Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1
Chapter 6
"Merci, merci, nichte Begijntje, ge zij wel duuzen kiers bedankt, en 'k hoop uit de grond van mijn herte da ge genezen zilt en da ge wel honder joar oud zilt worden," zei hij, met tranen van dankbaarheid in de oogen, terwijl hij, met Rozeke heengaande, nog een laatste maal haar gele, bevende, rimpelige hand in de zijne drukte.
* * * * *
Toen zij buiten het Begijnhof kwamen ontwaarden zij dadelijk Vaprijsken en La, die langzaam in de drukke straat vóór de winkelramen op en neer wandelden. Alfons floot op zijn vingers en dadelijk keerden zij zich om en kwamen naar hen toe.
"Hawel, hoe hé 't geweest! Hé z' ulder'n stik van twintig fran gegeên?" schertste Vaprijsken. Maar hij werd vreemd getroffen door de zonderlinge uitdrukking van beider gezicht en riep verwonderd:
"Hé! wa scheelt er dan? Es 't lachen of es 't schriemen da ge goat doen?"
Rozeke, zenuwachtig van emotie, trok inderdaad een vreemd gezicht. En plotseling barstte 't bij haar uit, half lachen en half huilen, onbedwingbaar, midden op de straat, onder de verbaasde blikken van de talrijke voorbijgangers.
"Ha moar onz' Roze wa hét-e gij! schiedt er toch uit! wordt-e gij zot!" riep La verbaasd en bijna verontwaardigd.
Eensklaps werd het ook Alfons te machtig, en net als Rozeke barstte hij uit in tranen en gelach, krampachtig op zijn lippen bijtend en zijn vuisten knellend, als een gek. Stom-gapend van verbazing stonden La en Vaprijsken hen aan te kijken, tot Alfons hen eindelijk met zich meetrok in een eenzaam zijstraatje, waar hij hen, nog steeds om de beurt lachend en huilend, het verhaal deed van den heiligen Tobias en van het bankbriefje van honderd frank, telkens in hortende woorden smeekend dat zij er toch niet om lachen zouden, want dat nicht Begijntje veel te goed en veel te lief was om bespot te worden, en telkens zelf weer in overweldigende lachbuien uitproestend, hoe langer hoe erger, naarmate La en Vaprijsken, die eindelijk de toedracht van de zaak begrepen, ook in dolle uitgelatenheid hun wilde pret uitschaterden. Toen zij eindelijk tot bedaren kwamen vroeg Vaprijsken, nog half ongeloovig, om het bankbriefje te mogen zien; en hij werd stil van eerbied terwijl Alfons het als een heiligdom te voorschijn haalde en het hem van verre liet bewonderen.
"Nondedzju!" riep hij, de tabakspruim, die hij kauwde, als van wellust in zijn mond omkeerend.
Weer slenterden zij met hun vieren door de straten, doelloos, gapend-rondkijkend, hinderlijk voor de overige voetgangers, die telkens op het trottoir om hun trage viertal heen moesten, als water om een klip. Maar 't was reeds over twaalf, La en Vaprijsken kregen honger, en de laatste stelde voor dat zij ergens wat zouden gaan eten en vooral de flesch wijn uitdrinken waarop Alfons nu met zijn honderd frank waarachtig wel trakteeren mocht. Alfons stemde toe, en in een groepje stonden zij nu even weer midden op het kruispunt van vier straten, wantrouwig-aarzelend rondkijkend, of zij ook ergens een geschikte herberg zagen. Doch zij ontdekten niets dat hen bepaald aanlokte en daar zij ieder oogenblik op zij gedrongen werden door het druk verkeer van voetgangers en rijtuigen, raadde Vaprijsken aan om weer naar die herberg bij het station te gaan, wat zij ook deden.
