Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1

Chapter 8

Chapter 83,866 wordsPublic domain

Kalmpjes bij een hoek van 't groene tafeltje, zat de buurvrouw wachtend te eten en te slurpen....

* * * * *

IV.

't Es om nichte Begijntje te spreken."

Alfons, in 't zwart gekleed, 't gelaat bleek en getrokken, de oogen week en rood-omrand door 't schreien, stond in den killen, naakten gang van het Couvent ter Bloemen vóór het jong begijntje dat zijn oude nicht verpleegde en met stil gebaar de deur voor hem geopend had.

"Woarom es 't?" vroeg zij gedempt, haast fluisterend, als in een huis waar een zwaar-zieke ligt.

"Moeder es gisteren nacht sebiet gestorven; 'k kome nicht Begijntje neun[2] veur de begroavijnge," zei Alfons met doffe stem.

"Och Hiere God!" verschrikte 't jong begijntje, de handen in elkaar geslagen. Maar dadelijk voegde zij er bij:

"'t En zal nie meugelijk zijn; mesoeur van de Weghe es zelve heul ziek en zoe euk wel keune stirven."

Op zijn beurt keek Alfons haar met angstige verbazing aan.

"'T en es gie woar toch zeker!" riep hij. "Wa hé ze dan?"

"'t Woater," fluisterde 't Begijntje. "Wilt er gij ne kier bij komen: moar 'k en peize niet da z'ou nog zal irkennen?"

Zij ging hem voor door 't kille gangetje, de rand van haar zwart kleed zacht schuivend over de roode tegeltjes, haar frisch gelaat in het doorschijnend-hagelblanke van 't kornet gedoken. Zwijgend opende zij een deur en wenkte hem dat hij zou binnenkomen.

Schoorvoetend trad hij op den drempel en bleef er even roerloos-aarzelend staan.

"Kom binnen, kom binnen," fluisterde zij.

Zacht schreed hij binnen en zij sloot de deur.

Vlak vóór hem in het lichte kamertje, met witte muren en witte gordijntjes aan de kleingeruite raampjes, zat het oud begijntje naast het witte bed op een leunstoel in elkaar gezakt. Het diep over de borst gezonken, geel gelaat was haast onzichtbaar onder 't blanke van de groote vleugelkap, en van tusschen haar gerimpeld-bruine, roerloos- saamgevouwen handen, kronkelden de donkerbruine kralen van den rozenkrans met koperen kruis gelijk een dubbel snoer van groote, stille rouwtranen over de strakke plooien van haar lang wit nachtkleed. Als een tragische heilige zat ze daar, als een afgeleefde bruid des Heeren in bewusteloosheid wachtend op de levenslang verbeide komst van haar verlosser.

"Nichte Begijntje," begon heel zacht Alfons, met een stem die beefde van ontroering:... doch zij merkte niets van zijn aanwezigheid, noch hoorde zelfs den klank van zijne woorden. Haar wit-gedoekte hoofd bleef onbewegelijk op de witte borst gezonken, en slechts een vaag gehijg van ademhalen getuigde nog van eenig leven in die blanke, menschelijke ruïne.

Het jong begijntje schudde stil het hoofd naar hem, als om hem te beduiden dat alle verdere poging overbodig was.

Alfons begreep het en bleef stom en roerloos staren, met opwellende tranen in zijn oogen. Eerst zoo plotseling zijn moeder en nu ook nicht Begijntje... o, wat volgden ze elkaar spoedig op, de twee goedige oudjes!

"Z' hè van den uchtijnk d' Heilig Olie g' had," fluisterde het jong begijntje.

"Zoe ze mij nie zien? Zoe ze mij nie heuren?" vroeg hij diep ontroerd.

"'K en peist niet," antwoordde zij. Zij hurkte even voor het oud begijntje neer, kwam met haar lieve, frissche wang tot dichtbij 't geel, gerimpeld en verschrompeld aangezicht onder de witte kap en vroeg, met duidelijke, luide stem:

"Mesoeur... mesoeur van de Weghe... heurt-e mij niet?"

