Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2

Chapter 5

Chapter 54,064 wordsPublic domain

* * * * *

XXVII.

Eenige dagen verliepen. Rozeke had weer een brief ontvangen, maar hij behelsde weinig nieuws. Alfons berichtte dat het weer ginder nog altijd even mooi bleef, maar hij was eens beneden door de kleine stad gaan wandelen en vond er het volk zoo verschrikkelijk vuil en lui.--"Ik en zou ginter toch niet willen leven voor geen geld van de wereld," zoo schreef hij, "want zoo een smerig volk als ginter daar hebt ge geen gedacht van. Ze zitten op de zulle van hun huis of te midden van de straat mallekaars luizen en vlooien te vangen en ulder waschgoed hangt allemaal uit de vensters of dweers over de straat op koorden te drogen en het ziet er percies zoo vuil en zoo grauw uit lijk of het nooit gewasschen was geweest. Het zijn lijk koolzakken die uit de veinsters hangen." Verder vertelde hij dat er "ginter" toch ook al niet veel nieuws meer te zien was na de eerste dagen en dat men al heel gauw genoeg had van al dat rijk "volk" in hun zomerkleeren en van al die schoone "voituren" en "odemobielen" die veel te veel stof opjoegen en de wegen voor de voetgangers gevaarlijk maakten. En, naar aanleiding van automobielen, schreef hij iets dat Rozeke zeer verbaasde en haar met een onheilspellend voorgevoel ten opzichte der jonge barones vervulde.

"Dezen nuchtink", schreef hij, "is mevreiwe mij weer komen bezoeken en zij was zoo vriendelijk en heeft mij zulke schoone goede vruchten meegebracht, maar, beminde vrouw, weet gij wat ik toch aardig vind: dezen achternoen ben ik eens boven op den berg gaan wandelen en wilt gij eens weten wie ik daarboven op den hoogen weg gezien heb? mijnheer den baron in zijnen odemobiel met nog eenen heer en met twee vrouwspersonen waarvan geen eene de barones was. Zij stonden voor eenen schoonen grooten café waar kerels met roode kazakken aan buiten onder een serre op violen stonden te spelen en zij hadden al te samen danig veel leute, maar de gezichten en de manieren van die twee vrouwen stonden mij toch hoegenaamd niet aan. Er loopen er hier zoo vele van die soorte en ik vrees dat den baron daar in geen goed gezelschap was. Ik ben heel kontent dat hij mij niet gezien heeft want ik had hem wel moeten saleweeren en wie weet of hij dat aangenaam zoude gevonden hebben? Dat zou toch een droevig dingen zijn voor de jonge mevreiwe indien hare man hem nu al ging slecht gedragen en ik durf het haast niet peinzen en toch vrees ik er voren. Maar het is ook waar, er loopt ginter zooveel aardig volk dat ge nooit en kunt weten met wie ge te doen hebt. Ach ja, beminde vrouw, het is ginter niet lijk hier en ware het niet om mijne gezondheit ik en zou ginter zeker geen ure langer blijven. Het is toch ook maar triestig als ge nooit iemand hebt om tegen te klappen. Dat spreekt ginter allemaal Fransch of Italiaansch en die Olanders van het huis waar ik woon kan ik toch ook maar heel moeilijk leeren verstaan. Zij en spreken nooit maar den helft van ulder woorden uit en den anderen helft blijft altijd in ulder keele zitten kraken. En het aardigste van al is nog wel dat zij meenen dat zij heel goed klappen en dat ik slecht klap. Ja, ik heb al gezien dat de zoon en de dochter met mij loechen als ik tegen ulder klapte en ik had waarlijk goest om tegen ulder te zeggen dat zij wel zouden doen met nog eenige jaren lesse te komen nemen bij meester Cattoir in ons dorp.--A propo van meester Cattoir, ik heb er gisteren nog eens met mevreiwe over gesproken en zij heeft mij beloofd dat zij van morgen af nog eens over zijn verhooging van pensioen aan haar papa zou schrijven, maar dat de meester toch ook een beetje pasiensie moet hebben.