Loom en moe reeds van de benauwende stadsdrukte en het doelloos slenteren, kwamen zij voor de tweede maal in 't herbergje en Alfons vroeg aan den dikken baas, die in grijs linnen jasje achter de schenktafel stond, of zij iets te eten konden krijgen.
"Iets kaud, joa," antwoordde kortaf de man; en hij wees naar zijn schenktafel, waar stukken koude roastbeef, ham en kaas op groote borden onder glazen stolpen stonden. Er was ook een mandje vol met hard-gekookte eieren.
Vaprijsken trok zijn neus op. Hij had gehoopt iets warms, iets van "teelkost" te kunnen krijgen. Maar La deelde hem mede dat zij 's avonds bij vader en moeder van Dalen teelkost in overvloed zouden krijgen, en dat vooruitzicht troostte Vaprijsken en deed hem reeds op voorhand lekkerbekken. Na lang aarzelen en overwegen bestelde Alfons voor La en Vaprijsken twee groote porties "rosbuuf en hespe" en voor hemzelf en Rozeke, die na al hun chocola met broodjes nog geen honger hadden, slechts twee gekookte eieren. En meteen bestelde hij ook, plechtig, als gold het een daad van belang, "'n flassche wijn."
"Reuën of witten?" vroeg de baas van achter zijn schenktafel.
Gewichtig raadpleegden zij even elkaar.
"Reuën," zei eindelijk Alfons.
"Van den ordinairen of van den besten?"
Weer staken zij de hoofden samen.
"Hoevele scheelt het in de prijs?" vroeg Alfons.
"Twie fran en drei fran."
"Van den besten dan," besloot Alfons.
Zij aten en dronken. Vaprijskens leuke oogen glinsterden. Zijn gele baard ging onophoudend op en neer, in gelijkmatige kadans, als een heel eigenaardige mekaniek, die door iets automatisch in beweging werd gebracht. Hij sneed zijn vleesch, dik met mosterd bestreken, in gelijke stukken op kubieke hompen brood, en telkens na het slikken dronk hij een teug van zijn wijn, schalks knipoogend naar de anderen, als voerde hij iets heel ondeugends uit, waarin hij groote, stille pret had. La ging plotseling, zonder merkbare oorzaak, weer aan 't schaterlachen en beweerde dat de wijn haar naar het hoofd steeg; Alfons en Rozeke zaten een beetje lusteloos, de maag wee-overladen en vagelijk van streek door te veel zoete chocola en broodjes.
Na den wijn en het eten dronken zij koffie met suiker in groote glazen, --wat hen eerst verbaasd deed lachen--en Alfons trakteerde ook Vaprijsken met sigaren. Toen spraken zij weer over nicht Begijntje en hadden nog even pret om de Tobias-historie; maar langzamerhand begonnen ze zich toch te vervelen, en weldra vroeg Vaprijsken wat zij nu verder met hun middag zouden doen.
Rozeke en La stelden voor om nog wat in de stad te gaan wandelen en naar de winkels te kijken en misschien 't een of 't ander te koopen; doch de mannen hadden reeds meer dan genoeg van de winkels en zochten naar iets anders zonder het evenwel te vinden.
"We'n keunen hier toch nie heul den dag in die hirbirge blijve zitten," zei Rozeke een beetje wrevelig.
Alfons keek haar even van ter zijde aan. Haar mooie oogen stonden stroef en haar lipje hing een beetje neer. Hij had al meer gehoord dat ze soms wel een ietsje grillig kon zijn; hij had het zelfs een paar keer ondervonden al. Nu ook. Hij glimlachte zoet en nam streelend hare hand onder de tafel. Half pruilend nog keek ze naar hem op, maar het lieve en aardige in haar karakter nam dadelijk weer de overhand en haar heldere oogen lachten hem glinsterend tegen, als zonnestralen door een vluchtig onweerswolkje.
Plotseling had Vaprijsken een inval.