Doch neen,... ook háár met wie ze jaren lang samen gewoond had, hoorde nicht Begijntje niet meer. Geen trek verroerde zich op haar getaand gelaat, geen ander leven was aan haar nog te bespeuren dan het kort-hijgend ademhalen van haar mond met slap-hangende lippen.

"Hoe es 't gekomen?" fluisterde Alfons.

"Al mee ne kier, in drei, vier doagen tijd," antwoordde zij op denzelfden toon.

Fluks helderde een gedachte in hem op. Zou zij een testament gemaakt hebben? Hij was op 't punt van het te vragen, doch hield zich in, uit een gevoel van schaamte. Hoe of 't ook was, nu kon er niets meer aan veranderd worden.

Langzaam en triestig schudde hij 't hoofd en week terug naar de deur.

"D'r 'n es nie mier aan te doen; 't es euk al uit mee heur," murmelde hij moedeloos.

"All' uren uit," antwoordde stil het jong begijntje.

Zacht opende zij weer de deur voor hem en na een laatsten, weemoedigen blik op de in elkaar gezonken, witte gedaante, verliet hij het couvent, tot aan het poortje door het jong begijntje uitgeleid.

Ook nicht Begijntje zou hij nooit in leven meer terugzien.

* * * * *

Acht dagen later, juist op een ochtend dat Alfons klaar stond om nog eens naar nicht Begijntje toe te gaan, kwam het doodsbericht. Zij was 's avonds te voren zacht ontslapen. Meteen was er een brief van den notaris, waarbij Alfons, in vervanging van zijn overleden moeder, als erfgenaam opgeroepen werd.

Noot:

[2] Uitnoodigen.

* * * * *

V.

Zacht-troostend in veel droefheid is de verrassing voor hem die een toekomst van geldelijke zorgen te gemoet ziet, eenklaps van arm bijna rijk te worden.

Dit wel eenigszins verwacht, maar toch onzeker geluk viel Alfons te beurt toen hij, na nicht Begijntje's begrafenis, door den notaris haar testament hoorde voorlezen. Wel had hij gehoopt dat aan zijn moeder, en na zijn moeder aan hem, als eenig familielid, iets van nicht Begijntje's fortuin na haar overlijden zou toekomen; maar vooreerst vermoedde hij bijlange niet dat ze zóó rijk was en verder verwachtte hij wel dat nagenoeg het grootste deel van haar vermogen aan het Begijnhof of aan godvruchtige werken besteed zou worden.

Dit was ook wel gedeeltelijk het geval. De notaris las een vrij lange opsomming voor: zooveel aan 't Begijnhof, zooveel aan 't begijntje dat haar jarenlang verpleegd had, zooveel aan meneer de pastoor van het Begijnhof, zooveel aan de kerk van het Begijnhof; en verder aan de voortplanting van het Geloof, aan het werk tot bekeering der jonge Chineezen, aan de congregatie van de Onbevlekte Ontvangenis; en dan nog zooveel voor haar lijkdienst en gezongen en gelezen missen tot lafenis harer ziel; maar met dat alles, en erfenis-onkosten en notaris-honorarium er af gerekend, bleef voor Alfons nog een goede vijftienduizend frank--een schat voor hem--over.

Het duizelde in zijn hoofd toen hij die ontzettende som hoorde noemen, en hij werd bleek van emotie toen de notaris een lijvig pak papieren uit zijn dikke portefeuille haalde en die voor hem op tafel openlegde.

De notaris begon op te tellen:

"Vijf acties Westvloamsche speurwigmoatschappije duuzen frank ieder, intrest viere per cent, vijf duuzen frank."

Hij vouwde een der stukken open, wees op het couponsblad en zei:

"De loatste coupon es vervallen, van van doag af meugt 'em knippen."

"Wa... wa b' lieft er ou, menier de notoarus?" vroeg Alfons, die nog nooit een effect gezien had en met verbouwereerdheid staarde op het half afgeknipt couponsblad."

