Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2

Chapter 10

Chapter 104,003 wordsPublic domain

De middag verliep, de mistige najaarsavond viel vroeg in en Rozeke zat doelloos vóór het venster, met tranen in de oogen, tot werken onbekwaam, verdiept in droeve mijmeringen, met haar nog bang-spelende kinderen om zich heen. Alles was rouw en smart, het leven werd haar onverschillig, het was zoo dof en kleurloos in zijn alledaagsche narigheid als de loodzware hemel, die daar buiten alles drukte en omgrijsde met zijn logge rouwfloersen van ondoordringbaarheid. Wat had ze nog aan 't leven? Haar teergeliefde man, haar ouders, haar broeders en haar zuster, haar beste kennissen en vrienden, alles was langzaam van haar weggenomen, dood, vervreemd, vertreurigd en vereenzaamd; en zelfs haar kinderen, het eenige wat haar nog aan de wereld deed hechten, verloren hun vroolijkheid en hun vertrouwen, bang als zij waren voor dien ruwen, vreemden, akeligen man, die alles om zich heen vernielde en dempte. 't Was als een vloek die op haar rustte, zij voelde zich omringd van haat, van angst en van verlatenheid; zij voelde zich langzaam wegkwijnen en sterven, in àl te overweldigend-zware onderdrukking van het onmeedoogend noodlot.

Plotseling, terwijl zij in de bijna gansch gevallen duisternis zuchtend opstond om het avondlampje aan te steken en haar kinderen naar bed te brengen, kwam een reusachtige, sombere gedaante, met een woestheid van orkaan, als een verschijning in een nachtmerrie, den boomgaard opgestormd.

De merrie!... De merrie, snuivend, schuimend, de flanken jagend, met een breede, donkere bloedvlek op de linkerschoft, sleepend, in een kluwen van losgerukte kettingen en riemen, de twee aan stukken gesplinterde draagboomen van het lemoen, het eene kort als een afgehakte stomp, het andere lang als een gebroken, uitgerekten-en-gereten arm, wit-flitsend door de grauwe schemering, als flikkerende weerlichten door donkere onweerslucht.

Met een gil van angst vloog Rozeke naar buiten.

Kamiel, reeds uit de schuur gehold, had het paard bij den breidel vastgegrepen.

"Bezinne!" schreeuwde hij als uitzinnig, "bezinne! bezinne! d'r es 'n ongeluk gebeurd!"

"Och Hiere! och Hiere! och Hiere!" riep Rozeke met doffe kreten. Maar zij dacht nauwelijks aan hem, die wellicht ergens dood of stervend met 't verbrijzeld rijtuig in het veld lag; zij voelde en besefte alleen de ramp zooals ze die daar akelig en rauw voor haar oogen zag; 't lemoen aan splinters, het arme, doodgejaagde beest bloedend en met schuim bedekt, met het onheilspellend geheim van wie weet nog wat al rampen, die het op zijn dolle, wild-hollende stormvlucht misschien veroorzaakt had.

"Hij zal deud zijn, bezinne!" snikte de jongen.

Het kon haar niet ontroeren. Zij werd eensklaps bijna kalm; alleen de vrees voor andere ongelukken beangstgde haar.

"Verzorgt die oarme bieste," zei zij met bevende stem. En met Meleken, die ook toegesneld was, liep zij naar 't hek, de akeligheid die zij daar voelde naderen te gemoet.

Van alle kanten kwamen menschen in de duisternis aangeloopen. Zij hadden 't paard met het verbrijzeld stuk lemoen zien hollen; zij wilden vragen, hooren, kijken.

Een jonge man kwam buiten adem toegesneld uit de richting van het dorp.

"Hij 'n es niet deud! Hij leeft nog, maar hij es wried geschonden! Ze brijngen hem op 'n berrie!" hoorde Rozeke hem van verre schreeuwen.