Weet-e watte! loat ons elk van zijne kant goan!" riep hij. "La mee Rozeke in de wijnkels en ik mee Fons ievers elders."
Maar Rozeke, die 't oogenblik te voren wellicht zou hebben toegestemd, was er thans niet meer voor te vinden.
"Op onzen treiwdag van mijne veint wigleupen! nien ik, daor! 'K ben bij hem en 'k goa mee hem mee woar dat hij wilt!" riep zij, als een bedorven kind. En zoet legde zij haar handje in de zijne en drukte die teederlijk.
"Al gezeid!" lachtte Vaprijsken. "Hawèl weet-e watte: loat ons al te goare mee den elektriek rond-rijën!"
Dat was een heerlijk voorstel en zij juichten 't toe. Ja, met de electrische trams rondrijden, van den eenen in den anderen, zoover ze liepen! Dat was iets nieuws, dat kenden ze nog niet, dat zou pleizierig zijn!
Zij verlieten de herberg en stapten lachend in den eersten tram den besten, die klaar stond om te vertrekken.
"Woar noartoe?" vroeg de conducteur.
"Noar 't ende van de weireld!" schertste Vaprijsken.
En zij reden. De mooie winkelstraten, met schitterpracht van uitstallingen, de stille ouderwetsche buurten, met groote, donkere, deftige huizen en indrukwekkende kerken, de vuile krioelende voorstad met lange, rechte straten vol grauwe arbeiderswoningen en reusachtige fabrieks-gebouwen, ze reden 't alles zoo gemakkelijk af en langs, in telkens afwisselende belangstelling voor in-en-uitstijgende reizigers, tot zij weldra heelemaal buiten waren, midden in vuilnis-terreinen met half-gesloopte werven en loodsen, waar de tram eindelijk stilhield en zij verzocht werden om uit te stappen.
"Ah, Vaprijs, da es 'n scheune streeke woar da g' ons hier gebrocht het, zille; 'k moak ou mijn kompliment," gekscheerde Alfons om zich heen kijkend. Ook La hield Vaprijske voor den gek, vragend of hij hier wellicht een lief had zitten. Maar Rozeke, de oogen nog vol van de glinstering der schoone winkels die zij slechts in het vlugge voorbijsnorren van den tram gezien had, werd opnieuw misnoegd en pruilerig en verlangde reeds zoo spoedig mogelijk terug te keeren. Zij stonden daar even als verdwaald: geen van allen wist nog waar naartoe; zij vonden er niets beters op dan met denzelfden tram naar de stad terug te rijden, en daar opnieuw te blijven slenteren en hangen, en nog eens wat te eten en te drinken, en nog eens in en uit de winkels en bazars te loopen, tot het eindelijk tijd werd om den trein huiswaarts te nemen.
Zij waren moe en beu. In 't kort trajectje op de spoor vielen Rozeke's oogen toe en zonk zij weg in slaap. Alfons, met hare hand zacht in de zijne voelde eveneens een loome slaaplust in zijn hersens suffen; en hij hoorde nog te nauwernood, in 't knarsend-ruischen van den trein, het lachgepraat van La en Vaprijsken, die elkaar met grapjes trachtten op te winden. O, slapen, rustig naast elkander mogen slapen, na een zoo langen dag van afmattend slenteren en hangen! Maar knarsend op zijn remmen hield de trein plotseling met een korten schok stil en beiden schrikten zuchtend uit hun sluimering, terwijl het portier, wijd-opengerukt, een frissche, koele tocht naar binnen deed stroomen. Zij waren er; haastig hobbelden zij uit den wagen en stonden op 't perron.