"Dat de loaste coupon vervallen es, zeg ik, en da g' hem dus van nou af aan meug knippen as ge wilt; verstoa-je 't?"

"Aha joa joa, c'est ça," antwoordde Alfons, doende alsof hij verstond, maar eigenlijk niets ervan begrijpend.

De notaris ging verder door:

"Vier acties Dépôts et Reports, duuzen frank ieder, intrest drei em half per cent: vier duuzen frank."

Evenals van de andere stukken vouwde hij 't couponsblad open en zei:

"De vervallen coupon es geknipt; de volgende vervalt 1 April."

Alfons, de wangen hooggekleurd, staarde met toenemende verbazing op de groote vreemde stukken vol dikke letters en lange risten cijfers. Zijn handen waren klam van transpiratie, zijn wenkbrauwen stonden van inspanning samengefronst.

De notaris legde de vier effecten boven op de vijf eerste, ontvouwde er twee andere en ging voort:

"Twie acties Geconsolideerde Schuld, ingeschreven op de greutboek van de Stoat...."

"Meneer de notoarus as 't ou belieft?" viel Alfons hem plotseling met ontroerde stem in de rede.

"Menier de notoarus, ge 'n meug het mij nie kwoalijk nemen, moar k'n verstoa 't niet, k'n kenne die dijngen niet. Es da geld weird, de pampieren?"

"Of 't geld weird es!" riep verbaasd de notaris, "'t Ês geld!"

"Ha moar da ziet er zeu oardig uit, meneer de notoarus! Dat 'n zijn gien bankbriefkes!"

De notaris barstte in een korten proestlach uit, welken Alfons beschaamd en ongelukkig als een schuldige deed den blik ten gronde slaan.

"G'n verstoa 't niet, e-woar, mijne vriend? vroeg eensklaps goedig de notaris.

"Nien ik, menier de notoarus, 'k 'n verstoa d'r niets van," bekende Alfons, wanhopig de schouders ophalend.

De notaris zat een oogenblik in perplex nadenken, de oogen op den jongen boer gevestigd.

"Zoe-je liever geld hên, mijne vriend?" vroeg hij plotseling.

"Rechtaf gesproken, joa ik, menier de notoarus. 'K zoe veel liever geld hên!"

"Moar wa goa-je mee da geld doen? 'T'n goa mij wel nie aan en g' hét gij 't recht van d'r mee te doen wat da ge wilt, moar 't zoe mij toch spijten da ge 't moest verliezen of gestole worden."

Alfons bedacht zich even, de wangen vurig rood, de oogen strak op 't tafelkleed gevestigd. Toen antwoordde hij met een soort weerzin, als ontsluierde hij ten ontijde een groot geheim dat nog liefst moest ongerept blijven.

"'K hé lijk halvelijngen 'n gedacht van d'r mee op 'n hofstee te goan, menier de notoarus."

"Hoho! dà es 'n ander kwestie!" zei de ambtenaar ernstig. "Hét g' al iets in 't zicht?"

"Nog niet, menier de notoarus; moar 'k goa zoeken."

Weer bleef de notaris een poosje peinzend en stilzwijgend, zijn kin tusschen wijsvinger en duim.

"Luister," zei hij eindelijk. "As ge wilt 'k zal ik ouw geld bewoaren zeu lank of da ge 't nie neudig 'n hét en d'r ou den intrest van betoalen. 'K zal ou 'n schuldbekentenesse tiekenen van de somme die 'k ontvange, en effen aan da ge wa neudig hét meugt ge 'r bij mij omme komen. Ge 'n moet mij veur mijn verantwoordelijkheid en moeite niets betoalen; 'k zal da gratis veur ou doen.--Es 't azeu goed?"

"Joa 't, heul goed, as 't ou b'lieft menier de notoarus, ge zij wel bedankt," zei Alfons met een zucht van verlichting, als van een zwaar pak op het hart verlost.

In enkele oogenblikken was alles klaar. De notaris teekende hem een schuldbekentenis van vijftienduizend frank en stelde hem het overige van zijn erfenis: vierhonderd twee en twintig frank en zeventig centimen, in speciën ter hand.

