Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1

Chapter 5

Chapter 53,754 wordsPublic domain

Alfons' oude moeder en Rozeke's beide ouders waren meegekomen. Vaprijsken, als een zomervogel in 't groengeel gekleed, was trouwvaârke, en La, in 't donkerbruin, met schel-blauwe bloemen op haar hoed, was trouwmoêrke. Verder dienden drie ambachtslui uit de buurt, doorgaans voor dergelijke gelegenheden op het laatste oogenblik van hun werk gehaald, tot huwelijksgetuigen. In de afwezigheid van meneer de Latour-Champlon, den baron-burgemeester en jonkvrouw Anna's vader, werden zij door meneer Waelckens, den eersten wethouder, in de secretarie van het gemeentehuis, met openstaande deuren, getrouwd. De plechtigheid was spoedig afgeloopen. Meneer Provijn, de secretaris, een slaperige, bleeke dikkerd, met vet-glimmend vest, zanikte de lezing van de huwelijksacte voor, terwijl meneer Waelckens, met gansch andere dingen bezig, de gelegenheid van zijn komst op het gemeentehuis waarnam, om met gefronste wenkbrauwen van verveling talrijke malen zijn handteekening op lijvige, gele registers te krabbelen. Hij kwam eerst ter zake toen de secretaris zijn zeurige voorlezing even onderbrak en vragend-wachtend naar hem opkeek.

"Zijn we'r?" vroeg hij.--En, op een bevestigend hoofdgeknik van den slappen secretaris, keerde hij zich tot Alfons' oude moeder en stelde de sacramenteele vraag:

"Vreiw Urzela van de Weghe, verkloart-e gij toe te stemmen in 't huwelijk van ouë zeune Alfonsus Josephus van de Weghe mee Irma Rosalia van Doalen?"

"Joa ik, menier de schepen," antwoordde dof en heesch het ziekelijk oudje.

Meneer Waelckens keerde zich tot Rozeke's vader om:

"Constantinus Ludovicus van Doalen, verkloart-e gij toe te stemmen in 't huwelijk van ou dochter Irma Rosalia mee Alfonsus Josephus van de Weghe?"

"O ba joa ik, menier Woalkes; ze'n moên maar zien e-woar da z'ulder deveuren doen om aan de kost te komen," antwoordde glimlachend de vader.

"En gij, vreiwe, stemt-e gij euk toe?" vroeg meneer Waelckens aan Rozeke's moeder, zonder op vaders grappigen toon in te gaan.

"Ha, 'k zal wel moeten, e-woar; maar 't es spijtig da ze nog zeu jonk es."

"Joa moar, stemt-e toe of stemt-e niet toe?" vroeg meneer Waelckens met een begin van ongeduld.

"O joa joa ik, joa joa ik, menier Woalkes. Z'n moên ulder moar weiren, e-woar? W'hên't wij euk moeten doen om deur 't leven te komen."

Meneer Waelckens, 't gelaat steeds ernstig en de wenkbrauwen in verveling gefronsd, wendde zich tot Alfons:

"Alfonsus Josephus van de Weghe, verkloart-e gij tot wettige huisvreiwe te nemen Irma Rosalia van Doalen?"

"Joa ik, meneer de schepen," antwoordde kalm Alfons.

Meneer Waelckens keerde zich tot Rozeke:

"Irma Rosalia van Doalen, verklaart-e gij tot wettigen echtgeneut te nemen Alfonsus Josephus van de Weghe?"

Ja ik, menier de schepen," fluisterde Rozeke zacht.

"In noame der Wet verkloar ik ulder deur het huwelijk verienigd!" orakelde meneer Waelckens.--En zonder verder notitie van hen te nemen verdiepte hij zich weer in handteekeningen-krassen op de lijvige registers, terwijl de secretaris, met zijn slappe, toonlooze zeurstem, de langdradige lezing der acte voortzette.

