Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2

Chapter 11

Chapter 113,977 wordsPublic domain

Bevend en snikkend trad Rozeke binnen. En door haar tranen heen zag zij eerst niets dan een witachtigen nevel, waaruit bedwelmende aromas van de fijnste bloemen schenen op te wasemen. 't Was of zij in een donkere bloemen-serre kwam, waarin alleen twee witte kaarsjes op een witte tafel brandden; en eerst toen ze vóór 't bed stond zag zij haar geliefde jonkvrouw liggen, o zoo schoon, zoo heilig teer en schoon, het fijne, wasgeel hoofd een ietsje scheefgezakt op 't blanke kussen, de oogen toe, het prachtig haar in twee zware, donkere vlechten op haar schouders golvend en de fijne gele handen als biddend op de strakke borst gevouwen.--O, zij scheen zoo heilig-kalm te rusten en te bidden; en om haar heen, op 't blanke bed, was het een schat van pure, blanke bloemen, die als de geurende essentie van haar allerlaatst gebed in onzichtbaren wierook rondom haar ten hemel stegen.

Rozeke was met gevouwen handen vóór het doodsbed op haar knieën gezonken en een poos was er geen ander geluid in de stille, donkere dooden-kamer dan het geknetter van de waskaarsen en het snikken van 't geknakte boerenvrouwtje in lijdende aanbidding voor haar doode meesteres. Toen stak het nonnetje met stil gebaar een vochtig palmtakje naar haar uit en Rozeke nam het in de hand en besproeide even, in vrome teederheid, de lijkwade der doode. Een laatste maal staarde zij, door haar tranen heen, naar de zoo geliefde trekken en toen vertrok ze, waggelend, als in duizeling, door de donkere gang tot aan de schemerige trap door 't stille nonnetje begeleid.

* * * * *

XLVI.

In dat zelfde kerkje, waar Rozeke eenmaal, met tranen van zalige ontroering, haar schitterende huwelijksplechtigheid zag, woonde zij nu haar plechtige begrafenis bij.--Daar lag ze, als van marmer, onbewegelijk in haar kist, wit als het doodskleed dat haar bedekte, de oogen toe en de handen gevouwen, met haar schoone donkere haren in twee zware vlechten op haar schouders. Daar lag ze, op de zelfde plaats, waar zij, jaren geleden, in maagdelijke blankheid, stralend van schoonheid, van gezondheid en geluk aan de zijde had gestaan van hem die haar eeuwige trouw en liefde gezworen, maar haar zoo schandelijk bedrogen en gedood had; en de zelfde priesters die destijds lofzangen van geluk en vrede aanhieven, zongen nu de plechtige treurzangen van het eeuwig afscheid over haar koud en roerloos lichaam.

En Rozeke, verscholen in een hoekje van de kerk, achter de talrijke, donkere rouw-menigte van verwanten, vrienden en kennissen, weende, weende.... 't Was of haar gansche wezen weg zou smelten in haar tranen, 't was of ze 't laatste van al haar levensvreugd in 't graf zag dragen; er was niets meer, geen licht, geen hoop, geen toekomst; alles, àlles leek nu dood en in de koude aarde voor altijd begraven; en snikkend strompelde zij, na de begrafenis, in de dood-triestige schemering, gebogen en geknakt als een oud, versleten vrouwtje, langs de eenzame wegen huiswaarts.

Daar zat hij, de man, de vijand, de oorzaak van háár levensleed en ondergang, zooals die andere man, op zijn manier, de oorzaak was geweest van al het lijden en den dood harer vriendin. En een onuitsprekelijken haat en walg kwam in haar op voor dat akelig, bruut gezicht; zij keerde de oogen van hem af en zij had alle moeite om hem niet, trillend van toorn en verachting, de wreede woorden naar het hoofd te slingeren, die haar bijna onweerstaanbaar op de lippen kwamen: "waarom ligt gij, schurk, nu niet in 't graf in plaats van haar!"