Alfons was gelukkig. Met geld en schuldbekentenis zorgvuldig in een binnenzak vastgespeld, keerde hij haastig weer naar huis.

* * * * *

VI.

Zooals van zelf spreekt, had hij bij boer Kneuvels zijn dienst opgezegd. Hij was nu rijk genoeg om als eigen baas te werken; en bijna dadelijk deed zich een uitmuntende gelegenheid voor. Een boerderijtje met één paard, behoorende aan den baron, mejonkvrouw Anna's vader, kwam tegen Kerstdag te huur. Het was er lief gelegen op de grens der vruchtbare bouwlanderijen en der malsche weiden, met een lange, mooie olmendreef naar den hoogen zandweg op de golvende vlakte en een beukenboschje achter schuur en stallen. Deze waren nog met stroo gedekt en eigenaardig overdakt als in den ouden tijd; de uitgestrekte boomgaard stond vol oude, knoestige fruitboomen, sommige zoo grillig krom-gegroeid dat de ruige stammen als kronkelende grauwe slangen over 't gras schenen te kruipen; en 't woonhuis was geheel geschilderd in de teerste rozekleur, met een zwarte plint langs onder aan den muur en blinkende wit-en-roode vensterluikjes, de kleuren van 't kasteel. Midden op het dak prijkte een klein, grijs, houten torentje met een klokje.

"Hoast ou, toe, goa d'r mee mejonkvreiw Anna over spreken ier dat er nog ander liefhebbers komen," had Alfons tot Rozeke gezegd, zoodra hij hoorde dat het boerderijtje zou beschikbaar komen. En op een ochtend, op haar uiterst best gekleed, trok Rozeke naar het kasteel en vroeg er om een onderhoud met jonkvrouw Anna.

De knecht die haar ontving zette een bezorgd gezicht.

"'K wete niet of da mejonkvreiw op 't kasteel es en of g' heur wel zilt keune zien," zei hij.

Hij bracht haar door de ruime, wit-marmeren vestibule, die vol bloemen en sierplanten stond, en waar een groote, glinsterende kachel brandde, in een kabinetje met oude kasten en blauw porselein aan de donkere wanden en verzocht haar eventjes te wachten.

Rozeke, sterk door de prachtige omgeving geïmponeerd, nam plaats bij 't eenige venster en keek tusschen de zware, bruine gordijnen naar buiten. Zij zag het glooiend grasveld met den grooten vijver, waarop stille zwanen dreven, een hoekje van 't bordes, met den steenen leeuw in wakende rust op den breed-arduinen balustrade-pijler; en verder, onder de reeds ontbladerde hooge boomen, de lief-roode gebouwtjes van tuinmanshuis, remise en stallen. Vlak vóór haar lag de statige beukendreef waardoor zij was gekomen en gansch in het verschiet, over de groene en bruine golving der najaarsvelden onder effengrijzen hemel, ontwaardde zij de dichte, donkere kruin van een andere dreef: die naar het, van hier onzichtbaar, lieve boerderijtje leidde, waarnaar zij vragen kwam.--Stil, benauwend-doodstil leek het groot, plechtig kasteel van binnen. 't Was of geen mensch erin bewoog of leefde en een bijna angstige beklemdheid maakte zich langzaam van Rozeke meester. Is dát het vroolijk leven van de rijke menschen die op kasteelen wonen? dacht zij; en zij vond dat die zware stilte, die benauwende plechtigheid die zij overal om zich heen voelde, niets paste bij mejonkvrouw Anna's lief en vriendelijk en opgewekt karakter.

Zacht ging de deur open en mejonkvrouw Anna, geheel in 't zwart gekleed, kwam te voorschijn.

"Dag mejonkvreiwe," zei Rozeke, met haar vriendelijksten glimlach en van emotie hoogkleurende wangen opstaande. Maar die ontroerde glimlach veranderde in een uitdrukking van onthutste verwondering, voor het heel onverwacht bedroefd en bleek gelaat met hetwelk haar voorname vriendin op haar toetrad.

