Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1

Chapter 4

Chapter 43,695 wordsPublic domain

Wild moesten zij eensklaps allen schateren om de gekke woorden en gebaren van den Krommen Bulcke. Hun eerste schroomvalligheid was voorbij en de gezichten glommen van vreugd, op de rijke bezoekers bevestigd. Irma Pese keek den jongen man met glinsterende oogen aan.

"What did he say? Why do they laugh for?" vroegen de Engelsche.

Maar de Krommen Bulcke liet zich door hun spotten niet uit het veld slaan. Hij was ontroerd en hij was dronken, en plotseling kwam hij waggelend en hinkend naar het viertal toe, en barstte daar voor hen in tranen uit, klanken krabbelend, die niet meer te verstaan waren.

"Why does he cry now!" riepen verbaasd de Engelsche.

Maar al de andere slijters lachten en schaterden steeds luider om den Krommen Bulcke, die niet meer tot bedaren was te brengen, en nu volstrekt in zijn vuile, natte hand, de fijne hand van den heer poogde te drukken.

"Hij'n wilt ou smeirige peuten niet!... dat't nog van 'n meiske woare!" spotte Vaprijsken, die de blikken van den jongen man op Irma Pese wel gemerkt had. En hij riep naar de dikke deerne:

"Toe, Irma, gee gij hem e-kier 'n handsjen!"

Maar de bezoekers hoorden 't niet; zij trokken zich langzaam voor de penibel wordende emotie van den Krommen terug, met vriendelijke glimlachjes en knikjes, als goede vorsten, die hun trouwe onderdanen met een weldadig bezoek hebben vereerd. Mejonkvrouw Anna klopte Rozeke in 't voorbijgaan vriendelijk op den schouder en glimlachte ook welwillend en als 't ware goedkeurend naar Alfons. En ook de twee stijve, magere Engelsche glimlachten en knikten nog eens apart voor Rozeke en Alfons; en weg waren ze, voorzichtig schrijdend door de modder, dwars over 't weiland naar den landweg, in de richting van 't kasteel.

Nauwelijks waren zij uit zicht, of al de vrouwen begonnen verward en ondereen te snateren. Zij hadden 't tegelijkertijd over de mooie kleeren, over de twee leelijke, magere Engelsche, over die schoone, lieve jonkvrouw Anna en over den milden heer dien zij nog nooit te voren gezien hadden.

"Doar zilt-e van heuren! da es mejonkvreiw Anna's lief!" riep opgewonden Irma Pese.

"Ge zoe't gij meschien zijn lief wille zijn!" gekte Vaprijsken.

Luid moesten zij allen giegelen en schateren.

"'k Weinsche dat ik 't heure woare!" riep de Seissekoker.

"O gie leulijke vuilbek!" schimpten de vrouwen.

Zij babbelden daar nog druk over na en kwamen tot de conclusie dat het waarschijnlijk toch wel was zooals Irma zeide: jonkvrouw Anna's lief. Zij vonden hem een mooien, flinken man, en wat moest hij schatrijk zijn om zoo maar ineens twintig frank ten beste te geven.

"En ienen die de meiskes geire ziet es 't euk!" riep oude Sieska.

"Joa? joa?... woaraan zie-je gij da, Sieska?" schaterden zij.

"Mijn eugen 'n zitten in mijne zak nie!" schetterde de oude. "'t Es ienen die 't katsen in 't donker zoe pakken, da zegge 'k ik ulder!"

De mannen proestlachten, de meisjes kronkelden zich en sloegen van de pret op haar billen.

Vaprijsken, lachend in zijn gelen baard, haalde 't mooie stukje uit zijn vestzak en hield het in de hoogte.

"Fouitt!" floot hij, het wenkend gebaar van den heer nabootsend.

Allen kwamend joelend om hem staan. Er werd beraadslaagd wat zij er mee zouden doen.

"Verdrijnken, nondedzju!" riep de Seissekoker.

Maar luide kreten van protest lieten zich hooren. Zij hadden al te veel gedronken, en er werd besloten dat zij 's avonds 't stukje zouden deelen.

Vaprijsken stopte 't zorgvuldig weer in zijn binnenzak, en staarde nu met ondeugend-glimlachende oogen naar Alfons en Rozeke. Hij was in dol-grappige luim en riep tot de anderen:

"Zeg ne kier, jongens, verstoat-e gulder Fransch en Yngelsch?"

