Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
Chapter 1
Produced by Marc D'Hooghe.
HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN
ROMAN IN TWEE DEELEN
DOOR
CYRIEL BUYSSE
TWEEDE DEEL
1905
* * * * *
XIII.
Wat werd het eensklaps stil in Rozeke's leven, na al de drukte vol emotie van den langen, schoonen zomer! Het was of alles om haar heen een onverstoorde goede rust wilde genieten. Haar knaapje was gezond en flink, en 't boerderijtje ging naar wensch. Alfons was lief voor haar en vroolijk van gemoed; haar ouders, broers en zuster kwamen geregeld haar bezoeken en meer en meer bleek het dat zij aan 't Geluw Meuleken en aan Vaprijsken uitmuntende dienstboden hadden. Zij voelde zich kalm gelukkig zonder onvoldane wenschen.
En 't glanzend najaar was zoo schitterend en zoo schoon!--Langzamerhand begon de boomgaard te verkleuren en zijn bladeren te verliezen, die als zwermen doode musschen op het groene gras lagen gestrooid. Soms woekerden en tjilpten heele troepjes echte musschen in de bruine droge bladeren en als ze dan onder een windje opstoven en door elkander warrelden, was het of de bladeren musschen en de musschen bladeren waren. Hier en daar nog schitterde een vergeten, óver-rijpe peer of appel goudgeelglanzend of kersrood als een lichtje op de hoogste, naakte twijgen van de vruchtboomen en aan beide kanten van den landweg geelden ook de populierenkruinen in de wazig-blauwe lucht. Hier en daar ook zweefde nog in de stil-glinsterende zonne-luwte een late zomervlinder, met als 't ware reeds verloomd-knippende vlerken: vlerken van fluweelige rouwkleuren, met randen van blauw of met glanzende oogen en strepen van purper en vuur. De donkere zwaluwtjes met witte borstjes zaten in lange rijen op de kroonlijsten van huis en stallen, stil-zwatelend vertellend van de lange, lange reis die zij weldra weer zouden gaan ondernemen; en overal opende zich het veld in ruime vergezichten, met elken dag nieuw-opduikende witte huisjes en roode pannendakjes, die het dichte zomergroen maandenlang aan den blik verborgen had gehouden. Boer Lauwe's achtergevel met het klein vierkant raampje was nu duidelijk zichtbaar als een stugge, lang-uitgestrekte reus met slaperig-wakend één-oog; en 't kleine werkmanshuisje vlak daarover, met al zijne nieuwsgierig- glinsterende ruitjes, waar Rozeke tijdens de bezoeken van jonkvrouw Anna met haar beminde zoo akelig bang voor was, leek nu nog wel een heel eind dichter bijgeschoven, zóó helder-vrijpostig-opdringerig, dat Rozeke er soms, als door een lantaren, dwars door heen kon zien.
