbewegelijkheid en stilte.... En nòg dieper over hem gebogen zag zij, in de grijze schemering, iets, dat als een bijna onzichtbare schaduw van boven naar onder over zijn onbewegelijk gezicht neerstreek.--'t Was als een wonderbare, langzaam-zachte ontspanning, als de teere, stille streeling van een onzichtbaren vleugel, iets dat even zweefde en verdween, langzaam, langzaam naar beneden glijdend, tot het eindelijk, als vervlogen, in de effen-grijze wazigheid was opgelost. Het was voorbij, verdwenen ... en eensklaps zag zij op zijn strak gelaat de onbekende uitdrukking van een geheel nieuw wezen, een wezen van onuitsprekelijke rust en kalmte, de hooge, gelouterde, heilig-sereene kalmte van het niet-meer-zijn.... Hij was dood! Zij zag het, zij wist het, zij voelde het ... en huilde niet. Roerloos, met droge oogen, keek zij hem halsstarrig aan. Het was niet vreemd voor haar, zij was niet bang, het scheen haar zoo natuurlijk. 't Leek of er niets veranderd was; 't was zeker maar een zinsbedrog; 't gewone leven om haar heen ging rustig voort zijn kalmen gang als 't oogenblik te voren; de grijze schemering hing wazig-zacht in 't kamertje; in de keuken hoorde zij het Geluw Meuleken die stil met iemand sprak en buiten, in de schuur, klonken dof de gekadanseerde slagen van Vaprijskens vlegel op den harden kleivloer.

De deur van 't kamertje ging zachtjes open en een breede, donkere gestalte verscheen op den drempel. Het was haar moeder, die eens naar hem informeeren kwam.

"Hoe goat 't er mee?" hoorde Rozeke haar fluisterend vragen, als in een droom.

Strak richtte zij zich op en keek haar moeder starend, als onnoozel, aan. Zij wilde spreken, maar kon niet. De schorre woorden bleven hokken in haar toegeschroefde keel. Eindelijk kon ze 't uitbrengen:

"Hij es deud, moeder!--'K geleuve ... dat hij ... deud es!"

"Deud!" gilde verwilderd de dikke vrouw. En zij kwam naar 't bed gehold.

"Deud!" herhaalde Rozeke machinaal, met gebroken stem.

Meer kon ze niet zeggen. Zij zakte snikkend, met haar handen vóór de oogen, op een stoel en bleef er zitten schreien, eindeloos, eindeloos lang....

In de keuken stoeide 't Geluw Meuleken zacht met Hilairken en Marietje. Traag hossebossend kwam Smuls kar met een vrachtvol voeder van den akker op het erf gereden. In de schuur galmde steeds, eentonig als een treurig klokgetamp, Vaprijskens vlegel, in dof-tragen, gelijkmatigen kadansslag op den harden kleivloer.

Dien zelfden nacht werd Rozeke ziek. Zij leed aan hevige krampen, uren lang lag zij te kruipen en te kermen van de pijn en tegen den ochtend bleek het duidelijk dat het met haar op een miskraam zou uitloopen.

De dokter werd gehaald en moeder bleef voorloopig op de hoeve. Ook Rozeke's oudste broeder nam er tijdelijk zijn intrek om alles voor de begrafenis te regelen.

Het was nog een geluk voor Rozeke dat zij van al die narigheid niets merken kon; en een geluk was 't ook dat 't derde kind er nu niet komen zou.--Alles werd in stilte volbracht terwijl zij, zwaar ziek, met hooge koorts te bed lag.

De luiken van het huisje waren dicht gesloten, de zwarte rouwvendels stonden tegen den muur, het strooien kruis lag op den drempel en op het erf en in de stallen was geen leven noch bedrijvigheid meer. Alles was stil. Smul reed niet meer met de merrie naar den akker, het veulentje kwam niet meer buiten, Vaprijsken dorschte niet meer in de schuur, het Geluw Meuleken liet haar glinsterende emmers niet meer rinkelen. En iederen morgen en avond luidde op den verren kerktoren een doodspoos....

