Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1
Chapter 9
Zij kwamen binnen, terwijl Smul het paard bij den stal ging uitspannen: de mooie, jonge boerin op haar zondagsbest gekleed, met haar lange gouden oorbellen en gouden kettingkruis; de boer als een suffige lomperd, den hals omwonden met een dikke, groen-en-zwart-gestreepte bouffante en den rooden, opgeblazen kop onder een zware bonten muts, waarvan hij voor de kou de oorlappen had neergetrokken. Hij hakkelde zijn goeden dag, de weerbarstige woorden in zenuw-trekkende beweging als 't ware met de hand van tusschen zijn paars-trillende lippen halend; en dadelijk na het vlug naar binnen slaan van een paar borrels wilde hij de "doening" bezichtigen: de stallen, de beesten, den boomgaard, alles wat er op de boerderij te zien was.
't Was ook maar goed dat ze dat eerst en vooraf waarnamen, want het zou al spoedig donker worden met die zware, grijze sneeuwlucht; en 't heele troepje behalve moeder, Rozeke en La, die het nog druk hadden om alles voor den maaltijd in orde te brengen, gingen weer naar buiten en stapten dwars over den dik-besneeuwden boomgaard naar de schuur-en-stal-gebouwen.
Alfons ging als de baas voorop, naast Kneuvels die druk stotter-praatte tegen Dons en de van Dalens. De twee boerinnen volgden, voorzichtig- schrijdend in het soppend-zuigen van haar voeten in 't weeke mestbed vóór de stallen, haar rokken met de beide handen ophoudend om zich niet te bevuilen.
Zij bekeken de melkkoeien en de kalveren, de zeug en haar biggen, zij roemden de stevigheid en goede indeeling der gebouwen, 't geriefelijke van de ruime bergplaats in de schuur en in het wagenhuis; en vóór de bruine merrie bleven zij in lang gesprek en lange contemplatie. Het was alsnog niet duidelijk uitgemaakt of het beest al of niet veulen in had. Dons beweerde ten stelligste van ja; Alfons twijfelde. Kneuvels ging bij 't paard, bevoelde 't, twijfelde insgelijks. Vader van Dalen en zijn zonen zeiden ja noch neen; zij hadden er geen verstand van. Een discussie ontstond, de boeren werden het niet eens, en de boerinnen, op een afstand, luisterden en keken met belangstelling. Smul, die in den stal daarnaast boer Kneuvels paard aan het verzorgen was, werd er eindelijk bij geraadpleegd om ook zijn advies te geven.
"Of da ze veulen in hêt!" riep hij op zijn gewone ruwe manier, onbeschroomd, met een bruusken ruk in de krib der merrie binnendringend; "'k zal ulder da sebiet goan zeggen!"
Hij legde zijn rechterhand op den rug van het beest, dat dadelijk, als van angst, onder zijn strakke aanvoeling huiverde, en bevoelde haar nauwkeurig van onder, met zijn onomzichtige, grove vingers.
Het paard keek schichtig naar hem om, snuivend met wreedglinsterend wit van oogen.
"Hè! stille!" riep Smul barsch, en voelde door. De boeren zagen roerloos toe, in een soort eerbied voor zijn durf en kunde.
Het beest trappelde, drong even, rilde en schudde over gansch zijn huid. Het keerde even vlug zijn hoofd om en plukte flappend met de lippen aan Smuls vest.
"Stille dan, nondedzju!" bromde hij, de merrie met een woesten stoot op zij duwend.
Zij hinnikte even, als uitte zij een klacht, maar stond meteen onbewegelijk. De boeren glimlachten, stil bewonderend. Ook de boerinnen zagen met zwijgende bewondering toe. Geen een die durfde om te gaan met paarden als die Smul; geen een die er verstand van had als hij.
Smul liet zijn hand los en richtte zich op.
"Da peird hé zeuveel veulen in as ikke!" orakelde hij ruw, met een rechten blik op Dons uit de krib komend.
