Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2

Chapter 3

Chapter 33,984 wordsPublic domain

Moeder Van Dalen en La, die meetje zou zijn, verbleven op het hoevetje de laatste dagen vóór hare bevalling, en ook Rozeke's vader en haar broeders kwamen, en weldra verscheen ook de jonge barones, met mooie geschenken voor de moeder en het kind. Rozeke had den laatsten tijd haar lieve jonkvrouw, zooals zij haar nog altijd noemde, maar zelden meer gezien; ook zij verwachtte haar eersteling tegen den winter en samen hielden zij nu lange en vertrouwelijke moederpraatjes. De maatschappelijke kloof was even door overeenkomst van zorgen, liefde en gevaren tusschen hen gedempt, zij waren niets meer dan twee liefhebbende vrouwen en verteederde moeders, de eene reeds ervaren en de andere nog vol van 't onbekende, maar met gelijkkloppende harten alle twee. De jonge barones leefde nog steeds in de verrukking van haar zalig, onverdeeld geluk; en ook Rozeke zag nu meer en meer een blijde toekomst tegemoet, want Alfons werd met den dag sterker en zijn gezondheid beter. Hij hoestte bijna niet meer en kon reeds, zonder zich te vermoeien, halve dagen op den akker blijven.

De jonge barones vertelde van haar man. Hij was op 't oogenblik in Frankrijk, met zijn automobiel, naar de groote wedrennen. Niet dat hij zelf nog mee deed; 't was veel te gevaarlijk en hij had haar en ook haar ouders moeten beloven nooit in snelheidsritten meer mee te rennen; maar hij stelde er nog steeds zooveel belang in en dat genoegen gunde zij hem gaarne. En zij vertelde ook aan Rozeke dat zij nu een heel mooi huis hadden in Brussel, vlak naast het huis van haar vader, waar zij 's winters zouden wonen en waar ook hun eerste kindje zou geboren worden. Rozeke moest er haar later eens met Alfons komen opzoeken, als zij haar kindje had.

Rozeke's moeder die 't gesprek bijwoonde en de uitnoodiging hoorde, kwam, op eenigszins misnoegden toon, met een bezwaar in 't midden:

"'n Vroag gij heur moar nie te veele, mevreiwe. Nen boer en 'n boerinne moên op ulder hof blijven; anders spelen knechten en meissens den boas!"

Zij doelde op Smul, wiens misplaatst bazig optreden haar reeds vanaf 't eerste oogenblik geërgerd had. Maar Rozeke, die de toespeling dadelijk vatte, meende zich te moeten verontschuldigen:

"Wa moeste we doen, moeder; we zaten doar alle twieë lijk lam? We mochten nog heul blije zijn da w' hem hân."

"Tuttuttut! al wa konten!" riep moeder met boersche ruwheid, zonder zich aan de voorname tegenwoordigheid te storen; "nen boas es nen boas en ne knecht moe ne knecht blijven, of anders 'n deugt het niet. Mijne man hè euk dikkels ziek geweest en ik hè zeven kinders g'had: moar ne knecht of 'n meissen 'n hân verdeeke! nie moeten probeeren van in ònz' ploatse boas of bezinne te spelen! Ze zoên rap op stroate gevlogen hên! Voader gijnk wirken zeu lank of dat hij op zijn bienen kon stoan en den uchtijnk dat-e gij geboren zijt hé 'k nog onz' koe gemolken. Tuttuttut! al wa konten, zeg ik."

"Ha joa moar, moeder, wie zoe 't anders gedoan hên? Ge 'n hadt gulder giene knecht of gien meissen," weerlegde Rozeke.

De jonge barones, die van de gansche toebracht niets begreep, zette verwonderde oogen op.

"Waarvan is er kwestie?" vroeg zij eindelijk.

Moeder en Rozeke vertelden 't haar om de beurt, ieder op haar manier, Rozeke even boos omdat moeder zoo beslist sprak over iets waar zij eigenlijk veel te weinig van af wist.