Van jonkvrouw Anna ontving ze nu en dan een prent-briefkaart. Doch meer dan een vriendelijken groet stond er niet op, en telkens weer kwam Rozeke in de war met de handteekening: Anna d'Hautmont, die haar zoo vreemd voorkwam alsof 't haar lieve jonkvrouw's eigen naam niet was. En zij wist ook nooit precies waar die kaarten wel vandaan kwamen, noch wat zij eigenlijk voorstelden: nu eens een reusachtig-groot, wit-glinsterend hotel midden in een wondertuin van onbekende boomen, dan weer een heele stad aan zee met bergen op den achtergrond en lichte schuitjes op het water; dan nog een oude kerk met bedelaars in lompen onder het portaal, of een brokkelig oud kasteel boven op den top van een steile rots.--Zij voelde alleen maar dat het van heel héél verre kwam, als uit een andere, haar onbekende wereld en reeds meer dan eens had zij er aan gedacht om aan den ouden schoolmeester van 't dorp te gaan vragen waar dat alles toch wel lag, en hoever het wel was, en hoeveel dagen en nachten men wel reizen moest om er heen te komen. Maar eens, op een ochtend, bracht de postbode haar een soort opgerold boek en toen zij 't ontvouwde zag zij daarin veel plaatjes van met bloemen versierde rijtuigen en automobielen; en, op een van die plaatjes, duidelijk herkenbaar, en zóó schoon, o, toch zoo wónderschoon midden in een schat van bloemen op een groote automobiel, haar lieve jonkvrouw met haar man. Zij riep Alfons en 't Geluw Meuleken en Vaprijsken en allen herkenden ze dadelijk beiden en bewonderden het mooie plaatje met den schitterenden bloemenwagen. Maar onderaan stond iets gedrukt in 't Fransch en daarvan konden zij alleen de namen lezen: "baron et baronne Armand d'Hautmont," en al het overige intrigeerde hen uitermate en prikkelde hun nieuwsgierigheid tot den hoogsten graad.--Ach! nu moest Rozeke er toch bepaald wat meer van weten; en, den volgenden ochtend, riep zij den postbode op zijn voorbijtocht binnen, trakteerde hem met een borrel, gaf hem het opgerolde boek weer mee en verzocht hem het te willen overhandigen aan den ouden schoolmeester, met de "kopplementen" of hij haar eens wilde laten weten waar dat al gebeurd was en wat of't eigenlijk beteekende.
Den eigensten middag nog kwam de oude schoolmeester, met de opgerolde illustratie onder den arm, gewichtig op 't boerderijtje. Het was een kort, dik mannetje met frisch gezicht en grijze kortgeknipte haren, fiks en trotsch stappend, een gouden bril over zijn kleine, sluwe, tegen 't licht knippende, blauwe oogjes. Hij deed altijd heel gewichtig en sprak een verzorgde, deftige taal, wat den dorpelingen eerbied en ontzag voor hem inboezemde. Hij had een stokje in de hand en droeg een rond zwart hoedje; en in 't knoopsgat van zijn zwart, glimmend jasje stak een vuil-rood geworden decoratie-lapje.
"Wel zoo, bazin Van de Weghe, ebt-e gij nog meer zulke belangwekkende tijdschriften ontvangen?" begon hij, glimlachend het zorgvuldig opgerold sportblad vóór haar op het tafeltje leggend. En genoeglijk kuchend ging hij zitten, zijn kleine oogjes nieuwsgierig op haar gevestigd.
"Wa belieft er ou, miester?" vroeg Rozeke met een kleur, als altijd in 't begin, door zijn deftigheid geïmponeerd en hem niet goed begrijpend.
"Of gij nog wel meer zulke dingen ontvangen ebt?" herhaalde de schoolmeester met nadruk, eenigszins geërgerd dat zij niet dadelijk zijn mooie taal verstond.
"Joa ik, miester, nog al wa poskoarten mee santjes op," antwoordde Rozeke. "Wilt-e z'euk zien?"
"Zeker, zeker wil ik ze zien," zeide hij.
Rozeke, die Hilairken, haar zoontje, op den schoot had, ging den kleine even in zijn wiegje leggen en haalde de zorgvuldig bewaarde prentkaarten van jonkvrouw Anna uit de kastla. De schoolmeester veegde tevreden- glimlachend zijn brilglazen schoon en schoof zijn stoel gezellig dicht bij 't raampje, om goed te kunnen zien.
"'t Spijt mij da g'ou doarveuren gederangeerd hét, miester, 'k 'n há moar es wille weten wat dat er doar onder gedrukt stoat en hoeverre van hier dat da wel gebeurd es," meende Rozeke zich te moeten verontschuldigen.
Maar de oude meester, reeds ten volle door zijn eigen nieuwsgierigheid in beslag genomen, hoofdschudde dat er geen kwestie was van derangeeren en bekeek de kaarten de eene na de andere, aanhoudend glimlachend, met toenemende belangstelling.
"Weet-e gij wel, bazin Van de Weghe, dat het zeer veel voor u weerd is, van zulk eene goede kennis, ik zou aast zeggen: zulk eene goede vriendin van voornamen uize te ebben?" keek hij plotseling gewichtig op.