Noch boeren, noch boerinnen moesten om zijn uitval lachen. 't Was ernst, geen grapje.
"En en en z'es twie kiers van den hijngst gediend!... en en en den derde kier sloeg ze'r noar!" brabbelde Dons, door Smuls onverwachte, ruwe bevestiging van zijn stuk gebracht.
"Al ha z'er honder kiers bij geweest en duuzend kiers noar geslegen, 'k zegge da ze nondedzju gien veulen in 'n hét!" herhaalde Smul met toenemenden nadruk.
"Ha da zal nondedzju uitkomen! Ha da zal nondedzju uitkomen of da ze gien veulen in 'n hêt!" bromde de oude boer, die begon boos te worden.
Alfons bleef twijfelen. De merrie was hem door Dons verkocht met de waarborg van het veulen. Daarom ook had hij er honderd frank meer voor betaald. Als dat nu niet uitkwam, dan had hij ook wel recht op zijn honderd frank terug. En hij wou er juist iets van reppen, toen de oude boer in zijn kwaadaardige opwinding hem de woorden uit den mond nam.
"As ze gien veulen in 'n het 'n geef ik ou nie allienlijk d' honder fran weere, moar bovendien nog twintig fran op de keup toe!" riep hij, bijna uitdagend.
"Ha moar boer toch!" zei zijn vrouw ontsteld.
"O da mannevolk, mee ulder peirden!" lachte bazin Kneuvels.
"Gezeid es gezeid! Hè ze gien veulen in, hij krijgt honderd twintig fran!" herhaalde Dons met nadruk.
"Gewed!" trad Smul met brutaal-uitgestrekte hand naar hem toe.
"Tut tut tut! wedders zijn kijvers!" kwam bazin Dons misnoegd in 't midden.
Kneuvels was driftig iets aan 't hakkelen dat geen van allen begreep. Vader van Dalen en zijn beide zonen stonden belangstellend te glimlachen.
Maar Dons, in zijn rijken-boerentrots gekrenkt, duwde zijn vrouw op zij en stak op zijn beurt driftig de uitgestrekte hand naar Smul toe.
"Veur zeuveel of da ge wilt!" riep hij.
"Euk veur 'n stik van twintig fran!" gilde Smul.
"Gezeid!" riep Dons; "ge zij amoal getuigen." En met geweld sloeg hij zijn ruwe hand in die van Smul, die dadelijk met flinken zwaai den klap teruggaf.
"Ala toe toe, ala toe toe, 't es zottigheid!" riep de boerin boos. Maar al de anderen babbelden en lachten opgewonden en Dons en Smul waren beiden even verrukt dat zij zoo flink op hun stuk hadden gestaan, terwijl ook geen van beiden twijfelde of hij had het stuk van twintig frank gewonnen.
Toen zij weer in huis kwamen stelde moeder van Dalen voor dat ze wat kaart zouden spelen, terwijl het nog licht was en zij met Rozeke en La het eten verder klaar maakte. Dat vonden zij allen een uitstekend plan. Moeder van Dalen had de voorzorg genomen een paar kaartspellen van huis mee te nemen en dadelijk zaten zij om twee tafeltjes bij ieder der twee kleingeruite raampjes, boer Dons met bazin Kneuvels, Smul en vader van Dalen aan het eene, bazin Dons met boer Kneuvels en de beide zonen van van Dalen aan het andere. Alfons speelde liever niet mee; hij zou rechts en links wat toekijken en ook de vrouwen helpen om de tafel te schikken.