Akelig klonk die ramptijding in 't mistig-sombere van den killen avond. De menschen slaakten een "hóó!" van afschuw en angst. Maar Rozeke bleef koud en kalm.

"'t Is zijn eigen schuld," dacht zij. "Hij heeft het arme beest mishandeld zooals hij mij ook zou mishandeld hebben, had hij nog gedurfd." En zij bleef met Meleken aan 't hek midden in de opgewonden menigte staan, stom, roerloos, star-kijkend met oogen zonder tranen, alsof het haar niet aanging. Zij wist zelfs niet waarom ze daar nog langer in den killen avond stond te wachten en 't prikkelde en verveelde haar, dat steeds meer menschen kwamen opdringen, en haar nieuwsgierig ondervraagden, en uitroepingen slaakten, en zoo nutteloos en opgewonden heen en weer renden. Zij kon het eindelijk niet langer uitstaan en ging met Meleken weer binnen.

Daar stak zij 't lampje aan en wachtte, doelloos, zonder de blinden te sluiten. Zij zei enkel aan Meleken dat zij water en linnen doeken zou klaar maken en dacht toen plotseling aan haar kinderen, die rumoerig in en uit het huis liepen en van al die ongewone drukte niets begrepen. Zij riep ze voor goed binnen en bracht ze naar bed.

Dat gaf haar afleiding. Zij was er een geheele poos mee bezig; en toen ze reeds rustig onder hun dekentjes lagen, bleef ze nog bij hen in 't kamertje vertoeven alsof ze niets anders te doen had, tot plotseling Meleken de deur opende en met heesche stem fluisterde:

"Bezinne, ze zijn d'r doar mee."

Zij kwam uit 't kinderkamertje en door de raampjes van de keuken zag zij, in den grauwen mistavond, een donkere stoet den boomgaard opkomen: Twee mannen met een berrie, waarop iets lag uitgestrekt; en daar omheen een dichte, stille, zwarte menigte, dof-trappelend en stommelend als een kudde. Een man met een brandende lantaren stapte ietwat terzijde vooraan.

De voordeur was open en zij kwamen binnen. Als in een droom hoorde Rozeke het schuren van de voeten en het dof gefluister van de menigte.--Als in een droom kwam zij genaderd.--De mannen zetten de berrie neer; en bij het gele schijnsel der lantaren zag ze hem daar machteloos onder een deken op een matras uitgestrekt liggen: het hoofd akelig gezwollen, geschonden, bemodderd en bebloed, de oogen toe, de ademhaling zwak en reutelend. Zij zeide niets, zij staarde, ijskoud, met droge oogen. Achter de berrie drong de menigte in 't deurgat op. Zij zag de vele, nieuwsgierig-reikhalzende hoofden met de open monden en de groote, donkere, gretig-kijkende oogen.

"Woar moet hij zijn, bezinne?" vroeg fluisterend een der dragers.

"Doar, op de voute," antwoordde zij dof.

De menigte werd plotseling uit elkaar gedrongen en een heer schreed ruw en haastig, met ernstig gefronste wenkbrauwen naar binnen. Het was de dokter, die onderweg van 't ongeluk gehoord had. Hij vroeg dadelijk om water, pluksel, en linnen voor verbanden. Hij liet de deur tegen de opdringende foule sluiten en volgde de mannen met de berrie op de voute-kamer.

Rozeke volgde hèm.--Haar beenen waren slap; haar handen koud en klam als ijs. Doch haar hart sloeg kalm en gelijkmatig en zij voelde geen emotie. Alleen haar oogen keken steeds star en vreemd en 't ruischte in haar ooren, benauwend en verdoovend als stond zij bij een waterval.

De dokter vroeg haar iets, maar zij verstond hem niet. Met strak-stuggen blik van niet-begrijpen staarde zij hem aan.--Ongeduldig wendde hij zich tot Meleken, vroeg om een tweede lamp in 't kamertje.

* * * * *

XLIII.