Opnieuw begreep Rozeke hem maar half, maar zij knikte toch toestemmend en antwoordde ietwat schuchter:
"Ba joa 't e-woar, miester? Z'hé zij mij lijk altijd nog al wel keune verdroagen."
"Ja ja, ik wil 't gelooven, ik wil het wel gelooven," herhaalde hij, als voor zichzelf, de laatste kaarten omkeerend.
En eensklaps keek hij haar strak en ernstig aan, terwijl hij eenigszins verbitterd uitriep:
"Ad ik destijds zulke ooge bescherming genoten, dan zou er van mij wel wat anders geworden zijn dan de rustende dorps-oofdonderwijzer die ik nu ben!"
Rozeke, die steeds naar een onderwijzer,--en vooral naar een hoofd- onderwijzer--als naar een overheid, met vereering had opgezien, keek hem ietwat verwonderd aan.
"Ik vinde schoolmiester toch wel 'n scheune ploatse, miester," waagde zij.
"Ja zeker, zéker!" riep hij eensklaps trotsch uit; "schoon is het zeker, het is eene ooge en edele betrekking, maar eene welke de meeste menschen, op het platteland althans, ongelukkiglijk doorgaans niet oog genoeg waardeeren!"
Betrekking,... waardeeren ... opnieuw kon Rozeke die hoogdravende woorden niet begrijpen; maar 't ergste was dat ze nu ook volkomen van hun onderwerp afdwaalden, en zij nam moed en vroeg hem eindelijk, terwijl hij even weer belangstellend de kaarten overzag:
"En da Fransch, miester, hè-je 't gij keune lezen? weet-e gij wat dat 't es?"
"Ah, juist, ter zake!" zei hij.--Hij schoof de prentkaarten op zij, nam de sportrevue weer op, ontrolde en ontvouwde die gewichtig en begon te oreeren:
"Deze gelukkige jonge echtgenooten bevinden zich op hunne speelreis in het zuiden van Frankrijk, in eene streek waar het altijd lente of zomer is, waar jaar in jaar uit, ten allen tijde, de schoonste bloemen bloeien en waar de boomen nooit unne bladeren verliezen. Al deze prentkaarten, ter uitzondering van twee,--deze twee, die uit het noorden van Italië komen,--en ook dit tijdschrift, zijn afkomstig uit Nizza en omstreken, waar iederen winter, van November tot Mei, het rijke volk van heel de wereld bij duizenden en duizenden zich komt verlustigen. De sinaasappels,--de appelsienen, zooals de menschen hier ter streke die schoone vrucht in unne onwetendheid noemen--groeien daar op de boomgaarden gelijk ier de appelen en peren, en ook de sappigste perziken en druiven en de lekkerste amandelen rijpen er het jaar door, buiten in den vollen grond. De lucht is er aast altijd elderblauw, het vriest er nooit en oogst zelden eeft men er sneeuw gezien. Het wordt er het Aardsch Paradijs ge-eeten."
"Oo!" riep Rozeke, die met de grootste belangstelling luisterde. En zij waagde de vraag die haar boven alles interesseerde:
"En hoever es dan wel van hier, miester?"
"Hoeverre?... hoeverre? Laat ne keer zien ... zeker wel vier a vijf onderd uren!"
"Hoo!" zuchtte Rozeke, de handen in elkaar geslagen.
"Ja, stellig," verzekerde de meester. "De snelste treinen van ier uit rijden er wel een dag en een nacht over, zonder ophouden,--Hewèl, in die plaats van weelde zoekt dat rijke volk natuurlijk zijn vermaken en zoo ebben zij onder anderen wedstrijden van met bloemen versierde rijtuigen en automobielen ingericht--bloemencorsos, noemt men dat in goed nederlandsch--en het is in zoo eenen wedstrijd dat meneer den baron Armand d'Hautmont met zijn automobiel den eersten prijs be-aald eeft als zijnde het schoonst versierde aller mededingende rijtuigen, en dat hij in dit degelijk Fransch tijdschrift is gefotografieerd geworden in zijnen prachtig-getooiden wagen, naast de jonge barones, zijne vrouw. Ja, ja, het is groot volk, groot, rijk volk, bazin Van de Weghe."