Rozeke zat stil-ontroerd en vreemd te moede. Heel diep in haar binnenste lag de ontroering, want al het uiterlijk der plechtigheid leek zoo gewoon en oppervlakkig dat er geen emotie tot haar van door drong. Die vadsige, trage secretaris, die stugge wethouder, die drie getuigen in hun werkpak, die stoffige registers in de hooge, houten kasten om de muren, en ook de welbekende alledaagschheid van haar ouders en zijn moeder, van Vaprijsken en van La, 't was alles of het niets te maken had met de gewichtige gebeurtenis waarvoor zij daar vereenigd waren, en die nu plotseling als een omwenteling in haar leven zou te weeg brengen. Zij voelde al dat uitwendige zoo koud, zoo vreemd en onverschillig, bijna als iets vijandig-dreigends over haar jong en frisch geluk. Hare gedachten dwaalden van de werkelijkheid af, vlogen in 't ronde om haar heen, als gejaagd-zoekende vogels, die uit alle oorden de gebeurtenissen van 't verleden weer in haar geheugen brachten. Zij dacht aan het verwilderd hollen van de paarden met den wagen, en 't akelig grijnsgelaat van Smul rees eensklaps als een duivelsche verschijning vóór haar op. Zij schrikte ervan tot in haar ziel en haar zachte oogen staarden angstig even vóor zich uit. Zij dacht aan jonkvrouw Anna, het mooi, lief meisje van 't kasteel, dat haar altijd zooveel vriendelijkheid betuigde en dat zij, na dien middag op de slijting, niet meer had teruggezien. Had die haar dan vergeten en verlaten? Vreemd, zij voelde zich eensklaps als in eenzaamheid vergeten en verlaten, terwijl toch haast allen die zij kende en liefhad nu bij haar waren, om haar levensgeluk met hem, Alfons, den man van haar hart en haar keus, te helpen zegenen. En slechts aan hem alleen geloofde en hechtte zij met veilige zekerheid, als aan den eenigen steun van bescherming, die haar tegen alle levensgevaren zou behoeden. Tranen van zalige ontroering kwamen even in haar oogen en van terzijde keek zij hem aan, in volle overgave van haar gansche wezen. Hij glimlachte haar zachtjes tegen, met zijn mooie, donkere oogen, alsof hij haar begrepen had en zoet gerust wou stellen. Toen werd het haar te machtig: zij moest hem even aanraken, hem even voelen. Zacht-langzaam-zoekend strekte haar hand zich naar hem uit, terwijl haar oogen stil-behoedzaam op het kwabbig-dik gezicht van den saai-voorlezenden secretaris gevestigd bleven. En als in een wederzijdsche strooming van onbedwingbare versmelting tot één wezen, raakten zij elkanders vingers zonder naar elkaar op te kijken en wisselden zij, plechtig als een stillen eed, de zwijgend- omknellende belofte van hun onvergankelijke liefde.

Toen de secretaris eindelijk met zijn lezing klaar was stonden zij op, eerst Alfons en dan Rozeke en beiden zetten langzaam, met bevende vingers, hun handteekening onderaan de acte. Het was als de bezegeling van hun zwijgenden liefdeseed. Geen een van de anderen, behalve Vaprijsken, waren geleerd en konden hun naam zetten. Zij teekenden met een kruisje. De overige drie getuigen: een smid, een bakker en een zadelmaker teekenden ook, en laatst van allen onderteekenden meneer Waelckens en de dikke secretaris.

"Es 't spel hier gedoan?" vroeg luchtig vader van Dalen.

"'t Es gedoan," antwoordde de secretaris, zijn pen afvegend.

"Kurt en goed, e-woar?" schertste een der getuigen.

"Joa," lachte vader van Dalen, blij dat hij even lachen kon, "kurt en nie kurt; 't es gauwe gedoan, maar 't duurt lank."

