Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2

Chapter 4

Chapter 44,202 wordsPublic domain

Op een ochtend in de laatste dagen van October kwam de barones hem met den dorpsgeneesheer in haar rijtuig nog eens opzoeken. Dat was een afgesproken, bijna plechtig bezoek; en dadelijk begon de dokter over het heilzaam verblijf in het Zuiden, het eenige redmiddel voor kwalen als die waaronder Alfons kwijnde.

Met groote, holle oogen van twijfel en angst zat de zieke in zijn leunstoel bij den haard te luisteren en te beven; en ook Rozeke zuchtte en beefde, als voor een groote ramp waaraan zij beiden haast niet meer ontsnappen konden. Den ganschen zomer had het hun als een dreiging boven 't hoofd gehangen; en nu de barones er zoo beslist weer over begon, gesteund ditmaal door het gezag des dokters, zagen zij aan de gevreesde noodzakelijkheid geen ontkomen meer. Zij beschouwden het beiden als een niet te ontwijken dwangplicht, als iets dat hun, wel goed bedoeld, maar toch huns ondanks, werd opgelegd en waaraan ze zich te onderwerpen hadden omdat de jonge vrouw hun meesteres en zij haar nederige onderdanen waren.

"Och, as 't het absoluut moet, mevreiwe," zuchtte hij: "ge zij gulder onz' miesters en we moeten wij g'heurzoamen, e-woar?--Moar al da wirk hier!... en de mirrie die te noaste moand moe veulenen!..."

De barones werd bijna boos.

"Maar hoe is 't toch mogelijk, Alfons!" riep zij geërgerd. "Ik wil u toch niet dwingen en ik doe het waarlijk niet voor mijn plezier. Ik doe het maar om u te genezen, omdat ik weet dat gij anders niet meer kunt genezen."

Hij glimlachte gepijnigd en zijn groote, holle lijders-oogen keken haar even dankbaar aan.

"'K weet het, mevreiwe; 'k weet hoe goed da ge veur ons zijt," verontschuldigde hij zich; "moar 'k vrieze dat 't hier slecht zal goan op 't hof, mevreiwe, as ik hier in zeu lank nie 'n ben."

"'t Moe nòù wel goan; ge'n keun gij nou toch euk nie wirken," kwam de dorpsdokter in 't midden.

"Nien ik menier den dokteur, 'k en kan nie wirken, moar 't es toch zulk 'n greut verschil as ze weten dat den boas op 't hof es, zelfs al 'n kan hij nie wirken," antwoordde de zieke met triestigen glimlach.

Maar 't was besloten, zij voelden beiden dat 't besloten was en dat het zou gebeuren. En zij stribbelden niet langer tegen; een vage, verre hoop verzachtte hun tegenzin en zij vroegen wat zij al doen moesten, hoe hij daar komen zou, hoe ver hij reizen moest, waar hij eten en slapen zou, hoe lang het duren moest eer Rozeke van hem tijding kreeg als hij eenmaal vertrokken was.

"Laat dat alles aan mij maar over; hij reist met ons mee en wij zullen voor alles zorgen," zei de barones.

"Moar hij 'n hè hij gien klieren, mevreiwe, om ginter bij al da rijk volk te zijn! En wa moet hij ginter klappen? Hij 'n kent hij gien Fransch!" zei Rozeke bezwaard.

"Laat dat alles maar aan mij over en ik verzeker u dat hij niets te kort zal hebben," herhaalde de barones. "Ik heb er naar ginder al over geschreven. Hij zal er bij een Hollandsche familie komen, die ook heel goed Vlaamsch verstaat en als een kind des huizes hem zal ontvangen."

