Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
Chapter 2
De vroege avond begon reeds te duisteren, vaal en triestig, van een doods-benauwende melancholie in al dat natte en vuile en slappe van den grauw-stervenden dag, toen hij eindelijk weer aan zijn hoevetje kwam. Rozeke, die hem door 't raampje had zien naderen, kwam hem op den drempel te gemoet en jammerde meelijdend over het ellendig weer dat hij den ganschen dag getroffen had; maar zij schrikte hevig toen zij hem zoo machteloos ineengezakt zag zitten, de oogen dof en het gezicht aschgrauw met ingevallen wangen, en angstig riep zij Vaprijsken, om hem te helpen afstijgen.
"Zij-je nie wel dan, boas?" vroeg Vaprijsken uit de schuur toesnellend. Maar Alfons gaf zelfs geen antwoord; hij schudde zwak het hoofd en zuchtte; hij zakte, op Rozeke en Vaprijsken gesteund, uit het zadel en struikelde gebogen naar binnen.
"Kom, zet ou al gauwe bij 't vier; 'k zal ou ander klieren hoalen en 'k hé goeje woarme soepe gekookt," zei Rozeke, ontsteld hem vóór het haardvuur brengend.
"Mijn bedde, anders nie as mijn bedde," zuchtte hij heesch en haast onhoorbaar, naar de voutekamer strompelend.
"Ha moar dreugt ou toch iest; eet en drijnkt toch iest watte!" smeekte Rozeke.
"Mijn bedde! mijn bedde?" kreunde hij. "Help mij ontkliën; leg mij in mijn bedde."
Rozeke begon te schreien. Zij riep het Geluw Meuleken en samen brachten zij hem op de voutekamer, trokken zijn natte kleeren uit en stopten hem warm onder de dekens.
"Ach Hier, ach Hiere, 'k ben ziek, 'k ben zeu ziek!" klaagde hij met dichte oogen.
"'t Zal wel beteren," zuchtte Rozeke. "Houdt ou stil en sloap moar; we zillen ou woarm dekken, da ge goe zwiet."
Zij spreidde nog meer dekens over hem uit, stopte hem zorgvuldig in op zij en bleef toen een lange poos angstig-onbewegelijk naar hem staren, terwijl hij daar even volkomen stil en roerloos op den rug uitgestrekt lag, de oogen toe, een lichte roze kleur op zijn magere koonen, met korte, snel-hijgende trekjes ademhalend door zijn zenuwachtig op-en-neer-trillende neusvleugels.
* * * * *
XVI.
De rust was kort van duur. Na een poos begon hij zich te keeren en te wenden en den ganschen nacht woelde hij onophoudend in zijn bed. Rozeke deed geen oog dicht en den volgenden ochtend schrikte zij van zijn vuurrood gezicht en van zijn reutelenden adem. Spoedig zond zij Vaprijsken naar 't dorp om den dokter.
Eerst tegen avond kwam hij aan.
"Och Hiere! menier den dokteur, 'k hè toch zeu stijf noar ou verlangd, want 't denke mij dat hij zeu ziek es," fluisterde Rozeke schreiend terwijl zij den geneesheer naar het voutkamertje bracht.
"Joa joa moar ... ziek zijn 'n es nog gien deudgoan; iederien es al ne kier ziek," banaalde hij troostend.
Doch zijn gezicht werd ernstiger toen hij Alfons zag en vooral toen hij zijn pols gevoeld en in zijn zij en op zijn rug geluisterd had.
"'t Es hier te koud op die voute," zei hij. "Ge zoedt hem moeten in 'n koamer brijngen woar dat-e vier keun moaken."
"In de beste koamer keune we vier moaken. Es 't irg, menier den dokteur?" angstvraagde Rozeke.