Den derden ochtend kwam eindelijk boer Lauwe's wagen, bespannen met twee paarden, het erf van 't boerderijtje opgereden en hield geluidloos vóór den drempel van het toe-geblinde woonhuis stil.--Boer Lauwe zelf, als naaste buurman, stelde aan moeder van Dalen de sacramenteele vraag: "Bezinne, es 't mee ouën dank dat 't lijk uit den huize goat!" en toen moeder snikkend ja geknikt had, werd de kist heel zacht, met nauwelijks hoorbaar geschuifel van voeten, door vier mannen naar buiten gebracht. Onder het verkleurde, zwart-fluweelen dekkleed met zilveren franjes teekende zij haar akelige vormen af. Vader, moeder, La, de broeders, dempten met inspanning hun zuchten en hun tranen. Moeder bleef maar even buiten. Zij schetste een kruisteeken over den doode, tot vaarwel, en keerde stil terug bij Rozeke. Het Geluw Meuleken hield in 't achterhuis de kinderen bezig.

Langzaam, in stil gefluister van woorden, werd de kist over een stroo-laag op den wagen geschoven. Smul en Vaprijsken gingen er rechts en links, als wakers, naast zitten. Boer Lauwe's paardeknecht tilde zich op den rug van een der paarden; en langzaam, stapvoets, in plechtige stilte door den kleinen stoet van familieleden en buren gevolgd, reed de wagen van het erf.

Het was een zonnige, frissche, winderige vroege-voorjaarsdag. Glanzend-witte wolken dreven hoog en vlug in 't heldere, gezuiverde, als 't ware frisch-gewasschen hemelsblauw en de nog bladerlooze, heen en weer gezwiepte boomenkruinen klaagden zacht en piepten. Als een donkere, op elkaar gedrongen kudde liep de kleine rouwstoet achter den zacht-schommelenden wagen: de enkele vrouwen van het hoofd tot de voeten gehuld in haar lange, zwarte, door den wind soms klapperend-opwaaiende kapmantels; de mannen in hun korte buisjes, de handen in hun broekzakken en de schouders opgetrokken voor de kou. Bij den eersten kruisweg hield de wagen even stil en allen baden met gebogen hoofden en gevouwen handen, om de booze geesten te bezweren. In 't ruischen van den hoogen wind krasten rondzwervende zwarte kraaien. Ginds verre, over de bloote uitgestrektheid van de velden, rees spits de grijze kerktoren, waarin het dooden-klokje tampte, eentonig-aanhoudend, nu eens sterk en dan weer zwak gedragen door den wind, als een halsstarrig, steeds herhaald geroep....

* * * * *

XXXII.

Toen begon langzaam weer de dagelijksche gang van het gewone leven.--Rozeke was beter en zat op in de keuken. Moeder was weg. La zou nog een poosje blijven om in 't huishouden te helpen.

De voordeur ging open en voor de derde maal, dien ochtend, stak Smul van achter 't houten schut zijn hoofd naar binnen. Hij trad heelemaal naar voren toen hij eindelijk Rozeke ontwaardde, bleek en mager, met witte kussens achter den rug in den leunstoel waar destijds Alfons zat bij het vuur, en vroeg haar:

"Wa goan we nou doen, bezinne, mee die partij achter de Vlierbeum: zoên we doar eirdappels planten of zoên we 'r suikerijen zoaien?"

Die eenvoudige vraag bracht Rozeke heelemaal van streek, deed haar plotseling weer beseffen wat zij aan Alfons verloren had.--Ach! hoe kon ze 't weten wat er daar geplant of gezaaid moest worden? Zij had daar immers geen verstand van en niemand was er om haar raad te geven. Haar betrokken, bleek gezicht met triestig-doffe oogen verwrong zich als onder een pijnsteek en zij antwoordde, vol aarzeling en twijfel:

"Och Hiere, 'k en weet ik zelve niet; wa peist-e gij?"

"Ik zou d'r eirdappels planten," antwoordde hij kortaf. "Veur de suikerijen geven z' ou wat dat ze willen en d'eirdappels houên altijd uldere prijs."

"Hawèl, joa, Ivo jongen, plant er gij eirdappels," knikte zij.

"En de zure misch achter den bosch, bezinne? Zoên we nou ne kier probeeren mee d'r wa semiek op te streuien, of zoên w' hem nog 'n joar loate liggen lijk of hij es?"

Opnieuw vertrok zich haar pijnlijk bleek gezicht van aarzeling en twijfel.

"Wa peist er gij van?" vroeg ze voor de tweede maal.

"Ik zoe 't nog 'n joar uitstellen," antwoordde hij. "Whèn nog al wa heui over van passeerde joare en die semiek 'n es toch dikkels moar vervalschten kucht."

"Hawèl joa, we zillen nog 'n joarke wachten."

Hij knikte met het hoofd en was weg.

