Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1

Chapter 7

Chapter 73,904 wordsPublic domain

De heer die haar vergezelde had uit den steeds door-ruischenden wagen een pakje genomen en naderde nu ook glimlachend de bruiloftsgasten, en allen herkenden in hem den milden gever van het twintigfrankstuk op den middag van de slijting.

De jonkvrouw nam het pakje van hem af en overhandigde 't aan Rozeke.

"Kijk, Rozeke, hier zit 'n schoon penduulken in om boven op een schouw of een kaske te zetten en een stuk goed om u een beste winterkleed van te maken."

"O merci, mejonkvreiwe, merci, merci, da es toch vriendelijk da ge nog op mij gepeisd hèt." dankte Rozeke, tot de tranen ontroerd, terwijl zij herhaaldelijk de hand harer weldoenster drukte. Alfons nam zijn rond hoedje af en drukte ook, met emotie, de minzaam naar hem uitgereikte hand.

"Zijt gij gelukkig dat ge nu getrouwd zijt, Rozeke?" glimlachte de mooie jonkvrouw.

"O joa ik, zille, mejonkvreiwe!" antwoorde Rozeke met stralende oogen. En plotseling ontsnapte 't haar, onwillekeurig, terwijl haar blik zich even op den heer die 't meisje vergezelde vestigde:

"En gij euk, mejonkvreiwe? Zijt-e gij euk gelukkig?"

"O ja, zeker, zeker, ik ook," lachte de jonkvrouw, met teederzachten oogenglans de richting van Rozeke's blik even volgend. "Meneer is een neef van mij, weet ge? Gij hebt hem dezen zomer op de slijting wel gezien. Hij heeft toen de slijters getrakteerd en nu komen wij samen van Oostende, waar hij heeft meegedaan in de courses met zijn automobile."

"En hét-e gij euk meegedoan, mejonkvreiwe?" vroeg Rozeke haast verschrikt.

"Maar neen! 't gaat veel te gauw en ik ben veel te schuw! Ik ga maar mee als 't is voor wandeling," glimlachte zij. Vlug keerde zij zich tot haar neef, en zei, in 't Fransch, net zooals ze gedaan had op de slijting:

"Donne-leur encore quelque chose, Armand."

Vaprijsken, die van op een afstand het gesprek gevolgd had en duidelijk begreep waarvan nu kwestie was, kwam al vast, met van oolijke pret flikkerende oogen naast den jonker staan. En juist als op de slijting, ging deze nu ook in zijn zak en haalde er een goudstukje van twintig frank uit.

"Pour qui?" vroeg hij aarzelend en stil tot jonkvrouw Anna.

"Pour moi, monsieu!" riep vrijpostig Vaprijsken.

Een wild gelach steeg op omdat Vaprijsken Fransch sprak, en ook de jonker glimlachte, den blik nieuwsgierig op Vaprijsken.

"Mais c'est le même de cet été!" zei hij verwonderd.

"Owie monsieu, owie monsieu," antwoordde Vaprijsken ongestoord, onder het nogmaals wild-opstijgend, algemeen gelach.

"Vous partagerez au moins, n'est-ce pas?" conditionneerde de jonker.

"Owie monsieu, owie...." herhaalde met overtuiging Vaprijsken; en onder een storm van geschater en gelach kreeg hij het twintigfrankstuk en holde er juichend en dansend midden in de joelbende mee weg.

"Allons, nu gaan wij ook weg," zei jonkvrouw Anna. "Veel geluk in uw leven, Rozeke; en gij," sprak ze tot Alfons, "gij moet altijd goed en zacht en lief voor haar zijn."

Rozeke liet Alfons staan om even met haar lieflijke beschermster mee te loopen.