Stel het al wel, beminde vrouw, en lees maar dikwijls een gebed voor mij dat ik zoo spoedig mogelijk bij u en mijne kinderen terug zou mogen komen.

Uwen verkleefden man met het hart,

ALFONS.

"Dezen brief moogt gij aan den meester hoegenaamd niet laten lezen om dies wille wat er in staat over den baron met die twee vrouwspersonen in zijnen odemobiel. De meester is nog al nieuwsgierig en hij zou er in het dorp gaan kunnen over babbelen en dat zou ons heel veel kwaad kunnen doen, en aan de knechten en het meissen moogt gij hem ook niet voorlezen."

* * * * *

XXVIII.

Die brief bracht Rozeke in zwaarmoedige stemming. Zij voelde dat hij ginder heimwee begon te krijgen en dat het zou moeite kosten om er hem lang genoeg te houden. Ook door zijn onverwachte mededeeling over den baron en die twee onbekende vrouwen in de automobiel werd zij treurig en somber gedrukt. Zij kon haast niet gelooven dat hij zoo iets durven zou en 't kwam haar trouwens voor als iets onmogelijks dat een man die zoo een lieve, mooie vrouw had als de barones, nog naar andere vrouwen om zou zien. En toch!...

Zij hoopte maar dat Alfons zich vergiste; het zou afschuwelijk zijn!

Opnieuw was er een week verloopen. Moeder en La waren weg en op het boerderijtje ging alles geregeld zijn gewonen gang. Smul was zooveel mogelijk op den akker, ploegend, spittend, mestend, in zoover het weer den veldarbeid toeliet; en Vaprijsken, die het anders nu niet druk had, dorschte met den vlegel in de schuur, of zwingelde den vlasvoorraad van den vorigen zomer af. Halve dagen hoorde men rustig zijn zwingelrad gonzen in het houten afdakje naast 't wagenhok; en wanneer hij er op schoft-en-maal-tijd uitkwam, verscheen hij van onder tot boven grijsgeel bepluisd en bestoven, zijn klein gezicht leuk-glimlachend, als van een oolijk kabouter-sneeuwventje, onder de fulpige laag van donsjes en watjes, die als een vermommings-pruik zijn haar en baard en wenkbrauwen bedekten. En zij hadden allen een verteederd genoegen met het lieve veulentje dat zoo parmantig opgroeide en reeds, in levenslustige dartelsprongen, om de merrie heen wipte en huppelde. De oude Dons kwam er naar kijken en schudde lachend het hoofd, grappig gillend dat dat dolle ding hem honderd en twintig frank uit den zak gestolen had met enkele maanden te laat op de wereld te komen.