Genoeglijk en gezellig speelden zij het boeren-jasspel. De grauwbeduimelde kaarten werden langzaam, met telkens weer nat-gelikte vingers, uit elkaar geschoven en rondgedeeld, en toen zaten zij even heel ernstig hun spel te bestudeeren, wantrouwend van terzijde naar elkander kijkend en zorgvuldig hun eigen kaarten tegen loerende en spiedende blikken vrijwarend, totdat er eindelijk een "uitging" en de anderen dan om de beurt "oplegden." De mannen rookten een pijp, de vrouwen kregen een frisch-levendige kleur onder de warmte van het houtvuur, dat gezellig in den breeden haard opflakkerde; en vlak naast hen, op tafeltjes en vensterriggels, stonden de jenever-en-krieksap- flesschen en de kleine glaasjes. Buiten viel langzaam de vroege, grauwe schemering in. De muren en daken van stallen en schuur smolten weg in grijze doezeling van de naakte boomen rezen als zwarte, dor-takkige geraamten uit het dik-besneeuwde gras. Weldra begon het weer te sneeuwen: eerst als een heel fijn, kleurloos stuifmeel, nauw zichtbaar in de grijze lucht; toen ietwat grootere, wittere vlokjes, die vlug en druk door elkander warrelden als stoeiende vlindertjes, en eindelijk groote, witte, trage brokken, loom dalend in zware verdooving van alle geluiden uit een lagen, loodkleurigen hemel, die er gansch van trilde en wemelde, als werd een onuitputtelijke voorraad witte watten met reusachtige grepen op de gesmoorde aarde neergestrooid. De laatste op het erf verspreid loopende kippen vluchtten ijlings naar hun roestplaats, de grauwe, ruigharige waakhond kroop met hangenden staart en knippende oogen in zijn hok.
"Oo!... es dá snieuwen! es dá snieuwen!" riepen zij om de beurt, naar buiten starend. Maar binnen werd het des te gezelliger en zij vulden nog eens goed de glaasjes en staken versche pijpen aan terwijl de pret van lieverlede hooger opklonk, met luid-geestdriftige uitroepingen en gebons van vuisten op de tafeltjes, telkens als er een opwekkende slag uitgespeeld werd.
Rood en zweetend, den mond hijgend open en 't dikke buikje als een tonnetje onder haar schort, kwam moeder van Dalen met opgestroopte mouwen uit het achterhuis te voorschijn.
"Zeg ne kier meinschen," riep zij van op den drempel, "'k ha iest gepeisd van de toafel in de beste koamer te dekken, moar zoe 't nie achenoamer zijn hier in de keuken, bij 't vier?"
"Joa 't jong, veele, veele!" riepen zij allen.
"Zij-je wel, houdt ou wel!" gilde de oude Dons.
"Al gezeid!" besloot moeder van Dalen. Zij riep om La en Rozeke en met behulp van Alfons plaatste zij twee tafels naast elkaar vlak langs den haard en begon er de wit-en-rood geruite kleedjes over uit te spreiden. Door de opengebleven deur van 't achterhuis, waar gekookt werd, drong de fijne geur van 't sissend-bradend varkensvleesch naar binnen en de verlekkerde spelers staken den neus in de lucht en snoven die wellustig op, terwijl hun 't water van verlangen in den mond kwam.
Maar het werd heelemaal donker, zij zagen haast de kleuren en figuren van hun kaarten niet meer en Alfons stelde voor de blinden te sluiten en het licht aan te steken. Zoo werd gedaan. De winter-triestigheid van buiten werd door het helder licht van een groote petroleumlamp verbannen en met vernieuwde pret speelden zij verder door en vulden nog eens weer de glaasjes en staken versche pijpen aan.
Maar uit het achterhuis galmde eindelijk de hooge stem van moeder: "Ala jongens, schiedt er nou moar uit, 't es geried!" en meteen kwam zij binnen, 't gezicht verborgen achter de dampnevelen van een reusachtige schotel, die zij op haar beide uitgestrekte handen droeg, terwijl Rozeke en La ook alle twee met heet-dampende schotels volgden.