"Wilt-e nie 'n beetse binnenkomen, mejonkvreiwe en meniere? Wilt-e nie wat eten of drijnken?" vroeg ze goedig, niet wetend waarmede haar dank te betuigen. En ook vader en moeder en La kwamen aandringen, maar reeds waren de reizigers weer in den lagen, langen, grijs-bestoven wagen gestegen, die ook dadelijk oorverdoovend weer begon te bruisen en te trillen. 't Was iets ontzettends, alsof een helsche kracht daarbinnen woedde, een roffelen als van twintig trommelslagers op tot barstens toe gespannen trommels, met af en toe daartusschen door geweldig knallen als van kanonschoten, waarbij het monster vuurspuwde uit zijn flanken en de dicht-opeengedrongen menigte schrikgillend uit elkaar deed stuiven.

"O, zij toch voorzichtig, mejonkvreiwe!" riep Rozeke door angst bevangen; en de zachte, kalm-gelukkige glimlach van haar voorname vriendin kon haar zelfs niet geruststellen. Zij kreeg ineens het akelig vizioen alsof dat lange en lage, daverend monsterding een doodkist was, een sombere doodkist, waarin een levend-opgesloten wezen uit al zijn krachten lag te beuken en te bonzen om verlost te worden; en hij die het bestuurde, met zijn neergetrokken pet en zwarten bril was als de dood zelf, 't geraamte met de zeis, dat haar vriendin,--zijn schuldeloos slachtoffer--naar de vernieling medesleepte.

"Zij veurzichtig, zij toch veurzichtig, mejonkvreiwe!" riep zij nog eens, als in een intuïtieve waarschuwing van onbewuste, diepere beteekenis, uit al haar kracht, terwijl het akelig gevaarte met een langzamen, sierlijken zwaai omdraaide en in de flikkering van zijn helle lichten die den zwarten nacht doorboorden, pijlsnel, onder 't juichendgillen van de menigte, in het verschiet verdween.

* * * * *

't Was over tien. Alfons nam zacht Rozeke's hand en fluisterde dat 't tijd werd om naar huis te gaan. Het vuur verflauwde, enkele feestvierders trokken reeds zingend langs de donkere wegen huiswaarts en Rozeke's broeders stonden met harsfakkels klaar om de jonggehuwden naar het huis van Alfons' oude moeder, waar zij hun intrek zouden nemen, te begeleiden. Een tiental vrienden en vriendinnen, waaronder Vaprijsken, Drieske Nijpers en de Seissekoker, Irma Pese, Maaie Troet en 't Geluw Meuleken, die denzelfden kant uit moesten, schaarden zich bij hen en zij namen afscheid van de ouders en van La. Vader van Dalen, stomdronken, wilde iets zeggen, maar raakte niet meer uit zijn brabbelwoorden; moeder kwam vóór Rozeke staan, lei de beide handen op haar schouders en begon ook, met tranen van ontroering in de stem, te spreken; maar plotseling riep een der mannen schertsend dat zij Rozeke nog eens aan de geschiedenis van den heiligen Tobias moest herinneren; en daarop viel moeder zonder overgang aan 't proestlachen en dan weer aan het huilen, stikkend in haar woorden en haar tranen, terwijl haar dik, rond buikje als in struiptrekkende schokken, tegen Rozeke's corset op en neer stond te huppelen. Dat werkte aanstekelijk. Ook La kwam huilend van haar zuster afscheid nemen en zoo deden ook enkele buurvrouwen. Het leek wel of het op een rouwpartij zou uitloopen, toen eensklaps Vaprijsken met nog twee volle flesschen uit den _Graeve van Halfvasten_ kwam gerend en schreeuwde dat zij voor het afscheidnemen nog een laatste dreupelken moesten pakken en pret maken en lachen in plaats van daar als kleine kinderen te staan schreien.