Dat alles was geluk en voorspoed. Wat Rozeke echter minder beviel was, sinds enkele dagen, de zonderlinge doenwijze van 't Geluw Meuleken. Zij zag er betrokken en bekommerd uit en herhaaldelijk, als Rozeke haar niet in 't oog hield, sloop zij ergens weg in schuur of stal. Rozeke begreep wel dat zij Smul naliep en zij trachtte 't te dwarsboomen zonder evenwel openlijk en flink te durven optreden, bang als ze was dat, èn Smul, èn 't Geluw Meuleken haar plotseling in den steek konden laten terwijl zij niet weten zou door wie hen op dat oogenblik te vervangen; want--en dit beschouwde zij, in de gegeven omstandigheden, wèl als ongeluk en tegenspoed: tot haar schrik had ze ontdekt dat ze voor de derde maal zwanger was!--Alfons vermoedde er wel iets van, doch was nog in 't onzekere toen hij vertrok, en om hem niet te kwellen had zij er ook niets over geschreven; maar aan haar moeder had ze 't toevertrouwd en deze was scherp uitgevaren, schreeuwend dat 't 'n stommigheid en 'n schande, 'n wraakroepende uittarting van onzen lieven Heer was. Maar 't wàs nu eenmaal zoo; daar zat zij er weer mee, een zware last te meer bij al haar andere zware lasten: en meer dan ooit was het dringend noodzakelijk dat zij den vrede om zich heen zoude bewaren. Daarom durfde zij niet doortastend tegen Smul en 't Geluw Meuleken optreden, maar om hun geknoei zooveel mogelijk te belemmeren, had zij Vaprijsken in den arm genomen; en deze, nog steeds heimelijk op Smul gebeten en jaloersch van 't Geluw Meuleken, hielp Rozeke op bedekte wijze, al waar hij maar kon. Zoodra hij 't Geluw Meuleken ergens in de schemering om schuur of stal zag draaien, hield hij even met dorschen of met zwingelen op; en Rozeke die den kadansslag van den vlegel of het snorren van den zwingel niet meer hoorde, wist dadelijk wat het te beteekenen had. Zij kwam onmiddellijk naar buiten en riep, onder 't een of 't ander voorwendsel, het Geluw Meuleken bij de kinderen of in huis terug. Zoo slaagde zij er in menig heimelijk geknoei te verhinderen en Vaprijsken lachte wraakgenietend in zijn gelen baard, terwijl Smul woeste oogen zette, zonder evenwel openlijk zijn toorn te durven laten uitbarsten.

* * * * *

XXIX.

Alfons bleef schrijven, geregeld twee- of driemaal in de week en Rozeke antwoordde telkens onmiddellijk op zijn brieven, verzekerende dat alles best ging op de boerderij; en, op herhaald aandringen van de jonge barones, smeekte zij hem ginder toch nog wat te blijven, het desnoods met tegenzin nog enkele weken vol te houden, terwille van zijn gezondheid. De barones had het haar met alle kracht op 't hart gedrukt; hij mòcht nog niet terugkomen; hij mòcht niet plotseling, zonder overgang, van den warmen zomer in den barren winter vallen: 't kon doodelijk voor hem zijn. Maar Rozeke voelde wel dat het verblijf in den vreemde hem hoe langer hoe zwaarder begon te drukken; en, op een ochtend, schrikte zij hevig bij het ontvangen van een heel kort briefje, waarin de barones Rozeke letterlijk bezwoer alles te doen wat in haar macht was om het onzinnig plan van plotselinge terugkomst, dat hij vast scheen in zijn hoofd gezet te hebben, te beletten. De barones was blijkbaar misnoegd over zijn ondankbaarheid, dat kon Rozeke heel goed uit den toon van haar schrijven opmaken; en reeds was Rozeke koortsachtig bezig aan een smeekenden brief naar Alfons, opdat hij toch om Godswil nog een tijdje blijven zou, toen zij eensklaps een jongetje van 't telegraaf kantoor met een rijwiel 't erf zag opgereden komen.--"Och Hiere God!" riep zij, op haar trillende beenen overeind vliegend. Zij kwam hem op den drempel te gemoet gerend: "'n dépèche?... veur mij?"... en ontving met een kalm: "joa 't bezinne" van het jongetje dat van zijn rijwiel wipte, de groene toegezegelde enveloppe van het telegram. Met bevende vingers scheurde ze die open en las, de oogen schemerend:

"Ik kom van avond terug.

ALFONS."

XXX.

Hij kwam terug! Nog enkele uren maar en hij zou weer bij haar zijn!