Drie weken lang lag Smul tusschen leven en dood. Zijn beide beenen waren gebroken en hij had ernstige, inwendige kneuzingen. Toen begon hij langzamerhand te herstellen. Hij mocht weldra gewoon eten en drinken en vóór het einde van de tweede maand kwam hij op en zat bij den haard, in denzelfden leunstoel waar Alfons destijds zooveel droeve maanden had gesleten.

Eerst toen hij weer begon te loopen werd het duidelijk hoe zwaar gehavend hij was geweest. Zijn linkerbeen, niet bijzonder handig door den dorpsdokter weer in elkaar gezet, stond krom-vergroeid gelijk een boog, en was wel drie vingers korter dan het andere. Hij hinkte.

Somber zat hij in den donkeren schoorsteenhoek bij 't vuur en sprak gansche dagen lang slechts de aller-noodigste woorden. Feitelijk sprak hij alleen om te bevelen. Hij zei barsch den knecht zijn dagelijksch werk; bestelde kort en ruw aan Rozeke en Meleken wat hij eten wou of drinken. Hij at en dronk veel; en wanneer hij niet at of dronk, zat hij zwijgend te pruimen of te rooken. Van 't ongeluk, van wat hij dien middag gedaan had, van waar hij geweest was, geen woord. Rozeke wist enkel, door menschen uit het dorp, dat hij woest, als een gek, door de straten had gereden, dat hij in vele herbergen geweest was, dat hij herhaaldelijk zijn paard geslagen en mishandeld had.

Het kon haar ook niet schelen. Hij bestond niet meer voor haar. Zij leefde buiten hem om, voor haar kinderen en zijn gebrekkig lichaam maakte haar nu sterker tegenover hem. Hij zou haar, ook al durfde hij nog, niet zoo gemakkelijk meer kunnen mishandelen als vroeger. Zij kon voor hem vluchten; hem ontsnappen. Dat was haar als een zachte wraak in al haar ongeluk; en telkens als hij Weer opbruischte en op haar schold en vloekte, keek zij hem met stil misprijzen aan en dacht: "Raas maar, vloek maar, slaan kunt ge mij niet meer; ik ben de vlugste en daardoor de sterkste nu. Zij had maar één vrees: dat hij nog verder zou genezen en weer in vlugheid van beweging háár de baas worden. Doch daar was weinig kans op. Alleen als vrouw, des nachts, kon zij hem niet ontsnappen; zij mòèst wel bij hem blijven dan en dat was haar een onuitsprekelijke gruwel. Dan was ze in zijn bezit en telkens was 't weer als een woeste aanranding en telkens dacht ze ook weer, met nijdig op elkaar geklemde tanden: "O, 'k wenschte dat ge toch dood waart!"

Maar 't werd een sleur en ook dàt vlijmend gevoel van walg en opstand ging allengs in haar aan het verdooven, en de hoop op haar verlossing door zijn dood zong weldra nog slechts in haar zijn vage verre rythmen, als een illuzie die zij wellicht nooit beleven zou.

Zij versufte, leefde machinaal en onverschillig. Toen weldra weer een kind moest komen, trok ze 't zich nauwelijks aan en leed er niet meer onder.

Het kwam ook heel gemakkelijk, haast zonder smart; het werd geboren midden op den dag, zonder hulp van dokter of baker, terwijl Smul even naar het veld gehinkt was. En zij liet hem ook voor de gebeurtenis niet terugroepen; hij hoorde 't eerst van Meleken, toen hij 's avonds weer naar huis kwam en keek het wichtje ook maar eventjes en onverschillig aan, zijn pijp nog in den mond, stinkend naar jenever dien hij in de herbergjes van het gehucht gedronken had.

En weer verliep de tijd in duffe eentonigheid, nu en dan afgewisseld door stormvlagen van uitbarstenden haat en vijandschap: en 't jaar daarna moest weer een kind geboren worden.