Alfons en Rozeke werd elk een vol glas in de hand gestopt en om de beurt kwamen nu allen hun glas tegen die van de trouwers aantikken. Allen kwamen: ouders, vrienden, buren, in een opgewekten, vroolijken stoet en wenschten de echtgenooten nog eens voorspoed en geluk. En toen zag Rozeke, in haar ontroering, plotseling ook Smul naar hen toe komen. Zij had hem in 't geharrewar met de automobiel niet meer gezien, ze had aan hem niet meer gedacht, zij wist niet of hij er nog was,... en daar stond hij eensklaps in de rij met al de anderen vóór haar en als in een droom zag zij hem naderen en op zijn beurt de hand naar een der glaasjes uitsteken. Zij zag Vaprijsken, die inschonk, even aarzelen en hem met wantrouwen aankijken, zij hoorde vaag een dof gemor van Alfons en haar broeders; maar het leek alles als een droom, en 't oogenblik daarna voelde zij zijn glaasje tegen 't hare tikken en hoorde zij zijn schorre, heesche stem:

"Proficiat, Rozeke; en gien kwoaje vrienden."

"Proficiat, Ivo," antwoordde zij haast onhoorbaar; en even keek ze naar hem op.

Zij zag zijn stuursche blauwe oogen, onder de klep van zijn laag-getrokken pet, als door een waas van droefheid beneveld. Onwillekeurig greep het haar aan en weer voelde zij iets van medelijden.

Maar hij was reeds bij Alfons en ook bij hem zag zij het glaasje vredig aantikken en hoorde ze zijn doffe stem:

"Proficiat, Fons, en gien kwoaje vrienden...." waarop Alfons, ook even instinctmatig, als wist hij in zijn verbouwereerdheid niet goed wat hij zei: "Proficiat, Ivo, gien kwoaje vrienden," antwoordde en daarop zijn glas in één teug leeg dronk. Haast tegelijkertijd deed Smul het hem na, en het leek Rozeke alsof de beide mannen die om haar gestreden hadden, plotseling met den drank hun wrok inslikten en of er nu voortaan rust en vrede tusschen hen zou bestaan. Zij loosde een zucht van verlichting, alles leek haar goed nu, en in 't geknetter van de aangestoken fakkels keerde zij zich om en verliet met Alfons en den stoet der begeleiders, de juichende en joelende groep der nog even door-feestende gasten om het langzaam uitstervende houtvuur.

In een compact vroolijk troepje liepen zij nu, bij het stoomende laaien der sissende fakkels, door den kalmen, donkeren Septembernacht. Hun groote, donkere schaduw-schimmen dwarrelden als gedrochtelijke, door elkaar hollende dansers over den rood-beglansden landweg vóór hen uit, en op de ingeslapen boerderijen waar zij langs kwamen, blaften de waakhonden schor-verwoed hun lawaaiïgen voorbijtocht na. Toen blaften zij allen voor de pret soms mee, waarbij de honden nog razender werden en door hun woest gebrul de koeien wakker maakten, die dan klagend even loeiden, terwijl de hanen eensklaps schel-klaroenend aan het kraaien gingen. Toen loeiden en kraaiden zij weer allen in koor mede en het lawaai breidde zich even uit over de gansche ingeslapen streek, van boerderij tot boerderij, waar de plotseling ontwaakte honden en hanen overal tegen elkaar opblaften en kraaiden.

Alfons en Rozeke lieten de joelende bende enkele passen vooruit gaan. Zacht nam hij hare hand en hield die gedrukt in de zijne. Een tijdlang spraken ze geen woord. Zij voelden de zaligheid van het geluk hun gansche wezen als 't ware doorstroomen. De nacht verspreidde om hen heen zijn zoete geuren, de krekels piepten vreedzaam in de klavervelden, even slechts zwijgend in 't voorbijgaan der luidruchtige bende; en op de naakte stoppelvelden stonden hier en daar zware korenschelven als een in veilige haven opgeborgen rijkdom voor de toekomst, terwijl de laatste, nog maar pas gemaaide en gebonden haver-schoofjes op lange optochten van zwijgende kinderen leken, die met de laatste, nog verspreide schatten van den lieven zomer naar hen toe schenen te komen. 't Was alles vrede en illuzie en geluk wat hen omringde; zij voelden innig-diep de rijpe schoonheid van het leven, de zalige, sereene zekerheid van het geluk.