"Irg en nie irg, 't es nog af te wachten wat dat 't worden zal," antwoordde hij, met haar weer in de keuken komend. "Hij hè 't fleurus en we moeten oppassen dat 't gien longontsteking 'n wordt,"
"Och Hiere, 't fleurus!" snikte Rozeke met in elkaar gewrongen handen. "O! en 't es mijn schuld! 't Es deur mij dat hij zelve mee da peird gegoan es, in ploatse van 'n ander te zenden!"
"Tuttuttut, ou schuld!... 'n Zij ne kier zeu onneuzel niet!" bromde hij. "Dat 'n es niemans schuld; hij hè hij da woarschijnlijk al nen tijd in zijn lijf hangen." En hij drong haar op 't hart, alsook aan 't Geluw Meuleken, die met angstig gezicht stond te luisteren, hoe zij hem behandelen moesten: hem met behulp van twee of drie personen, voorzichtig in wollen dekens gewikkeld uit zijn bed nemen en hem daar in de goed verwarmde kamer brengen, waar ook het bed eerst heel zorgvuldig moest gewarmd worden. Verder moest hij om de twee uur een lepel nemen van een drankje, dat zij straks bij hem aan huis konden komen halen. Niets eten,--maar daar zou hij ook wel niet naar talen--en, als hij dorst kreeg, een beetje warm citroen-water met suiker. Den volgenden ochtend vroeg zou hij terugkomen.
XVII.
Hij kwam terug; en elken dag kwam hij, gedurende vele, vele dagen. De ziekte had een heel ernstig verloop gehad, was overgegaan in longontsteking, met ijlende koortsen.--Soms lag hij bleek en stil, als dood; en uren roerloosheid verliepen; maar toen opeens kwam weer de koorts en hij ging aan 't woelen en aan 't ijlen en vertelde opgewonden van de wonderlijkste dingen. Hij zat te paard, hij reed door wonderbare oorden, door witte en roze lentetuinen vol zoetgeurende bloeisels, die zacht om hem heen wuifden en stuifden en waar de mooiste vogels kweelden en klapwiekten, licht en blank als kapellen, in heldere, zonneblauwe lucht. O, het was alles zoo schoon en zoo heerlijk, het balsemgeurde overal en hij proefde van vruchten, groote, blozende, sappige vruchten, zoo zalig-lekker smeltend in den mond. Hij was in 't Paradijs, juichte hij, en daar was ook zijn teergeliefde Rozeke, geheel in 't fonkelwit gekleed, met haar zacht-krullende haren los over de schouders, en daar waren ook zijn kinderen, zijn beide lieve kinderen: Hilairken, gansch roze-naakt met gouden vleugels als de engeltjes in 't dorpskerkje, en ook Marie, ja, ook Marie, het meisje dat nog op de aarde moest geboren worden, maar daar reeds in het Paradijs geboren was, o zoo fijn en zoo klein en zoo teer, maar schoon, o, schoon, schooner dan alles wat ooit geleefd had, met groote oogen als helderblauwe bloempjes, als van die ronde lieve blauwe bloempjes, die in de vroege lente bloeien tusschen't jonge frissche gras, langs de randen van helder kabbelende beekjes.--Toen barstte hij plotseling in een lach-en-proestbui uit, omdat hij daar ook Vaprijsken zag: Vaprijsken gansch in 't geel, met gelen baard en gele kleeren en een languitgestreken, ernstig, geel gezicht als van een wijzen aartsvader; en ook het Geluw Meuleken was daar, nog geler dan Vaprijsken, het mager aangezicht vol gele sproeten; en ook den ouden Dons zag hij; een eigenaardige verschijning: een rooden, ronden kop met witte haren als een ondergaande winterzon over een sneeuwveld; en ook Rozeke's moeder zag hij, dik, bespottelijk dik, met puntig-rond, lachend-opschuddend buikje; en ook Rozeke's vader, die zijn een oog zoo leuk dichtkneep en zijn ander zoo verbaasd-rond opende; en ook Rozeke's broeders en zuster, en boer Kneuvels die hakkelde, en zijn schoone vrouw met haar gouden oorbellen en schitterende oogen, en de jonge baronesse met haar man, die in een bruisende automobiel voorbijsnorden....