"Mejonkvreiw Anna!... wa scheelt er? Zij-je ziek dan?" vroeg Rozeke verschrikt.

"'n Beetje Rozeke, ik ben niet heel wel geweest," antwoordde neerslachtig de jonkvrouw.

Zij ging zitten, wees Rozeke op haar stoel terug en vroeg wat zij verlangde.

Rozeke vertelde 't haar.

"Ik zal er aanstonds met papa over spreken; dàt zal hij mij waarschijnlijk niet weigeren," zei ze bijna bitter.

Rozeke dankte, maar wist nu verder geen woord meer te zeggen. Die droeve, strakke houding, die donkere kleeren, die wanhopig-weemoedige oogen van haar mooie, eertijds zoo opgewekte en levenslustige beschermvriendin verlamden haar de woorden in den mond en ontroerden haar inwendig tot een medelijden, dat haar bijna tranen in de oogen bracht. Van de reden haars bezoeks durfde zij heelemaal niet meer spreken, wel voelend dat de geest der jonkvrouw met heel andere dingen bezig was; en eensklaps kon zij zich niet langer bedwingen: echte droefheidstranen kwamen in haar oogen en zij vroeg met bibberende lippen, in gehorte woorden:

"Mejonkvreiw Anna... 'k zie da ge triestig zijt... kan ik niets veur ou doen?... kan ik ou nie helpen?"

Een schielijke, teer-roode kleur bloosde even vluchtig over der jonkvrouw bleeke wangen en haar fijne witte tanden trilden zenuwachtig op haar onderlip, terwijl zij blijkbaar alle moeite deed om haar eigen aanstekelijk-opwellende tranen te weerhouden. Twee, drie korte, vlugge zuchten golfden ontstuimig uit haar keel en haastig haalde zij haar zakdoek uit en drukte hem op haar oogen, hoofdschuddend dof-snikkend:

"Nee nee nee, Rozeke, gij kunt niets voor mij doen."

En Rozeke zat daar en staarde, roerloos, als verslagen. Zij durfde niets meer vragen, maar zij voelde, zij raadde instinctmatig, dat het liefdesmart was, waaronder de jonkvrouw leed. Zij had ook in den laatsten tijd wel vagelijk iets gehoord: dat er eerst plan was voor een huwelijk tusschen jonkvrouw Anna en haar neef, maar dat haar ouders--om welke reden wist men niet--er zich op 't laatste oogenblik, toen het engagement al haast publiek was, tegen verzet hadden. Zooveel was zeker, dat de jonge neef op een ochtend plotseling het kasteel verlaten had en er sinds niet meer was teruggezien.

"Och Hiere, mejonkvreiwe, da pakt mij toch aan 't herte da 'k ou azeu zie schriemen en da 'k niets veur ou 'n kan doen," klaagde Rozeke, met innig medelijden het diep-bedroefd meisje aanschouwend.

De jonkvrouw schreide en snikte stilletjes, haar mooie, slanke, witte handen bevend op den fijnen zakdoek vóór haar oogen, haar vermagerde, bijna puntige schouders zenuwachtig op en neer schokkend; en Rozeke hoorde, door haar snikken heen, het rammelen van haar holle maag, als van een ongelukkige, arme vrouw, die niet genoeg te eten heeft.

"O, mejonkvreiwe ge 'n meugt ou toch nie loate veroarmôen; ge moet koeroaze hên en ou beter voên," streelde Rozeke, zelve van ontroering weer schreiend. "O, da 'k toch moar iets veur ou 'n kon doen, mejonkvreiwe, gij die zelve altijd zeu goed en zeu broave veur mij geweest hét!"

"Merci, Rozeke, 'k weet het, ge zijt goed," zuchtte de jonkvrouw.

"Belooft-e mij da ge 't mij vragen zilt às ik oeit iets veur ou kan doen?" drong Rozeke aan.

"Ja, Rozeke, ja, ik beloof het u."