"O, en es da amoal datte wat doaronder gedrukt stoat?" vroeg Rozeke.
"Ja 't, ziehier;" zei de meester. En wijzend met den vinger op de gedrukte regels onder 't prentje, las hij eerst voor in 't Fransch en vertaalde dan in deftig Vlaamsch voor haar de vreemde woorden van het kort artikeltje.
"O, da es toch gelukkig van zeu gelierd te zijn, miester!" zei Rozeke vol bewondering. En zij voegde er bij, op een toon van verzuchting:
"'K hope toch wel da mijn kind euk zijn Fransch zal meuge lieren."
De oude onderwijzer glimlachte trotsch, in zijn schoolmeestershoogmoed gevleid.
"Ja ja, geleerdheid is een schoone zaak; zij maakt den mensch beter, degelijker, waardiger," doceerde hij. "De mensch die meer dan éene taal kent leeft en geniet dubbel, driedubbel, vierdubbel. Alleen daarom zou ik voor geen geld ter wereld mijne geleerdheid prijs geven; maar het is en blijft toch spijtig dat de menschen ons bijna nooit naar verdienste waardeeren."
Hij keek haar plotseling strak en ernstig aan en vroeg haar, vlak af:
"Bazin Van de Weghe, nu ik u ge-olpen eb en misschien later nog zal kunnen elpen, wie weet hoe, op een of andere manier, met de opvoeding van uw kind, bij voorbeeld, nu oop ik toch dat gij bij gelegenheid ook wel iets voor mij zult willen doen?"
"Zeker, miester, mee plezier. Wa est't?" vroeg zij verwonderd.
"Een woordje voor mij ten beste spreken bij mevrouw de barones d'Hautmont, opdat zij aan aren vader den burgemeester zou vragen of mijn pensioen-jaarwedde als rustend oofd-onderwijzer niet wat ver-oogd zou kunnen worden, sprak hij deftig, meteen fiks opstaande.
"'K zal 't doen, miester, 'k zal't heur vroagen van as ik heur weeromme zie," antwoordde Rozeke eenigszins verbauwereerd.--"Moar 't en zal toch mijn schuld nie zijn, as 't er nie mee 'n helpt, miester...."
"Natuurlijk niet, natuurlijk niet, dat spreekt van zelf," zei hij tevreden. "Het eenige wat ik van u verlang is dat ge 't niet vergeten zoudt."
"Ge meug gerust zijn, miester, 'k beloof het ou, 'k'en zal 't nie vergeten."
Hilairken, in zijn wieg ontwaakt, begon eensklaps te schreien. Rozeke nam het er sussend weer uit en de oude meester keek het kleintje even vriendelijk aan.
"Weet ge wat we later van dien kerel zullen maken?" riep hij opgeruimd. "Een flinken onderwijzer!... en dat zal er waarachtig wel een zijn die 't aan degelijke bescherming niet te kort zal schieten."
"'K weinsche dat 't woar woare, miester; 'k zoe hem veel liever schoolmiester as boer zien worden," zei Rozeke met een kleur van hoop en vreugd.
Het kleintje op den arm leidde zij den ouden onderwijzer tot op den drempel en stond hem daar nog even na te kijken, terwijl hij fiks en stijf en netjes, zijn zwart rond hoedje op de grijze haren, met afgemeten pasjes door den boomgaard stapte. Het trof haar dat zijn achterhoofd zoo groot was en zij dacht dat daar wel zeker heel veel wijsheid en verstand in stak.
Aan 't hekje keek hij nog eens om, en knikte glimlachend en groette, zijn hoedje even voor haar oplichtend, als een welopgevoed heer.
* * * * *
XIV.