De barones keek Rozeke met ernstige, bijna afkeurende oogen aan.

"O, Rozeke, ge zult toch nooit...."

Zij kon haar zin niet voltooien, zóó hartstochtelijk viel Rozeke haar in de rede:

"Ha moar mevreiwe toch! Wa peist-e gij toch wel van mij?"

Zij was niet in staat haar ontroering te beheerschen, zij barstte plotseling in overstelpende tranen uit, zwak nog na haar laatste kinderbed, en verweet scherp haar moeder dat zij haar een onverdienden, slechten naam gaf.

De jonge barones legde zacht hare hand op Rozeke's schouder en bracht haar zoet-sussend tot bedaren. Wel neen, wel neen, niemand had iets verkeerds bedoeld, zij had alleen maar willen waarschuwen. Zij waren gelukkig alle twee en moesten hun geluk steeds waardig blijven.

Nog even snikte Rozeke, met droog-hikkende stem:

"Onze lieven Hiere weet da 'k moar iene wensch op de weireld 'n hè: da Alfons weere stirk en gezond genoeg zoe meuge worden om den anderen te keune missen. Ik 'n hè hem nie gevroagd; Ik ... zoe hem veel liever ... noeit op ons hof genomen hên.... 't Es Alfons zelve die 't gewild hèt. Hij ... hij ... hij hè mij gedwongen hem te nemen...."

Zij droogde hare laatste tranen af en alle drie zwegen. Alfons kwam daar, over den zonneglinsterenden boomgaard, glimlachend, met zijn spade op den schouder. Hij was nog wel zeer mager, met ingezakte borst en hooge schouders, maar zijn gelaatskleur was gezonder en de uitdrukking zijner zacht-donkere oogen opgeruimd en levendig.

"Hoe vindt g' onz' jonge dochter, mevreiwe?" vroeg hij aan de jonge barones; en toen zij hem vriendelijk had gelukgewenscht met het kind keek hij even, als onthutst, naar haar eigen zwaargeworden figuur en ging bedeesd en gegeneerd-stilzwijgend zitten.

Daarbuiten op den boomgaard, galmde plotseling luid zweepgeklap en klonk de ruwe stem van Smul, die een bevel schreeuwde. Zij keken door het raampje en zagen hem met een hooge vracht goudgeel koren opgereden komen. Met gestrekte spieren trok de zware, bruine merrie, al haar krachten inspannend om den wagen door den mullen grond tot vóór de schuur te halen. Rukkend en schreeuwend hing Smul aan de leidsels en Vaprijsken hield, duwend met een lange vork, de iewat scheef geschokte lading in het evenwicht.

Moeder Van Dalen, de wenkbrauwen gefronst, bromde, met van moeielijk ingehouden toorn bevende stem:

"Es da nou 'n vrecht veur 'n bieste die veulen in hêt! 'K 'en weet toch nie wat da peist, Fons, da g'hem da nie verbiedt!"

Alfons schudde zijn hoofd en antwoordde:

"'t Es wa veele; moar 't en es gelukkig moar veur 'n klein eindsjen en hij doe 't toch om wel te doen. Hij es schouw veur onweer en hij hoast hem binnen mee 't loaste van den oest."

Moeder zei niets meer en ging hoofdschuddende weg. Rozeke zat starend, met teedere oogen, te kijken naar haar jongste kind in 't wiegje en de barones gaf een tikje met de punt van haar schoen aan Gessler, die vóór haar voeten lag, en stond op. Zij duwde met haar zachte vingeren twee kleine kuiltjes in de mollige wangen van het slapend wichtje, glimlachte het teeder aan en keerde zich zuchtend, met liefde-tranen in de oogen om.

"Tegen wannier verwacht ge 't ouwe, mevreiwe?" durfde Rozeke haar fluisterend op den drempel vragen.

"Ik denk einde December," antwoordde stil de barones, zacht-kleurend.