Haar eerste gevoel was er een van onberedeneerde, onstuimige vreugd. Zij had hem sinds zoo lang niet meer gezien, zij had zoo zeer naar hem verlangd! Nu eerst, nu hij zoo onverwacht bijna weer thuis was, voelde ze plotseling hoezeer zij hem elk oogenblik gemist had, hoe vurig zij naar hem verlangd had. Nu ... o nu hielp geen redeneering meer, hij kwam terug en dat geluk overtrof en vergoedde àlles; nu zou ze niet geduld hebben dat hij nog maar één dag, nog maar één uurtje langer weg bleef. Zij liep werktuigelijk tot aan het hek langs waar het jongetje verdwenen was, alsof zij hem reeds in de verte kon zien komen; zij kwam terug in huis gerend en riep naar 't Geluw Meuleken die in het achterhuis aan 't boenen was; zij was als gek van vreugd en holde weer naar buiten in de schuur waar Vaprijsken dorschte; en hardop riep ze 't overal in haar uitgelaten blijdschap: "Meuleken! Vaprijsken! Alfons komt van den oavend weere thuis!" Zij tilde haar zoontje in haar armen en zoende 't kleinste in zijn wieg en juichte, zalig met emotie-tranen in haar oogen: "Hilairken! Marietjen! voader komt van den oavond weere thuis!"

Eerst na die onbedwingbaar-spontane uitbarsting van blijdschap kwam zij langzaam tot bedenken en bedaren; en van lieverlede sloeg haar onbezonnen vreugd in doffe, kommervolle drukking neer.--Wat mocht er wel gebeurd zijn, wat mocht hem wel schelen, dat hij zoo plotseling alles in den steek liet om als 't ware weg te vluchten? Was zijn toestand dan eensklaps zooveel erger geworden? Had men hem iets misdaan? En waarom was zelfs het sterk aandringen van de barones, die nu zeker o zoo boos op hem en wellicht ook op haar zou zijn, niet bij machte geweest hem nog langer daar te houden?--Zooveel onoplosbare, kwellende vragen, die eerst opheldering zouden krijgen als hij 's avonds weer thuis zou zijn.

Zij liet Smul van den akker halen waar hij bezig was met mest te vervoeren en zond hem bij hun buurman Lauwe vragen of hij Alfons met zijn sjees van 't station mocht afhalen. Eerst was ze van plan zelve mee te gaan, maar de gedachte dat ze met Smul 's avonds alleen in het rijtuig zou zitten boezemde haar zulk een angst in, dat zij dadelijk van haar voornemen afzag. Zij zond Vaprijsken mee, die ook meteen haar ouders zou gaan waarschuwen.

Trillend van ongeduld en emotie stond zij op zijn komst te wachten. Het was half negen; elk oogenblik zou 't rijtuig kunnen komen. Zij kon geen minuut meer stilzitten, voortdurend liep zij met het Geluw Meuleken naar buiten in den kil-mistigen avond tot aan het hek van den landweg en stond daar rillend in het donkere verschiet te peiloogen en te luisteren.--Eindelijk zag zij in de verte een lichtje flikkeren. Daar kwam zeker de sjees. Krampachtig greep zij 't Geluw Meuleken bij den arm en een snik verkropte in haar keel. Het licht werd grooter, geler, heller, schoot korte, vlugge stralen over de eventjes uit mistige duisternis opduikende boomstammen aan den zijrand van den modderigen weg. En eindelijk zag ze vaag het donkere gevaarte: het in kadans knikkende hoofd van 't paard, de gelijkmatig aandravende beenen, het zachtjes schommelen van de zwarte sjeeze-kap en het dof spaken-glimmen van de wentelende wielen. In korten, vluggen draai kwam het door 't hek gereden en zij sprong met het Geluw Meuleken op zij en riep met heesche, schorre angststem:

"Es hij doar?"

"Joa hij, bezinne", antwoordde Vaprijsken van onder de kap.

"Alfons!... hoe es 't mee ou?" riep zij nog, met het Geluw Meuleken naast het rijtuig meehollend.

Zij hoorde geen antwoord of er werd er geen gegeven en die stilte knelde haar als met doodschen angst.

"Hoe es 't, Alfons? hoe es't?" herhaalde zij, haast schreiend.