Zij zwegen.--Sterker werd de vage hoop en de tegenzin verzwakte. Hun angst voor 't onbekende was zoo groot niet meer en zij luisterden met ontroerde belangstelling naar de verhalen van de barones en van den dokter, die daar ook geweest was, over de prachtige natuur van bosschen en bergen, over de warme zon die er gansche dagen aan den blauwen hemel stond, over de bloemen en vruchten, die er den ganschen winter, schooner en rijker dan hier in den zomer, bloeiden en tierden. Het was er werkelijk een Aardsch Paradijs, zooals de oude schoolmeester het opgetogen noemde, en de dokter schudde plotseling het hoofd en lachtte:

"'K weinsche dat er mij euk iemand op zuk 'n plezierreisken trekteerde. Ze zoên 't mij gien twie kiers moete vroagen; 't zoe wa beter zijn dan hier heul de winter in kouwe regen, ijs of sneeuwe te zitten."

Zij waren overtuigd en gewonnen. Zij lachten ook, eindelijk verzoend met het gevreesde denkbeeld; en inniger glansde de hoop op de toekomst, als een zacht-streelend licht van nog mogelijke herleving en geluk.

* * * * *

XXIV.

De vijftiende November was de vastgestelde dag voor het vertrek. Rozeke's ouders, vooral haar moeder, die eerst erg het plan afkeurde, hadden er zich eindelijk bij neergelegd en waren reeds sinds den vorigen avond op het boerderijtje, waar zij de laatste maanden, na het geschil ter wille van Smul, haast niet meer kwamen; en vroeg in den ochtend verschenen ook Rozeke's broeders en haar zuster La.

Om negen uur kwam een rijtuig van 't kasteel Alfons afhalen. Rozeke zou hem tot aan het naastgelegen, klein station vergezellen waar zij de baronsfamilie zouden vinden.

Het was een drukte en een emotie voor de gansche buurt. Boer Lauwe en zijn gezin, die zij anders maar weinig zagen, de menschen uit het werkmanshuisje vlak daarover, en nog veel anderen uit den omtrek, kwamen op het boerderijtje of stonden wachtend bij het hek te kijken. Van vóór half negen was boer Dons er met zijn vrouw; en weldra verscheen ook de nieuwsgierige oude schoolmeester, die weer eens de goede gelegenheid te baat nam om over zijn nog niet verkregen pensioen-verhooging te spreken en ook hoopte nu en dan van Alfons een prentbriefkaart uit het verre wonderland te ontvangen.

Alfons verscheen, versuft door al die drukte, bijna gekleed als een heer, met een rond zwart hoedje en een lange, warme winterjas. Dat waren al geschenken van de jonge barones en de buren voelden wel een beetje jaloezie. Zij hadden geen flauw begrip waar Alfons naartoe ging, maar zij beschouwden 't allen als een soort plezierreisje, als een rijke-menschen-gril, bijna bespottelijk voor een boer.

Zijn koffertje werd opgeladen en hij steeg met Rozeke in 't mooie rijtuig. Zijn kinderen had hij nog eens voor het laatst gezoend en die keken hem nu door het kleingeruite raampje na: Hilairken recht overeind, met groote oogen van verwondering op een tafel, Marietje met een "tsjoezeken" [*] in den mond op den arm van La, die met een vuurrood gezicht stond te schreien. Ook moeder schreide, midden in een groep nieuwsgierigen, de dikke wangen vettig glimmend, met korte zenuwschokjes van haar puntig-rond buikje; en vader stond daar stil-bedroefd naast, zijn beide oogen dof en doodsch nu, 't gelaat haast zonder uitdrukking.

[*] Dotje.