Hij keerde zijn vriendelijk gezicht met het eene helder-levend oog en het andere wit-dood oog naar den stroeven wethouder en naar den slappen secretaris en vroeg of hij hen met iets trakteeren mocht.

"Merci, van Doalen, 't es te vroeg," bedankten zij.

"Lijk of ge wilt menieren; 't wordt ulder toch hertelijk gejoond," zei vader. Hij groette, en met al de anderen en de getuigen verliet hij de secretarie en opende de deur vlak tegenover in den gang, waar de herbergkamer van het gemeentehuis was.

De trouwers en de ouders werden er door de waardin proficiat gewenscht, en zij dronken er een "dreupelken" met de getuigen, en de mannen ontstaken een pijpje. Toen gingen zij langzaam in een troepje naar de kerk, waar 't klokje reeds de jonge echtgenooten voor de trouwmis opriep.

Na de plechtigheid in de kerk, die ook heel kort en haastig verliep, omdat er nog dienzelfden ochtend een groote begrafenis van een ouden heereboer moest plaats hebben, werden allen door vader en moeder van Dalen in _d'Ope van Vrede_ op warme chocolade en krentebroodjes getrakteerd, en dadelijk daarop vertrokken de trouwers met het trouwvaarke en 't trouwmoerke te voet naar 't naastgelegen kleine station, om verder den dag in Gent door te brengen.

"Nichte Begijntje nie vergete zille!" riep Alfons' moeder hem nog eens vol bezorgdheid na.

"Meugen La en ik euk mee noar nichte Begijntje?" keerde Vaprijsken zich gekscheerend om.

Het oude vrouwtje pruttelde nog iets dat ze niet begrepen, en weg waren zij met hun vieren, haastig stappend naar het station, bang dat ze te laat zouden komen. Zij kwamen echter nog precies op tijd en holden zweetend met rood-hijgende gezichten in een derde-klas wagen van den reeds wachtenden, snuivenden trein.

* * * * *

Toen zij een half uur later in de drukte van het groote-stadsstation uitstapten, bleven zij even aarzelend midden op het woelig plein staan om te beraadslagen hoe zij hun vrijen dag besteden zouden. Zij hadden in 't geheel geen vastgestelde plannen, zij waren maar naar Gent gekomen omdat het nu zoo eenmaal de gewoonte was bij huwelijks-gelegenheden.

"Loat ons ievers om nen dreupel of'n pinte goan, we keunen d'r doar op ons gemak over klappen," stelde Vaprijsken voor. De anderen vonden 't voorstel goed en langzaam slenterend, verbouwereerd reeds in 't gejoel van trams en rijtuigen en fietsen, gingen zij naar de huizenreeks vlak tegenover 't station en kozen er een herberg uit van onaanzienlijk voorkomen, waar zij binnen traden.

"Ik zoe iest en veural noar nichte Begijntje wille goan," zei Alfons, toen zij gezeten waren.

't Idee werd goedgekeurd; maar La en Vaprijsken wisten niet wat zij in dien tusschentijd wel zouden doen.

"Goa mee," zei Rozeke, die tegen dit tweede bezoek aan nicht Begijntje heimelijk opzag.

Doch Alfons keurde dit voorstel beslist af.

"Nie nie, 'n doe da niet, ze zoe 't kunnen kwoalijk nemen," zei hij bezorgd.

Vaprijsken en La hadden trouwens ook niets geen zin om naar 't Begijnhof mee te gaan. Zij zouden de trouwers maar liefst tot aan de poort van het Begijnhof vergezellen, en daarna wat heen en weer gaan wandelen in de straten, en na een half uurtje of drie kwartier hen bij den ingang komen afwachten. Moest het gebeuren dat zij elkander daar niet troffen, dan zouden zij elkaar tegen twaalf uur hier in de herberg terugvinden.