Allen lachten, ontkennend hoofdschuddend.

"Ik wel!" riep Vaprijsken. "Oh yes, écoutez!"

"O gie zot!" giegelden de vrouwen.

Vaprijsken nam enkele vlasstengels bij elkaar, verboog ze tot een soort van bril en keek er door naar Alfons en Rozeke, zooals een van de Engelsche gedaan had.

"C'est ça Alfons en Rozeke, die mee malkander vrijen," gekscheerde hij....

Opnieuw schaterden en giegelden zij allen overluid terwijl Alfons en Rozeke, hoogkleurend, gegeneerd-glimlachend stonden te kijken.

"Eh bien çé bon, ze zijn getreiwd!" riep Vaprijsken. En vóór ze den tijd hadden hem te ontwijken duwde hij Alfons zóó ruw tegen Rozeke aan, dat ze beiden, onder luid gejuich en gegil, in den hoop zaadkorrels omver vielen.

* * * * *

Maar het werd avond en de lucht betrok alweer met zware, donkere, goud-omrande wolken. De stapel vlasbundels was spoedig aan het verdwijnen en sinds een poos reed Smul, geholpen door twee mannen, opnieuw van en naar den vlasgaard heen en weer, om wat ginder nog overbleef te halen. Hij kwam juist met den laatsten wagen aan den rootput, toen de laatste bundel van den voorraad er werd ingedoopt, en schril gejubel begroette zijn verschijning. In vliegende haast werd de vracht beneen geworpen, en enkele vrouwen, waaronder ook Rozeke, sprongen op den wagen om er de laatste stengels af te bezemen.

De lucht was intusschen bijna zwart geworden. Alles kreeg vreemde, fantastische vormen en kleuren: de rootput lag daar als een donkere, peilloos-diepe kuil, de weilanden strekten zich als een vale, dorre vlakte uit, de dichte boomenkruinen langs 't kanaal rezen als sombere heuvelkammen, de kerktoren stond spierwit, ijl, klein en broos als een speeltuigje door kinderhanden daar geplaatst, en 't rijpend koren aan den landweg blikkerde met sulfergele golvingen, als wasemden er zwaveldampen uit op. De bruingebrande gezichten van de slijters hadden een ongewone, bijna grijnzende uitdrukking, het grazend vee troepte zich loeiend ergens samen, en de paarden werden zenuwachtig-ongeduldig, ter plaatse trippelend, met rillingen over hun klamme huid, als voelden zij, in bange gejaagdheid, het dreigend naderen van het gansch den dag verwachte onweer. Zelfs hun vrees voor Smul, die driftig de gebitten schudde, was niet meer in staat ze te kalmeeren; en haastig gooiden de mannen reeds met groote schoppen op den nog maar half schoongeveegden wagen de zaadkorrels welke Smul naar de hoeve zou vervoeren, toen plotseling een verblindend vuurzigzag, bijna onmiddellijk door een krakenden donderslag gevolgd, het donker zwerk doorscheurde en doordaverde. De slijters vluchtten gillend weg, de paarden sprongen op en schoten toe, en als de bliksem zelf waren zij om en weg, in dolle vaart achter zich rukkend den ratelenden, hobbelenden wagen, waarop nog enkele vrouwen en de leidsman woest door elkaar werden geslingerd en geschokt. De slijters hoorden een korten, schrillen kreet, zagen, in 't halfduister, een vrouwengestalte uit den wegstormenden wagen springen of vallen, en toen een tweede en toen een derde, en toen nog een die springen wilde, maar op 't laatste oogenblik met ruw geweld door twee mannen-armen,--van Smul--werd achteruitgetrokken en binnen in den wagen neergesmakt.--Meer zagen zij niet. De wagen was donderend om den hoek van den landweg tusschen het sulfergeel-blikkerend koren verdwenen, en plotseling, met rauw gegil, stormden zij hem allen achterna.

* * * * *

Rozeke, de laatste der vier, op den weghollenden wagen gebleven meisjes, lag half bewusteloos, plat op den plankenbodem, in de dunne laag zaadkorrels uitgestrekt.