De oude schoolmeester kwam plechtig Alfons' hand in 't rijtuig drukken en nam zijn hoed voor hem af, als voor een heer. Alfons, bleek, gejaagd, met een strakken glimlach op de bleeke lippen, dankte den meester voor zijn vriendelijke belangstelling en drukte ook de hand van den ouden boer Dons, die bij het rijtuig stond te roepen en te schetteren. Toen riep hij Smul, Vaprijsken en het Geluw Meuleken bij zich en deelde hun nog eens zijn laatste bevelen uit, er bij voegend dat hij trouwens niet lang weg zou blijven. Dit laatste stond muurvast in zijn hoofd en had hem ten slotte beslist met de verre reis verzoend. Hij zou gaan, aangezien allen het goed voor hem achtten en wilden, maar hij moest zich dadelijk ginds beter voelen, of hij keerde terug. De barones had hem trouwens zijn reisbiljet laten zien, dat meteen een retour-biljet was, geldig voor drie maanden, en dat stelde hem gerust. Wat geldig was voor drie maanden was ook geldig voor drie weken en nog minder, en daarmee wist hij genoeg. Hij zei het nog eens, glimlachend, maar met nadruk, opdat Smul en de anderen het goed zouden hooren en onthouden: "meschien ben ik hier te noaste week al weere!"

Vaprijsken en het Geluw Meuleken knikten onderdanig met het hoofd, begrijpend wat hij zeggen wilde; Smul, integendeel, slechts even knippend met de oogen, bleef stug en sprakeloos als een bruut, zonder zijn stuurschen blik tot zijn baas op te slaan. Maar de oude schoolmeester kwam deftig weer in 't midden, verzekerend dat het geen twijfel leed of Alfons mocht gerust van huis weggaan, terwijl een ieder hier getrouw zijn plicht betrachten zou; en de oude, kluchtige boer Dons gooide 't op een grapje:

"Hawèl joa!" schreeuwde hij, "en as ge begint te voelen da z'ou hier neudig hèn, ge schiet ou weer op de vapeur en ge komt thuis gevlogen lijk 'n zwoaluw!"

Allen lachten en het rijtuig draaide langzaam om en reed van 't erf. La deed Marietjes kleine handjes zwaaien achter 't raampje en Hilairken reikhalsde naar boven, zijn neus en lippen platgedrukt tegen het ruitje, terwijl zijn oogen, schuinblikkend, het wegtrekkend rijtuig volgden. Moeder stond te schreien en te schokken; de buren riepen hem "goe reize" na, en hij glimlachte en knikte machinaal in 't rijtuig en in haar emotie en verwarring knikte Rozeke machinaal mee, alsof zij ook voor maanden lang op verre reis ging. Zij waren weg, een laatste maal zag hij zijn grijzen winterboomgaard, zijn woonhuis en zijn stallen, en toen was 't uit: het rijtuig schommelde in vollen draf over den hobbeligen landweg naar het kleine station, waar de jonge barones met man en kind en meid reeds op zijn komst stonden te wachten.

Toen begreep Rozeke eerst goed dat het oogenblik der lange scheiding eindelijk gekomen was en zij barstte in tranen uit.

"Kom, Rozeke, niet schreien; denk toch dat het voor zijn gezondheid, voor zijn leven is," trachtte de jonge barones haar te troosten.

Maar Rozeke kòn zich niet bedwingen, zij stikte in haar tranen en zij smeekte, beurtelings tot den baron en tot zijn vrouw gewend:

"O, menier den baron, en mevreiwe, ge'n zilt hem ginter toch tegen zijn goeste nie houên, e-woar? Ge zilt hem toch loate weere komen as hij 't ginter nie 'n kan geweune worden?"

Zij lachten om haar overdreven vrees en gaven haar de verzekering dat hij volkomen vrij was van terug te keeren wanneer hij ook wilde, maar dat het van zijn kant een groote domheid zou zijn; en de barones beloofde daarbij nog dat zij hem dagelijks zou gaan opzoeken en haar twee of driemaal in de week zou laten weten hoe hij 't maakte. Rozeke had trouwens zijn adres; ook zij moest hem maar dikwijls schrijven om hem van alles op de hoogte te houden en gerust te stellen. En hoe gelukkig zou het dan niet zijn voor beiden als hij met de eerste lentedagen krachtig en genezen weer bij haar terug kwam.