Zoo werd besloten en zij gingen heen. Op een slenterpasje, elk oogenblik stilhoudend bij de uitstallingsramen der winkels, de meisjes voor, de mannen achter, telkens op zij gestooten en geduwd door vluggere voorbijgangers, spotachtig aangekeken door nieuwsgierigen, en af en toe in verbouwereerd troepje opgehouden aan drukke kruispunten van tramlijnen en straten, kwamen zij eindelijk, in een lange, ouderwetsche straat voor de gesloten, groene poort van het Begijnhof aan.

"Allo, tot binnen 'n half uur of drei koartiers," zei Alfons, de zware klink optillend.

La liep reeds vooruit alsof ze bang was om gezien te worden, maar Vaprijsken kwam met een schalkschen glimlach eventjes terug en fluisterde schertsend:

"Zeg, as nichte Begijntjen ou 'n gouwstik van twintig fran geeft, lijk dien baron, van de zomer, op de slijtijnge, trekteert-e mee'n flassche wijn?"

"Joa ik," knikte Alfons glimlachend; en hij duwde de poort open.

* * * * *

Plotseling, zonder overgang, kwamen zij van de roezige drukte der straat in heerlijke, volkomen stilte. Buiten het kort, smal gangetje, waar het huisje der portierster stond, die even, vriendelijk glimlachend onder 't wit kornetje, op haar drempel naar de bezoekers kwam kijken, strekte zich een ruim en vierkant grasveld uit met boomen, waar koeien vreedzaam als in weiland graasden; en overal rondom, achter witte muurtjes met gesloten groene deurtjes, vertoonden zich, omgeven van hun kleine tuintjes, de rood-en-witte trapgevelhuisjes der couventen. De kerk stond op een hoek, verweerd en grijs als een monument van hoogen ouderdom, met groote boogvensters vol kleine kleurenruitjes en met grillig klokkenspel op fijn-gekanteelden, slanken toren. Zwartgerokte, wit-gekornette begijntjes liepen ingetogen langs de witte muurtjes, verdwenen geheimzinnig in de groene deurtjes, schreden met korte, vlugge pasjes, over 't breede grasveld naar het kerkje toe. Een paar waren er bezig met wit waschgoed op een hoekje van het groene veld te drogen uit te leggen, en het kwam Rozeke voor of het werkelijk waschvrouwtjes waren, keurig-nette waschvrouwtjes, met jonge, roze, lachende gezichten, en of het gansche vriendelijk Begijnhofje, wit-en-groen-en-roze glinsterend in de zoete najaarszon, iets was van stille, wereldlijke frischheid, iets waar alles weer heel jong en zacht en rein werd, door een zorgzame, teedere bescherming tegen alle schendende ruwheid, tegen alle smet van buiten schroomvallig gevrijwaard.

"Da ès hier toch amoal stil en scheune!" juichte Rozeke, met van verrukking in elkaar geslagen handen.

Maar Alfons zei dat ze geen tijd mochten verliezen, en zacht trok hij haar uit haar verraste bewondering mee naar links, langs een der witte muren met de groene deurtjes, waarachter, midden in hun kleine tuintjes, de wit-en-roze couventen-huisjes zoo liefelijk in de blauwe lucht trapgevelden.

Rozeke, door een schuchteren eerbied bevangen, las, als bij haar eerste komst in het Begijnhof, in 't voorbijgaan de verschillende namen der couventen, met gele of witte letters op de groene deurtjes geschilderd: H. Antonius van Padua, H. Aloysius van Gonzague, H. Nicodemus, H. Ignatius van Loyola, couvent Ter Velden, couvent der Onbevlekte Ontvangenis, couvent Ter Bloemen.

Dáár was het. Alfons belde bescheiden aan 't ijzeren roedje met glimmend-koperen knop, dat aan den witten muur naast het groen deurtje hing.

Zij wachtten even, Rozeke met van ontroering kloppend hart. Toen hoorden zij een stillen, vluggen pas over een grintpad achter 't muurtje en 't oogenblik daarna schoof een gerasterd spiegat in het deurtje open en vertoonde zich achter het tralienet een frisch, jeugdig gezicht met hagelblank kornetje, dat als een groote, wit-en-roze, stil-levende bloem op onzichtbaren stengel, midden uit al de andere, slanke stengel-bloemen en heesters van het smal tuintje scheen op te rijzen.