De wagen sprong en kraakte, bonsde scheef en schots, nu eens als 't ware schokkend over een berg en dan plots weer neerploffend als in een afgrond; en in het donderend geratel van het onweer en het flitsen van de bliksemstralen hoorde Rozeke aanhoudend een reusachtig snuivend en rythmisch gejaag, alsof een machtige, schor-hijgende stem onophoudelijk, in overijlend-vlugtellen, de steeds herhaalde getallen: een twee drie! een twee drie! een twee drie! uitbulkte. Dat was de rythmisch-stormende galopvlucht der weghollende paarden. Zij slaakte een noodkreet en richtte zich half overeind, eensklaps tot het volle besef der werkelijkheid opgeschud, en zag in het halfduister Smul van voren op den wagen staan, de beide handen aan de leidsels, het lichaam achterover, de beenen van elkaar gesperd. Hij schoorde zich met beide voeten tegen de op en neer dansende voorplank, en zijn hoofd, en schouders schokten en zwenkten met het schokken en het zwenken van den wagen mee, als stond hij er op vast gespijkerd. Hij hoorde haar noodkreet, keerde fluks het hoofd half tot haar om, schreeuwde haar toe, in korte, afgebroken woorden:

"Stille!... nondedzju!... liggen!... Bijt... op ou tanden!... anders... ou tonge!..."

Hij slaakte plotseling een vloekschreeuw van pijn: door zijn roepen had hij zelf, in 't schokken van den wagen, de tong tusschen zijn tanden geklemd, en 't bloed spatte uit zijn mond. Hij schoorde zich nog hardnekkiger met de voeten tegen de voorplank, hing met al de kracht van zijn zwaar lichaam achterover aan de leidsels....

"Ivo! Ivo! help mij!" schreeuwde zij verwilderd, overeind, op haar knieën, de oogen uitpuilend van doodsangst, haar beide handen aan de heen en weer schuddende zijplanken geklemd.

"Nondedzju!... stille!... roep niet!... gemoakt... de peirden... roazend!" gilde hij tegen.

Maar zij schreeuwde al harder en harder, uitzinnig van schrik, en steeds woester bruiste, als een sombere verdelgingsmacht, in 't dreunen van het onweer, de doffe, razend-snelle rythmus van de weghollende paarden, terwijl de wagen, van den landweg afgedwaald, nu dwars door 't akkerland over voren en door kuilen schokte, als in blinde stormvaart naar den dood.

Plotseling was't of hij door ruischend water holde, en meteen stuitte aanzienlijk de dolle woestheid van zijn vaart. De wilde paarden waren vlak in een hoog korenveld terecht gekomen. Zij rukten er toch door en sprongen weer als leeuwen, met vliegende manen door een klaverveld; maar achter de klaver was nog een partij koren, en daar plofte eensklaps een der paarden neer en werd de wagen met een krakenden schok tot staan gebracht. Rozeke bonsde met ruw geweld tegen Smul, die voorover van den wagen stortte, boven op het neergevallen, spartelend paard.

Met duivelsche snelheid vloog hij weer overeind, rukte en schokte razend het omgevallen beest weer recht, sprong naar de schuimende gebitten en liet er zich met beide klauwen, als een klit aan hangen. Hij blies en hijgde, het zweet droop van zijn vuurrood aangezicht, zijn wreede oogen stonden uitgepuild, zijn bloedende, bevende lippen vloekten de afschuwelijkste verwenschingen uit. Hij bezat zichzelf niet meer van woeste furie, hij liet eensklaps de gebitten los en sprong met beide klauwen op de snuivende, blazende neusgaten der paarden, en schudde en kneep ze met het snijdend-scherpe van zijn nagels toe, als om de beesten te verstikken. Zij hinnikten van pijn en trilden op hun beenen, plotseling tam als schuwe lammeren, de druipende huid als met een dikke laag van wit-schuimende zeep bedekt, den staart tusschen hun doorzakkende schenkels ingetrokken. Eerst toen hij zelf geen kracht meer had om ze te slaan, te schoppen en te knijpen liet hij ze los, en kwam met een helschen glimlach van overwinning naar Rozeke toe. Hij veegde met zijn mouw zijn schuimenden, bloedenden mond af; en vóór ze in haar bevende, huilende ontsteltenis kon gissen wat hij doen wou, greep hij haar woest in zijn sterke armen en drukte haar een hartstochtelijk-wilden zoen op den mond.

"Nou... nou of noeit!" brulde hij schor.