Toen zonk hij weer in elkaar en een doodsche droefheid grauwde op zijn klam-bezweet gelaat.--Het regende, het mistte, de natte, felle wind kromde de klagend-piepende kruinen der boomen, en hij rilde, rilde, en zijn tanden klapperden. De laatste bruine blaren stoven als doode vogels van de naakte takken en het paard verzonk met zijn beenen zóó in het slijk, tot hij zelf weldra heel en al nat en beslijkt was, en pijnlijk klaagde van kou en zich langzamerhand in al die grijze, triestige vuilheid voelde versmelten en verdrinken. Toen stootte hij een lange heesche weeklacht uit en weer lag hij afgemat en roerloos, als een bleeke doode uitgestrekt.
Dat duurde zoo verscheidene weken. Eindelijk kwam hij aan de beterhand; maar nog eens weken duurde het vóór hij zijn bed verlaten mocht; en toen hij voor het eerst weer opstond en gekleed bij het haardvuur in de keuken verscheen, leek hij op een oud, bleek, kuchend en hoestend mannetje met uitgeholde, rimpelige wangen en groote, zwarte oogen, die aanhoudend op akelige tafereelen schenen te staren.
Maar Rozeke dankte den hemel dat hij zoover genezen was en zij zelve herleefde. Alles wat ze geleden had: haar slapelooze nachten, de onvermijdelijke verwaarloozing der boerderij, de zware geldelijke opofferingen, alles was vergeten voor die eene blijde gebeurtenis van zijn gelukkige genezing.
Af en toe nog had zij een briefkaart van de jonge barones ontvangen, telkens weer uit andere steden en landen, en de oude meester kwam er nog steeds nieuwsgierig naar kijken en 't een en 't ander haar ervan vertellen; maar zelve had zij haar bescherm-vriendin slechts eenmaal tijding kunnen zenden,--de droeve tijding van Alfons' zware ziekte--en nu verwachtte zij weldra haar terugkomst op het kasteel, waar zij voorloopig met haar man en hare ouders, gedurende de zomermaanden zou vertoeven.
En op een ochtend, eindelijk, was ze daar, schoon als een jonge koningin, in een prachtige automobiel, met haar man aan haar zijde.
"O, mejonkvreiwe! mejonkvreiwe!" riep Rozeke, vergetend dat haar vriendin nu "mevrouw" was, en schreiend van ontroering haar met in elkaar geslagen handen in den boomgaard te gemoet loopend.
"Rozeke! Rozeke!" wuifde de barones verteederd. En zij en haar man drukten het boerevrouwtje hartelijk de hand, als oude, trouwe, dankbare vrienden. En dadelijk vroegen zij hoe 't met Alfons was en gingen binnen.
Hij wilde opstaan om hen te begroeten, maar een hevige, schorre hoestbui drukte hem onmeedoogend in zijn leunstoel bij den haard weer neer.
"Blijf maar zitten, blijf maar zitten," riep dringend de jonge barones; en zelve haastte zij zich naar hem toe in 't zijig ruischen van haar kleeren en drukte hem ontroerd de hand. "Hoe gaat het, Alfons?" vroeg zij bezorgd.
"Dát 'n wilt hier nie wig, mevreiwe," antwoordde hij heesch, met de hand op zijn ingevallen borst, kloppend.
Hij zag er nog erg bleek en mager uit, en zijn groote, donkere oogen hadden nog steeds hun onheilspellend-starende uitdrukking van verwilderden angst; en zooals hij daar nu hijgend in zijn leunstoel zat, leek hij niets meer op een boer: hij had een fijn besneden aristocratisch gezicht, van een vreemd-ziekelijke, geraffineerde fijnheid, als een schilder of een zanger met zijn lang-gegroeide haren en zijn spits-krullenden, donkeren baard.