"Es mesoeur van de Weghe thuis?" wilde Alfons vragen. Maar, nog vóór hij den tijd had het uit te spreken, trok het vriendelijk-glimlachend gezicht van 't jong begijntje, dat hem dadelijk herkend had, achter 't judasraampje zich terug, en meteen ging 't groene deurtje zachtjes open en werden zij verzocht te willen binnenkomen.

Zij traden binnen, eerst Alfons en dan Rozeke. Het jong begijntje keek 't jong bruidje even aan, met vlug-opslaande oogen, die dadelijk weer zedig naar beneden staarden, terwijl zij 't deurtje dichtdrukte en 't judasje weer toeschoof.

"Wilt-e moar meekomen?" verzocht zij hen met zachte, ingetogen stem; en zij liep hen even, over het smal en kort grintpaadje, tusschen de heesters en de bloemen-perkjes voor, en opende nu ook de deur van het wit-en-roze trapgevelhuisje.

Zij stonden in een korten, rechten, geelgekalkten gang met bruine deuren aan de beide zijden en een helle, matglazen tuindeur aan het uiteinde. Het jong begijntje opende het eerste deurtje links, verzocht hen even te gaan zitten, en verdween.

Door schuchteren eerbied bevangen, keek Rozeke om zich heen. Een ronde tafel met een grijsbruin kleedje stond in 't midden van de tamelijk ruime, ietwat kille kamer, op den kraak-zindelijk-geboenden, rooden tegelvloer. Konterfeitsels van heiligen en pausen hingen, achter glas, in mahoniehouten lijsten aan de witgekalkte muren, en midden op den schoorsteen zonder spiegel was een kolossaal bruinhouten Christusbeeld met akelig-gefolterd aangezicht onder de scherpe doornenkroon en met bloedende, aan 't kruis gespijkerde handen en voeten. Door de witte gordijntjes der kleingeruite vensterraampjes zagen zij de bloemen en de heesters van het tuintje, en over 't witte muurtje het massieve grijze schip met slanken klokketoren van de kerk achter het groene grasveld.

"Zet ou moar," fluisterde Alfons tot Rozeke.

"'K en durve bijkans niet," murmelde zij.

"Woarom niet? Ge'n moet nie schouw zijn," drong hij aan. En hij ging zelf zitten. Maar het verschuiven van zijn stoel maakte zóó groot geluid over den tegelvloer van 't doodstil kamertje, dat zij er beiden haast van schrikten, alsof hij iets gedaan had dat niet mocht. Meteen hoorden zij in de gang het traag-naderend schuiven van slepende voeten, begeleid door het gekadanseerd tikken van een stokje.

"Stt!... z'es doar," fluisterde Alfons.

Langzaam, heel héél langzaam werd de deur geopend. 't Was of ze vanzelf open ging en of niemand zou naar binnen komen. Toen verscheen het onderste eind van een bruin-houten, scheef naar voren gedrukt stokje, toen de stijve onderrand van een zwarten rok, toen de helft van een wit-gekousden, dik-gezwollen voet: en eindelijk stond nicht Begijntje in de kamer, even roerloos-hijgend van de inspanning, steunend op haar stokje en op den arm van het jong verpleegstertje; nicht Begijntje kort en dik, het rimpelig gezicht wasgeel en gezwollen onder de witte kap, de doffe oogen fletsblauw, de dikke onderlip suffig-kwijlend naar beneden hangend. Een groote, bruine rozenkrans hing los over haar ingezakte en platgedrukte borst te schommelen, en zij zuchtte kreunend, alsof dat heel kort eindje steunend loopen haar uitermate had afgemat. Zij sloeg even haar fletsen blik op naar Alfons, die haar schuchter en eerbiedig groetend te gemoet kwam, maar dadelijk gingen haar oogen zich vestigen op Rozeke, en zij vroeg, hortend en hijgend, alsof zij zich het meisje en de reden van hun bezoek niet goed meer herinnerde:

"Zij-je van doage... meschien getreiwd... en es dat de vreiwe?"