Zonder aarzelen, zonder een oogenblik te pogen hem met zachtheid of door smeeking af te weren, intuïtief en instinctmatig in haar gruwelijken angst en afkeer, wrong zij 't hoofd op zij, en slaakte een kreet, één enkele, zoo hard als zij kon:

"Alfons! help mij! meurd! meurd!"

Als een veertje tilde hij haar op, smakte haar omver, stortte met haar in 't vertrapte koren neer.

Maar de doodsangst en 't gevaar gaven haar eensklaps bovenmenschelijke kracht en vlugheid. Als een springveer schokte zij zich op, sprong door het weggeslingerd koren, gilde opnieuw een rauwen kreet, alsof hare keel er van openscheurde:

"Alfons!... help mij! meurd! meurd!"

Kreten galmden in de duisternis op korten afstand, en 't oogenblik daarna rukte de hijgende slijtersbende door het hooge ritselende koren aan, en kwam Alfons huilend en roepend op haar afgevlogen:

"Rozeke!... Och Hiere, Rozeke!... Leeft-e nog? Hé-je geen lied."

"Niets! niets!" juichte zij heesch haar redder te gemoet.

Hij greep haar in zijn armen en zoende haar hartstochtelijk, niet bang meer voor de opspraak van de anderen, niet aarzelend haar als iets dat nu van hem was te verdedigen en te beschermen. En toen hij, angstig haar aankijkend en betastend, eindelijk overtuigd was dat haar niets geen leed was overkomen, toen barstte hij als een kind in tranen uit, en trok haar smeekend met zich mee, verre van den akeligen wagen, waar al de anderen nu in angstig druk gepraat omheen stonden. Gedwee volgde zij hem, nu ook ineens ontspannen na de heftige emotie, tranen van zachte herleving weenend, heel zacht tegen hem aangedrukt die plotseling als haar redder was verschenen, en haar nu zijn leven lang beminnen en beschermen zou.

Zij kwamen door 't vertrapte koren en de klaver op den landweg, en zonder op de anderen te wachten gingen zij vooruit, in de richting van de hoeve. Hij ondervroeg haar nu met angstige, teedere bezorgdheid; hoe of 't gekomen was? waarom zij ook niet uit den wagen was gesprongen? en of zij niet gedacht had dat haar laatste oogenblik gekomen was toen de wilde paarden met haar door en over alles heen wegholden?

Zij wist het niet meer, zij kon niet antwoorden. Alles was zoo bliksemsnel gegaan; alleen ja, dat wist ze: dat ze nooit gedacht had levend er van daan te komen. De paarden waren door den donderslag geschrokken, maar Smul had er toch ook wel schuld aan: hij had zijn beesten heel den dag zoo wild en woest gejaagd en opgezweept.

"En wat dee Smul as de woagen eindelijk in 't keuren stille stond?" vroeg hij plotseling.

"Hij..." ze wou het zeggen, maar een plotselinge intuïtie deed haar zwijgen. Smul was een dierlijke woestaard, maar hij was sterk en moedig, en zijn onverschrokken koenheid had haar wellicht het leven gered. Zij was bang, doodsbang voor hem geweest als voor een moordenaar; maar haar angst en toorn waren over en iets zei haar dat zij hem nu niet te zwaar beschuldigen mocht.

"Hij hé zijn peirden wried geschupt en geslegen," antwoordde zij.

Hij liet haar los en zij liepen een poosje zwijgend door, als 't ware elk in zijn eigen gedachten. De duisternis was bijna gansch gevallen en het onweer trok af, maar aan den grauwen horizon flitsten nog bij tusschenpoozen scherp-zigzaggende weerlichten, die dan voor een oogenblik den blonden landweg met zijn kronkelende wagensporen, de neerbuigende natte korenakkers, de malsche groene en paarse klavervelden zoo scherp en helder als bij klaren dag verlichtten. De lucht was heerlijk frisch geworden en de verre donder bromde slechts heel lang na elken bliksemstraal, in doffe trillingen zwaardreigend over andere gewesten.

Toen nam hij eindelijk heel zacht weer hare hand, en zoo eenvoudig en natuurlijk alsof 't niet anders kon, zei en vroeg hij haar met diepe, kalme, ernstige stem, dàt wat hij maanden lang in kwellende schuchterheid geaarzeld had te durven zeggen en te vragen:

"Rozeke,... 'k zie ou geiren;... wilt e mee mij treiwen?"

Haar handje had een korte trilling van emotie en verrassing en een teere zucht steeg van haar lippen.