Zij bleven maar kort om hem niet te vermoeien; en buiten, op den drempel zei de barones tot Rozeke:
"Rozeke, gij zult wel moeten oppassen met uwe man."
Rozeke smolt in tranen.
"Ach Hiere, wa kan ik doen, mevreiwe!" klaagde zij. "'k Geef ik hem alles woar da zijn herte noar lust, moar hij betert zeu troage."
"Gij moogt hem vooral niet laten werken, nog van heel de zomer niet."
"Hij 'n moe hij niet wirken, mevreiwe; hij 'n kan hij euk nie wirken. We zoeken ons noar nen twiede knecht; moar 't zijn amoal greute onkosten, mevreiwe, en w'hén al zuk 'n slecht joar g'had mee zijn ziekte."
"Daarvoor moet ge 't niet laten, Rozeke; als ge iets noodig hebt zijn wij daar om u t' helpen."
Zij zochten naar een tweeden knecht, naar een bekwamen paardeknecht. Zij hadden hem hoogst noodig. Reeds lag het vroege lentewerk dringend op den akker te wachten; en met de merrie was het ook al weer mis, die moest stellig opnieuw naar den hengst toe; maar goede paardenknechts zijner schaarsch te vinden, voornamelijk in 't voorjaar als reeds iedereen bezet is, en Alfons zat zich gansche dagen machteloos in zijn leunstoel van ongeduld en ergernis op te vreten, omdat het hoe langer hoe dringerder werd en niemand zich kwam aanbieden. Het maakte hem ellendig en vertraagde zijn genezing; en tot grooten schrik van Rozeke sprak hij reeds van uit zijn hoek te komen en zelf weer, zoo goed en zoo kwaad als het ging, te gaan ploegen en zaaien, en nog eens met de merrie naar den hengst te gaan, toen Vaprijsken op een zondag ochtend haastig van de vroegmis thuis kwam en hem zei:
"Boas, as ge nou ne kier ne goeje peirdeknecht wilt hên, nou es er ienen te krijgen; moar ... hij 'n wilt hem nie prissenteeren; ge moet 't hem zelve vroagen."
"Wie est 't?" vroeg Alfons gretig.
"Ivo Smul."
"Ivo Smul? En hij weunt bij boer Kneuvels!"
"Sedert iergisteren 'n weunt er hij nie mier bij. Hij es mee zijnen boer in ruzie geslegen en wig-gegoan. 't Spijt de bezinne genoeg."
Alfons, zijn groote, holle oogen strak voor zich gevestigd, zat roerloos te peinzen en te staren. Rozeke was, bij 't hooren van Smul's naam, schrik-zwijgend achteruitgedeinsd.
Eenklaps keerde Alfons zich tot haar om.
"Wa peist ge 'r van?" vroeg hij.
"Lijk of ge wilt," antwoordde zij ontwijkend, met benauwde stem.
Zij durfde 't niet bepaald tegenwerken; zij kende hun nood en vreesde 't ergste indien hij aan zijn dreigen gevolg gaf, van zelf weer aan het werk te gaan. Was het reeds niet háár schuld geweest, dat hij in plaats van Smul op dien akeligen ochtend met de merrie naar den hengstboer reed en er zijn zware ziekte bij had opgeloopen! Neen neen, zij durfde niet, 't mocht niet; maar ... de komst van Smul op hun boerderij, in hun dagelijksch leven, zij gruwde en huiverde ervan; zij was er bang voor, als voor den dood.
"Hawèl?" drong hij aan, onder haar ontduikend antwoord en haar lang stilzwijgend ongeduldig wordend.
"Hawèl, lijk of ge wilt," herhaalde zij nog eens, hem bedroefd en bijna smeekend aankijkend.
"Lijk of ge wilt! lijk of ge wilt! Dat 'n es gien antwoorde! 'K en wil ik niets! 'K en zoek ik moar om wel te doen!" barstte hij verwijtend- opgewonden uit. "Zeg liever: leupt noar den duvel! as ge nie 'n wilt antwoorden!"