Daar kwam de trein in de verte aangereden. Alfons, die zich tot dan toe betrekkelijk goed gehouden had, barstte bij dat zicht ook plotseling in tranen uit:

"Rozeke, Rozeke, adzju!" snikte hij, haar de hand reikend.

De enkele andere reizigers, die op 't perron van 't kleine station stonden, drongen verwonderd en meewarig om hen heen. De barones werd zenuwachtig, de baron zette een verveeld en misnoegd gezicht. De meid met het kind stond terzijde stil te spotlachen.

"C'est idiot!" bromde de baron tegen zijn vrouw. "Ne dirait-on pas qu'on leur veut du mal! Voyez tout ce monde autour d'eux; un véritable attroupement. Ta philantropie nous rend ridicules, tu sais!"

"Ils sont si malheureux et ... n'oublie pas que nous leur devons un peu notre propre bonheur," sprak zij zacht-vergoelijkend. Maar het verveelde haar toch ook en zij ging er een eind aan maken.

"Kom, Alfons, geef uw vrouw nu een lieven kus en wees eens vroolijk voor het afscheid," zei ze opgeruimd.

Doch het had niets geen uitwerking. Zij huilden en snikten hoe langer hoe heviger en toen de trein vóór 't stationsgebouwtje stilhield krompen zij van smart en wanhoop tegen elkander aan. Met geweld haast moest de barones hen scheiden en Alfons naar zijn coupé duwen, een tweede-klas terwijl de baron, 't gelaat vertoornd, met meid en kind, vlak daarnaast in eerste stapte.

"Kalm nu, kalm nu," herhaalde de barones wrevelig en dringend; en, met van emotie hooggekleurde wangen, ging zij ook haar plaats innemen.

Eensklaps werden zij kalm, alle twee.

't Was Rozeke opeens zoo vreemd te moede; het leek haar eensklaps of een vreemdeling daar zat, een bleeke, magere, ziekelijke, vriendelijk haar toelachende vreemdeling; en zoo reed de trein met hem weg: hij vriendelijk glimlachend en zij als in versuffing starend en toen hij reeds een heel eind verre was, stond ze nog maar aldoor vreemd te staren, de oogen bedwelmd door het eigenaardig zinsbedrog harer verbeelding, alsof zij nu leefde buiten de werkelijkheid der mogelijke gebeurtenissen en roerloos daar te wachten stond tot het normale leven weer in haar zou opkomen.

Iemand trok zachtjes aan haar mouw en, met een huivering zich omkeerend, zag ze den koetsier van het kasteel, die hen naar 't station gebracht had, voor haar staan.

"Goa-je weere mee, vreiwken?" glimlachte de man.

Die enkele nuchtere woorden riepen haar plotseling tot de werkelijkheid terug.

"O neen ik, nee nee, merci, 'k goa liever te voete," antwoordde zij zenuwachtig, als in een soort van angst.

De koetsier drong niet aan en ging heen. In roerlooze spanning keek ze nog even in 't verschiet over de eindeloos lange en rechte glinstering van rails langs waar hij verdwenen was; en toen verliet zij ook het kleine stationsgebouw en vóór haar lag het naakte, grijze winterveld als een andere oneindigheid zoo eenzaam en verlaten, zoo levenloos en leeg, dat het haar nu te moede werd of zij daar liep als een verdwaalde, zwakke vreemdelinge, in hopelooze droefheid maar recht vóór zich uit loopend, aldoor loopend, zonder doel en zonder eind.