Een luid gejuich steeg op en al de spelers stonden overeind. Maar Dons, die zijn partijtje niet had uitgespeeld, gilde driftig dat de kaarten moesten blijven liggen tot na 't eten om dan voort te spelen; en eerst nadat de anderen daarin hadden toegestemd kalmeerde hij en kwam glimlachend met zijn flikkeroogjes naar de tafel toe.
"Haha! da zal smoaken! da zal smoaken!" lekkerbekte hij.--"Mag 'k doen lijk thuis?" vroeg hij; en zonder op 't antwoord te wachten trok hij zijn ouderwetsche, bruin-lakensche jas uit, hing hem aan een deurknop en nam plaats in zijn hemdsmouwen, in het midden der tafel, met den rug naar het warm en rood opflakkerend haardvuur.
"Den buik noar de toafel en de rugge noar 't vier! da es de gezondheid van den ouwe Pier!" schetterde hij tot proestens lachend over zijn eigen grapje.
Zij zaten allen, elk naar zijn eigen zin zich schikkend en plotseling hield het schertsen en praten op, terwijl een groote, ernstige stilte even heerschte.
De oude Dons nam zijn zware pet af, maakte een kruis, vouwde zijn eeltige handen in elkaar en murmelde met neergeslagen oogen een gebed. Heel zijn gezicht was éénkleurig rood als een gekookte kreeft en de dunne sluike haren stonden er spierwit als sneeuw omheen. Allen volgden hem na. Vader van Dalens kale schedel blonk in 't helder lamplicht, Smuls rossig haar stak borstelig en verward achter zijn ooren uit, Alfons' gelaat leek fijn en bleek onder zijn donkere lokken en zijn dun zwart snorretje. Rozeke, een frissche kleur van warmte over haar zachte wangen, hield liefelijk haar hoofdje scheef-geheld, als een bijna nog kinderlijk jong meisje; bazin Kneuvels' gouden kruis vonkenschitterde onbewegelijk op haar zwarte borst. En bazin Dons had nu een trek van vermoeienis en ouderdom op haar getaand gezicht waarin men niet meer zag het donkere der neergeslagen oogen; en moeder van Dalen, de gevouwen handen op haar rythmisch op en neer golvend buikje, zat nog stil van inspanning te hijgen, met twee langzaam neerzijgende zweetdroppels, rechts en links over haar bolle, heete wangen. Boer Kneuvels en Rozeke's broeders staarden strak naar de dampende schotels. De ronde, blonde, blozende La prevelde haar gebed met vlug-bewegende lippen.
"In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, amen," zei eindelijk hardop boer Dons, terwijl hij weer een kruis sloeg en zijn dikke pet opzette.
Alle handen ontvouwden zich, maakten het kruisteeken, en weer gingen alle petten op de hoofden, terwijl de ernstige gezichten, opgelicht, tot vroolijkheid herleefden.
"Allo jongens, valt er moar aan!" riep moeder van Dalen.
Zij hadden eerst booli[3] met aardappels en worteltjes, en Dons vroeg of hij maar wilde voorsnijden om het niet koud te laten worden.
Dat was uitstekend. Niemand anders had daar veel verstand van, want enkel op kermissen, begrafenis-maaltijden en overhaal-feesten aten zij rund-vleesch. In dikke hompen sneed de oude boer de stukken van elkaar. Zichzelf bediende hij het eerst, aangezien het toch vlak voor hem stond, riep hij, en gaf toen de schotel verder door.
Zij aten!... De mannen slokten de groote brokken vettig vleesch, de heele aardappels, de opgehoopte vorken worteltjes naar binnen. De vrouwen aten trager, met kleinere beetjes, niet zoo schrokkig. Alleen met korte, vlugge woorden ging 't gesprek nog even door. Zij hadden geen tijd om te praten. Wanneer zij niet slurpten en kauwden dronken zij van hun bier, met lange, gulzige, zuigende, in de keel klokkende teugen.
"Haa!... 't es goed, zille! 't doet deugd!" schreeuwde Dons met blinkende oogen.