Zij trok zich zwijgend, met tranen in de oogen, nog verder terug, terwijl Alfons, boos en geprikkeld, zich opnieuw tot Vaprijsken wendde.
"Hèt ge 'r mee hem over gesproken?" vroeg hij.
"Joa ik, boas."
"En hét hij gezeid dat hij hier zoe wille komen?"
"Joa hij, boas, as 't hem gevraagd wordt."
"En veur hoeveel in de moand? Het hij da nie gezeid?"
"Vijf en dertig fran, lijk of hij bij boer Kneuvels há."
"En verwacht hij antwoorde doarop?"
"Joa en nien. Hij hé gezeid as hij van doage gien antwoord 'n ha, dat hij hem elders gijnk verhuren."
Opnieuw keerde Alfons zich tot Rozeke om:
"Hawèl wa peist-er nou eigentlijk van? Zeg verdeeke euk ne kier ou gedacht?"
"Hawél, joa joa, 't es goed, lijk of ge wilt," antwoordde zij als versuft, met hooge kleur en op 't punt in tranen uit te barsten.
"Moar 'k en wil ik niets, zeg ik ou!" riep hij nijdig, "'k Vroag ou joa of nie of 't ou gedacht es. Keunt-e doar nou nie op antwoorden?"
"Hawèl joa 't dan, joa 't, 't ès mijn gedacht!" stamelde zij, bleek en bevend. Zij vond het ontzettend dat juist zij het beslissend jawoord moest geven.
Weer keerde hij zich in zijn leunstoel tot Vaprijsken om:
"Al gezeid.--Vaprijs jongen, goa gij weere noar 't dorp en zegt hem dat hij hier verhuurd es en dat hij hoe ier hoe liever zoe komen."
"Al gezeid, boas."
Vaprijsken stak een pijp op en was buiten.
* * * * *
XVIII.
Reeds den volgenden ochtend was Smul met pak en zak op 't boerderijtje. Kort en stug groetend kwam hij binnen, vroeg waar zijn slaapplaats was, knikte goedkeurend toen hij hoorde dat die op den zolder was boven den paardenstal, droeg er met behulp van Vaprijsken zijn goed heen en stond reeds vóór half negen in het keukentje werkklaar, met gefronsde wenkbrauwen vol aandacht luisterend naar de bevelen van zijn nieuwen meester.
"Iest en veural de vlasgoard eegen en sleepen, 't es doanig neudig," zei Alfons met heesche stem. "Vaprijs zal mee ou mee goan om ou te teugen woar dat hij ligt. Doarachter moên we malgré beginnen onz' eirdappels planten en oale voeren op de kloaver."
Sprakeloos hoofdknikkend had Smul zich reeds omgekeerd om naar zijn werk te gaan.
"Eet iest ulderen boterham," zei bedeesd Rozeke, terwijl ze haastig twee groote koppen volschonk met koffie en een stapel dikke tarwe-smouterhammen voorsneed. Zij sneed ook twee plakken zwart roggebrood en legde op ieder een zware snee spek.