Zij trok er haar schouders voor op. Of er nu nog twintig kwamen, 't kon haar niet meer schelen. Er rustte een vloek op haar; zij kon tegen het noodlot niet op. Haar wensch dat hij zou sterven mocht maar niet vervuld worden; wie weet: het was misschien een goddelijke wraak over dien boozen wensch, dat steeds meer kinderen op de wereld kwamen van den man dien zij het meest op aarde haatte en verachtte. Maar 't kon haar ook niet schelen; zij had te veel geleden; te veel van haar teerste illuziën waren voor altijd vernield; zij geloofde aan geen goede, troostende, zegenende godheid meer.

Langzamerhand werd hij een geregelde, dagelijksche dronkaard. Halve dagen zat hij in de herbergjes van het gehucht en verwaarloosde zijn boerderij. Het ging alles achteruit. Zij zelve, vroeger zoo keurig-net, werd van lieverlede slordig. De jonge barones, die, hoewel zelve diep gedrukt en ziekelijk, haar nu en dan nog kwam opzoeken, maakte er eens opmerkingen over. Maar zelfs voor haar trok Rozeke machteloos de schouders op: zij kon 't niet helpen, zij was overweldigd, zij had het te druk, het kon haar niet meer schelen.

"Ach, zóó moogt gij tegen mij niet spreken, Rozeke," zei de barones op een toon van zoo innige droefheid en verwijt, dat Rozeke eensklaps tot de tranen er door ontroerd werd.

"Pardon, mevreiwe, pardon, moar 'k ben toch zeu ongelukkig!" schreide zij, in een plotselinge uitbarsting van al haar te lang opgekropt wee.

De barones poogde haar te troosten en bood haar aan te zorgen voor de opvoeding van haar beide oudste kinderen, die van Alfons. Rozeke, eerst wat onthutst, nam weldra dankbaar aan; en, voor een oogenblik weer dezelfde van vroeger, zoende zij met aanbiddende vereering haar weldoensters handen. Toen kon de jonge barones ook niet langer zich beheerschen: zij barstte, evenals Rozeke, in tranen los en beiden schreiden lang en overvloedig, rouwend over een geluk dat voor beide zoo wanhopig kort van duur was geweest, zoo vol van een wee dat zij in geen woorden konden uitdrukken.

Smul werd even voor den vorm geraadpleegd; hij gaf nurksch zijn toestemming en Hilairken werd uitbesteed bij den ouden schoolmeester Cattoir, die eindelijk, dank zij de tusschenkomst der barones, een kleine pensioensverhooging had gekregen, terwijl Marietje bij de nonnetjes in 't klooster op kostschool werd gedaan.

* * * * *

XLIV.

Helaas! ook haar lieve bescherm-vriendin zou Rozeke weldra voor goed ontnomen worden!--Sinds maanden en weldra sinds jaren, sinds zij, midden in haar jong geluk, in de volheid van haar liefde en haar vertrouwen, het bedrog ontdekte van den eenigen man dien zij bemind had en aan wien zij alles had gegeven, was iets in haar geknakt dat nooit meer kon hersteld worden. De wettelijke scheiding was nu uitgesproken, zij had het kind en van hèm hoorde zij niets meer; maar nooit, nooit, geen enkel oogenblik van gansch haar verder leven kon ze zich over de verwoesting van haar geluk heen zetten. De slag was te hard, te onverwacht geweest; niets, zelfs geen schim van argwaan of wantrouwen had er haar op voorbereid; opeens, als een donderslag was 't uitgebarsten: zijn vlucht met die vrouw, eene waarmee hij het al lang, van vóór zijn huwelijk hield, eene die hij bijna dagelijks zag, eene die geheimlijk met hen mede was op de huwelijksreis en ook op alle reizen die zij verder ondernamen;... opeens, door een toevallige omstandigheid; door een brief voor hem die in haar handen kwam, had alles zich ontsluierd; en vanaf dat oogenblik was 't in haar ziel als een onverpoosd werkend en knagend vergif, tot het een langdurige, kwijnende ziekte werd, die haar onmeedoogend naar 't noodlottig einde sleepte.