Maar treiterend-grinnekend, met een borrel in zijn hoek gezeten, staarde hij haar aan; en plotseling hoorde ze zijn stem, zijn ruwe, nijdige vijand-stem, die schimpend vroeg:

"Hawèl, hoe es 't gegoan? Hèn z' heur in de put gekregen? Zit ze 'r in, joa? En komt ze 'r nie mier uit?"

Zij keek hem even aan, koel en strak, met hooghartig misprijzen. Zij was niet bang meer voor hem; voor niets meer was zij bang. Zwijgend nam zij haar mantel af en ging hem in de kamer weghangen.--Hij dronk ineens zijn borrel leeg en slaakte dof een vloek.

"Hawèl, nondedzju! Zij-je deuf of stom geworden?" gilde hij ruw, toen ze na een poos weer in de keuken kwam. "Hè-je nie g'heurd wat da 'k ou gevroagd hè?"

"'K'n verstoa ou niet," antwoordde zij koel, kalm, uit de hoogte. En zij ging naar het venster, bij de wieg, waarin haar jongste kind lag.

"Ha! ge'n verstoa mij niet!" riep hij, eensklaps dreigend, met fonkelende oogen overeind gerezen.--"Hè-je 't geld mee? Verstoa-je dàtte?"

Strak keerde zij zich om en keek hem aan.--'t Geld!... wat bedoelde hij? Hoe wist hij? Wie had hem gezegd...?

Hij grijnslachte nijdig: "Haha! ge mient da'k van niets 'n wete! Ge mient da 'k niet 'n wete da g'in heur testament stoat! Nondedzju, ge zij mis, zille! 't Geld! Hier! Afgeven, zeg ik ou!"

Zij schrikte hevig en staarde hem met toenemende angst en ontzetting aan. Hoe wist hij? wie had hem kunnen zeggen...? Maar hij wist het, zooveel was zeker; hij wist het en hij eischte het op. En plotseling woelde en ziedde 't in haar binnenste als in opstand en nam ze 't onverbiddelijk besluit hem nooit iets van het geld te geven, nooit, nooit, wat er ook gebeuren mocht.

"'K 'n hè 't niet!" riep ze met van haat gloeiende oogen; "'K 'n hè 't niet, moar al ha 'k het, noeit 'n zal ik er ou iets van geven, noeit noeit, noeit! verstoa-je-datte?"

Zij durfde hem eensklaps aan; haar liefde, haar piëteit voor de nagedachtenis der dierbare overledene gaven haar een kracht waarvan ze zich zelve niet bewust was. Zij stond vlak vóór hem, dicht bij hem, dreigend, de oogen flikkerend, trotseerend zijn woede-blikken, zijn paars-zwellend gezicht, zijn krampachtig gesloten vuisten. Er was een oogenblik van doodsche, onheilspellende stilte. Zij hoorde duidelijk het trage tikken der klok en 't vroolijk blaasgepruttel van het kleintje in de wieg. Het werd reeds schemerduister buiten en groote, logge schaduwen kropen in huis onder de donkere zolderbalken.

Eensklaps vloog hij, gedrochtelijk hinkend, naar de voordeur en schoof den grendel ervoor. Toen naar de achterdeur en grendelde die ook. Toen greep hij naar zijn stok.

Met een schorren gil sprong ze op zij en greep instinctmatig een stoel en hield die vóór zich uit. Zou hij weer durven slaan? Zou hij durven, nu haar beschermster dood was?

"Lafoard!" gilde zij; "lafoard! past ou op dag' aan mij komt!"

Grijnzend kwam hij op haar af.

"We zijn alliene thuis en we 'n moên ons nou nie mier sjeneeren," grinnikte hij. En plotseling weer gebiedend, kort en ruw:

"Ala toe,... da geld, hè ... afgeven!"

"'K 'n hè 't niet! en al ha 'k het ge 'n zoe 't nie krijgen!" krijschte zij.