Zij aten, haastig slikkend, zonder spreken, en slurpend van hun groote koppen. Alfons, uitgeput door de inspanning van het bevelen-geven, zat af en toe heesch in zijn hoek te hoesten; Rozeke liep gejaagd en onthutst heen en weer. Zij voelde zich plotseling als een vreemde in haar eigen huis; zij kon haast niet begrijpen dat die man, die Smul, waar zij nog steeds zoo heimelijk bang voor was, daar nu elken dag vast zitten zou, dat hij zou deelen in hun dagelijksch leven, dat hij met hen zou opstaan en zou slapen gaan, dat zij hem ieder oogenblik zou hooren en zien. Het kwam haar voor als iets onmogelijks, dat toch in geen geval lang duren kon, en 't was haar nu reeds een verbazing dat hij daar zoo onbevangen en gewoon te eten en te slurpen zat, terwijl het haar zoo akelig bevreemdde en ontstelde; dat hij daar zat, aan de tafel van zijn vroegeren vijand, wiens vrouw hij als jong meisje hartstochtelijk begeerd en met ruw geweld bijna genomen had. Doch alles ging zoo doodgewoon en zoo natuurlijk alsof het nooit anders geweest was; hij vroeg ernstig en kalm onder het haastig eten aan Alfons hoe dit en dat gedaan moest worden, waar hij 't een of 't ander vinden kon: en van haar nam hij in 't geheel geen notitie, hield zich alsof hij haar niet zag en alsof ze voor hem niet bestond. Zoo gauw hij met zijn eten klaar was stapte hij op, liep naar den paardenstal, haalde de merrie uit en spande haar voor de driewielkar, waarop hij met een forschen til de zware horde laadde. En weg was hij, over den boomgaard en door 't open hek, door Vaprijsken vergezeld. Alfons glimlachte tevreden, hem met een goedkeurend hoofdgeknik naar Rozeke van uit zijn hoek door 't raampje nakijkend.
"Dà es ne goên, zille! en ne rappen! Kijk ne kier die merrie goan! Hij 'n zal d'r nie in sloap bij vallen, bij zijn wirk!"
Hun vroegere ruzie scheen Alfons totaal vergeten, hij dacht er niet meer aan. Hij zag enkel nog in Smul den knappen, flinken werker, die hen uit den nood kwam helpen.
Rozeke verademde. Misschien zou het toch beter gaan dan zij eerst dacht en vreesde; maar zij voelde wel dat zij er nog aan wennen moest. Het was een vreemd gevoel in haar; mengsel van hoop en vrees en ook van ontzag en een soort schaamte. Waarom schaamte? Dat begreep ze zelve niet, maar voelde 't zoo.
Even later op den dag, in de zachte, stille zonne-warmte van den heerlijken mei-ochtend, liep Alfons, door belangstellende nieuwsgierigheid gedreven, eens tot aan den vlasgaard, waar Smul nu aan 't eggen was.--Hij zag hem komen van het verste eind over den langen akker: de mooie merrie met trotsch-opgeheven hoofd flink-gelijkmatig in gestrekten vluggen pas aanschrijdend, en daarachter op de platte horde Smul, fiks en wijd-beende met de leidsels in de hand, telkens schuivend-glijdend in als 't ware wevende beweging over 't gladde, blonde land. Hij zag het gespan komen, ziender oog vergrootende, stijgend als op een zachtglooienden heuvel naar het middenpunt waar het veld ietwat hooger lag, en dan weer naar de laagte dalen, de merrie snuivend, de horde schuivend, tot het heel aan 't ander uiteinde gekomen was, waar Smul dan met een vluggen, zwierigen zwaai horde en paard deed omkeeren en dadelijk weer, in flinken, forschen gang, den akker opgolfde.
"Nondedzju! dà es ne wirkman! den dienen kán watte!" dacht Alfons met onbedwingbare bewondering alsof het nog de eerste maal was dat hij Smul zoo aan den arbeid zag.--En lang nog bleef hij daar, op zijn stokje geleund, bewonderend staan staren en waardeerend genieten.
* * * * *
XIX.
Langzamerhand, met de rust en met de mooie dagen, werd Alfons beter; maar hij was toch nog veel te zwak om te werken. Zoolang hij kalm en rustig bleef, voelde hij zich tamelijk goed, doch bij de minste inspanning begon hij weer te hijgen, te kuchen en te hoesten en dagen lang waren er dan noodig om hem opnieuw op zijn verhaal te brengen. 't Zal moeten slijten, had de dokter gezegd; en nu hij toch zulke goede hulp had aan Smul en alles weer voorspoedig ging op 't hoevetje, nam hij zijn lot nog al geduldig op.