De avond was gevallen. Zoodra zij uit de drukte van het klein station kwamen, bevonden zij zich in stille duisternis op een eenzamen steenweg tusschen twee rijen jonge eikenboompjes. Een paar rijtuigen, die reizigers waren komen afhalen, reden hen in de glinstering van hun lantarens voorbij, en in een daarvan meende Rozeke den baron en de barones van het kasteel te herkennen. Zij verbaasde zich zeer. Sinds een paar maanden waren zij reizende, en na den middag der slijting had Rozeke van haar voorname vriendin jonkvrouw Anna ook niets meer gemerkt. Koffers stonden boven op de omnibus: wellicht keerden ze juist nu van de reis terug. Maar hoe kwam het dan dat zij hen noch bij 't vertrekken van den trein, noch hier aan 't kleine station gezien had?
"Zat mejonkvreiw Anna euk in de voiture?" vroeg Alfons.
Rozeke wist het niet, zij had het niet goed kunnen zien; maar zij dacht wèl dat de jonkvrouw er bij was en haar hart popelde van ongeduld en vreugd in het vooruitzicht haar wellicht spoedig weer te ontmoeten.
"'K weinsche dat die jongen b'ron d'r euk bij woare en dat hij ons van den oavond nog ne kier mee 'n gouwstik van twintig fran kwam trekteeren," lachte Vaprijsken.
"Zoe da nou heur lief zijn?" riep La.
Geen van allen wist die vraag te beantwoorden. Niemand in 't dorp had er verder iets van gezien of gehoord; men wist zelfs niet wie hij was en of hij op 't kasteel vertoefd had; maar Rozeke voelde instinctmatig dat hij en de jonkvrouw elkander liefhadden en zij brandde van verlangen om er wat meer van te weten. In stil gepeins daarover liep zij even zwijgend in de duisternis naast Alfons, terwijl La en Vaprijsken in stoeiende pret reeds enkele schreden vooruit waren.
Zacht legde hij zijn arm om haar middel en drukte haar tegen zich aan.
"Rozeke, woarop peist-e dan?" streelde hij.
"Op ou," sprak ze heel zacht, verliefd-glimlachend in het donker naar hem opkijkend.
"Op mij alliene?" plaagde hij.
"Op ou en op mejonkvreiw Anna; 'k zoe toch wel wille weten of dat die jongen b'ron heur lief es, en of ze mee hem zal treiwen, en of ze gelukkig zal zijn."
"Zij-je gij gelukkig, Rozeke?"
"Joa ik, o joa ik, Fons," streelde haar stem, met een teedere intonatie van zalig-ontroerde overtuiging.
"We zillen allen twieë zeu gelukkig zijn, e-woar, mijn Rozeke?"
"O joa w' Fons, o joa w' Fons."
Zij liepen samen met gelijken tred nauw tegen elkander aangesloten, voelend, als een groot geluk van innig één-zijn, de zacht-levende warmte en de lenige beweging van elkanders lichaam. Hij was niet groot en niet sterk, eerder fijn en tenger voor een man, maar hij voelde haar nog zooveel fijner en tengerder en ook zwakker dan hemzelf en dat gevoel gaf hem grootere kracht en sterkte dan hij wezenlijk bezat, om haar steeds teeder lief te hebben en haar te beschermen. Al zijn loome moeheid van het suffig slenteren in de stad was eensklaps voorbij, de zachte frischheid en 't mysterie van de duisternis verkwikten hem, hij keek op naar de heldere sterren die tintelden in 't donkerblauw uitspansel tusschen de zwarte kruinen van de boomen en dan weer rechts en links naar de hier en daar nog vaag zichtbare velden, waar krekels droomerig zongen tusschen de laatste haverschoofjes van den lieven zomer, die daar ook als geheimzinnig-omstrengelde liefdesgestalten op de naakte stoppelvelden stonden, en het werd hem zoo heerlijk-zacht en rustig- zeker in zijn binnenste te moede, het werd zoo zalig van vertrouwd geluk en goede, kalme toekomst. Hij sprak niet meer, hij kon niet meer spreken; hij hield haar heel héél innig-zacht tegen zich aangedrukt, en streelde hare wangen met zijn teerbevende hand, en zoende haar eindelijk op de zoete lippen, met lange, lange zoenen en gesloten oogen, terwijl hij niets kon zuchten dan haar steeds herhaalden, lieven naam:
"O Rozeke, Rozeke, mijn Rozeke....