De stok siste, in een woesten zwaai; en met een korten knak kwam de slag half tegen haar hoofd, half op de leuning van den stoel terecht.

"Sloeber! kreet ze. "En plotseling stootte ze met al haar kracht de pooten van den stoel vooruit, vlak naar* zijn walgelijk, paarsrood gezwollen gezicht.

Bloedend, brullend van pijn en woede, rukte hij den stoel met zulk een geweld naar zich toe, dat hij er mee achterover neerplofte en zij boven op hem viel. Hij greep haar met zijn beide knuisten om de keel, duwde, trok en wrong tot zij weer onder lag;--en toen liet hij zijn rechterhand los terwijl hij met de linker knelde en worgde, sloeg en beukte hij nu met de gebalde vuist in haar gezicht, zoo hard en zoo snel als hij kon.

Zij slaakte korte kreten, als een rauw en heesch gebrul, tusschen de steeds woester neerbeukende bonzen. 't Was als een telkens afgebroken, schor geblaf, het leek geen menschelijk geluid meer; 't was als de noodkreet van een vermoord beest, dat stikt in bloed-gebrobbel. Maar plotseling kreeg ze een van zijn vingers tusschen hare tanden en beet er op als razend en liet hem niet meer los, terwijl haar rauw, intermittent gebrul eensklaps veranderde in een aanhoudend hoog gegil, als het oorverscheurend krijschen van een schrille stoomfluit.

Een geweldige bons op de voordeur en als onder het rammeien van een heiblok vloog ze open, en Kamiel en Meleken kwamen binnengestormd. Met één machtigen ruk trok de stalknecht Smul van Rozeke's lijf, gooide hem als een pak in den hoek bij den haard, sprong op hem toe en hield hem daar onder bedwang, terwijl Meleken haar als zinneloos gillende meesteres optilde en naar het achterhuis droeg.

"Loat mij los, nondedzju! ze moet deud! ze moet deud!" gilde Smul, bloedend en spuwend, als een gewond beest in den hoek van den haard onder Kamiels forsche knelling in elkaar gedrukt.

"Stille, boas, stille," hijgde Kamiel met reusachtige inspanning den woesteling in bedwang houdend.

"Deud, nondedzju! deud! deud moe ze! deud! deud!" schreeuwde Smul, door het aanhoudend hoog-gillen van Rozeke in zijn furie nog opgezweept.

Kamiel, niet in staat hem daarbinnen langer te bedwingen, rees plotseling overeind en sleurde met geweld den woestaard naar de deur. Smul klauwde, schopte, beet en stampte; maar telkens werd hij met een schok weer wat verder gerukt en eindelijk was hij buiten en viel er uitgeput en grollend in het gras. Binnen in huis bleef Rozeke aanhoudend als een krankzinnige scherp gillen.

Meleken kwam verwilderd naar buiten geloopen.

"O Kamiel, leupt toch gauw om hulpe!" smeekte zij schreiend. "Toe, Kamiel, hoast ou, 't es wried, de bezinne goa stirven!"

In machtelooze wanhoop schudde de knecht het hoofd, Smul steeds met ijzeren greep onder zijn klauwen houdend. Gelukkig zag hij juist iemand achter 't hek voorbij stappen en riep hem dringend:

"As 't ou blieft vriend, leupt toch al gauw om den dokteur, de bezinne ligt op stirven!"

"Wa és da? wa gebeurt er hier?" zei de man, verstard kijkend in 't gras op Smul en met schrik-oogen luisterend naar het onophoudend noodgegil in huis.

"Och leupt toch! leupt toch! 't es te wried!" smeekte Kamiel zelf huilend.

De man holde weg en plotseling richtte Smul zich in het gras half op. Kamiel sprong toe en drukte hem weer neer.

Maar Smul was opeens bijna kalm geworden.

"Loat moar, 't es gedoan," zei hij, zich nijdig loswringend.