De sjees had vóór den drempel stilgehouden en nu hoorde zij toch eindelijk zijn heesche zwakke stem onder de kap:

"Azeu ... stillekes."

"Och Hiere toch!" kreet zij.

Haastig was Vaprijsken uitgewipt. Hij schudde vlug, in de duisternis, het hoofd tot haar, als om zwijgend te beduiden dat 't niet goed was.--Dood-angstig, met in elkaar gewrongen handen, staarde zij onder de zwarte kap. Smul was ingelijks uitgestegen en hield zwijgend bij den breidel de merrie, die ongeduldig naar haar veulen hinnikte. Al die schrikkelijke stilte en 't klagend hinneken van 't paard joegen haar angst ten top. Zij snikte.--Vaprijsken haalde den koffer van onder de voorbank, steeg op de trede en strekte in de duisternis onder de kap zijn hand uit.

"Kom, boas, geef mij ou hand," hoorde Rozeke hem zeggen.

En toen kwam een donkere, gebogen gestalte te voorschijn en zij hoorde eene bijna klankloos-heesche stem, die met zuchtende inspanning zei:

"Hou mij goe vaste, mijn heufd droait."

"Zij gerust, boas, 'k hou ou goe vaste."

Hij was uit de sjees; Rozeke greep schreiend zijn hand en leidde hem met 't Geluw Meuleken naar binnen.

"Hoe es 't Alfons? hoe goat 't mee ou?" snikte zij.

"Stillekes,... 'k ben moe,... mijn bedde...." heeschte hij zuchtend.

"Ha moar zet ou iest 'n beetse bij den heird, 'k 'n hè ou nog nie gezien, 'k 'n hè ou nog nie g'heurd," schreide Rozeke wanhopig.

Hij zakte op een leunstoel in elkaar bij 't roode vuur en Rozeke schrikte als voor een spook toen zij hem eindelijk bij de heldere vlam kon aankijken. Zijn door de zon gebruind gezicht was dor en mager als ivoor en been, zijn mond stond hijgend open en zijn groote oogholten leken twee donkere putten, waarin de strak-starende oogen ziekelijk glommen zonder uitdrukking, gelijk ballen van glas. Zij durfde geen woord meer spreken, 't was als een lijk, een aangekleed geraamte dat daar vóór haar zat. Haar boventanden beten zenuwachtig-sidderend op haar onderlip en heel haar aangezicht stond krampachtig verwrongen van de inspanning, om niet opnieuw in huilen en in snikken los te barsten. Het Geluw Meuleken bleef even roerloos, als met schrik geslagen, op den drempel van het achterhuis, waarin zij op een wenk van Rozeke verdween.

"Hoe goat 't hier?" vroeg hij eindelijk, eensklaps, als met een kracht van herleving zijn groote, holle oogen tot haar opslaande.

"O, goed, alles heel héél goed," haastte zij zich te antwoorden; "de stal, de kinders, 't veuleken, alles heel héél goed."

Hij schudde zijn hoofd en weer staarde zijn blik, als schrik-verwilderd, vóór zich uit.

"'K 'n kòst het ginter nie mier uithouen; 'k 'n kòst nie mier, 'k zoe d'r van verdriet gestorve zijn," hijgde hij.

"Woarom?... was 't nie goe mier van 't eten meschien?... of kost ge tegen de lucht nie mier?" vroeg ze bedeesd.--"Wilt-e nou al gauw iets eten?" riep ze eensklaps levendig.

Hij schudde 't hoofd, gaf eerst geen antwoord.

"'K 'n kòst nie mier, 'k 'n kòst nie mier! 't Was alles goed, moar 'k moest hier weere thuis zijn," zuchtte hij eindelijk, "'t Es te verre ... 't es te vremde.... Mevreiwe zal kwoad zijn, moar 'k 'n kan 't nie helpen ... 'k gijnge ginter deud,... 'k moeste weere thuis zijn."