"En wa moet 't zijn?" glimlachte Rozeken, "'n jongentsjen of 'n meisken?"

"Al wat de lieve Heer verleent zal welkom zijn, Rozeke, maar wij hopen een jongen."

"'K zal d'r veure lezen, mevreiwe" beloofde Rozeke met ontroerde vroomheid.

* * * * *

XXI.

Alweer werden de dagen korter en de bladeren begonnen bruin en geel en rood te kleuren op de kruinen van de boomen; alweer zaten de donkere zwaluwtjes met witte borstjes stil-kwetterend als kleine lijkbidders in lange, onbewegelijke rijen op de kroonlijst van het huis en van de stallen, geduldig wachtend op 't mysterieuze sein van verren aftocht naar het zuiden; alweer kwamen de trage, logge, zwarte benden raven, droef-krassend in de kil-grijze, mistige lucht, over de naakte akkers zwerven. De winter naderde, als een té wel bekende oude gast, met triestig gezicht en zwartgallig gemoed. De zonnige vreugde stierf in grijze droefheid om hem heen, en 't was of hij de menschen vóór zich wegjoeg: zij vluchtten met opgetrokken schouders in hun donkere huisjes en kropen er rillend om het knappend, rood-opflakkerend haardvuur. Alfons was een der eersten, die voor den ouden barren grijsaard huiverend in den hoek kroop. Het was of al 't herleven van den langen, schoonen, warmen zomer allengs in hem uitdoofde en wegstierf en of hij langzaam aan verstijven zou, rillend met angstige oogen en hoog-opgetrokken knieën bij den haard.

Hij wist niet wat hij had, hij klaagde niet en leed niet, maar weer was hij aan 't hoesten en aan 't kuchen; en alleen 't gezicht der grijze, stille, kille lucht daarbuiten boezemde hem een soort van angst en afkeer in, alsof daar ergens een gevaarlijke, verscholen vijand zat, die op hem loerde. Zijn groote donkere oogen staarden soms als in verwildering door de kleine, grijs-groenachtige ruitjes, zijn wangen werden opnieuw bleek en ingevallen, zijn magere handen schenen zich uit te lengen en als 't ware doorschijnend te worden, licht-bevend-uitgestrekt als ze daar lagen op zijn magere, knokkelige knieën. Zelden had hij eetlust, en gansche dagen, zonder iets uit te voeren, voelde hij zich zwak en moe als na langdurigen, afmattenden arbeid.--Toen zat hij stil te hijgen en in dat hijgen hoorde men voortdurend iets heesch en fijn piepen, alsof er in zijn binnenste een klein, benauwd beestje gevangen zat, dat vruchtelooze pogingen aanwendde om te ontsnappen.

En weer ook leefde Rozeke in kommer en in angst. Zij voelde aanhoudend de zwevende dreiging van een ramp, die plotseling uit zou kunnen barsten.--"Loat ons liever den dokteur nog ne kier hoalen," smeekte zij telkens, om ten minste uit haar kwellende onzekerheid te geraken; maar hij wilde niet, er scheelde hem immers niets, hij had geen enkele onvoorzichtigheid begaan, geen kou gevat, niets; hij hoestte alleen maar wat en 't was de winter die in hem zat, niets anders dan de winter en met de eerste schoone dagen zou hij, als de vogels en de bloemen, weer naar buiten komen.

Maar zij lagen nog zoo verre in het verschiet, de eerste schoone dagen; en 't waren vooreerst koude ijsbloemen, die op de vensterramen bloeiden en 't waren dikke, witte sneeuwkapellen, die in den bladerloozen boomgaard fladderden. De barre, grijze winterman was overal, en in alle stille boerderijen van het alom-besneeuwde land hield hij de huiverige menschen van de verdere wereld afgezonderd. De menschen leefden in het huiselijk familiegroepje hun beperkt bestaan; en lief en leed van meesters en dienstboden bleef in de lange winter-eenzaamheid binnen de nauwe, warme muren opgesloten.