"Blijf hier, boas, wa goa-je doen?"

"Hoal mij mijn klakke," zei Smul.

Kamiel vloog in huis, nam Smuls pet, die naast den haard lag en rende er weer mee naar buiten.

Smul zette ze op, veegde met zijn mouw het bloed van zijn gezicht en stapte somber, gedrochtelijk-hinkend, naar het hek.

"Woar goa-je noartoe, boas!" liep Kamiel hem angstig na.

"Noar den duuvel?" antwoordde Smul met een woedenden blik.--En weg ging hij, in de grijze schemering.

Nog steeds, doch doffer nu, lag Rozeke in 't achterhuis te gillen.

Het kleintje, dat eerst een poos hevig geschreid had, lag nu opgewonden, met blinkende oogjes en zwaaiende armpjes, blaas-pruttelend in zijn wieg te woelen. De andere kinderen kwamen spelend langs den weg van school terug....

* * * * *

XLVII.

Dien nacht kwam Smul niet thuis.--Doch niemand bekreunde er zich om: hij liep waarschijnlijk, dronken, de dorpsherbergen af.

De dokter was gekomen en had Rozeke te bed gelegd. Haar wonden waren ernstig, doch niet levensgevaarlijk. Alleen haar gezicht was deerlijk geschonden: twee voortanden uitgeslagen, de oogen bijna toegezwollen, de helft der linkerwang rauw vleesch. Door het aanhoudend gillen, als een krankzinnige, was haar stem heesch en schor en bijna klankloos geworden. Nu lag ze stil. Slechts af en toe nog kreunde en zuchtte zij en greep soms wild met beide handen naar haar keel, alsof zij er nog steeds zijn wreed worgende knelling voelde.--Kamiel en Meleken wachtten vol angst op Smuls terugkomst.

Doch hij kwam niet.--De gansche dag verliep en ook de avond en de nacht en nog steeds was hij niet terug.

Toen hij den derden dag nòg niet verschenen was zei Meleken tot Kamiel:

"Kamiel, jongen, ge moet ne kier in 't dorp goan infermeeren en aan bezinnes ouërs zeggen dat hij nog niet thuis 'n es."

Kamiel kleedde zich aan en ging. Hij kende de herbergen waar Smul 's zondags gewend was te komen en hij bezocht ze, de eene na de andere.

Jawel, men had hem bijna overal gezien, maar dat was al meer dan twee dagen geleden en sinds had men niets van hem gehoord.--In "d' Ope van Vrede" was hij schreeuwend en vloekend binnengekomen, met gescheurde kleeren en bebloed gezicht, afschuwelijke dreigementen tegen onbekende vijanden uitrazend; maar de gewone klanten van die degelijke herberg, meest allen fatsoenlijke burgers, die hij in hun dagelijksch, rustig kaartpartijtje stoorde, hadden zich zóó aan zijn opruierig lawaai geërgerd, dat Sietje, 't herbergmeisje, beslist geweigerd had hem drank te geven, waarop hij met de schandelijkste scheldwoorden en vloeken weer vertrokken was. Na "d' Ope van Vrede" had hij de "Casino" bezocht; na de "Casino" het "Huis van Commercie" en na het "Huis van Commercie" 't "Klein Congres", waar hij eensklaps op zijn vroegeren baas, boer Kneuvels, was gebotst. Op dat oogenblik was Smul reeds hevig dronken; boer Kneuvels was het ook, zooals gewoonlijk wanneer hij in het dorp kwam, en dadelijk hadden zij, over een beuzelarij, ruzie gekregen en willen vechten.--De baas uit 't "Klein Congres" had hen beiden met geweld op straat gegooid en zijn herberg achter hun rug gesloten.