"Joa ik... 'k zie ou euk geiren," antwoordde zij heel stil, heel zalig-zacht ontroerd.

Hij legde zijn arm om haar middel en plotseling begon zijn hand hevig te beven. Hij wilde nog veel meer zeggen, maar kon niet. Zijn droge keel hikte telkens de woorden van liefde en ontroering diep in zijn binnenste terug.

"Rozeke... Rozeke..." herhaalde hij enkel met streelende stem; en vanzelf neeg haar hoofdje naar het zijne, en in de duisternis vonden zijn zoenende lippen haar frisschen mond....

* * * * *

Zwaar-dreigend trok het verre onweer steeds dieper naar het zuiden af, en in de schoongeveegde, hoog-donkerblauwe lucht schitterden nu de stille, gouden sterren.

Zij spraken geen woord meer; zij konden niet meer spreken. Hun ziel was te vol, te gelukkig. Maar als onscheidbaar hielden zij zich tegen elkaar aangesloten, in een gevoel van wederzijdsche sterkte en bescherming, die voortaan alles kon trotseeren.

Daar blonken reeds, in 't kort verschiet, laag bij den grond, de stille lichten van de groote hoeve; en achter zich aan hoorden zij vaag het druk gepraat der opgewonden slijters en het dof geratel van den wagen, die nu in kalmen gang met de getemde rossen terugkwam.

Hij liet haar los en aan den ingang van de oprijlaan voegden zij zich bij de anderen, die hun korte afzondering niet eens bemerkt hadden. Allen praatten in driftige verwarring over het geval, en op den drempel van het woonhuis stond de boerin, angstig roepend van verre wat er toch gebeurd was.

"Niets,... niemendalle; de peirden die 'n beetsen hoastig woaren om noar huis te komen," snoefde Smul.

De slijters lachten, en driest, als uitdagend, liet hij zijn zweep boven de schuddende manen der nog bang-trillende, schuimende beesten knallen.

Als een trage kudde drongen de afgematte sjouwers onder zwaar klompengetrappel naar binnen.

"Es den boer bij ulder niet?" vroeg de boerin.

"Nien hij, bezinne," antwoordden enkele stemmen.

"O die smeirigen dronkoard!" bromde zij, bevend van gramschap.

In 't helder licht der ruime keuken stonden de reusachtige kommen "slijtpap" wachtend op de lange, ruw-houten tafel te dampen. Als uitgehongerden vielen de slijters er op aan. Enkele waren zóó moe dat hun zware oogleden onder het slurpend eten neerzakten.

Reeds een volle week hadden de meesten dag aan dag bij verschillende boeren "gesleten"; en morgen vóór het eerste daglicht zouden zij opnieuw beginnen...

Noot:

[1] Rootveld.

* * * * *

II.

Toen de oogst veilig opgeborgen in de schuren zat, of ten allen kante in groote schelven op het kaalgeschoren land stond; toen het tenger rapenloof begon te kiemen op de wijde akkers waar het gouden koren had gegolfd; toen stille rust kwam na den zwaren arbeid, en boeren en boerinnen overal met vroolijke gezichten in hun beste kleeren naar de kermisdorpen togen, greep het huwelijk op een zacht-zonnigen September-ochtend plaats.

Alfons' moeder had wel eerst wat geklaagd en gebromd, onaangenaam door de gebeurtenis in haar bedompt stilleventje van oude, ziekelijke vrouw verrast; en ook Rozeke's ouders hadden er wat tegen opgezien, omdat het meisje nog zoo jong was, maar tot feitelijk verzet was 't niet gekomen.

"Zurgt da g'aan de kost komt," had Rozeke's vader gezegd; en Alfons' oude moeder had slechts één voorwaarde gesteld, maar een streng-besliste: dat ze de goedkeuring van nicht Begijntje moesten hebben.

Dat was een angst geweest!... Bevend waren Alfons en Rozeke naar het Begijnhof in de stad gegaan, en als twee schuldigen waren zij vóór nicht Begijntje verschenen.

Doch het was meegevallen. Nicht Begijntje, oud en half verkindscht, had te nauwernood eenige verwondering laten blijken. Zij had weinig notitie van Rozeke genomen en eindeloos geklaagd over haar eigen gezondheid, die den laatsten tijd zoo achteruitging. Zij waren weldra zoo totaal van het doel huns bezoeks afgedwaald, dat Alfons haar eraan had moeten herinneren en met trillende stem aan nicht Begijntje gevraagd had of ze 't wel goed vond, dat ze met elkander trouwden.