De jonkvrouw stond op, kropte met inspanning haar tranen terug, streek met haar bevende hand over 't voorhoofd.

"Ga nu, Rozeke," zei ze met zwakke stem. "Ik heb zoo'n hoofdpijn. Ik zal er papa over spreken en mijn best doen dat ge 't boerderijtje krijgt."

"O, merci, merci, mejonkvreiwe," dankte Rozeke. "'K zal veur ou bidden, mejonkvreiwe, omda ge weere zoedt gelukkig worden."

Zij greep plotseling 's meisjes hand, drukte er een vromen, vurigen kus van onderdanige liefde op, en verliet schreiend het somber kamertje.

* * * * *

VII.

Zij hàdden 't mooie boerderijtje!...

De dorpsnotaris liet hun op een ochtend de gelukkige tijding aanzeggen, en 's avonds vóór Kerstdag werd de huur-acte op het kasteel geteekend.

Rozeke, die Alfons vergezeld had, ontmoette er nog even vluchtig jonkvrouw Anna. Zij zag er niet minder bezorgd en bedroefd uit dan op den dag toen Rozeke haar was komen opzoeken. Zij vertelde aan 't jong boerenvrouwtje dat zij dien winter niet als gewoonlijk naar de stad gingen, maar op reis, naar 't Zuiden, voor verscheiden maanden.

"Moar te noaste zomer komt-e toch weer op 't kastiel, mejonkvreiwe?" vroeg Rozeke bijna angstig.

"Ja, Rozeke, ik denk het toch wel, als 't God belieft," antwoordde zij neerslachtig.

Ook de baron, haar vader, zag er bekommerd, somber, triestig uit. Hij ontving hen in hetzelfde kamertje met de bruine kasten en het blauw porselein waar de jonkvrouw Rozeke ontvangen had, legde Alfons met gefronste wenkbrauwen de te onderteekenen acten voor, gaf hem het eene stuk en hield het duplicaat; en zonder verder gepraat, met een eenvoudig, "ik hoop dat gij op uw boerderij zult welvaren" stond hij op, ten teeken dat hij de zaak als afgehandeld beschouwde. Voor alle verdere schikkingen hadden zij zich te wenden tot den dorpsnotaris.

"D'er es verdriet op 't kastiel," merkte Alfons fluisterend op, terwijl zij door het statig ingangshek in de groote beukenlaan terugkwamen.

Rozeke schudde weemoedig het hoofd.

"Alles hên wat de weireld geven kan en tòch nie gelukkig zijn," zuchtte zij.

* * * * *

Zij, ten minste, waren nu toch wèl gelukkig!

Na de vele, vermoeiende en vervelende, maar gelukkig niet langdurige beslommeringen van overname en inrichting, betrokken zij eindelijk in het begin van Januari hun dierbaar hoevetje; en dadelijk daarna, op Driekoningen-avond, had de "overhaal-feeste" plaats.

Alfons en Rozeke hadden de gelukkige kans getroffen bijna alles van boer Dons, den vorigen pachter te kunnen overnemen. Deze had zich in de goede jaren "rijkgeboerd" en wilde nu rustig in het dorp, als rentenier, zijn verdere dagen slijten.