Het was toen ongeveer half elf. Smul had Kneuvels eerst een tijd verloren en hem daarna heel onverwacht in een andere herberg weer teruggevonden, waar de ruzie herbegonnen was; maar ook daar kwam de baas onmiddellijk tusschen beide en verzocht hen elders te gaan kijven.--Weer was Smul boer Kneuvels kwijt geraakt, die intusschen naar zijn hoeve was teruggekeerd; en daar alle fatsoenlijke dorpsherbergen op dat oogenblik gesloten waren, was hij terecht gekomen in het Peperhol, de slechtbefaamde achterwijk waar wildstroopers en dieven woonden en waar de kroegjes tot laat in den nacht open bleven.--In de "Jonge Vlooi" had hij een bende boeven en straatmeiden met wijn getrakteerd. Van uit de "Jonge Vlooi" was de geheele troep met hem meegegaan naar het "Luizegevecht", waar zij nogmaals wijn gedronken en gedroogde worst gegeten hadden. Daar van daan waren zij in de "Gesieperde Kavanse" terecht gekomen....

En daar ook moest Kamiel zijn opsporingen staken. De "Gesieperde Kavanse" was het laatste kroegje van 't beruchte Peperhol. Daar achter lag het open veld en verder het kanaal. Tot half drie in den nacht was Smul er gebleven. Hij bevond er zich op 't laatst geheel alleen. Al lang waren zijn laatste centen op en hij had reeds heel wat schuld gemaakt, toen de baas hem eindelijk gezegd had dat 't nu tijd werd om naar bed te gaan. Smul was opgestapt en vanaf dat oogenblik had niemand hem meer gehoord of gezien.

Kamiel stond bedremmeld. Dat alles was reeds meer dan twee dagen geleden en allen dachten Smul sinds lang op zijn boerderij teruggekeerd. Hij verliet het Peperhol en ging naar Van Dalens huisje.

"Zeu," zei moeder Van Dalen, minachtend de schouders ophalend, toen zij 't verhaal hoorde; "wel zeu, hij 'n es nog nie thuis! O, hij zal versmeurd zijn in de voart. Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, goa gij noar de sandurms en geef het aan. Ze zillen d'er zij wel noar zoeken en 'k zal ik te binst noar Roze goan."

De jongen stond wel wat verbaasd over zooveel onverschilligheid, maar zei verder niets; en door vader en Miel van Dalen vergezeld, begaf hij zich naar de gendarmerie en vertelde er 't gebeurde. Toen liepen zij met hun drieën en een paar gendarmen een eind weg langs het kanaal, in 't water kijkend. Maar onverrichter zake keerden zij naar de boerderij terug.

Rozeke was wat bijgekomen. Toen zij haar ouders en haar broeder zag, die sinds meer dan een jaar op de boerderij niet geweest waren, ving zij onbedaarlijk aan te schreien. Zij greep hun handen, klemde zich als 't ware aan hen vast en smeekte snikkend:

"O, moeder, voader, Miel, ge 'n meug noei mier wiggoan, ge moet bij mij blijven. Smul zal weere komen en hij zoe mij deudsloan!"

Maar toen zij vernam dat Smul nu reeds drie dagen weg was en misschien wel in 't kanaal verdronken lag, toen kwam er als een glans van onverwachte hoop en van geluk over haar deerlijk geschonden gelaat en zij zuchtte, als in een stille bede:

"Och Hiere! dat 't toch woar woare! da 'k hem toch noeit van mijn leven mier 'n zag!"

Eenige dagen verliepen. De gendarmen zochten, dregden in 't kanaal en Rozeke lag bevend te wachten en vreezend elk oogenblik hem terug te hooren komen; elk uur, elke minuut die verstreek was voor haar een versterking van haar eenige, laatste hoop.