Zij voelde 't wel, zij was geheel en al, voor wat 't beheer der boerderij betrof, aan zijn wil en besluiten overgelaten; zij zelve had er geen verstand van. Het was dan ook maar beter dat ze 't aan hem overliet: aan hem en aan Vaprijsken. Zij tobde en sprak er over met La, een groot deel van den dag; en 's avonds, na het eten, terwijl de beide knechts even vóór 't naar bed gaan bij den haard hun pijp zaten te rooken, onderhield zij er hen over, de stem bevend en de oogen vol tranen:

"Ivo, en Vaprijs, 'k hope toch da ge mij alle twieë goe zil blijven helpen. Ik 'n hè natuurlijk gien verstand van boeren, en 'k hè road en hulpe neudig.--'K hope da ge zilt willen doen lijk of 't veur ulder eigen woare."

Vaprijsken kreeg een traantje van ontroering in zijn oog.

"Ge meug gerust zijn, bezinne; over mij 'n zilt-e niet te kloagen hèn," zei hij met een stem die trilde.

Smul, het hoofd somber gebogen, knikte zonder iets te zeggen. "Gij toch euk, Ivo?" vroeg ze bedeesd, zonder hem haast aan te durven kijken.

Hij klopte de asch van zijn pijp uit op zijn klomp, spuwde van zich af, en antwoordde eindelijk, kortaf en ruw, met harden blik, zooals het zijn gewoonte was:

"Dat dippendeert, bezinne, van wie da g'hier as boer wilt aanstellen. Ienen boas op 't hof: Vaprijs of ik!"

Zij schrikte hevig van zijn woorden. Hij of Vaprijs? en dan nog wel als boer, als baas! O, wat voelde ze weer hard de akeligheid van haar verlies! Een weeke kleur kwam over haar verlepte wangen; zij stotterde en kon geen antwoord uitbrengen; zij wist niet wat ze zeggen moest. Er was een oogenblik volkomen stilte.

"Ik of Vaprijs!" herhaalde hij met vastberaden nadruk, om de beurt haar en Vaprijsken met zijn barsche, strakke oogen aankijkend.

Eindelijk kwam een spotachtigen glimlach om Vaprijskens gele snor.

"Ik of hij 't es me 't zelfde," zei hij leukjes, "we 'n zijn wij toch moar knechten alle twieë."

Rozeke verademde en keek het trouwe knechtje dankbaar aan. Vaprijsken was zoo goedig! Hij, toch, zou niet onhandelbaar zijn. En wat was het ook goed dat hij 't zoo duidelijk gezegd had: Knechten alle twee!

Doch kort van duur was haar vreugd. Smul gaf zich niet eens de moeite Vaprijskens schimpscheut te beantwoorden, en ging ook op de zaak niet verder in. Bruusk stond hij overeind, als een die al gezegd heeft wat hij zeggen wou, wenschte een korten goenacht en was meteen de deur uit. Verbaasd en onthutst keken Vaprijs en Rozeke elkander aan. Zij voelden wel dat zij niet bij machte waren om tegen zoo'n kerel op te staan.

* * * * *

XXXIII.

Vanaf dat oogenblik werd ook Smul de onbetwiste boer en baas der hoeve. In het begin nog raadpleegde hij Rozeke; maar, aangezien ze zich toch altijd naar zijn oordeel schikte, achtte hij deze formaliteit al spoedig overbodig en beredderde weldra alles zonder vragen naar zijn eigen wil. Hij besliste waar en wat gemest, geploegd, gezaaid, geplant zou worden; waar, wanneer en hoeveel noodhulp-werkvolk moest gevraagd worden; hoe, hoelang en voor welk loon zij zouden werken. Eerst vroeg hij nog een tijdlang Rozeke's instemming en goedkeuring voor wat inkoopen en verkoopen betrof; maar ook daarin handelde hij weldra naar zijn eigen, exclusief goeddunken, kocht en verkocht, vroeg of bracht eenvoudig aan Rozeke het geld der ingeslagen of geleverde waren.

Het duurde niet lang of koopers en leveranciers onderhandelden uitsluitend en rechtstreeks met hem. De molenaar, de lijnmeelfabrikant, de zadenhandelaar boden hèm hunne producten aan; de veekooper, de aardappelkooper debatteerden met hèm over de prijzen van het vee, van 't graan en van de aardappels.