Rozeke, die haar weer sinds maanden niet gezien had, hoorde zeggen dat ze zoo ziek was en ging haar op 't kasteel bezoeken.

't Was op een zachten, helderen, stilglanzenden najaarsdag. Heel het groote park met zijn machtige boomen stond roerloos, als vereeuwigd, in purper en in goud van herfstschakeeringen; paden en grasvelden lagen met een flonkerend tintelkleed van rood en bruin en goud bedekt; en ietwat terzijde van het rood kasteel, dichtbij een boschje rhododendrons, zag Rozeke van verre haar teergeliefde jonkvrouw zitten, als altijd gansch in 't zwart gekleed, met witte kussens in den rug, onder een grijslinnen tuin-parasol, op een houten bank. Een zwarte non met glinsterend-blanke vleugelkap stond aan haar zijde, dichtbij een bruin fauteuil-wagentje met elastieken banden.

Rozeke's keel kneep van emotie toe en tranen kwamen onweerstaanbaar in haar oogen. O! wat zag ze er geel en mager uit! wat was ze nog verouderd en afgevallen sinds den dag dat Rozeke haar voor 't laatst op 't hoevetje gezien had!

Door een soort schrik bevangen trad zij op haar toe; maar de barones lachte haar zacht en vriendelijk te gemoet en zei met een weeke, verteederde stem:

"O, Rozeke, dat doet mij toch genoegen dat ge mij ook eens komt bezoeken; ik heb al zoo dikwijls aan u gedacht,"--En zij verzocht Rozeke naast haar te komen zitten, terwijl het nonnetje, ingetogen en bescheiden, even wegging.

"Hoe goat 't mee ou, mevreiwe?" vroeg Rozeke, zich inspannend om haar ontroering te verbergen.

"Och," zuchtte zij en trok haar magere, bijna puntige schouders op. En zwak-glimlachend wees zij naar het wagentje en zei:

"Dàt zijn mijn beenen nu."

"Ge moet koeroage hèn, mevreiwe, ge zij nog zeu jonk, 't zal nog wel beteren," poogde Rozeke te troosten.

Een uitdrukking van grenzelooze droefheid kwam eensklaps als een donkere schaduw over 't magere gelaat der jonge vrouw. Hare verzwakte oogen schenen zich, als voor een gruwelbeeld, weg te trekken tot in 't diepst van hun holten en zij zuchtte:

"Ik ben gelukkig geweest, Rozeke, ik ben het geweest, heerlijk en volkomen, maar te kort, te kort...."

Zij zaten beiden even zwijgend in verre, verre gedachten. Het was of zij elkander nu niets meer te zeggen hadden; alles was uitgesproken in die droeve korte woorden en alleen haar hart sprak nog, tikkend en jagend in haar boezem als een gefolterd, gevangen wezen dat niet meer ontsnappen kan. Gouden blaren vielen ritselend uit de hooge, gouden kruinen vóór haar voeten op den grond en de lauwe najaarszon in vlekloos-blauwen hemel, glansde zoo zacht en zoo weldadig. De stilte was volkomen. Het rood kasteel met zijn heldere ramen en spitse torens rees in statige rust uit den droomenden vijver op en in de malsche, groene weide bij de boerderij graasde kalm onder elkaar, als in paradijsch geluk en vrede, een bonte kudde vee en paarden. Het kón niet schooner op de wereld en in die volle harmonie van de natuur voelden zij hun zware droefheid als een wanklank dien zij nauwelijks nog zuchtend durfden uiten.

"Hij hé ou bedrogen, e-woar, mevreiwe?" vroeg eindelijk Rozeke met aarzelende, matte stem.

"Ja," fluisterde zij.--En, als 't ware met een korten knak, zonk haar hoofd op haar magere borst.