En eindelijk, op een namiddag, tegen avond, zag zij,--voor de eerste maal sinds zijn mishandeling weer opgestaan en naast haar kinderen voor het keukenraam gezeten,--zag zij, als een boodschapper van blijde, gelukkige tijding, als een redder bijna, den dorpsveldwachter op het boerderijtje komen. Zij twijfelde geen oogenblik, zij was zéker dat hij haar de goede tijding der verlossing bracht, zij voelde, vòèlde dat hij haar kwam mededeelen dat men Smul gevonden had; zij zag en voelde 't aan zijn gansche houding, aan de bizondere uitdrukking van zijn gelaat, aan de nieuwsgierige gezichten van enkele dorpelingen en buren, die hem aarzelend op een afstand vergezelden.

Zij stond in strak-gespannen houding op terwijl hij binnen kwam, beantwoordde machinaal zijn korten groet en hoorde als in een droom zijn woorden:

"Bezinne,... ge meug nie verschieten,... 'k kom ou zeggen da we Smul gevonden hên."

"Deud?" kreet zij, in instinctmatige vrees of er nog twijfel was.

"Deud," antwoordde de veldwachter langzaam hoofdknikkend. "Whên hem doar uit de voar gehoald, achter ne greute sleeper mee 'n woale-scheep dat diepe geload was en dat hem noar boven gemeulend hèt.--Hij es al leulijk aan 't bedirven. Wilt g'hem hier hên of moên w'hem ginter houên? Hij ligt in den stal van 't gemientenhuis."

"Houdt hem ginter, houdt hem ginter, 'k zal direkt de kiste loate moaken," antwoordde zij dof.

"En moet g'hem nie mier zien?"

"Nien ik, nien ik, nien ik," zei zij, beslist en krachtig hoofdschuddend.

"Al gezeid.--Zurgt dan da we zeu gauwe meugelijk de kiste krijgen."

En met een korten "goên dag" was de veldwachter weer weg. De nieuwsgierige dorpelingen en de buren, die tot halverwege den boomgaard meegekomen waren, keerden druk-pratend met hem weer terug....

* * * * *

XLVIII.

Toen kwam er groote kalmte in Rozeke's zoo lang geschokte leven. De harde strijd, die veel van haar had weggerukt, was plotseling uitgestreden en daar zat ze nu, alleen en zwaar-beproefd, maar eindelijk toch verlost en vrij, met een gevoel van zekerheid en vrede, in 't instinctief besef dat 't ergste was geleden, dat zij niet langer meer de speelbal van een wreed en grillig noodlot was, en voortaan zelve iets aan haar verder leven schikken kon.

Haar verder leven...! Zij was pas twee en dertig,... en tweemaal weduwe met drie kinderen;--twee waren er bij de geboorte gestorven--.Dat stond vóór haar als een baken, als een vast bereikt doel.--Zij zou niet meer hertrouwen; zij zou voortaan uitsluitend voor haar kinderen leven....

En 't leven ging opnieuw zijn tragen, stillen, dagelijkschen gang; en weken werden maanden: en maanden werden jaren, met hun afwisselende seizoenen en natuurlijke gebeurtenissen.--Haar vader stierf; velen om haar heen verdwenen, die lange jaren met haar hadden meegeleefd. Haar broers en haar zuster waren getrouwd en hadden ook reeds kinderen; en haar eigen kinderen werden allengs groot en volwassen en zij zelve voelde zich langzaam aan een oudje worden....

Een oudje dat het nieuwere niet steeds begreep of liefhad en weldra meer en meer terugleefde in herinneringen van vroeger....; een oudje, dat trapsgewijs de toekomst weer heel anders worden zag dan ze zich die gewenscht en voortgesteld had.

Vroeger was het haar hoop en haar wensch, haar innigste illuzie geweest, dat haar oudste zoon geen boer zou worden. Hij zou onderwijzer worden, zooals meester Cattoir, bij wien hij zoo goed leerde. Maar met den dood van Alfons was ook die illuzie in haar gestorven en zij had wèl gehoopt dat hij bij haar terug zou komen en in zijn vaders plaats de boerderij beheeren.