Maar zij kwam terug op het zoo welbekende boerderijtje en vond er nog haar moeder en haar zuster en haar kinderen; en het leek haar nu weer alsof er bijna niets gebeurd en niets veranderd was in de eentonige gelijkheid van haar dagelijksch leven. Smul was, als iederen ochtend, met ploeg en paard en egge bezig op den akker, Vaprijskens dorschvlegel klonk met doffe, gelijkmatig-gekadanseerde slagen op den harden schuurvloer, de groote waakhond lag rustig te loeren, half in half uit zijn hok, de zwarte poes zat knippend met zijn gouden oogen vóór het haardvuur, de oude klok tiktakte trage en in het achterhuis was 't Geluw Meuleken de boterkarn aan 't schoonmaken. Alles leefde zoo rustig zijn gewonen gang en zuchtend ging ze zich op 't voute-kamertje verkleeden en dan weer, naast 't wiegje van haar jongste kind, bij 't kleingeruite vensterraampje, aan haar dagelijksche bezigheid. Moeder zat bij het haardvuur, nam een snuifje, vouwde haar handen op haar knieën en begon een praatje; La, die enkele dagen blijven zou, had haar kantwerk-kussen meegebracht en liet de houten klosjes vlijtig door elkander rammelen. Zij spraken natuurlijk over hem die nu reeds verre aan 't reizen was: moeder steeds heimelijk onverzoend nog met de reis, doch nu iets minder pruttelig, La opgewekt en vol verlangen, met frissche, glimlachende lippen en blinkende oogen als van een jong, gevangen vogeltje, dat droomt van heerlijke vrijheid, in verre, warme, blijde zonneruimte....

* * * * *

XXV.

Den derden ochtend na zijn afreis kwam de eerste tijding: twee korte briefkaarten; een van de barones en een van Alfons. Hij was goed aangekomen, hij voelde zich wel wat vermoeid van de reis maar toch opgeruimd; hij had een groote, heldere, zonnige kamer en de streek was 't schoonste wat een mensch op aarde zien kon. Morgen, als hij heelemaal ingericht was, zou hij haar een langen brief schrijven.

Rozeke's hart was opgelucht. De reis, de afstanden, de eenzaamheid, alles scheen haar eensklaps veel lichter en gewoner om te dragen dan ze eerst gevreesd had, nu ze reeds zoo spoedig goede en geruststellende berichten van hem kreeg. 't Was haar of hij zich ergens ophield in de buurt, waar zij hem elk oogenblik, als 't noodig was, kon zien en spreken. Zij schreide niet meer halve nachten in haar bed om hem; zij stelde zich niet langer allerhande ingebeelde rampen voor; maar met een trillende emotie van nieuwsgierigheid wachtte zij op zijn eersten langen brief, die dan ook stipt, volgens belofte, op gestelden dag en uur, haar door den postbode overhandigd werd.

Het was een lange, lange brief, vol van zijn eerste indrukken en ontboezemingen. De plaats en streek waar hij thans was wist hij niet duidelijk te noemen; hij noemde het "ginter", in tegenstelling met "hier", waarmede hij zijn eigen land en huis bedoelde. En 't maakte eerst op Rozeke een vreemd-verwarden indruk; het leek wel of hij reeds was teruggekeerd en vertelde over wat hij vroeger in het buitenland gezien had. Hij schreef, geijkt-beginnend, als iedere boer of boerin die een brief opstelt:

"Beminde vrouw,

Ik neem de pen in de hand om u te laten weten den staet van mijn gezonteit en verop van u hetzelfde. Ware het anders het zou mij veel verdriet doen. Ik heb een lange reis gemaakt, beminde vrouw, daar hebt gij geen gedacht van. Ik meende dat den trein noeit meer en zou ophouden met rijden en eerst heel den dag en heel den nacht heeft hij gereden en als het nuchtink werd zag ik door het ruitje van den trein hooge bergen in de verte die met sneeuw bedekt waren. Daar kunt gij u ook geen gedacht van maken, beminde vrouw, hoe hoog en groot die ginter zijn. Den hane van den kerktoren is een naaldeken daarbij vergeleken en dat duurt alzoo uren en uren lang, den eenen berg achter den anderen zoo ver of dat de oogen kunnen dragen. Ja, het en is ginter niet gelijk hier, waar dat de menschen nooit eenen berg gezien hebben en zelfs niet weten wat eenen berg is. Den baron en de baronesse zijn heel goed voor mij geweest. Aan iedere stasie waar den trein eenige minuten bleef staan kwam mevreiwe naar mij kijken en tot drei keers toe heeft ze mij heel goed eten en wijn doen brengen. Bier drinken ze ginter bijkans niet, het is altijd wijn en die is ginter goedkooper als hier het bier. Welnu, beminde vrouw, achter dat wij nog heel lang gereden hadden zijn wij aan de zee gekomen, die zoo blauw is als het blauwsel waarmede gij almets het lijnwaad wascht. Daar kunt gij u geen gedacht van maken, het is precies gelijk of er blauwe verwe in gegoten was. En het is ginter toch zulk een schoone warme zonne, zoo warm als hier in het schoonste van den zomer en de menschen loopen allemaal in witte of bleeke zomerkleeren en 't vrouwevolk met parasols percies gelijk hier in de heetste dagen te Oostende. En overal zijn de blaren aan de boomen en bloeien de schoonste bloemen en ik heb waarachtig citroens en apelsiens aan de takken zien hangen, percies lijk of de oude schoolmeester Cattoir ons verteld heeft.--Welnu, beminde vrouw, ik ben eindelijk toegekomen in eene kleine stad waar de baron en de baronesse mij naar mijne kamer geleid hebben. Dat huis staat halfwege op eenen berg en van uit mijne kamer kijk ik op de schoone blauwe zee. O, dat is ginter toch schoone, daar en hebt gij geen gedacht van! En zacht en warm dat het ginter is in de zonne, daar hebt gij geen gedacht van. Ik voel er al de deugd van in heel mijn lichaam en ik heb nog van heel den dag bijkans niet moesten oesten; maar de nachten zijn hier stijf koud en zoo gauw als de zonne weg is mag ik hoegenaamd niet meer uitgaan. Maar ik ga heel den dag uit in de zonne en 's avonds ben ik moe en blije dat ik in mijn bed lig.--De menschen van het huis zijn heel vriendelijk voor mij; maar de baronesse zegt wel dat ze heel goed vlaamsch klappen, omdat zij Olanders zijn, maar dat vind ik toch niet en ik kan ze almets maar heel moeielijk verstaan. Zij klappen alzoo altijd van binnen ulderen mond met kraken in de keele en als ze daarmee beginnen hoor ik niets anders meer dan die kraken; maar afin wij verstaan mallekander eindelijk toch en ik zal daar wel aan gewennen. Wat het eten en drinken aangaat, dat is ginter heel goed en ik moet zeggen dat het zelfs beter is als hier.--Den baron en de baronnesse zijn dan nog een endeken verder gereisd, maar mevreiwe is toch zoo bijzonder goed voor mij; peis ne keer zij heeft mij nog vijftig frank op zak gegeven en gezeid dat ze mij dikwijls zou komen opzoeken en dat ik ulder ook moest komen bezoeken.--Eiwel, beminde vrouw, ik heb er van den achternoen eens met den elektriek naartoe geweest, want er rijden hier ook elektrieks, zilde, zoo goed als in Gent; maar alzoo een groot en schoon hotel waar zij zijn, ook halfwege op den berg daar en hebt gij geen gedacht van. En al dat groot rijk volk en zoo schoone gekleed, daar zoudt gij van versteld staan! Den baron heeft daar zijnen odemobiel en hij en de barones rijden er veel mee uit. Dat moet ginter zeker wat geld kosten! Mevreiwe heeft mij den schoonen hof van het hotel getoond en zij heeft mij ook van verre het speelhuis getoond, dichte bij de schoone blauwe zee, waar al dat rijk volk ulder geld gaat verspelen.--Past maar op dat ge daar ook uw geld niet gaat verspelen, zei mevreiwe alzoo al lachende; maar zij mag wel gerust zijn, ik zal mijn cenzen wel beter weten te gebruiken.