De koeien, de varkens, het paard; het hooi, het stroo en het verdere voeder; de oogst in de schuur, het vlas op den zolder en de vruchten te velde; karren, wagens, ploegen, eggen en ander landbouwgereedschap; tot zelfs een groot gedeelte van het huisgerief en van de meubels: alles was mogen blijven waar het lag of stond; en als bij tooverslag waren zij aan 't hoofd van een mooi-ingerichte, degelijk-ouderwetsche hoeve, met zware oude kasten in de kamers, met veel koper, tin en gekleurd-aardewerk boven op den zwartgerookten schoorsteenmantel van den haard en overal rondom tegen de bruingerookte wanden van de ruime keuken, net als een bejaard gezin van deftige, welgestelde boeren, die er hun leven lang zouden gewoond hebben. Zij hadden alleen te verhuizen gehad hun eigen klein inboedeltje van moeders huis, hun enkele meubeltjes en kleeren, hun beetje aardappels en veldvruchten, hun kippen en konijnen. Toch waren met dat kleinood nog twee groote wagens gevuld, die volgens traditioneel gebruik van goede buurschap, kosteloos door den naastbijwonenden boer--in dit geval boer Kneuvels--naar Alfons' nieuwe woning, waren overgebracht. Daartegenover bestond voor Alfons de verplichting boer Kneuvels met zijn vrouw en ook den knecht die 't vervoerd had, op de "overhaal-feeste" te noodigen. Wel had het hem even onaangenaam aangedaan dat juist boer Kneuvels en dus ook zijn paardenknecht Smul de daartoe aangewezen personen waren; doch aan een ander vragen wat Kneuvels om zoo te zeggen van rechtswege toekwam, ware zijn vroegeren meester vijandig behandelen en nutteloos beleedigen, en dit had Alfons niet durven noch willen doen. Trouwens, Smul zelf was immers verzoenend naar hem toe gekomen, 's avonds van hun bruiloftsfeest: waarom zouden zij langer haatdragend blijven dan hun vroegeren vijand?--Zij wachtten dus, als een vervelende, niet te ontwijken noodzakelijkheid, ook de komst van Smul op dit intiem familie-en-vriendenfeestje.

* * * * *

Het was drie uur. Moeder van Dalen en La waren reeds den vorigen avond gekomen en weldra verschenen ook vader en Rozeke's twee broeders. Het had den ganschen dag en ook den nacht te voren aanhoudend gesneeuwd, de wegen lagen bijna onbruikbaar en daarom waren zij maar liefst heel vroeg gekomen, om ook niet te laat in den avond weer huiswaarts te kunnen keeren.

Nauwelijks waren zij binnen of een gestamp van sneeuw-afkloppende voeten klonk aan de voordeur en met het geijkte "gien belet?" verschenen de insgelijks genoodigde, vroegere bewoners van het hoevetje: boer en boerin Dons.

De boer was een lange, magere, kaarsrechte man van bij de zeventig, met zilvergrijze, dunne haren en een éénkleurig-vuurrood gezicht, waarin twee heel kleine, bijna dichtgeknepen oogjes als 't ware in voortdurende pret schenen te lachen. Zijn vrouw, wel een twintig jaar jonger, was nog gitzwart van haar, met dikke zwarte wenkbrauwen en donkere oogen zonder glans, en in haar getaand, bijna wasgeel gelaat lagen sterke rimpels als grauwgrijze lijnen en streepen gegroefd. Glimlachend kwamen zij binnen, de oude boer luidruchtig, de boerin stil, en dadelijk zetten zij, als in hun eigen huis nog, hun parapluies achter het houten schut naast de deur en kwamen handenwrijvend bij het helder-vlammend haardvuur, de boer met schel-galmende stem vertellend van de onbegaanbare wegen en van de vele sneeuw die zonder twijfel nog met hoopen uit de dikke, grijze lucht zou vallen. Rozeke nam de boerin haar zwarten kapmantel af, terwijl moeder van Dalen naar den kelder liep en dadelijk weer, hijgend, met twee flesschen boven kwam: jenever voor de mannen; roode kriek voor de vrouwen. Met algemeene belangstelling werd gevraagd of de oude boer en zijn vrouw zich reeds gewend hadden aan hun heerlijk, zorgeloos renteniersleven in 't dorp; en nauwelijks waren zij goed gezeten en aan 't praten, of daar kwam in snellen draf boer Kneuvels' sjees den boomgaard oprijden.

"Zou Smul er werkelijk bij zijn?" dacht Rozeke met een korten angstgreep aan het hart.--Jawel; zij zag hem vlug uit 't rijtuig wippen en het paard bij den breidel houden, terwijl boer Kneuvels en zijn vrouw op hun beurt uitstapten. Alfons haastte zich naar buiten, zijn vroegere baas en bazin te gemoet.