Te laat!--Hilaire voelde afkeer voor 't boerenbedrijf. Hij had, tegen haar zin, zijn studies doorgezet en weldra een plaats als hulponderwijzer op een ver-afgelegen dorp gekregen. Hij trouwde er, had kinderen en Rozeke zag hem slechts zelden meer; en wanneer zij hem nog zag was hij bijna als een vreemde voor haar; een vreemde, die een deftige taal sprak, als destijds meester Cattoir; een vreemde die bij haar kwam met een vreemde vrouw en met twee vreemde kinderen: een heertje en juffertje, die de vreemde, ongewone namen droegen van Adhémar en Bérénice en ook diezelfde, vreemd-deftige taal spraken en met een soort wantrouwen haar de handjes gaven alsof zij ook voor hen een totaal vreemde was.

En dan Marietje!--Marietje, door de zorgen van jonkvrouw Anna bij de nonnetjes in 't klooster opgevoed, had het klooster ook niet meer verlaten. Sterker nog dan haar broeder voelde zij een afkeer voor haar oorsprong en toen zij achttien jaar was en over haar toekomst moest beslissen, had zij verklaard non te willen worden. Niets was bij machte geweest haar van dit vast voornemen af te brengen; en nu was zij non, nu liep zij met het wit kornetje en het zwarte kleed in 't klooster; nu was zij van de gansche wereld, van haar vroegere vrienden en verwanten en ook van haar moeder voor altijd gescheiden; en zelfs haar naam had zij verloren; in plaats van Marietje van de Weghe, kende men haar nu nog enkel onder den naam van soeur Vincent-Perpétue!...

Soeur Vincent-Perpétue...! Rozeke kende haar niet meer. Ook met haar had ze geen voeling meer; ook zij, haar eenige dochter, de dochter van Alfons, was een vreemde voor haar geworden. Soms kwam zij op de boerderij en sprak dan over dingen die Rozeke niet goed begreep of die haar kwelden of verveelden: over de ziel, over de eeuwigheid, over het eenig ware katholiek geloof. Rozeke was godvruchtig, zij was het steeds geweest, maar 't ergerde en sarde haar dat dat kind, die dochter van haar, er meer van weten en er wijzer over spreken wou dan zij: 't verveelde haar.--En in haar eenzaamheid had ze nog slechts haar jongsten zoon, Arie, Smuls kind, een goede, brave, maar ietwat slappe en karakterlooze jongen, die in niets leek op zijn vader; een jongen die iets goedig-onbeduidends en onverschilligs over zich had; die machinaal zijn werk verrichtte en ook geen verdere ambitie had dan het machinaal betrachten van zijn alledaagschen plicht; een jongen die ook alweer, op heel andere wijze, als een vreemde naast haar leefde.

Allen vreemden, onverschilligen--Rozeke voelde haar groote eenzaamheid en leefde ver en wijd buiten haar bekrompen, dagelijkschen kring in de herinneringen van 't verleden.--Dat was geweest, dat had bestaan, groot en sterk, vol smart en liefde; en 't tegenwoordige was niets dan kleurlooze eentonigheid. Zij allen die ze goed gekend had en waarvan de meesten nu sinds lang verdwenen waren, herleefden voor haar geest, doch slechts heel even: allen verzwonden weer, nietig en klein, verschrompeld door den dood, uiteengewaaid als stof onder een windvlaag,... maar twee bleven er telkens over, eeuwig jeugdig, eeuwig frisch en eeuwig schoon; twee die zij zoo kort, o, zooveel te kort en toch zóó innig had liefgehad: haar man en jonkvrouw Anna!

Die alleen leefden, lééfden steeds intens voor haar!--Met die twee leefde zij zelve in voortdurende gemeenschap. Zij zag in zalige verrukking hun welbekende gelaatstrekken en hoorde steeds hun geliefde stem. En 't kwam haar voor alsof zij die, en alleen die onder hen allen, terug zou vinden zooals zij hen gekend had, in al de jeugd en al de schoonheid van hun mooiste jaren, die voor altijd zouden blijven duren....