Enkele dagen vóór nieuwjaar ontving Rozeke met de post een mooi gedrukt kaartje in een fijne enveloppe. De jonge barones had een zoontje; dat was een zegen. Rozeke verblijdde er zich in als in eigen geluk, als in een straal van hoop en verlichting over haar eigen kwellend leed van 't oogenblik.

Maar helaas!... haar zou de sombere winterman nog wreed beproeven.

Op een ochtend bleef Alfons langer dan gewoonlijk te bed liggen. Hij was nooit vroeg de laatste weken; vooral gedurende de eerste uren van den dag voelde hij zich zoo moe en afgemat en hoestte, tijden lang. Maar 't werd acht uur, half negen; en Rozeke had in de keuken 't lampje uitgeblazen en zag, onder het aankleeden van Hilairken en 't verzorgen van Marietje, de late ochtend triestig grauwen op den boomgaard, waar het Geluw Meuleken met twee volle emmers uit den stal kwam, en nog steeds was hij niet op en hoorde zij hem niet bewegen. Zijn koffie stond reeds klaar en hij zou koud en bitter worden; en de dun-gesneden, tarwe-boterhammetjes zouden liggen uit te drogen op het bord. Zij liet haar kinderen even in de steek en ging eens op het steenen trapje van de voute-kamer luisteren:

"Alfons!" riep ze, "'t es al over half negen en ouë kàffee zal slecht worden. Zoe-je nie opstoan?"

Een dof en zwak gekreun klonk haar uit het half donker kamertje als antwoord tegen. Zij schrikte hevig, holde de drie steenen treden van de voute op, en stond vóór 't lage bed:

"Scheelt er iets, Alfons? Zij-je nie wel?"

Eensklaps, in het schemerduister, zag zij iets zwarts, een breede donkere vlek, vlak naast zijn hoofd op 't grijze kussen. Instinctmatig stak zij er de hand naar uit, voelde iets akelig lauwkleverigs, begreep als door een gruwel-intuïtie, wat het was. Zij vloog naar 't raampje, rukte 't blind weg, ontwaardde een donkerroode kleur aan hare vingertoppen, keek schokkend om en zag hem liggen in zijn bloed op 't kussen, 't gezicht wasgeel, de oogleden dicht, lei-blauw als van een doode. Zij vloog de trappen af, huilde, schreeuwde om hulp, schreeuwend het woord, het gruwelijk schorre woord: "bloed! bloed! bloed!" schreeuwend met uitgepuilde oogen, hollend heen en weer als een krankzinnige, tot zij op het Geluw Meuleken en op Vaprijsken stootte en duizelend voor hun voeten in elkaar stortte.

Alfons had bloed opgegeven!--Toen de dokter, in allerhaast door Smul te paard gehaald, op het hoevetje aankwam, was de zieke weer wat bijgekomen en lag kalm, bleek en roerloos als een lijk, op het bebloede hoofdkussen.

* * * * *

XXII.

De eerste rimpels van zorg en vroegtijdig verflensen groefden zich gedurende dien droeven winter onuitwischbaar op Rozeke's eertijds zoo frisch en zacht gelaat. Zij werd mager, haar ronde borst verslapte, haar rug werd gebogen en hare schouders zakten. Eene bestendige uitdrukking van angst lag diep en schuw in 't helderblauwe van haar oogen en om de hoeken trokken zich haar oogleden omlaag, alsof zij, zwaar van droefheid, dreigden dicht te zullen vallen.