Rozeke, van haar kant, was eindelijk ook aan den toestand gewend geraakt. De vaste tegenwoordigheid van Smul kwam haar niet langer meer voor als een steeds dreigend gevaar, alles bleef natuurlijk en gewoon zijn kalmen gang gaan, hij poogde zich geen rechten aan te matigen die hem niet toekwamen en ook met 't Geluw Meuleken en met Vaprijsken verkeerde hij op goeden voet; en weldra genoot ook Rozeke iets van de rust en zekerheid, die door Smuls flinke en krachtige bekwaamheid op Alfons' gemoed heilzaam werkte. Die rust en zekerheid waardeerde zij te meer nu ze weer spoedig haar verlossing te gemoet zag. Evenmin als Alfons ware zij op 't oogenblik in staat geweest voor de eigenlijke zaken van de boerderij doelmatig handelend op te treden en zoo gebeurde het bijna van zelf en onvermijdelijk dat alles meer en meer door den sterken en actieven Smul bedisseld en beredderd werd.
In het begin kwam hij nog telkens aan Alfons vragen: "Baas, zouden we dit of dat niet doen? zou het geen tijd worden om hier-of-daar mee te beginnen?" Doch Alfons was vanwege zijn ziekelijken toestand niet altijd op de hoogte om te beslissen en zoo kwam het meer dan eens voor dat hij zelf aan Smul moest vragen hoe die er over dacht en wat hij zou aanraden te doen. Zoo ging het toen het gras gemaaid moest worden en ook later toen het tijd werd om het koren in te oogsten. Smul was het die besliste, die de maaiers ging ontbieden en de noodige bevelen uitdeelde. Van 't paard trok Alfons zich heelemaal niets meer aan; dat was in Smuls handen en hij zou wellicht niet geduld hebben dat een ander, zelfs de baas niet, zich er nog mee bemoeide. Hij was er weer mee bij den hengst geweest, op een door hem alleen gunstig geacht oogenblik; en weldra leed het geen twijfel meer, dat de merrie veulen droeg.
Maar nu gebeurde 't dat Smul, in zijn toenemende, algemeene bazigheid, zich ook met den koestal ging bemoeien, wat speciaal Vaprijskens werk was, en dit gaf aanleiding tot wrijving en gekibbel, tusschen de twee, totnogtoe goed met elkaar omgaande knechts. Dat koestal-geharrewar werd nog ingewikkelder door een vagen naijver om 't Geluw Meuleken, waar zij allebei een beetje 't oog op hadden. Scherpe woorden waren reeds een paar keer gewisseld; en eindelijk, op een middag, voor een beuzel-kwestie van al of niet te geven klaver, kwam het tot een plotselinge, woeste vechtpartij. Geducht werd het veel zwakkere Vaprijsken geranseld, en kwam daarop huilend en vloekend bij Alfons en bij Rozeke zijn aanklacht doen, gillend dat zij tusschen hem en Smul te kiezen hadden en dat hij wegging indien Smul nog langer bleef. Groot was de plotselinge ontsteltenis van Alfons en van Rozeke! Wat moesten ze doen? Zeker was Vaprijsken een uitmuntende stalknecht en moeilijk kon hij op de hoeve gemist worden, maar onder de omstandigheden van het oogenblik kon Smul dat nog veel minder en hun gedwongen keus was niet twijfelachtig. Zij slaagden er eindelijk in, met heel veel moeite, na smeeken en vleien, om Vaprijsken te bedaren en hem te doen blijven; maar dat was meteen de beslissende triomf voor Smul, die van af dat oogenblik de onbetwiste opperbaas der hoeve werd en er voortaan alles naar zijn eigen zin wist te doen buigen.
* * * * *
XX.
Den vijftienden Augustus, op den dag van Onze Lieve-Vrouwe, werd Rozeke's tweede kind geboren: een meisje. Hoe wonderbaar: het was dan toch precies uitgekomen zooals Alfons het in zijn koorts gedroomd had; en 't kind werd ook onder den naam van Marie gedoopt, ter eere van de Lieve-Vrouw en ook omdat Alfons het in zijn ijlen zoo genoemd had.