"Joa ik," had nicht Begijntje geantwoord, "op conditie da g'ulder veur ulder huwelijk deftig gedroagt en in de zonde van onkuischheid nie 'n vervalt." En streng had zij Rozeke even aangekeken.

Rozeke had blozend haar oogen neergeslagen, maar Alfons had moed gevat en plechtig verklaard dat nog nooit iets verkeerds tusschen hen gebeurd was, en dat het vóór hun huwelijk ook niet gebeuren zou.

Daarmee was nicht Begijntje tevreden geweest en verder had zij over hun wederzijdsche plichten gesproken. Het scheen in haar versuften geest van oude kwezel onomstootbaar vast te staan, dat de vereeniging der beide seksen--zelfs de door den echt gewettigde--iets buitengewoon akeligs en onteerends was, hetwelk tenauwernood door een voorbeeldig kuischen omgang vóór het huwelijk eenigszins vergoed kon worden. Zij zelve was veel te fatsoenlijk geweest om te trouwen, beweerde ze; en zij noemde hun tot voorbeeld den heiligen Tobias, die na zijn huwelijk drie dagen en drie nachten met zijn vrouw in zuiverheid leefde. Met deze en andere vermaningen had zij hen eindelijk laten gaan, maar hun doen beloven, dat zij op hun trouwdag,--dien ze toch zeker wel volgens gebruik in de stad zouden doorbrengen--haar nog eens moesten komen opzoeken.

Met Smul, daarentegen, hadden zij vervelender gescharrel gehad.

Toen hun voorgenomen huwelijk publiek bekend werd, was Smul wild aan 't drinken gegaan en had in alle herbergen geschreeuwd dat Rozeke de zijne was geweest, dien avond van de slijting, toen de stormende paarden met hen beiden op den wagen in het koren waren weggehold. Dagen lang had hij als gek geloopen, zwerend dat hij Alfons zijn mes door 't lijf zou halen indien hij hem ontmoette; hij had zijn dienst opgezegd en was gaan landloopen; en op een avond was hij komen schelden en brieschen vóór 't huisje van Rozeke's ouders, zóó gemeen beleedigend, dat haar broeders en haar vader op hem af gevlogen waren en geducht hem hadden afgeranseld.

Sinds was hij weer bedaard en uiterlijk kalm geworden. Hij had opnieuw zijn dienst als paardenknecht genomen bij boer Kneuvels, en werkte als een lastdier, somber in zichzelf teruggetrokken, geen nutteloos woord tusschen zijn halsstarrig-dreigend gesloten lippen doorlatend. Maar Rozeke bleef doodsbang voor hem en vermeed stelselmatig elke gelegenheid hem te ontmoeten. Zij was geen enkele maal meer bij boer Kneuvels komen werken, en in haar schrik had zij ook aan Alfons zijn woeste aanranding in 't koren, op dien avond, met de weghollende paarden, verteld.

"Rozeke, zweir mij da ge de woarheid zegt; zweir mij dat er nie anders gebeurd 'n es en dat de sloeber liegt!" had hij haar plechtig-dringend gevraagd.

"'k Zweire 't ou, Fons; 'k mage deudvallen as ik ou de woarheid nie 'n zegge!" had zij met onwrikbare beslistheid geantwoord. En frank in het gezicht had zij hem met haar mooie, kinderlijk-reine, blauwe oogen aangekeken.

"'k Geleuf ou," had hij ontroerd geantwoord: en verder was er niet meer over gesproken.

* * * * *

Even vóór negen uur kwamen zij op het gemeentehuis, waar het burgerlijk huwelijk zou voltrokken worden. Zij waren beiden gansch in 't zwart gekleed, hij met een rond hoedje, het donker haar zorgvuldig gestreken en 't zwarte snorretje gekruld, netjes als een heer; zij met een schitterend-witten onderrok waarvan zij het randje liet zien en een zwart-tullen hoedje, met hel-witte-en-rose bloemen. Zij zag er frisch en jeugdig uit als een nog heel jong meisje. Haar zachte wangen hadden, onder hun warme tint van zonnebruinheid, de teere, frissche kleur van de bloemen op haar hoofd en haar blauwe oogen schitterden, als glanzende vergeet-mij-nietjes.