Rozeke zag en voelde wel dat hij zijn grens verre te buiten ging, maar zij had nu eenmaal, door de omstandigheden gedwongen, de macht uit haar handen gegeven en zag geen kans die nog terug te krijgen. Het was fataal zoo gekomen, het had niet anders gekund; dat was het onvermijdelijk gevolg der groote ramp die haar geluk geknakt had.--Doch anders kon zij over hem niet klagen en de heerschappij was wel aan hem besteed. Hij verdiende ze ten volle. Hijzelf werkte, onvermoeid en flink, den ganschen dag door; hij werkte eigenlijk voor haar en voor haar kinderen, als gold het zijn persoonlijke belangen; en zij zag en voelde, als een zachten troost in haar lijden, de tijdens Alfons' langdurige ziekte wel eens bedreigde materieele voorspoed en welvaart weer op het boerderijtje komen.

Edoch, daarbuiten, om zich heen, voelde zij ook groeiende nijd en nauwelijks bedekte schimperij en vijandschap. Men spotte met zijn heerschappij en lasterende tongen verspreidden leelijke geruchten. Vaprijsken noemde hem achterrug "menier den boas", en 's zondags, wanneer hij halfdronken in de herbergen van 't dorp liep, vertelde hij aan al wie 't hooren wilde, dat hij van plan was zijn dienst op te zeggen. Hij vloekte en raasde, driest en uitdagend zoodra hij uit Smul's tegenwoordigheid was en voorspelde dat men weldra rare dingen zou bijwonen.--Ook het Geluw Meuleken was dadelijk, na Smul's bazig optreden, stroef, venijnig en onhandelbaar geworden. Zij keek Smul niet meer aan, wat Rozeke zeer verbaasde en verheugde, want zij vreesde 't ergste van hun gescharrel en voelde zich, minder dan ooit, bij machte het tegen te gaan; maar niet alleen tegen Smul, ook tegen haar was 't Geluw Meuleken onvriendelijk geworden; en evenals Vaprijsken raasde en lasterde zij achter den rug om, op haar zondagsmiddags-uitgangen in 't dorp. Het duurde niet lang of van al die vage, leelijke geruchten kwam Rozeke's ouders iets ter oore; en op een zondagmiddag verscheen moeder op de boerderij.

Rozeke hoefde haar slechts van verre over het erf te zien aankomen, om dadelijk te merken dat er iets ongewoons ophanden was. De dikke vrouw zweette en hijgde, breed-schrijdend met waggelende heupen, als een vette modder-eend; haar gezicht was blakend rood en haar tandelooze mond hing open van inspanning en haast. Nauwelijks was ze binnen en had zich overtuigd dat Rozeke met haar kinderen alleen was, of ze hijgde en stotterde 't er opgewonden uit:

"Roze!... è è es da woar wat da 'k doar heure zeggen hè ... dat-e gij mee ouë peirdeknecht goat hirtreiwen as ouën tijd om es?"

"Wa ... wa zegt-e doar, moeder!" riep Rozeke verschrikt.

Moeder, met de beenen ver vaneen, snakkend naar adem op een stoel gezakt, moest eerst even op verhaal komen. Haar fletse blauwe oogen keken rond en boos haar dochter aan en dikke zweetstralen liepen over haar vette, roode kwabbe-wangen.

"O ... o ... of 't woar es da ge mee ouë peirdeknecht goat hertreiwen as ouën tijd om es?" herhaalde zij eindelijk, met een stem die klapte als een zweep.

Een vloed van emotie kwam plotseling van uit de diepte van Rozeke's hart naar haar gelaat opgestormd. Het hokte in haar keel en vulde met tranen haar oogen. Zij dacht aan Alfons en aan haar heilige belofte bij zijn sterfbed; en dat zij die belofte schenden zou, o, het stond zóó verre van haar af, dat zij innig en ellendig droef, maar niet eens boos of verontwaardigd over moeders harde woorden werd. Zij zuchtte zwaar en hikte zenuwachtig, doch zij wist zich te beheerschen; en in plaats van de vraag te beantwoorden, vroeg zij op haar beurt, met kalme, bijna toonlooze stem:

"Wie zegt da, moeder?"

"Wie!... ha! heul 't dorp! 't Es er vul van! D'r wor van nie anders gesproken. 't Es 'n schande!" hijgde de opgewonden vrouw.

Fier hief Rozeke het hoofd op. Zij voelde zich gesard en ook eindelijk kwaad worden. Haar oogen schitterden en een heete kleur kwam over haar ingevallen wangen

"Hawèl, moeder, as ze 't ou vroagen zeg dan veur mijn poart dat 't leugens zijn!" riep zij eensklaps nijdig en bits.