Links vóór hen uit, in 't donkere van den nacht, laaide plotseling een roode gloed op en tegelijkertijd bomden in de verte, kort na elkaar, drie dreunende kanonschoten.
"Zie-je 't vier? Heurt-e ze?" riep Vaprijsken, in de duisternis tot Alfons en Rozeke zich omkeerend.
Hartstochtelijk knelde Rozeke Alfons' hand in de hare. Ja zeker, zij zagen en zij hoorden het en wisten wat het was: de avondpret in het gehuchtje waar haar ouders woonden en waar de terugkomst van de jonggehuwden door het volk gevierd zou worden. Hooger en rooder flakkerde de vuurgloed op en opnieuw bomden de kanonnen, terwijl ze reeds van verre het verdoofd gejoel hoorden van 't jonge volkje, dat zeker al om den brandstapel een wilde ronde danste.
Zij liepen haastiger, met ongeduldig-jagend hart en sloegen links den landweg in, die naar 't gehuchtje leidde. Zwaarder dreunden de kanonnen, schriller galmden de vreugdekreten, terwijl het vuur, door het gewirwar van struikgewas, van verre op een boschbrand leek. En plotseling kwamen zij in 't zicht en een lang hoezee-geroep begroette hun verschijning, terwijl eensklaps, door onzichtbare handen, een lange snoer van in elkaar gevlochten bloemen dwars over den weg werd gespannen, om hun den doortocht te beletten.
Glimlachend trad een klein, in 't wit gekleed meisje uit een groep naar voren, met een papiertje en een bloemruiker in de hand; en bij het in rooden gloed tegen de huisjes opflakkerend houtvuur las het een gedichtje voor:
Welkom van uwe reis, Alfons en Rosalie Die nu zijt in den echt getreden En bij uw ouders Leo en Marie, Dezen avond het feestmaal zult eten. De gansche buurt heeft zich in uw geluk verblijd En hoopt dat gij veel lange jaren Tot spijt van wie 't benijdt Als man en vrouw zult blijven paren.
Gejuich en hoezees klonken in kanongebulder op, de bloemen werden overgereikt, Alfons en Rozeke dankten, het snoer werd neergelaten en 't oogenblik daarna waren zij met de trouwgasten en andere genoodigden in vader van Dalen's huisje, waar een lange tafel klaar gedekt stond, terwijl het volk daarbuiten, mild getrakteerd op bier en jenever, in den helderen Septemberavond rondom het krakend en sissend, met groote armvollen versch hout gevoede vuur, luidruchtig bleef joelen en dansen.
Zij praatten en lachten en aten, eerst "karbenoaden en saucietjes" met aardappels en daarna pannekoeken die zwommen in melk, met boter en met bruine suiker. Het bier stroomde overvloedig en de koffie stond geurend op 't fornuis te dampen. Behalve Rozeke's ouders en broeders waren daar ook velen van de makkers met wie zij in de zomerdrukte op boer Kneuvels' hoeve werkten, en zij hadden allen dolle pret en haalden grapjes uit, een beetje dronken reeds van 't joelen om het houtvuur. De dikke moeder van Dalen liep hijgend en zweetend, van 't fornuis naar de tafel om een ieder te bedienen, en vader deed een beetje buitensporig, den broekband los en in zijn hemdsmouwen, om de beurt verteederd en trotsch uitgelaten, nu eens klagend dat hij zijn oudste dochter in huis niet missen kon en dan weer pochend dat zijn dochter trouwde met een jongen van fortuin, die als een rijke boer zou kunnen leven, wanneer hij eenmaal 't erfdeel van zijn nicht Begijntje had.