Nu, beminde vrouw, schei ik uit met de pen, niet met het hart. Zeg aan meester Cattoir dat ik hem ook al gauw eens zal schrijven en gij moet mij nu ook al gauw schrijven. Ik verop dat gij met Smul en Vaprijsken en het Geluw Meuleken geenen last en zult hebben en dat de kinders goed en gezond zijn. Ik ben ginter wel verre van u allen, maar met eenen dag en eenen nacht op de vapeur ben ik hier toch weere als het zijn moet en dat is toch eenen grooten troost voor mij. Ja, beminde vrouw, mijn retourkaartje heb ik zorgvuldig van onder in mijnen koeffer bewaard om het toch niet te verliezen.

In afwachting op uw antwoord noem ik mij voor altijd

uwen verkleefden man

ALFONS.

Hoe gaat het met de merrie? Is het veulen er nog niet?"

* * * * *

XXVI.

Den volgenden dag haalde Rozeke uit de onderste la van haar kast een inktpot, een verroeste pen en een velletje papier te voorschijn, en zij antwoordde:

"Beminde Alfons,

Ik neem de pen in de hand om u te laten weten den staet van mijn gezonteit en verop van u hetzelfde. Ware het anders het zou mij groot verdriet doen.--Uwen brief heeft mij en ook moeder en La, die hier nog altijd zijn, veel genoegen aangedaan en dezen nuchtink is meester Cattoir gekomen die ook juist eene briefkaart van u ontvangen had en hij heeft gevraagd om ook den brief die gij aan mij geschreven hebt te mogen lezen, en ik heb hem hem laten lezen omdat er toch niets kontrarie in stond en hij heeft nog eens gevraagd of gij toch niet en zult laten van nog eens met mijnheer den baron en mevreiwe over de verhooging van zijn pensioen te spreken.--Nu, beminde Alfons, laat ik u weten als dat hier alles heel goed gaat. Dezen nacht heeft de merrie eindelijk een heel schoon veuleken gekocht en alles is heel gemakkelijk gegaan en het is ook een merrie-veuleken, bruin gelijk de oude maar met vier schoone witte pootjes van onder. Het is een danig schoon beestjen en de merrie is er danig jaloes van. Smul en Vaprijs hebben heel den nacht bij de merrie gewaakt en ik heb hun kaffee en boterhammen en een ferme schelle vleesch gegeven en tegen den nuchtink was het er. Nu moet gij maar zeggen hoe dat gij het beestjen heeten wilt. Vaprijsken wilde het Mietjen heeten en Smul Liza; maar ik vind Mirza veel schoonder maar gij zijt den baas en gij moet het maar heeten zooals het u belieft. Met de kinders gaat het ook goed. Hilairken vraagt al dikwijls waar zijn vader is en met Marietjen gaat het ook heel goed. Met moeder en met La gaat het ook heel goed en ik kan niet anders zeggen als dat de knechten en het Geluw Meuleken alle stijf brave zijn en dat zij danig ulder beste doen. Ik heb ulder gisteren avond uwen brief eens voorgelezen, omdat ik het wel goed vond dat zij niet moesten peinzen dat zij hier den baas mochten spelen, en dat zij wel mochten weten als dat gij met eenen dag en eenen nacht te reizen onverwacht op ulder dak kon vallen. Nu weten zij het en zij zullen ulder wel koes houden. Ach beminde Alfons, wat zal ik blij zijn als gij hier genezen terug komt, maar gij moet u niet haasten, alles gaat hier heel goed, blijf maar tot dat dat oesten heele gansch gedaan is. Het en is hier geene schoone zonneschijn en warm weer lijk ginter. Het regent of sneeuwt hier alle dagen en het is stijf koud.

Nu beminde Alfons met deze woorden neem ik van u afscheid niet met het hart maar wel met de pen en blijf in afwachting op uwe volgende brieven.

Voor altijd uwe verkleefde vrouw

ROSALIE."