Nu het was uitgemaakt dat de merrie geen veulen verwachtte, werd het wel van belang geacht, dat zij er zoo spoedig mogelijk een zou krijgen. Zoo'n schoon gezond veulentje, het groeide zonder al te groote zorg en moeite naast de moeder op, en 't bracht een aardig sommetje geld op, wanneer het zoo als achttienmaander of twee-jaartje op de markt verkocht kon worden.
Er werd over beraadslaagd. Boer Dons en vader Van Dalen met zijn beide zonen vergaderden op een zondag-namiddag bij Alfons en een lange discussie had plaats.
"Ik geleuve dat de mirrie t'oud es om nog veulen te krijgen," meende Miel van Dalen.
Boer Dons maakte zich kwaad:
"Watte! t' oud! Negen joar! Zij-je nie wijs dan, jongen?"
"Ge zeg gij wel negen joar, moar ge'n weet gij da meschien zelf op 'n joar of twieë noar niet," glimlachte Miel.
"Zegt dan liever rechtuit dat 'k zot geworden ben, of da 'k ne leugenoar of nen bedrieger ben!" toornde de oude boer.
"Joa moar, boer, ge'n meugt ou nie kwoad moaken; 'k en wil ik nie kontroarie zeggen," suste Miel.
Vader Van Dalen en Vaprijsken, die geen verstand hadden van paarden, zaten stil te luisteren, Vaprijsken leuk glimlachend in zijn gelen baard, vader Van Dalen 't een oog helder-levendig wijd open, als alles ziende en begrijpend, het ander dood en dof, als in suffigen slaap gedommeld. Alfons, zijn pijpje in den mond, aarzelde en twijfelde.
Toen gaf de oude Dons eindelijk een wijzen, practischen raad.
"Probeer ne kier bij nen anderen hijnkst," zei hij. En hij vertelde van een prachtigen hengst, waar Smul juist was naartoe geweest, met een van boer Kneuvels' merrie-paarden. "Weet-e wat da ge doet!" gilde hij: "Vroagt an Smul of er hij Fanny euk wil leên, den ieste kier dat ze weere peirdig es!"
"Nie, loat Smul doarbuiten!" riep eensklaps kortaf Rozeke, zich onverwachts in het gesprek mengend.
Verwonderd keken allen op.
"Woarom niet?" vroeg Alfons.
"Wel, omdat 't weer al onneudige onkosten zijn; omda ge da toch zelf euk wel keunt doen, gij of Vaprijsken," antwoordde zij ietwat wrevelig.
Zij wist het zelve niet waarom ze zoo plotseling opstoof; die naam van Smul had het gedaan. Zij had er eensklaps een hekel aan dat hij nu nog meer dan volstrekt noodig was bij hen aan huis zou komen.
"Vaprijs 'n hé gien verstand van peirden," zei Alfons kalm: "moar mij es 't goed: 'k wil d'r ikzelf wel noartoe goan, as ik moar 'n wete woar dat 't es."
"'t Es bij boer Leyseele, te Vanneloare, de greutsten hynksteboer van vijf en twintig uur in 't ronde," antwoordde Dons.
Plotseling flikkerden zijn kleine, ondeugende oogjes en hij schetter-gilde naar Rozeke:
"Zeg, bezinneke, wille wulder nou ne kier wedden, veur 'n stik van twintig fran, wie dat er nou nog iest mee eentsje komt, gij of Fanny?"
Rozeke kreeg een kleur als vuur en een vreemde uitdrukking van verbazing, smart en toorn glinsterde vochtig in haar oogen. Zij wist niet wat te antwoorden, zij brabbelde iets onverstaanbaars en verdween eensklaps in de binnenkamer.
"Hé, wa scheelt er dan?" verbaasde zich de oude boer.
Alfons glimlachte en schudde sussend zijn hoofd.
"'t Es azeu, d'r es weer eentsjen op wig bij heur en 't es zeker doardeure da z'n beetse zemelachtig es," fluisterde hij.
"Bah zeu!" riep de oude boer verwonderd uit, terwijl hij zoo wijd mogelijk zijn kleine oogjes opensperde.