"Joa w' nichtje Begijntje, en 'k kom ou Rozeke nog ne kier teugen, lijk of ik ou beloof ha," antwoordde Alfons.

Rozeke, innig benauwd en hoogkleurend van schaamte, wist niet wat ze zeggen moest. Ze stond daar doodsverlegen als een schuldige te glimlachen, en zij werd feitelijk onbeleefd door overgroote vrees van onbeleefd te zullen zijn. Het jong begijntje keek haar stil-glimlachend en als 't ware vriendelijk-meewarig aan.

"Z'es nog 'n beetse verlegen, nichte Begijntje," trachtte Alfons te vergoelijken.

Doch nicht Begijntje scheen niet onaangenaam over Rozeke gestemd, haar indruk was blijkbaar een nog gunstige: die eerbiedige schuchterheid beviel haar, en zij wees verwelkomend naar stoelen, terwijl zij zelve met de hulp van haar geleidster zuchtend in een breeden armstoel neerzakte.

Het jong begijntje scheen haar vragend iets in 't oor te fluisteren. De oude knikte goedkeurend en de jonge verdween, de bezoekers met nicht Begijntje alleen latend.

Zij zaten alle twee in stijve, strakke houding om de tafel, ver van elkander af, als vreemden, de oogen eerbiedig-ontzagvol gevestigd op de oude, rijke nicht, die, na nog eens herhaaldelijk gezucht en gekreund te hebben, hen nu met aamechtig-hijgende tusschenpoozen over verschillende dingen begon te ondervragen. Ze stelde voornamelijk belang in Alfons' moeder, omdat zij wist dat deze, evenals zij, oud en ziekelijk was, en wilde vooral weten waar het haar nu 't meest aanpakte: op den adem, in de zij of in de beenen. Toen deze nieuwsgierigheid bevredigd was begon zij opnieuw over haar eigen slechte gezondheid te zeuren, telkens herhalend dat zij toch geen recht tot klagen had, aangezien het onzen lieven Heer in zijn almachtige goedheid en wijsheid behaagde haar op aarde te beproeven om haar wellicht hiernamaals des te gelukkiger te maken. En eindelijk sprak zij over henzelven, over de plechtige gebeurtenis van hun huwelijk en hoe zij zich op zulk een dag als christelijke menschen behoorden te gedragen.

"Hét-ulder tot nou toe wel altijd treffelijk gedregen?" vroeg ze plotseling, hen om de beurt met haar slappe, fletse oogen eenigszins wantrouwend aankijkend.

Zij schrikten beiden heftig op bij die zoo onverwachte vraag en keken elkaar even met onthutste verbouwereerdheid aan. Rozeke kreeg een kleur als vuur en haar wimpers gingen vlug en zenuwachtig, als zou ze gaan schreien, over haar eensklaps neergeslagen oogen op en neer, terwijl Alfons, zich strak vermannend, nicht Begijntje frank in het gezicht dorst aankijken en met de kloekheid van een rein geweten antwoordde:

"Altijd, altijd, nichte Begijntje, d'er 'n es giene meinsch op heul de weireld die ons iets te verwijten het."

Die kranig uitgesproken verzekering scheen nicht Begijntje ten zeerste te bevredigen. Zij knikte goedkeurend met het hoofd en haar nat-bevend afhangende onderlip pruttelde iets van tevredene waardeering. Toch meende zij dat rein met elkaar omgaan vóór het huwelijk lang niet alles was, en weer sprak zij hen over den heiligen Tobias, die drie dagen en drie nachten met zijn vrouw in zuiverheid had geleefd.