"K ie... ie... ieste kla... asse! 'k moa... oak ou mijn compliment, be... e... zinne van Doale!" brabbelde Kneuvels tusschen twee slokken. Smul slikte en schrokte zonder opkijken en ook vader van Dalen had heelemaal geen tijd tot praten. Hij at zooals hij wrocht: zwoegend, de schouders scheef van inspanning. Hij kreeg het al spoedig benauwd en legde vork en mes even neer om als boer Dons zijn vest uit te trekken en ook zijn broekband los te knoopen.
"Goe gedacht!" riep Dons, en knoopte insgelijks los. "Moet-e gulder gien ploatse moaken?" schertste hij tot de vrouwen.
Zij moesten even schateren.
"Hoe zoên we da moeten doen, boer! We'n droage wulder gien broek!" lachte de mooie bazin Kneuvels.
"Zeu!" riep Dons verwonderd. "'K miende dat da tegenwoordig mode was!"
Zij gingen daar even op door en dadelijk werden de toespelingen zeer gewaagd. Bazin Kneuvels deed of ze zich vreeselijk schaamde maar haar oogen flikkerden van pret; en moeder van Dalen kon zich eensklaps niet meer inhouden: zij riep den ouden boer een erge schouwiteit toe, en schaterde met open, tandeloozen mond, de handen op haar schokkend buikje, terwijl de lachtranen over haar wangen rolden.
"Ha moar moeder, zij-je toch nie beschoamd!" riep Rozeke half boos wordend.
"Tut tut tut, w'amezeeren ons onder mallekoar en doar 'n zijn hier toch gien "hemelgieten"[4] lachte moeder.
Na den "booli" kwam er nog een gewichtige schotel "saucietjes en carbonaden" met spruitjes en ten slotte rijstpap met bruine suiker. Zij konden niet meer; zij blaakten en hijgden. Het purperrood gezicht van den ouden, mageren Dons was glimmend als met olie overstreken en zijn kleine varkensoogjes waren zóó dicht toegeknepen dat men ze nog slechts als twee donkere flikkerstreepjes onder de rood-gezwollen oogleden zag. Boer Kneuvels, die nog meer nat dan droog gebruikt had, begon vreemd met zijn dikke tong te brabbelen; en vader van Dalen, anders praatziek genoeg en luidruchtig, zat nu stom en roerloos in elkaar gezakt, de koonen rood-gevlamd, zijn levend één-oog rond-verwilderd en strak vóór zich uit starend, alsof hij zich onwel begon te voelen. Smul bleef schijnbaar kalm en als 't ware onverschillig, met de gewone uitdrukking van stugge barschheid in zijn harde, blauwe oogen. Soms viel zijn blik, heel even slechts, op Rozeke; maar dadelijk, terwijl zij zelve haar oogen instinctmatig neersloeg, wendde hij zich af en sprak geen enkel woord tot haar. Zij was zoo bang niet meer voor hem als in 't begin, maar zijn aanwezigheid maakte haar stil, doodstil, als voelde zij om zich heen een vaag en steeds dreigend gevaar.
Allen trouwens, werden van lieverlede stiller en spraken weldra over ernstige zaken. De van pret haast toegeknepen oogjes van den ouden boer ontpopten zich weer tot gewone kleine menschen-oogen, en hij sprak heel verstandig, zonder schreeuwen, met Alfons, als een vader tot zijn zoon, over de voor-en-nadeelen die verbonden waren aan het boerderijtje, dat hij van hem had overgenomen. Mooi en buitengewoon geschikt was het gelegen: alles om het pachthof heen en eerste klasse grond. Van op zijn boomgaard kon hij zijn werkvolk gade slaan tot op de verst-afgelegen partij. Droge jaren waren de gunstigste; een drietal bunders lagen wat te laag en bleven bij natte seizoenen te vochtig. De boomgaard was een van de rijkste in den omtrek. Meer dan eens had hij Dons de drie-vierden van zijn ganschen huurprijs opgeleverd. De kateilen[5] waren ruim en stevig gebouwd; de pachtsom was niet overdreven. Kortom, zonder onvoorzienen tegenspoed zou Alfons er goed aan zijn brood komen en zelfs een aardig stuivertje op zij kunnen leggen.