Daar waren zij aan het huisje,--moeders huisje--witgekalkt, met wit-en-groene luikjes, liefelijk klein en eenzaam onder het lommer van de hooge, zacht-ruischende populieren. Moeder, die hen had hooren aankomen, stond wachtend op den drempel, Rozeke's broeders verlichtten den ingang met hun laaiende, walmende fakkels, de begeleiders en enkele nieuwsgierigen woelden er omheen. Zij schaarden zich joelend in dubbele rij en onder juichkreten moesten Alfons en Rozeke naar voren treden.

"Zijn onz' treiwers thuis?" schreeuwde met luid-galmende stem Vaprijsken.

"Joa z'!" schreeuwden al de bruiloftsgasten terug.

"Hên z'ulder op ulderen treiwdag goed geämezeerd?"

"Joa z'!"

"Goan z'ulder nou nog beter amezeeren!"

"Joa z'! Joa z'!"

"Zillen ze doen lijk den heiligen Tobias?"

"Nie z'! Nie z'! Nie z'!"

Een wild gelach ging op, Irma Pese en 't Geluw Meuleken kronkelden zich van de pret, de Seissekoker en Drieske Nijpers kittelden haar in de lenden dat zij er van giegelden en kraaiden; en Rozeke, doelpunt aller blikken naast Alfons op den drempel, voelde een heete kleur van schaamte over hare wangen gloeien.

"Goan we nou amoal noar huis?" schreeuwde opnieuw Vaprijsken.

"Joa w'!"

"Moar goan w' iest nog eentsje pakken?"

"Joa w'! Joa w'!"

Hij haalde een flesch voor den dag, die hij in zijn zak verstopt had; en tot laatste afscheid werden nog eens de glaasjes volgeschonken.

Toen gingen ze weg. Dansend en zwierend, jongens en meisjes arm in arm, zag Rozeke de uitgelaten bende in 't roode weerlicht van de toortsen onder de hooge boomen verdwijnen. Zij zongen en brulden in koor het welbekende lied:

Waar kunnen wij ook beter zijn Dan bij onz' goede vrienden?

en slaakten wild daar tusschen door harde schreeuwen en kreten als dierengeluiden, met af en toe hoog en schril opgalmend meisjes-gegil, als greep er een worsteling plaats.

"Ze zillen wa uitvoeren in 't noar huis goan!" glimlachte Alfons; en teederlijk sloeg hij nogmaals zijn arm om Rozeke's middel.

"Kom, we goan euk binnen; moeder es al noar bedde," fluisterde hij; en hij drukte een zoen op haar frissche wang, terwijl hij haar zacht maar onweerstaanbaar met zich mee trok.

"Wacht ne kier! wa ès dat doar?" riep zij plotseling, als in schrik naar de donkere boomen wijzend.

De vaag-zichtbare gestalte van een man kwam er langzaam uit het donkere der stammen en verwijderde zich geluidloos in de richting van boer Kneuvels hoeve.

"'t Es ne man, hij zal 't gezien hên;" fluisterde zij dof.

"Wà zoedt hij gezien hèn? Da 'k ou 'n totse gaf? 'K mage toch zeker wel!" En hij poogde haar opnieuw te zoenen.

"Stt! zwijg," weerde zij hem bijna angstig af, de verdwijnende gestalte in de duisternis nastarend.

"Ge 'n zijt toch nie schouw, zeker!" spotte hij. "'t Es den ienen of den anderen van boer Kneuvels' hof die doar stoan kijken hèt."

Zij sprak geen woord meer, maar een huivering doorrilde haar en zij ging met hem binnen.

Plotseling had zij den man herkend. 't Was Smul! Zij was er zeker van.

Instinctmatig sloten zich haar lippen op elkaar.

Waarom zij aan Alfons niet zegde dat ze Smul herkend had wist ze zelve niet....

* * * * *

III.

Het nieuwe en frissche van een heerlijken October-ochtend hing in een waas van vrede en kalmte over 't land, toen Rozeke dien morgen opstond en de luikjes openduwde.