Zorgen, zorgen en nog zorgen ... aldoor zwaardrukkende zorgen!--De crisis was voorbij, hij was weer op de been en zat in 't hoekje van den haard, maar onbekwaam met iets zich te bemoeien, levend als een teer, ziekelijk plantje in een warme broeikas. Hij was lastig en chagrijnig, hij en haar beiden kinderen namen al haar tijd in beslag, eischten al haar zorg van ieder oogenblik, en het gansche beheer en bedrijf der boerderij moest aan de welwillende hulp en werkzaamheid van Smul, van 't Geluw Meuleken en van Vaprijsken worden overgelaten. In het begin kwam moeder; en ook haar vader, haar zuster en broeders kwamen om de beurt; doch wat baatte het? Zij konden nooit langer dan een paar dagen blijven, en 't gaf ook dadelijk aanleiding tot wrijving en gekibbel, niet alleen met Smul, maar ook nog met het Geluw Meuleken en met Vaprijsken, die allen veel voor Alfons en voor Rozeke over hadden, maar dreigden weg te gaan indien zij gedwongen werden aan vreemdelingen, zooals zij Rozeke's ouders en familieleden noemden--te gehoorzamen.

"Hawèl, loat ze goan en neemt er ander!" had moeder Van Dalen reeds meer dan eens nijdig uitgeroepen. Maar wanhopig haalde Rozeke de schouders op: moeder leek wel gek haar zulken raad te willen geven. Wat zou ze, wat kon ze, geboeid en gekneld als ze daar zat, met nieuwe, onbekende dienstboden aanvangen? Zij begon weldra moeders komst eerder te vreezen dan te verlangen: en alles ging zijn gang zoo goed en zoo kwaad als het kon, en Rozeke zuchtte en weende en legde zich machteloos bij den ellendigen toestand neer.

De lente naderde nog eens en met de eerste schoone dagen kwam weer de drukte van 't werk op den akker.

Moeder was boos geworden omdat Rozeke naar haar zin niet handelde en zette haast geen voet meer op de hoeve. Ook Vader kwam er nog maar zelden en La en haar broeders hadden 't nu op Van Dalen's eigen boerderijtje druk genoeg. De dokter had uitdrukkelijk aan Alfons verboden zich voorloopig met iets te bemoeien en nog eens kon Rozeke niet anders dan Smul en Vaprijsken volle vrijheid van handelen geven. Zij riep hen bij elkaar en smeekte hen met tranen in de oogen haar te willen blijven helpen. Zij beloofden 't en hielden ook trouw hun woord. Zij werkten als voor eigen, maar regeerden ook als eigen goed wat hun was toevertrouwd. Vooral Smul. Die was dè echte baas geworden, aan wien zelfs Vaprijsken, na de ranselpartij van 't vorig jaar, als een onderdaan gehoorzaamde. Smul besliste, beval, eischte van de anderen de slaafsche uitvoering zijner bevelen. Wel poogde Rozeke soms haar prestige van bazin nog te doen gelden, maar zij voelde zich nog steeds zoo heimelijk bang voor hem; en bij de minste opmerking keek hij haar aan, zóó vrijpostig en brutaal, dat de woorden in haar mond versteven, terwijl zij, telkens kleurend als van schaamte, dadelijk den blik ten gronde sloeg. En toch ... sommige dingen kon noch mocht zij zoo niet blijven dulden: op een namiddag, tegen avond, had zij Smul, bijna op heeterdaad, betrapt met 't Geluw Meuleken in de hooischuur. Zij waren haastig van elkaar gegaan bij haar plotseling verschijnen en dien dag had ze geen gelegenheid meer gehad hèm het gebeurde te verwijten;--zij wist ook nog niet zeker of zij wel gedurfd zou hebben--maar het Geluw Meuleken had ze duchtig onder handen willen nemen; en 't Geluw Meuleken, die vroeger zoo beleefd en nederig was, had ook eensklaps brutaal en onbeschaamd geantwoord; en met wanhoop had Rozeke begrepen dat ze tegen den toestand niet op kon en dat ze zich nog mocht gelukkig achten wanneer ze slechts maar alles deden wat hun beliefde, zonder haar verder in den steek te laten.