De anderen luisterden, stilzwijgend, vol eerbied voor den ouden boer die op zijn hoeve rijk geworden was. Hoogst zeldzaam waren ze nog die dat konden zeggen, want de tijden waren slecht, de pachten hoog, de uitgaven en lasten ieder jaar grooter. Verreweg de meeste boeren gingen tegenwoordig achteruit in plaats van rijk te worden. Hoeveel waren er niet, die na een gansch leven van werken en zorgen en zwoegen, op hun ouden dag in het armenhuis eindigden?
"Kjoa... joa... kg... hêt gij wel scheune te spreken, boe oer Dons," hakkelde Kneuvels, met ingespannen handenwringen de weerspannige woorden uit zijn mond halend, "kg... hêt gij de goên tijd ggghad... moar kkk da ge nou nog moest be... be... beginnen kt 'n zoe zoe euk kk azeu nie mier zijn!"
"De goên tijd, zegt-e gij," antwoordde Dons ernstig, met oogen van verbazing. "De goên tijd!--T'n was giene goên tijd in de joaren 47 en 48 as de meinschen van den honger op stroate lagen te stirven!" En hij vertelde van die nare tijden, waarvan zij allen slechts vaag gehoord hadden, maar die hij, zooveel ouder, in al hun akeligheid had meegemaakt. Twee opeenvolgende jaren, eerst door zware regens, dan door maandenlange droogte, waren de oogsten mislukt en er was geen eten meer voor menschen noch voor beesten. Geen graantje meer in de schuren, geen aardappel meer op 't veld; alleen nog maar wat half bevroren, half verrotte raapknollen en bieten, die de hongerige menschen 's nachts op de akkers kwamen ontgraven. Boeren en gendarmen hielden onophoudelijk de wacht: arme stumperds werden doodgeschoten; anderen vond men op de velden 's ochtends dood liggen, versteven van de kou, omgekomen van gebrek.
"Doar zie, achter ulder schure," sprak plechtig de oude boer naar de donkere, toegeblinde ramen wijzend, "hé 'k er op nen uchtijnk twieë gevonden in de snieuwe, 'n mannemeinsch en 'n vreiwe-meinsch, uit 'n vrend dorp, de man deud, de vreiwe nog 'n zierke levend, alle twieë zeu moager en uitgeleefd da ze de knecht onder zijn oarms opgepakt hét en in de schure op 't streu gedregen."
Een plotselinge stilte heerschte om de tafel. Allen staarden met bijna angstigen ernst naar het vuurrood, gerimpeld gelaat van den ouden boer.
"Es 't vreiwemensch nog blijve leven?" viel hem eindelijk Rozeke, trillend van emotie, in de rede.
"Nie z', ze was al te verre gezet," antwoordde hij.--"Mijn moeder zoaliger hè z' hier in huis doen brijngen, hier, veur den heird, bij 't vier, op de zelve ploatse woar da 'k nou zitte, en w' hén heur woarme melk en brandewijn ingegoten; moar 't was al te loate, 't 'n hé nie mier g'holpen. Veur den noene was z'euk al deud.--Joa joa de goên tijd! spreek mij van de goên tijd! Nòù es 't de goên tijd, woar da alles van 't vrende kan komen als 't in 't land zelve nie 'n groeit."
Weer spraken zij, allen ondereen nu, van den goeden en den slechten tijd, van de menschen van vijftig jaar geleden, die met weinig tevreden waren en hun geld opspaarden; en van de menschen van den tegenwoordigen tijd, die veel verteerden en voor hun ouden dag niets overhielden.