Alfons was reeds vóór zes uur vertrokken, naar zijn gewone dagwerk op boer Kneuvels' hoeve en zijn oude, ziekelijke moeder lag nog in bed, wachtend om op te staan, tot Rozeke met de koffie klaar was.

Diep ademde Rozeke de zuivere, verkwikkende ochtendlucht in. Gras en rapenvelden lagen zacht bepareldauwd, als nog in slaap gedompeld, met stille flonkeringen hier en daar, waarin de opkomende roode zon herlevende bezieling tintelde. De kleine hagestruikjes om het erfje waren als van biggelend en druipend zilver, en uit de hooge, gele kruinen der nog vaag omnevelde populieren, ritselden met zacht geruisch de droge bladeren neer, als zooveel groote, trage, stille, gouden weemoeds-tranen op den weeken grond. Alles voorspelde een glanzend-mooien, zachten herfstdag.

Rozeke's oogen blonken en haar wangen bloosden. Zij had nog niets van haar frissche jonge-meisjes-bekoorlijkheid verloren. Zij was gelukkig. --De eerste dagen had haar alles wel vreemd en ongewoon toegeschenen, en zij had heimwee gevoeld, heimwee naar 't ouderlijk huis, naar vader en moeder, naar broeders en zusters, naar de bekende buren en de welbekende omgeving van haar dagelijksch leven. Zij woonde er slechts een half uurtje loopens vandaan, dezelfde boomen en gewassen groeiden op dezelfde akkers, en 't zelfde soort menschen sprak er juist dezelfde taal en had net eendere gebruiken; en toch was er voor haar een groot verschil, iets ongewoon vreemds in al dat uiterlijk precies gelijke.

Maar 't had slechts korten tijd geduurd. Het "moeder" zeggen tegen Alfons' oude moeder--wat haar in de eerste dagen haast onmogelijk was en haar pijnde als een verraad en een verloochening van haar eigen moeder --deed ze nu met liefde en zonder gedwongenheid; en aan de stilte van hun leventje met drieën, dat haar eerst zoo doodsch leek na de opgewekte drukte van haar eigen thuis, was ze ook reeds gansch gewend geraakt. Zij was gelukkig door en met Alfons, en dat maakte alles goed. Zij dacht en wist ook wel, dat haar tegenwoordig leven slechts tijdelijk zoo was ingericht en dat er, met den dag, groote veranderingen in konden komen. Alles om haar heen zou zich van zelf ontwikkelen en vervormen; het oude was bestemd om te verdwijnen en het nieuwe zou geboren worden. O, verre van haar de gedachte naar den dood van het goedig, soms wat zeurig-klagend oudje te verlangen! Maar het lag in den aard der dingen dat het toch gauw gebeuren kon en die gebeurtenis zag ze met peinzenden ernst, als een bedroevend, doch onvermijdelijk verschijnsel in de stage voortzetting van haar en Alfons' eigen leven te gemoet, evenals een andere gebeurtenis: de hoopvolle verwachting van het eerste kind, de dichtst in het verschiet liggende gelukzijde in de ontwikkeling van haar komend leven was.

* * * * *

De wit-en-groene luikjes waren open, de vroege zon scheen in de kleine ruitjes en Rozeke kwam weer in huis, om voor de oude moeder en haarzelf het ontbijt klaar te maken. Voor Alfons hoefde zij 's ochtends niet te zorgen; die kreeg zijn ontbijt op de hoeve. Het vuur in de kachel was aan, en zij ging reeds aan 't koffie malen, toen zij eensklaps weer opvloog en naar buiten liep. Zij had alweer de broeihen en de konijntjes vergeten. Hoe gek was dat toch! Haast iederen ochtend vergat ze 't! Thuis gaf moeder altijd de konijntjes en kippen hun voeder. Zij ging in 't stalletje, lichtte de planken op, gooide volle grepen "verslokkerde" koolbladen en gras in de hokken. Dadelijk kwamen de konijntjes om het hoopje groen gehuppeld en zij zag de witte en grijze kopjes gezellig tegen elkaar aanschuiven, met eigenaardig snoetgefrons en in den hals gestreken oortjes, aan dezelfde steeltjes knagend. Toen ging ze naar den versten hoek van 't stalletje en nam een plank weg, die er schuins tegen den muur stond. Daar zat de klokhen in 't halfduister, een dikke, geel-en-bruingespikkelde, plat neergevlokt op een nest van stroo. De oogen keken star en boos, en kop noch lijf verroerde. Alleen de kleine veertjes van den hals krulden zich nijdig overeind en de gesloten snavel grauwde kort en schor, toen Rozeke een greepje gele maïskorrels vóór het beest neerstrooide.