Vader Van Dalen lachte:
"Ze kwieken hier goed, e-woar, boas Dons? da es zeker die vruchtboare grond!....
"En da mijn wijf hier pertan[1] nie gedijd 'n hét! Hoe verstoa-je dátte?" schetterde de oude.
Zij schaterden en proestten allen met hem mee en ledigden een "dreupelken" op de dubbele voorspoedige gebeurtenis met Fanny en met Rozeke.
[1] Pourtant.
* * * * *
XV.
Toen Alfons enkele dagen later op een vroegen ochtend van einde December in den paardenstal kwam, bleek het hem duidelijk dat het met Fanny zóó gesteld was, dat de kans op 't veulentje nog eens gewaagd kon worden. Hij zou dan ook maar niet talmen en dadelijk met de merrie naar boer Leyseele's verafgelegen hoeve rijden.
Het was een grauwe, gure wintermorgen. Scherp loeide een ijzige oostenwind in de naakte, piepende populieren-kruinen en uit de effen-grijze, dood-triestige lucht viel een koud en vochtig mengsel neer van mist en sneeuw en motregen.
Alfons voelde zich al een paar dagen huiverig en rillerig, hij hoestte nog al erg en 't speet hem wel dat hij ten minste geen karretje had om er de merrie voor te spannen. Rozeke raadde hem aan de sjees van boer Lauwe te gaan vragen; maar, hoewel hij met de Lauwe's in goede buurschap leefde, kende hij hen nog te weinig om gaarne dien dienst te vragen en hij besloot eindelijk maar den afstand te paard af te leggen, op het oude zadel, dat hij, in den verhuistijd, van boer Dons overgenomen had.
Hij kleedde zich warm aan en na een paar koppen heete koffie met een groot glas brandewijn, heesch hij zich niet zonder moeite op den rug der merrie en vertrok.
Hij was geen flinke ruiter zooals Smul, doch kon zich wel op een behoorlijk drafje in het zadel houden. Maar de merrie was lastig en schichtig dien ochtend; telkens brak zij haren draf door plotselinge sprongen of door kort getrippel af, en maakte hem zoo moe omdat hij zich niet lekker voelde. Voortdurend moest hij het beest weer op stap houden of hij voelde pijn in de zij als iemand die te hard gerend heeft.
De weg strekte zich eindeloos uit, kronkelend en modderig onder den lagen, grijzen hemel, tusschen de naakte populieren, waarvan de kruinen klagend-piepten in den natten wind, die onophoudend ijzige gesmolten sneeuw en motregen in zijn gezicht joeg. Nog nooit had zijn land hem zoo vuil, zoo triestig, zoo somber-verlaten geschenen. De hooge grauwe stroodaken der boerderijen schenen zwaar als lood op de lage muurtjes met de kleingeruite raampjes te drukken, en al de lieve, heldere, frissche kleuren van de schoone zonnedagen: het lichtblauw of lichtroze van de geveltjes, het blinkend-rood der pannendaken en het wit-en-groen der open luikjes, alles, alles leek verwaterd en versmolten en verkleurd in 't zelfde vuile, natte grauw en grijs, dat als één oneindige, dikke, loome, droeve deken van uit den hemel op de aarde was gedaald.
Hij rilde en zijn tanden klapperden. Wat voelde hij zich ver van huis en eenzaam, eenzaam en verlaten, alsof hij nooit zijn eigen warm en gezellig boerderijtje, met zijn vrouw en kind terug zou zien!
Zijn handen waren ijskoud, als versteven, om de teugels geklemd en zijn dijen en knieën zóó doorweekt, dat hij het water, als koud-kruipende slangetjes, tot in zijn kousen voelde druipen.
Soms hield hij even voor een landelijke herberg stil en bestelde er een borrel, zonder van zijn paard te stijgen. In één teug sloeg hij die met een grimas van afkeer binnen, en hij rilde van den scherpen, slechten drank tot in het merg der beenderen. 't Verwarmde hem toch even, maar hij voelde dat zijn maag er door van streek raakte en weldra leed hij aan hevige hoofdpijn en had neiging tot braken.