Vaprijsken's leuke oogen glinsterden van ondeugende pret en zijn spotmond lachte in zijn gelen baard. Hij keek naar Rozeke en Alfons, die zelven met moeite zich bedwingen konden, al beduidden zij hem ook telkens dat hij zwijgen moest. En plotseling flapte hij 't er proestend uit:
"Op conditie dat hij leeft gelijk den heiligen Tobias!"
"Wa vertelt-e gij, doar?" vroeg vader van Dalen wenkbrauw-fronsend in zijn pochen gestoord.
"Ge'n meug nie, ge moet zwijgen, Vaprijs!" vermaanden Alfons en Rozeke, half boos, half lachend.
Maar in de nu algemeen opgewekte nieuwsgierigheid kon Vaprijsken het niet langer onder zich houden; en hij vertelde in één adem heel de historie.
De mannen schaterden, de meisjes kronkelden zich met roode gezichten en glinsterende oogen op haar stoelen. Moeders zweetstralende, heete wangen lodderden tot in haar hals en haar zwaar buikje stond als met kleine, korte schokjes tegen de kachel aan te huppelen, terwijl haar hooge lachstem klokte en kakelde, als het gekrijsch van een leggende hen; en vader zat daar stom en roerloos even, verbluft en overdonderd, zijn helder oog rond als een glinsterkogel op Vaprijsken, zijn doode oog als in slaap of treurnis half gesloten. Maar plotseling begon het goede oog te knippen en te twinkelen terwijl zijn mond wijd open ging; en op zijn beurt proestte hij 't eindelijk uit, zóó hevig dat hij zich verslikte en van zijn stoel opsprong, den rug gekromd en de handen op zijn knieën, als in stuiptrekkingen. Hun wild geschater en gegil werd tot op den weg gehoord en de pretmakers lieten even hun vuur in den steek om nieuwsgierig door de raampjes te komen luisteren en kijken. Zij schaterden en gilden van buiten mee zonder te begrijpen wat er gaande was en een aantal kwamen zelfs, ongevraagd, binnen.
Zij waren er welkom, de heele buurt was er welkom, het was een dag van uitgelaten leute, en moeder schonk en gaf er maar op los: dreupelkes jenever, kannen bier, meetjeskonte, voor al wie er van wilde. Haast heel het klein gehucht kwam daar weldra bijeengestroomd, maar 't werd er zoo benauwd en stikkend, dat de een na de ander spoedig naar buiten vluchtte en allen op den duur midden op den kruisweg weer rondom het houtvuur gingen joelen. De trouwers en de gasten trokken mee en volop werd de pret er voortgezet. Vader van Dalen liet opnieuw bier, jenever en meetjeskonte halen in den "_Graeve van Halfvasten_," de herberg aan den overkant; armvollen hout werden van alle kanten bijgehaald, en hoog en rood in grijze kolken rook flitste de brandgloed op, verlevendigend met snelle weerlichten en vegen, de fantastische gezichten en gestalten der in breeden kring woelende menigte. Reusachtige schaduwen dansten gedrochtelijk uit over de hel verlichte gevels en tot op de daken der omringende huizen en de rood-beglansde bladeren van heggen en van boomen ritselden soms als levend klatergoud.
En in dien vreemden, onreëelen toovergloed zag plotseling Rozeke een man daar staan, aan wien zij niet meer had gedacht en dien zij nooit op deze plaats en op dit uur verwacht zou hebben: Smul, boer Kneuvels' paardenknecht! Zij zag hem staan, heel achteraan en heel alleen, geleund tegen den gelen gevel van den _Graeve van Halfvasten_, de pet laag op het voorhoofd, den rossen knevel als een zware streep dwars door het bar gezicht, de stuursche oogen strak op haar gevestigd. Het was haar plotseling te moede alsof een onverwachte ongeluksbode een droeve schaduw over haar jong en frisch geluk uitspreidde en instinctmatig, als in schrik, deinsde zij even achteruit. Wat stond hij daar te doen? Waarom was hij er gekomen? Was het uit haat, als uitdaging?... of was het uit liefde?... uit lijdende, kwellende liefde?