"Toe, klokke, eet watte," zei Rozeke op aanmoedigenden toon. Maar star en boos bleven de oogen, en nijdig-overeind de kleine veertjes, en strak en roerloos kop en lichaam.--"O gie dulle klokke!" bromde Rozeke. Zij schoof de plank weer voor, ging met het maïs-bakje buiten op den drempel van het woonhuis staan, en riep daar met schril-hooge stem haar overige, zeker ergens reeds in 't veld verspreide kippen bij elkaar:

"Ti ti ti ti tiii!"

Plotseling dacht ze dat het nog zoo vroeg was en dat zij 't oudje met haar schreeuwen niet mocht wakker maken. En zij riep zachter, in gedempten toon:

"Tu tu tu tu tuuu!"

Maar de kippen hadden reeds het welbekende ti ti ti tiii gehoord en wild kwamen zij om den hoek van 't huisje aangekakeld en gevlogen, en wierpen zich met gulzige gretigheid op de gele korrels, die Rozeke met vollen greep, in een gekletter als van hagel, over hun bont-wemelende, harde ruggen strooide. Even ontstond een kort gekibbel. Twee hennen vlogen klauwend, met overeind gerezen veeren op elkander af, maar de haan kwam statig-gezagvoerend tusschen beide, klakvleerde links, klakvleerde rechts, en herstelde weer den vrede. Alfons' enkele duiven kwamen bijgevlogen en gapten ook hun deel, met vlugge pikjes en sierlijke wipjes tusschen de pooten van de kippen door, of waar zij 't vinden konden. Rozeke, glimlachend op den drempel, met het leeg bakje op den arm, zag alleen nog 't vlug gepik der korte snavels, waaronder het dun laagje maïs ziender oogen verdween.

Maar nu zou zij bijna de koffie vergeten en haastig kwam ze weer in huis, ging nog even op haar stoel zitten en maalde door. Toen goot zij water op. Geurend verspreidde zich de lucht der versch gezette koffie in het kleine keukentje. Zij haalde uit de eetkast twee groote, witte koppen en een bord; en nadat zij met de punt van 't mes op 't brood een kruis getrokken had, sneed zij de tarwe-boterhammen voor. Toen duwde zij het binnendeurtje naar de kamer open, stak haar hoofd half binnen en riep:

"Moeder!"...

Geen antwoord kwam, maar dat gebeurde meer; en Rozeke, niet twijfelend dat 't oudje haar gehoord had, keerde terug in 't keukentje, nam een langen borstel en veegde met langzaam gebaar, zonder stof op te jagen, den rooden tegelvloer schoon. Uit het achterhuisje haalde zij een emmer met zand, strooide 't in greepjes over den net-geveegden vloer, breidde 't met den borstel open en teekende sierlijke breede krullen en festoenen om de zwarte kachel en het groene tafeltje. Thuis deed ze dat ook elken morgen en had er telkens een soort kinderlijk genoegen in. Haar hoofdje golfde en zwenkte zacht met de trage zwenkingen en golvingen van den borstel mee en met een glimlach van genot keek zij naar de keurige kronkels van haar netjes uitgevoerd werk. Toen het eindelijk klaar was zette zij den borstel achter 't houten schut naast het kleingeruit venster, en even verwonderd dat zij 't oudje nog niet hoorde opstaan, stak zij weer het binnendeurtje open en riep opnieuw:

"Moeder?... Zij-je wakker? De káffee es geried!"