Zij waren klaar met eten en slurpten nu koffie, uit groote, witte koppen, de mannen rookend, de vrouwen af en toe een snuifje nemend, allen in gemakkelijke houding om de tafel geschaard, de aangezichten rood-begloeid door 't haardvuur, waarop Alfons weer versche blokken had geworpen. Nu en dan stond er een op en ging even naar buiten en kwam toen na een poos rillend weer binnen, zeggend dat het buiten niet meer sneeuwde, maar dat de lucht zoo grauw en nog zoo vol zat, met loom-schuivende, zware wolken vóór de volle maan. En weer maakten ze 't zich gezellig om het warme vuur en luisterden naar de vertellingen, blazend en slurpend uit hun koppen in den blauwen damp der pijpen.
Toen hoorden zij plotseling een dof gestommel aan de voordeur en allen keken met verwondering, de vrouwen bijna angstig, om.
"Och Hiere, was és dat doar!" riep Rozeke, gejaagd opstaande, bang geworden door de akelige verhalen.
Maar er werd zacht gekucht daar buiten; en eensklaps hieven zoete kinderstemmetjes het welbekende Driekoningenavond-liedje aan:
"Wel sterre, wel sterre, gij moet er zoo stille niet staan Gij moet er met ons mee naar Bethlehem gaan. Naar Bethlehem, naar die schoone stad Waar Maria met haar klein kindeke zat."
"Och Hiere! de kinders die hier Dertien-oavond kome zijngen! O, da es toch scheune!" glimlachte Rozeke met tranen van ontroering in haar oogen.
Ook al de anderen luisterden, eensklaps weer roerloos en zwijgend, in onbewuste emotie, de stil-glimlachende gezichten naar de voordeur omgewend.
En zacht zongen de kinderstemmen verder:
"Hoe kleiner het kind, hoe grooter de eer Dat is er een teeken van God den Heer!"
Zij zwegen even, stommelden en kuchten; en in de groote, luisterende stilte klonk het tweede Drie-koningenavond-liedje:
"Het is vanavond Driekoningen-avond En 't is morgen Driekoningen-dag, Toen Maria al met Magdalena Al op het Heilige graveke zat."
Rozeke stond op:
"Toe, moeder, geef mij wat veur die kinders: 'n beetse rijspap en wa cenzen."
"Cenzen!... 'k 'n hé ik hier gien cenzen!" riep moeder verwonderd. "En rijstpap! woarom moên ze zulder rijspap hên?"
"Neem, doar zijn vijf cens," zei boer Dons in zijn vestzak tastend.
"Och toe, moeder, en 'n beetse rijspap?" smeekte Rozeke.
Pruttelend ging moeder in het achterhuis maar kwam toch met een rood-steenen schoteltje vol pap terug.
"Doet er 'n beetse meelsuiker op, moeder?" fleemde Rozeke.
"Ha ge zij gij zot, geleuf ik!" riep de oude ontwaardigd.
Maar zij deed het toch ook, en Rozeke haastte zich naar de deur, waar de kinderen, hun liedje uitgezongen, nu zachtjes aanklopten.
"Joa moar ze moên de schotel weere brijngen, zille," vermaande moeder.
Rozeke opende de deur en op de vaag-bemaneglansde sneeuw zag zij het troepje vóór den drempel staan: drie meisjes en twee knaapjes, waaronder een heel kleintje, dat de groote papieren ster droeg. Hij deed ze met een touwtje ronddraaien zoodra hij Rozeke zag, en weer zongen de andere, met hun fijne, teere stemmetjes:
"Wel sterre, wel sterre, gij moet er zoo stille niet staan, Gij moet er met ons mee naar Bethlehem gaan."
"Neem," zei Rozeke ontroerd, hun de centen en het schoteltje aanreikend, "moar 't schotelke moet-e morgen weere brijngen, zille."
"Joa w' bezinne, merci bezinne," dankten zij. En in een druk, dicht donker troepje liepen zij haastig en verheugd weer naar het hek.