Zij voelde plotseling een vreemd medelijden. Zij toch was gelukkig en dat was hij zeker niet. Zij was bang voor hem, vreeselijk bang,--de herinnering aan zijn woeste aanranding in 't koren kon haar nog doen ijzen--maar, had hij haar ook niet het leven gered? Het kwelde haar dat hij daar nu zoo norsch en zoo alleen stond; zij had hem willen mee zien dansen met de anderen in de vreugderonde om het knappend vuur, en toch schrikte zij ontzettend bij de gedachte dat hij in den kring zou komen en wellicht pogen zou met haar te spreken. Eensklaps zag ook Alfons hem staan. "Kijk ne kier die sloeber doar! wa komt-ie hij hier doen!" riep hij bijna hardop, verbolgen uit. Maar Rozeke suste hem spoedig met angstige woorden:
"Zwijg, zwijg, geboart da g'hem nie'n ziet."
Doch Rozeke's broeders en ook anderen die Smul kenden, hadden Alfons' uitroep gehoord en staarden boos, dreigementen brommend, naar de sombere gestalte van den paardenknecht tegen den gevel van het herbergje. De uitgelaten jool verzwakte en verstomde; allen keken met wantrouwend ongenoegen naar den stoeren kerel, die door zijn enkele verschijning de pret gestoord had; en reeds trad Miel, Rozeke's oudste broeder, ondanks haar smeeken, beslist op hem toe, toen eensklaps, in de verte, in 't onzichtbare van den donkeren nacht, een donderend gedruisch, als van een snel-aanrollenden trein, alle hoofden met verbazing om deed wenden.
"Wa es dàtte? Wa komt er ginter?" riepen allen verschrikt uit elkaar stuivend.
Een vage wit-gele gloed, als van ononderbroken verre weerlichten, flitste dansend in 't verschiet op de boomstammen en heesters bij een bocht van den weg; het werd al lichter en al grooter in een steeds hooger en zwaarder opdreunend geraas, en plotseling fonkelde de flikkerstraling van twee groote, gele vuuroogen in 't zwarte van den nacht, oogen als van een onbekend, reusachtig vuurbeest, dat blazend en snuivend in brieschende woede op de feestvierders kwam losgestormd.
"Nen odemebiel! nen odemebiel!" werd er van alle kanten te gelijk gegild. En een donkere bende holde den helderen lichtglans te gemoet.
Daar was hij!... Langzaam vertraagde zijn vaart en 't dreunend gedruisch verminderde. De meevliegende, helle lichtvlak der lantarens veegde de duisternis van vóór 't gevaarte weg: de boomen, de heesters, de menschen, de huizen, alles werd om de beurt pijlsnel beschenen, als met bundels sneeuwwit manelicht begooid en weer in duisternis gedompeld, tot het eindelijk vóór het huisje van van Dalen in den rooden gloed van het brandend houtvuur stilhield. Een dame en een heer, gedrochtelijk toegetakeld met mantels, capuchons en groote brillen, stegen uit den lagen, langen, grijs-bestoven wagen, die enkel twee smalle zitplaatsen had; en de dame, plotseling een dik voilet oplichtend, vertoonde haar frisch en mooi gelaat aan de verbouwereerde menigte en zei, terwijl zij met uitgereikte hand en lieven glimlach recht op Rozeke toetrad:
"Rozeke, ik wist dat het vandaag uw trouwdag was en ik heb u van mijn reis een cadeautje meegebracht."
"Och Hiere God, mejonkvreiw Anna!" riep Rozeke met star-verbaasde oogen, plotseling haar voorname bescherm-vriendin herkennend.