Steeds dringender had zij behoefte aan steun, aan hulp, aan iets goeds en vriendelijks, dat haar wat op kon beuren; en met het vurigste verlangen zag zij uit naar de komst der jonge barones, die van haar droevigen toestand op de hoogte was en beloofd had haar zeer spoedig na hun intrek op 't kasteel te komen opzoeken.

En op een middag kwam zij, schitterend mooi van gezondheid en van moederlijk geluk, met haar zoontje in een sneeuwwit wagentje, dat door een jonge, kloeke, frissche min in langen, wijden mantel en witte muts met enorme breede en lange, wit-en-zwart-geruite, op den rug hangende linten, werd geduwd. Rozeke, weemoedig gestemd door al haar eigen zoo zwaar contrasteerende droefheid, begon dadelijk bij 't eerste zicht, overvloedig te schreien, terwijl zij, als in een vurig, zwijgend smeeken, herhaaldelijk de hand harer voorname vriendin en weldoenster kuste. Toen keek zij naar het kindje in de wieg en sloeg, nu schreiend van emotie en bewondering, de handen in elkaar.

"Azeu 'n scheun kind, mevreiwe! Azeu 'n scheun ijngelke van 'n kind!" herhaalde zij met bibberende stem.

"Niet waar!" riep trotsch de jonge moeder. Maar zij voelde dat haar te rijk geluk het arme boerevrouwtje leed moest doen en vroeg haar met bezorgd gezicht hoe 't met Alfons gesteld was en of zij hem kon zien.

"Kom binnen, mevreiwe," riep Rozeke; en zij wilde ook de min met het wagentje doen binnenkomen. Maar de jonge barones sprak met schielijken angst enkele haastige woorden in 't Fransch tot de min, die dadelijk met het wagentje omdraaide en onder de boomen heen en weer ging rijden, terwijl de barones Rozeke in 't woonhuis volgde.

Alfons voelde zich de laatste dagen weer wat beter. Hij had haar door het raam gezien en hooren binnenkomen en hij was uit zijn leunstoel opgestaan, angstwekkend bleek en mager, met groote, vreemd-glinsterende oogen en een zonderlingen, bijna gepijnigden glimlach op zijn blauwachtige lippen. Een groote, zwartwollen bouffante was dubbel om zijn ontvleesden hals geslagen en zijn stem klonk hol en heesch als kwam zij uit een kelder, toen hij de bezoekster welkom heette en verzocht om te gaan zitten.

De jonge vrouw voelde zich plotseling door 't diepste medelijden aangegrepen. Zij had niet gedacht dat het zóó erg was met hem; zij schrikte van zijn uiterlijk en had alle moeite om dien akeligen indruk te verbergen.

"Hoe vindt g' hem, mevreiwe?... al weere veel beter, e-woar, nou dat de scheune doagen beginnen te komen?" vroeg Rozeke gemaakt-opgewekt, als wilde zij niet alleen hèm, maar ook nog zichzelf met een bedriegelijke illuzie troosten.

"Zeker, zeker," antwoordde machinaal de barones, terwijl het in haar keel kropte van meelijdende droefheid.

Alfons kuchte even, heel zacht en heel voorzichtig, als was hij bang voor een geduchte hoestbui en zijn bleeke lippen glimlachten met inspanning, terwijl zijn heesche stem op bijna fluisterenden toon zeide:

"As 't moar 'n beetse goe weer'n blijft, mevreiwe; as ik moar weere buiten in de zonne kan goan zitten. 't Es toch zeu triestig, altijd in huis."

Zijn mooie donkere oogen, die haar week en vriendelijk in vreemde schittering toelachten, omsluierden zich plotseling als 't ware met een floers van wanhopige droefheid en hij sloeg ze neer ten gronde als wou hij zijn diepe smart niet laten merken. Maar zij hadden 't gezien en innig gevoeld alle twee en Rozeke keerde zich eensklaps naar het raampje om met trillende lippen, terwijl de jonge barones iets als een ijskoude stilte in haar binnenste voelde neerzijgen. Zij peilde plotseling de diepte van een onuitsprekelijke levenssmart vlak naast haar eigen jong en frisch geluk en 't huiverde in haar van medelijden en van angst, terwijl haar oogen even als verstard gevestigd bleven op het gelouterd en nobel gezicht van dien jongen man, zooals hij daar uitgeput en hijgend in zijn stoel zat neergezakt, zoo duidelijk omvademd reeds door de sombere schim van den dood.