Eindelijk kwam hij op de verre, groote hoeve aan. Gelukkig kon hij dadelijk geholpen worden: de hengst was op stal. De boer, die medelijden met hem had, raadde hem aan zich flink bij den haard te gaan warmen en drogen en ook iets warms te eten en te drinken; de stalknecht zou voor de merrie wel zorgen. Met een kreunzucht liet Alfons zich van het zadel zakken. Hij voelde zich zóó ziek en slap, dat hij niet eens aandrong om de dekking bij te wonen. Hij sleepte zich voort naast den boer, trad binnen in een ruime, slordige keuken, ontwaarde vagelijk een zware dikke vrouw en enkele kinderen.
"Zet ou, kameroad, zet ou; da zijn weêrkes, hè? Joa joa, we zillen hem al gauwe ne woarme spoelkom káffee mee nen boterham en 'n firme schel heufvlakke geên!" hoorde hij, als in een droom, de dikke boerin met een vette stem zeggen; en 't oogenblik daarna zat hij rillend met gebogen hoofd en bevend-uitgestrekte handen voor een helder flikkerend en krakend haardvuur. Toen kreeg hij een groote kop warme koffie en een dikke snee grijs brood met hoofdkaas, en machinaal ging hij aan 't eten.
Zijn tanden klapperden, zijn kakebeenen waren als verlamd en zijn keel kon haast niet slikken. Telkens slokte hij van zijn heete koffie zonder te voelen hoe brandend ze was. Toch deed het weinige dat hij nemen kon hem goed; hij voelde zich weldra wat opgefleurd en kon enkele woorden spreken. Hij at zijn boterham goed half op en aanvaardde een tweede kom koffie. Hij herleefde als 't ware en ontstak zelfs een pijpje, nadat hij den boer de gebruikelijke dertig frank der dekking had betaald.
De knecht kwam zeggen dat 't er klaar mee was en met inspanning stond hij weer op.
"Ha moar 'k zoe nog wa blijven; wacht te minsten tot da ge dreuge zijt," raadden de boer en de boerin hem dringend aan.
"O, 'k ben al hoast dreuge; en euk, 'k zal toch direkt weeromme nat zijn," antwoordde hij met een doffe en zwakke stem, die heel vreemd in zijn eigen ooren klonk.
"Da es woar, 't es leulijke bieste van weere," moesten de boer en de boerin toegeven; en zij vergezelden hem tot aan de deur, waar de stalknecht wachtend de merrie bij den breidel hield.
Alfons gaf den jongen een frank drinkgeld en liet zich door hem in het zadel helpen. Wat ging het zwaar en moeielijk! 't Was of hij geen ziertje kracht meer in zijn lichaam had en zijn armen en beenen waren als lood.
Hij wenschte "elk ne goên dag" en vertrok. Hij had slechts één verlangen, één behoefte: zoo spoedig mogelijk weer thuis te zijn, om met gesloten oogen in zijn bed te liggen en te rusten en te slapen.
Hij legde weer den zelfden langen weg, nu met wind en regen in den rug, af. Hij was nog niet droog van voren en nu werd hij ook spoedig druipnat van achter. De scherpe wind zweepte thans de piepende kruinen der boomen als 't ware vluchtend vóór hem uit, en hij zelf voelde zich mee gedreven, loom op het paard ineengezakt, de pet diep over de ooren, zijn halskraag overeind. Er kwam iets triestig-onverschilligs over hem, een dof gevoel dat hij toch tegen de vernielende kracht van regen en wind niet op kon; en nu voelde hij het ijskoud water langs zijn schouders en zijn rug neersijpelen, tot het weldra sopte op het zadel, in een kletsend plassen als van natte, kille doeken, telkens als hij machinaal op en neer wipte, in het nu gekadanseerd-eentonig, loom-en-langzaam draven van zijn kalm geworden paard.