Zij kreunde, droef-hoofdschuddend, wanhopig van verslagenheid en smart. Maar zij spande bovenmenschelijk haar krachten in om het hem niet te laten merken, zij zei hem dat hij welkom was, dat zij zoo gelukkig was hem weer te zien en dat zij wel alles met de jonge barones zou effen praten. En teer-bezorgd, vroeg zij hem nog eens met nadruk wat hij nu eten of drinken wilde.

"'K 'n hé gienen honger; anders nie of 'n glas woarme melk," zei hij.

Zij vloog naar 't achterhuis, beval het Geluw Meuleken spoedig melk te warmen.

"'K ben blije, 'k ben toch zeu blije da 'k weere thuis ben," zuchtte hij, streelend haar hand nemend.

"'K ben euk zeu blije," antwoordde zij ontroerd.

Hij dronk zijn melk met smaak en een weeke glimlach gleed, vaag als een schim, over zijn bleeke lippen, terwijl zijn glazig-doffe oogen eventjes weer opleefden.

"En de kinders stellen 't goed, e-woar?" zei hij.

"'K ben toch euk zeu blije da 'k ze nou zal weere zien. En 't veuleken? 'K ben zeu curieus om 't veuleken te zien. As 't morgen 'n beetse goe weer es goa 'k ne kier tot in de stal."

"'t Es tòch zuk 'n scheun beestjen," glimlachte zij zwakjes; "maar ge meug wel oppassen: de mirrie es er wried zjaloes van."

"Sloa ze?" vroeg hij.

"Nien z'; moar ze tracht iederien uit de stal wig te drummen. Vaprijsken 'n mag er noch aan noch omtrent komen en zelfs Smul 'n mag er nog nie altijd bij goan."

Hij dronk zijn glas melk leeg en stond met inspanning op. Hij hoestte even, heesch en zwak, met piepend gereutel, diep in zijn binnenste.

"Nog 'n gloazeke melk?" vroeg zij bezorgd.

"Merci: 'k goa ne kier noar de kinders kijken en dan noar mijn bedde. 'K ben zeu moe; 'k kome van zeu verre."

Hij keek haar even strak en hijgend aan en vroeg, met aarzeling:

"En mee ou?... es 't nou toch weer azeu lijk of ge vriesde?"

Zij sloeg de oogen neer en knikte, terwijl haar wangen, als die van een schuldige, met rood zich kleurden.

"Joa 't, 't es lijk of ik vriesde; 't derde es op wig," zuchtte zij.--En plotseling, door die laatste emotie in al haar narigheid overweldigd, kon ze zich niet meer beheerschen en snikte ze 't in overstelpende tranen uit.

"Ach Hiere! moet er dà nou euk nog bij komen," klaagde hij.

Kreunend en met hooge schouders ging hij naar het voutetrapje. Zij kropte met geweld haar tranen op en volgde hem.

"Kijk hier liggen de schoapkes zeu scheune te rusten," hikte zij droog, hem voor het kleine beddeken en 't wiegje brengend.

Hij zei geen woord meer. Hij keek zijn kinderen lang aan, met starren klik, en keerde zich toen om.

Zijn wenkbrauwen stonden gefronst, zijn kin beefde.

Geen enkelen klank meer uitten zijn bleeke, bibberende lippen....

* * * * *

XXXI.

Zij wist het nu, hij kon niet meer genezen....

De dokter had het haar moeten zeggen, de pastoor was zijn biecht komen hooren en had hem de laatste sacramenten toegediend en 't einde naderde.--Haar oogen waren uitgeweend en 't laatste greintje hoop was in haar hart verbrijzeld. Dof was het in haar, dof en grauw als de doodsche, grauwe winterlucht die om het boerderijtje hing. Leven of sterven, 't was haast eender, want zijn leven was geen leven meer.