Zij stond op en nam afscheid. Ook hij wou opstaan, om haar te begroeten, maar zij verzocht hem dringend stil te blijven zitten; en aan de deur keek zij nog eens, bijna moederlijk, naar hem om en knikte hem ontroerd en vriendelijk toe, terwijl het wit wagentje met haar kind in feestelijke zonneglinstering, onder de witte en roze bloemenkruinen van den boomgaard, vol wemelende licht- en schaduwloovertjes, over het heldergroene gras tot haar genaderd kwam.

O! dat contrast! die komende, bloeiende frischheid en blijheid van zonnelicht en levenslente in al 't verjongde en uitbundige feestgetij van de herlevende natuur,... en dáár die bleeke uitgemergelde gestalte, als een geraamte in 't donkere van zijn kleeren en in 't schemerduister van het laaggebalkt en zwart-gerookte keukentje!...

Buiten nam zij Rozeke apart en zei:

"Hij is wel ziek, erg ziek, Rozeke; maar misschien is hij nog te redden. Luister, ik heb daar iets bedacht. In 't Zuiden, daar waar wij op onze huwelijksreis geweest zijn, bestaan er streken waar de longlijders genezen. Daar moet hij naar toe. Hij mag hier den volgenden winter niet doorbrengen; hij zou ook niet kunnen. Met November gaan wij weer naar 't Zuiden, voor een langen tijd. Hij mag met ons meereizen en wij zullen hem daar eenige maanden doen verplegen. Wie weet, het is misschien nog niet te laat. Misschien komt hij gezond en sterk bij u terug."

Onthutst keek Rozeke hare weldoenster aan. Zij begreep niet, zij geloofde niet, alles verwarde in haar hoofd. Zij begreep alleen maar dat hij maanden lang van haar weg zou gaan; en 't was voor haar of men hem dood uit 't huis zou dragen.

"O, mevreiwe, dat 'n es nie meugelijk! Hij 'n kan hij hier nie wig! hij 'n zal hij nie willen!" riep ze, schor van angst.

"Wat zoudt ge verkiezen, Rozeke, hem hier bijna met zekerheid te zien sterven; of ginder nog de kans op een mogelijke genezing te wagen?" vroeg de barones met droef-ernstig gelaat.

Rozeke stond even sprakeloos, met strakke, vochtig-schitterende oogen van kwellende ontroering. Zij wist niet, begreep niet; zij was bang, zij was verbouwereerd; het was te verre, zij kon er zich de werkelijkheid niet van voorstellen. En hoe moest het op de boerderij ook gaan als hij eenmaal weg was?--Och neen, het kon niet, het zou ook niet gebeuren; de jonge barones stelde dat maar voor om iets te zeggen, om haar wat te troosten. Maar zij voelde zich heelemaal niet getroost en vertwijfelend schudde zij het hoofd als voor een onoplosbaar vraagstuk, terwijl zij, toch werktuigelijk dankend, hare weldoenster met het schitterend-blank kinderwagentje en de prachtig-getooide min tot aan 't hekje vergezelde...

* * * * *

XXIII.

Kalm, zonder gebeurtenissen, ging de zomer voorbij. Met de schoone lange dagen voelde Alfons zich weer veel beter en hij kon buiten zitten vóór het huis in de schaduw of langzaam slenteren in de zon, over de wegen van zijn akker.--Maar niet zoo gauw kwamen de kortere dagen en de langere, dauw-vochtige nachten, of weer bleef hij instinctmatig binnen, als voelde hij zich door een gevreesden en geheimen vijand achtervolgd.