De oude vrouw schudde zuchtend en kreunend het hoofd. En zij begon scherp uit te varen tegen Smul en tegen 't Geluw Meuleken, zelfs tegen Vaprijsken en tegen alles wat, vooral sinds Alfons' dood, op 't hoevetje gebeurde.--"'t Es 'n schande! herhaalde zij voortdurend, "'t schijnt dat 't al aan d'euren van de páster es gekomen, en as er den b'ron of mevreiwe van heuren, zilt-e moete verhuizen!"

"Joa moar wàtte, moeder? Wa ès er 'n schande? wa ès er gebeurd?" riep Rozeke hoe langer hoe bitsiger wordend.

"Hoe! zij-je blend of deuf dan? Of es 't moar geboaren?" gilde de dikke vrouw. "Weet-e gij meschien nog niet dat 't Geluw Meuleken moe ne kleinen krijgen en da ze zeggen dat 't euk van Smul es!"

Geweldig schrikte Rozeke op. Het vreemde doen van 't Geluw Meuleken was haar al een heelen tijd verdacht voorgekomen en daar kon wel iets van aan zijn. Toch begreep ze 't niet goed en twijfelde nog.

"Ha moar, moeder, 't es uit! Ze'n kijken al sedert verscheide weken noar mallekoar nie mier omme!" riep zij angstig en verbaasd.

"Hawèl joa, 't es precies doarmee dat 't uitgekomen es!" hijgde moeder van Dalen. "Van as Smul ondervonden hèt dat de pap verbrand was, hèt hij heur loate leupen omdat hij sedert Alfons' deud zijn zinnen op ou gesteld hèt! En 't Geluw Meuleken, die doarom kwoad geworden es, goa nou heul den boel in 't dorp vertellen; en Vaprijsken, die zjaloes es, euk!"

"Wà leupen z' al vertellen?" vroeg Rozeke.

"Wèl!... van ou en van hem! Ge 'n moet ou nie onneuzel geboaren! Ge keun wel peizen, e-woar, wat da ze vertellen? O! 't es 'n schande! 'n schande!"

't Was als een openbaringslicht dat plotseling voor Rozeke opging. Zij voelde, met afschuw en schrik, het gansche laag gebabbel en geknoei dat buiten haar om ging, en begreep aan welken vuigen laster zij weerloos was blootgesteld. Zij trilde van verontwaardiging en woede, eensklaps vast besloten er korte metten mee te maken.

"'t Es goed, moeder, 'k ben blije da 'k da amoal wete; d'er zal hier gauwe goan veranderijnge komen," zei ze beslist; en als in krachtdadig besluit kneep ze strak haar lippen op elkaar.

Na nog langdurig klagen en knorren en vitten ging moeder eindelijk weg, en kort daarop kwam 't Geluw Meuleken van 't dorp terug.

Rozeke liet haar niet eens den tijd muts of mantel af te nemen.

"Es da woar, Meuleken," vroeg zij bruusk af, met bleeke, bevende lippen, "es da woar dat-e gij moet ne kleinen hên van Smul?"

Het Geluw Meuleken, klaar om zich op haar zolderkamertje te gaan verkleeden, bleef als versteend staan, 't ontsteld gezicht naar Rozeke omgekeerd, den knop van de zoldertrapdeur in de hand. En vóór ze zelfs een enkelen klank tot antwoord had geuit, zag en begreep Rozeke eensklaps alles: haar betrokken, bleek gezicht vol gele sproeten, de angstig-verwilderde uitdrukking van haar oogen, het reeds zwaar-wordend figuur; alles wat zij in haar diepe droefheid van de laatste tijden niet gemerkt had, trof haar nu plotseling als een klap in het gezicht en zij raasde, net als haar moeder, terwijl het Geluw Meuleken, zuchtend en schreiend, de waarheid ook niet poogde te verbergen:

"'t Es 'n schande! 'n schande! Mij bedriegen in ploatse van mij t' helpen in al mijn verdriet!--'K ha d'r al lank wa van in de goaten, moar 'k miende dat 't gedoan was!--Joa moar azeu 'n keunt g' hier nie blijven, zille! Treiwen of hier wig!"

Het Geluw Meuleken hikte en snikte:

"Hij 'n wil nie treiwen, bezinne. Hij hè mij bedrogen en nou loat hij mij leupen. Hij durf zelf zeggen dat 't van hem nie 'n es, de sloeber!--Moar 't 'n es anders nie of om mee ou te keunen treiwen!"