Alfons had alle moeite om een plotseling in hem opstormende lachbui te bedwingen. Hij beet op zijn lippen en gluurde schichtig naar Rozeke, die ook even met een vluggen blikstraal naar hem opkeek en toen weer met hooge kleur haar oogen zedig neersloeg, terwijl haar mooie lipjes even onbedwingbaar-zenuwachtig over elkaar schoven en trilden.

Gelukkig merkte nicht Begijntje er niets van op; en zij bleef rustig door haar stokpaardje berijden:

"Da ge mij wilde beloven van gedurende drei doagen en drei nachten lijk den heiligen Tobias in zuiverheid te leven, 'k zoe ulder huwelijk zegenen en ulder geluk helpen bewirken."

Alfons zat op de pijnbank en Rozeke kreeg het zóó benauwd dat haast tranen van verlegenheid en schaamte in haar neergeslagen oogen kwamen, terwijl een zenuwachtig grimas haar lippen onophoudend van het lachen naar het huilen heen en weer trok.

Maar nicht Begijntje zat met strak-starenden, fletsen blik op een positief antwoord te wachten, en Alfons dacht hoe oud en rijk ze was en hoe ze hen kon bevoor-of-benadeelen in haar testament, En hij zei, met een doffe stem die van inspanning trilde, terwijl ook hij zijn beschaamde oogen instinctmatig als een schuldige neersloeg:

"Nichte Begijntje, 'k beloof ou da'k al zal doen wat da 'k kan om...."

Op 't oogenblik dat hij het met een laatste aarzeling zeggen zou ging de deur zachtjes open, en als een engel van verlossing trad het vriendelijk jong begijntje binnen met een volgeladen presenteerblad op haar beide uitgestrekte handen.

Alfons zweeg plotseling; en nicht Begijntje zelve betuigde hem met een goedkeurend hoofdgeknik dat zij genoeg begrepen had, terwijl het jong begijntje 't zware blad met kan, kopjes en koekjes vóór haar op de ronde tafel plaatste.

"'t Es seekelou," sprak nicht Begijntje. "Ge goat 'n taske seekelou drijnken en'n boterkoeksken eten ier da ge veurt goat."

De ochtend-chocolade met broodjes die zij na de trouwmis in _d' Ope van Vrede_ gebruikt hadden, lag hun nog zwaar op de maag, en zij voelden geen de minste lust om nog eens weer het zelfde te gebruiken, doch de uitkomst was er een zóó ongehoopte en welkome, dat zij terstond, met ongeveinsde verrukking bijschoven en vol graagte het weeë, zoeterige goed naar binnen werkten. Het jong begijntje en de oude nicht deden er trouwens aan mee, de laatste akelig morsend met haar kwijllip en haar tandeloozen mond; en toen zij gegeten en gedronken hadden mochten zij eindelijk opstaan en afscheid nemen.

"Wacht," brabbelde nicht Begijntje, "hier es nog wa veur ulder, moar... moar 'n verlies het niet... en keupt er ulder 'n stik in ulder huishouën mee."

Zij ging met haar bevende hand in een mandje, dat het jong begijntje in een kast voor haar gaan halen was en nam er van onder een kerkboek en een sleutelbos een bankbriefje van honderd frank uit.

"Ha moar nichte Begijntje, 't es te veele!" riep Alfons gansch ontroerd.

"Neem moar, neem moar,... moar 'n verlies het niet, en... en vergeet ulder belofte niet...." zei nicht Begijntje.

Met bevende vingers nam Alfons het kostbaar papiertje aan en stopte het zorgvuldig in zijn binnenzak. Innig ontroerd stond hij vóór haar, hij zag ineens als heel nieuw en onbekend nicht Begijntje, een goed en liefdadig oud mensch met een paar zonderlinge eigenaardigheden, en hij voelde plotseling dat het hem werkelijk spijten zou als zij er eenmaal niet meer was.