Rozeke kon geen woord meer spreken. Zij had het hoofd van haar vriendin wel, uit medelijden, tusschen haar handen willen nemen en het duizend en duizend maal streelen en zoenen. Maar zij durfde niet; het woelde onstuimig in haar binnenste en kropte in haar keel en weer zaten zij een poos doodstil, in zwaar-benauwde drukking. De gouden dorre bladeren ritselden glinsterend om haar heen en ergens in een boschje liet een vogeltje nog eventjes zijn laatst, fijn en melancholisch klinkend liedje hooren.

"Had ik maar naar mijn ouders geluisterd," zuchtte eindelijk de barones.

Rozeke meende in die woorden ook een indirect verwijt tot zich te hooren en zij antwoordde berouwvol:

"Joa; en ha 'k ou mee hem in ons huis niet te goare gebrocht!"

Maar de zieke schudde zacht, met een verontschuldigenden glimlach, haar gebogen hoofd:

"Neen neen, Rozeke, dat kondt gij niet weten; en ook,... toen was hij nog goed ... toen dacht ik ten minste dat hij zoo goed zou zijn voor mij en ik voelde mij gelukkig."

Om den hoek van een allee verschenen plotseling de oude baron en de barones, met het nonnetje en een bleek, blondharig, geheel in 't zwart gekleed knaapje. Rozeke stond op om te vertrekken; maar de oude baron en zijn vrouw gingen door naar 't kasteel en 't nonnetje met het kind kwamen naar de bank toe.

"Nee, Rozeke, nog niet weggaan, ge moet eerst mijn zoon eens zien," zei de jonge barones.

Het kind stond voor haar.--"Dis bonjour, Jacques, et donne la main," zeide zij.

Het knaapje zei "bonjour" en stak aarzelend zijn handje naar Rozeke uit, meteen, als vreemd, zijn lijfje wat terugtrekkend. Met zijn heldere, lichtblauwe oogen staarde het Rozeke even strak aan. Het nonnetje glimlachte stil, onbewegelijk naast hen staande.--Toen gingen zij verder.

"Op wie lijkt hij?" vroeg de barones, nadat zij achter het boschje rhododendrons verdwenen waren.

Rozeke aarzelde.

"Zeg het maar; op hèm, niet waar?"

"Joa hij mevreiwe, hij gelijkt er veel op."

Toen ondervroeg zij Rozeke over Smul, en Rozeke vertelde van zijn vloeken en zijn drinken, maar dat hij haar toch niet meer durfde mishandelen, omdat hij laf en bang geworden was na de bedreigingen van de barones. En Rozeke dankte innig haar vriendin voor de liefdadige hulp aan haar kinderen besteed. Hilairken was zoo tevreden en leerde zoo goed bij meester Cattoir en Marietje voelde zich zoo gelukkig bij de nonnetjes in 't klooster.

"Rozeke, ik heb voor u en voor uwe kinderen gezorgd," zeide de barones. "Ik heb u in mijn testament gezet voor een som waar hij nooit aan kan komen."

"O, mevreiwe, mevreiwe, 'k hope toch da ge zilt genezen; 'k hope uit de grond van mijn herte da ge langer zilt leven as ikke!" riep Rozeke, in tranen uitbarstend.

Maar de barones schudde weemoedig het hoofd en bracht Rozeke door een zacht gebaar weer tot bedaren.

Het nonnetje kwam terug, met vlugge, stille pasjes, in de strakke lijnen van haar donker kleed, haar frisch en immer opgewekt gezicht gehuld in 't wit kornetje met de witte, uitgespreide vleugeltjes van ongeschonden reinheid. Zij deed Rozeke denken aan het lief begijntje dat destijds Alfons' oude nicht verpleegde, en een wereld van herinneringen rees kwellend weer in haar op.

"Il est temps, madame, le soleil se couche," fluisterde het nonnetje nu de barones vriendelijk toe.