Nogmaals geen antwoord. Verwonderd trad Rozeke 't kamertje binnen.

"Moeder?... sloapt-e nog dan?" vroeg zij. En 't kwam haar voor of haar stem, die weer geen antwoord kreeg, in de halfduistere stilte van het slaapvertrekje galmde met een vreemden, hollen klank.

"Moeder!... wa..." Eensklaps, door een angstig voorgevoel aangegrepen, liep zij naar het raampje dat zij openrukte en waarvan zij 't luikje wegduwde.

De volle ochtendklaarte stroomde 't kamertje binnen en viel als een vloed van licht op het gelaat van het oud vrouwtje, wasgeel en onbewegelijk scheefgezakt op 't wit-en-blauw geruite hoofdkussen van 't bed.

"Moeder! moeder! moeder!" gilde Rozeke, eensklaps in doodsangst, zoo luid zij kon, als om met haar gillen die akelig-roerlooze gestalte wakker te schudden.

Maar nog steeds gaf het oudje geen antwoord noch verroerde zij zich.

"Moeder! moeder! moeder!" gilde Rozeke nog schriller. En plotseling, als een gekke, vluchtte zij weg, uit het kamertje, uit het huisje, om hulp bij de buren.

* * * * *

Oud-moedertje was dood!...

De vrouw uit de buurt, die enkele oogenblikken later met Rozeke in 't huisje aankwam, ging recht op 't oudje af, keek het strak-gele gezicht van dichtbij aan, opende de oogleden, die langzaam over de glasachtig- stijve oogballen weer neerzakten, hief den arm op, die als lood weer neerviel.... En, zich omkeerend tot Rozeke, die stokstijf, met lijkbleek gelaat en van schrik uitgezette oogen op den drempel stond zonder te durven binnenkomen:

"Z' es deud! z' es al stijf en kaud!" zeide zij, meer verwonderd dan verschrikt.

"Deud!" gilde Rozeke, met wilde oogen en de beide vuisten vóór haar mond.

"Deud, jong; zeu deud of ne stien in de muur," antwoordde de vrouw.

"O! o! wa zal Alfons schrikken!" kreet Rozeke.

"Goa zeg het hem al geiwe; 'k zal hier wachten tot da ge weere komt," zei de vrouw.

"Joa... goed... goed..." hikte Rozeke. "'K goa... 'k leupe noar boer Kneuvels."

Zij holde 't huis uit, maar keerde dadelijk terug.

"Bezinne,... riep zij tot de buurvrouw; 'k ha zjuust kàffee opgeschonken. Wilt 'n potse kàffee drijnken en nen boterham eten binst da ge wacht?"

"Joa ik, jong, goa moar, 'k zal mijn eigen wel bedienen," antwoordde de buurvrouw.

Rozeke sloeg een wollen halsdoek om haar schouders en rende 't huis uit.

De buurvrouw sloot de deur van 't slaapvertrekje, kwam in het keukentje, schonk zich een groote kop met koffie in, ging bij de tafel zitten en nam een boterham, dien zij met traag gebaar in tweeën brak.

Door de opengebleven voordeur kwam een kip naar binnen. Wijd-schrijdend, stil-kakelend, met om de beurt lang-uitgerekten en kort-ingetrokken hals, den kop op zij, nu links, dan rechts, om telkens met haar rond, fel oog de buurvrouw aan te kijken, naderde zij tot het tafeltje en pikte vlug, onder de pooten, de gevallen brood-kruimeltjes van den vloer.

De lieve, zachte najaarszon blonk helder-rustig door de kleine, groenachtige, in lood-gevatte ruitjes. Het gansche nette keukentje, met glinsterend tin-en-koperwerk tegen de wit-gekalkte wanden, tintelde van goede, gezellige zonnewarmte.

Buiten, op het pleintje vóór de deur, klaroende schel de mooie, geel-en-rood-geveerde haan.