Hij lag te bed, hij kwam er niet meer uit. Hij lag, wasgeel, met langen, zwarten baard en groote, donkere oogen, hijgend met half open mond te staren naar het eenig kleingeruite raampje van het voute-kamertje. Uren en uren, half op zijn rechterzij gekeerd, lag hij te staren door de groenachtig-grijze, in lood gevatte ruitjes, als zag hij dingen daar, gebeurtenissen, die zijn gansche aandacht in beslag namen. Hij zag iets van zijn erf, hij zag de roze muren en de grijze deuren van zijn schuur en stallen. Hij woonde iets van 't dagelijksch leven en den steeds terugkeerenden arbeid op de hoeve bij, hij zag Vaprijsken door de breede, openstaande wagenpoort dorschvlegelen in de schuur en Smul die af en toe met wagen of met kar op en af den boomgaard reed. En elken middag, tusschen twaalf en een, kwam men hem het lieve veulentje vertoonen, op 't gras, vlak voor het raampje van zijn ziekenkamer.

Dat was het lang verwachte oogenblik van heel den dag. Hij leunde even op zijn elleboog, door Rozeke met kussens in den rug gesteund; hij zag van verre Smul met het beestje uit den stal komen en hij glimlachte om de wilde sprongen die het dadelijk maakte, om 't vlug geflikker der vier witte, huppelende pootjes en om de groote inspanning van Smul, die het bijkans niet in bedwang kon houden. Maar eindelijk, daar was het, daar stond het vóór zijn raampje, snuivend en krabbend met zijne fijne hoefjes, kijkend in de ruitjes met zijn schoone wilde oogen en zijn recht-gespitste ooren, alsof het hem in 't bed zag liggen. En in stille verrukking keek hij naar het lange, fijne hoofd met glinsterend-witte bles over den neus en kort-kroezende, rosachtige manen; en uit de verte, in den stal, hoorde hij de merrie jaloersch hinniken. Het veulentje hinnikte tegen, werd ongeduldig, draaide zijn staart naar 't raam, wilde bij de moeder terug. En zoo bewonderde hij het beestje ook van achter: zijn zacht-golvenden rug, zijn rondend kruis, zijn kort-gekrulden staart, zijn krachtige achterbeenen, reeds sterk genoeg om iemand een geduchten slag te geven. Het huppelde met gekke sprongen eindelijk weg en uitgeput zakte hij weer in zijn kussens neer en 't hoofd zonk op de borst en zwaar vielen de oogen toe. Toen vroeg hij fluisterend naar zijn kinderen en stil bracht Rozeke ze bij zijn sponde en zei aan 't oudste jongetje dat zij heel rustig moesten blijven....

Eens vroeg hij haar, gansch onverwacht, maar kalm en stil, zonder schijnbare emotie, wat ze doen zou als hij eenmaal dood was.

"O moar, ge 'n zil gij nie stirven! ge zilt gij genezen!" schreide Rozeke, in plotselingen opstand tegen een noodlot dat ze toch onverbiddelijk wist.

Maar met een zwakken pijn-glimlach schudde hij weekjes het hoofd en vroeg haar nog eens wat ze doen zou als hij dood was.

Zij kon niet antwoorden; zij snikte wanhopig.

"Beloof mij ien dijngen," fluisterde hij; "beloof mij da ge mee Smul nie 'n zilt hirtreiwen."

"O!" riep zij verontwaardigd, met een soort van walging.

"Beloof het mij, beloof het mij," drong hij met inspanning aan.

"Dà beloof ik ou zeker! dà zweir ik ou!" riep ze plechtig.--"Hoe komt-e toch aan zulk 'ngedachten?"

Hij bleef een poos stilzwijgend, roerloos en met dichte oogen, als dood.

"Hij 'n zoe nie goed zijn veur ou ... en veur de kinders," zuchtte hij eindelijk. Zijn wenkbrauwen fronsten zich als onder een pijnsteek samen en twee stille, heldere tranen rolden langs twee groeven van zijn holle, gele wangen, in zijn zwarten baard....

Heel zacht kwam eindelijk het laatste....