De zieke knikte langzaam met het hoofd ten teeken van gehoorzaamheid. Het nonnetje hielp haar met zachte handen opstaan en bracht haar in het wagentje. Zij vroeg aan Rozeke of zij de kussens wilde meenemen.--En duwend reed zij de patiënte langzaam, in 't stil geklaag der kiezeltjes onder de elastieke banden, terug naar het kasteel, waar reeds twee knechten op het bordes stonden te wachten, om haar naar binnen te dragen.

"Zult ge mij nóg eens komen bezoeken, Rozeke?" vroeg ze zacht glimlachend, bij de steenen treden van 't bordes.

"O joa ik, mevreiwe, joa ik; en 'k zal alle doagen onze lieven Hiere bidden omdat Hij ou toch genezen zoe," zuchtte Rozeke met hikken in de stem.

De zieke dankte met een langen, stillen blik van liefde en als een doode vracht zag Rozeke haar in het wagentje naar boven dragen, terwijl zij zelve snikkend heenging....

* * * * *

XLV.

Dit was de laatste maal dat zij haar buiten zag. Toen zij na een paar weken op het kasteel terug kwam, lag de jonge barones te bed om het niet meer levend te verlaten. Zij spraken nog een poosje met elkaar, zij spraken van het zacht en lief verleden, van hun eerste ontmoetingen, van beider hoop en geloof in een toekomst van geluk, die zich helaas, voor geen van beiden had verwezenlijkt.--En toen was 't uit, de grijze dood stond eensklaps tusschen hen; hun teedere, wederzijdsche genegenheid, zoo vertrouwelijk en zoo innig ondanks het groot verschil in stand, als een in leed en in geluk harmonieus opgaande en begrepen liefde, alles was plotseling stil en koud en dood; voor altijd op aarde waren ze door het noodlot gescheiden. Zij ging het Groot Mysterie tegemoet; zij ging daar waar Alfons reeds was en waar ook Rozeke vroeg of laat komen zou.

Zij stierf op een der laatste, droeve dagen van November.... Rozeke, die wist dat het einde naderend was, luisterde iederen ochtend en avond in angstige spanning of de verre doodsklok op den kerktoren galmde.--En eindelijk, op een koud-stillen, grijs-mistigen avond hoorde ze 't: de driemaal herhaalde, in lugubere kadans galmende slagen: het bimbim ... bombom ... bambam der groote, plechtige begrafenissen.

"De jonge mevreiwe zal deud zijn!" riep zij ontroerd tot Meleken, die bezig was met de luiken dicht te doen. Zij had nog willen twijfelen maar het was bijna niet mogelijk. Zij liep gejaagd naar de buren, en daar hoorde ze 't: ja, de jonge barones was overleden. De menschen kwamen uit hun huis, spraken elkaar met bedroefde gezichten aan. Allen hadden steeds zooveel van haar gehouden en zooveel medelijden gevoeld met haar ongelukkig jong leven.--De grauwe nevel-lucht leek vol van rouw en treurnis, in alle schuren staakte 't doffe bonzen van de dorschvlegels en het gegons der zwingelraderen; eenieder stond huiverend in de kou buiten te luisteren naar het verre droeve galmen van de doodsklok; en in vele huisjes werden kaarsen ontstoken en bad men, neergeknield bij de heilige beeldjes, voor de zielerust der liefelijke en zoo rampzalige jonge vrouw.

Den volgenden dag ging Rozeke naar 't kasteel en vroeg of zij haar vriendin nog eens mocht zien. Door een zwijgenden knecht werd zij in een sombere, doodstille kamer gelaten en na een poosje hoorde zij een zacht geruisch van rokken en vóór haar stond de donkere gestalte van het stille nonnetje, die haar fluisterend met zich mede wenkte. Over den zwaren looper van de breede trap gingen zij naar boven. Hooge ramen van blauw, geel en purper gekleurd glas hulden vestibule en trapportaal als in een atmosfeer van kerk; en door een lange, donkere gang kwamen zij aan een witte deur, die 't nonnetje zachtjes voor haar openduwde.