Rozeke bedwong met moeite een kreet van walg en opstand:

"Mee mij! Wie zegt datte? Wie durft da zeggen?"

"Iederien, bezinne, iederien."

"Hij euk?"

"'K 'n weet 't nie, bezinne, moar iederien in 't dorp zegt het; en Vaprijsken zegt het euk, iederen zondag, in d' hirbirgen, aan al die 't heuren wilt!"

"Vaprijs es nen deugniet, ne zot; en gij 'n zij euk gien goeje, want g' het er euk van gebabbeld, ik weet het!"

"'t Es gelijk, bezinne; ik 'n hè 't nie iest gezeid; Vaprijs hèt 't iest gezeid; moar ik ben d'r d'ongelukkigste mee. O! die sloeber, die sloeber!"

Het Geluw Meuleken raasde en snikte te gelijk, en Rozeke, ellendig doch meelijdend, voelde langzamerhand haar eigen toorn in machtelooze wanhoop verzinken. Doch zulk een toestand kon ze niettemin in geen geval op haar boerderij dulden, en zij besloot met Smul te spreken en hem, zoo mogelijk, tot een huwelijk met het Geluw Meuleken over te halen.

Zij stuurde het snikkend dienstmeisje naar bed, en wachtte op de komst van Smul. Zij hoorde weldra een geluid van voetstappen in de duisternis over het erf en opende met kloppend hart de voordeur.

"Ivo, zij-je 't gij?" riep ze.

Haar stem klonk zwak en onvast. Zij spande al haar krachten in om sterk en kalm te blijven en haar gezag te handhaven. Haar wenkbrauwen stonden gepijnigd saâmgefronst, haar tanden beten zenuwachtig op haar onderlip en zij voelde zich in 't donker op den drempel een vurige kleur krijgen.

"Joa ik, bezinne," klonk Smul's ruwe stem in de duisternis.

"Wilt g' hier ne kier komen?"

Hij was reeds bij de deur van den paardenstal om te gaan slapen. Hij keerde zich om en kwam sprakeloos, dwars over den boomgaard, naar het woonhuis toe. Zij zag zijn sterke, gedrongen gestalte trapsgewijs uit het donkere te voorschijn komen.

"'K zou ou ne kier wille spreken, Ivo."

Hij knorde iets als antwoord, trad achter haar binnen en sloot de deur.

Zij stonden vlak tegenover elkander in de ruime, lage, zwartgebalkte keuken, zij vreeselijk ontsteld en niet wetend hoe te beginnen, hij nurksch en norsch als altijd, zijn dikke rosse snor als een stugge streep dwars door zijn beenderig gezicht met sterke kaken, zijn koude, grijsblauwe oogen strak op haar gevestigd, onder de klep van zijn zware, ietwat scheef op het hoofd staande pet. Een lampje zonder kap stond ongezellig lichtend op een laag groen tafeltje; in 't haardvuur versmeulden de laatste houtblokjes tot asch en kool. Hij wachtte, lomp en stijf in zijn zondagskleeren, wat zij hem te zeggen had.

"Ivo," begon ze eindelijk, zonder hem aan te durven kijken en met een stem waaraan zij weer vruchteloos poogde kracht en vastheid te geven, "Ivo, 't Geluw Meuleken kloagt over ou, as da ze 'n kind van ou moe krijgen en da ge mee heur nie 'n wilt treiwen."

Zij hief het hoofd op en keek hem aan, plichtmatig-berispend, één enkele seconde. Maar, voor zijn harden, boozen oogopslag, sloeg zij dadelijk háár blik weer neer.

"Ik 'n wee doar niets van, bezinne; 'k 'n hè doar gien affeirens mee," klonk kort en ruw zijn afdoend antwoord.

"Ze zeg zij het toch, ze beweirt dat 't van ou es; en às 't azeu es zoe je 'r toch wel meugen mee treiwen," drong zij zonder overtuigingskracht aan.

"Bezinne," antwoordde hij, plotseling bijna uitdagend, "die zijn gat verbrandt moe op de bloaze zitten, en die hem in nen nest mee deurns zet 'n wee niet dewelken dat er hem steekt! 't Kan het van mij zijn, moar 't kan euk van Vaprijs zijn en meschien nog van ne heulen boel andere. Ik 'n trek het mij nie aan, bezinne; 'k voag er vierkante mijn botten aan."